Vijftig jaar geleden: “Actie Tomaat” (deel twee)

Vijftig jaar geleden: “Actie Tomaat” (deel twee)

In 1968 had Hugo Claus nog samen met Alex van Royen en Carlos Tindemans “T 68 of de toekomst van het theater in Zuid-Nederland” geschreven, waarin hij experimentele theaterstandpunten verdedigde. Later zal dat veranderen. Zo lokt hij reeds in 1969, middenin de Actie Tomaat, een incident uit. Toen ging in de Amsterdamse schouwburg zijn stuk “Vrijdag” door de Nederlandse Comedie in première.

Aangezien Claus hier op het eerste gezicht teruggrijpt naar het naturalistische toneel (vgl. met “Driekoningenavond” van Cyriel Buysse b.v.) en in interviews vooraf nog wat olie op het vuur had gegoten door te stellen dat al die discussianten leuteraars zijn die niet weten waar ze over praten, dat met name het toneel niet dood is, maar dat er een tekort is aan echte persoonlijkheden, dreigde men in de pers reeds “die ouwe zak” (sic, Claus was toen 40) eens de les te spellen. Daarom posteerde Claus zijn boksende broers in de zaal om eventuele tomatengooiers tot andere inzichten te brengen. Maar het was niet nodig. Het werd een succes. Claus: “Theater bestaat voornamelijk uit een communicatie die tot nader order nog altijd verbaal moet zijn. (…) Wat men dan een beetje smalend ‘dichterlijk’ noemt, is de essentie van het theater: Haal je van Shakespeare de taal weg, dan krijg je alleen maar ridicule, nonsensicale verhalen die nergens op slaan, waarvan de psychologie niet klopt, enfin, alles is één ratjetoe. Is er iets belachelijker dan de plot van ‘Hamlet’? Is er iets idioter dan ‘Twelfth Night’, dan ‘A Midsummernight’s Dream’? Dat is pure kolder, niet eens goed voor een comic-strip. Het bestaat in functie van wat er daar met woorden gedaan wordt. (…) De laatste jaren krijgt de toneelschrijverij hier te lande echter een heel koddige dimensie: men neemt vier pagina’s Heidegger en een stuk of wat krantenknipsels en gaat die vervolgens, met z’n allen improviserend, op de planken brengen. We hebben momenteel een theaterlandschap van diepe treurnis. Men schijnt hier te vergeten dat toneel een onzuivere kunst is, die eist dat er rekening gehouden wordt met de tweehonderd mensen die zitten te kijken en van wie een aantal nauwelijks kan lezen of schrijven. (…) Ik geloof in elk geval niet in wat men met een gekke term aanduidt als het rituele theater, ’t schuimbekkend over de grond rollen en het gepiep en gekwijl en het collectief hysterische: wij hebben namelijk geen goden, dus waarom zouden we een rite opvoeren alsof we wel goden hadden? Da’s allemaal hocuspocus waar ik niet in geloof en in de zogenaamde diepverborgen persoonlijkheidslagen die je met zo’n toneel aanboort, geloof ik evenmin.”
Dat wil anderzijds niet zeggen dat met name “Vrijdag” vol verwijzingen zit, zowel naar de heidense (Germaanse), de Griekse en de christelijke mythologie. Claus zal zijn eigen stuk in 1981 verfilmen.
Alhoewel Hugo Claus soms (niet altijd, zie hier ) net als Louis Paul Boon mei ’68 eerder als een kleinburgerlijke revolte beschouwt (hij zat echter ironisch genoeg in de vermaarde brasserie Lipp te eten toen daar een traangasgranaat werd binnengegooid), schrijft hij rond die tijd toch “Reconstructie”, een operatekst samen met Harry Mulisch die een eerbetoon wil zijn aan Che Guevara. Ook in 1993 blijven beiden trouwens vasthouden aan hun geloof in Cuba. Als men het “ondemocratische” karakter van het regime aanhaalt, repliceert Claus in Humo: “Democratie is niet een pleistertje dat je overal kunt opplakken, op sommige plekken schiet zij te kort: in de kunst b.v.”
In 1970 volgt “De Spaanse hoer”, naar het 15e eeuwse “La Celestina” van F. de Rojas.
Van 1970 tot 1974 zetelt hij in de redactie van De Gids. Samen met Johan Daisne dus blijkbaar…
In het najaar van 1970 publiceert Claus twee omvangrijke poëziebundels : “Heer Everzwijn” (waarvoor hij de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie krijgt) en “Van horen zeggen”.

Het hoekje van Opa Adhemar (23)

Het hoekje van Opa Adhemar (23)

“Niet dat ik iets heb tegen een kerkhof; volstrekt niet. Maar… er zijn die stenen! Die te vele stenen, die wanstaltige, gestolde zee van zerken, die nachtmerrie van vloekende formaten en tinten, dat volledige gemis van architectuur, die bandeloosheid, gelaten aan de lelijke ijdelheid der overlevenden – al zij deze, op zichzelf beschouwd, gewis ook aandoenlijk.” Aan het woord is professor G.M. in het verhaal ‘Shalimar’ (1943) van Johan Daisne. Hoewel: even later staat de man samen met een oude collega te mijmeren bij een oud grafmonument waar een hen onbekende ligt; de inscriptie is inmiddels vervaagd, onleesbaar. Het zet aan tot filosofische, zelfs poëtische beschouwingen. Zo’n nachtmerrie is het dus al bij al niet.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (23)”

Het hoekje van Opa Adhemar (16)

Het hoekje van Opa Adhemar (16)

Beste papa Balzac,
“Je moet zelf wel een heel dichterlijke ziel zijn om een schrijver zo goed te hebben willen begrijpen. Wat je zegt over dat ‘reizen’ vind ik prachtig geformuleerd; als men me ooit eens verwijt dat ik in mijn boeken te veel zou reizen, zal ik antwoorden met jouw voortreffelijke verdediging. Ook wat je zegt over de verhouding poëzie – proza vind ik heel gevat; velen zien het anders maar jij hebt volgens mij gelijk.”
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (16)”

Het hoekje van Opa Adhemar (14)

Het hoekje van Opa Adhemar (14)

Mijn toneelcarrière, indien zij zo mag genoemd worden, vindt haar bron bij mijn vroede voorvaderen. Of althans bij die ene, mijn vader! Hij startte zijn bescheiden maar uiteindelijk in beperkte kring veelbesproken theaterloopbaan in zijn geboorteplaats Boom op het podium van de lokale feestzaal. Bij de plaatselijke toneel- en zangvereniging. Met aan zijn zijde de later gerenommeerde Yvonne Verbeeck die furore zou maken naast Gaston en Leo, en in series als de Kolderbrigade en Benidorm. Van haar herinner ik mij vooral dat ene zinnetje: “sjoklat mé nutjes”. Ook de televisieregisseur Fred Kuypers moet daar met hem over de Bühne gestoeid hebben.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (14)”

Het hoekje van Opa Adhemar (13)

Het hoekje van Opa Adhemar (13)

Dat verblijf in K. Tussen de therapieën hadden we vrije tijd, veel vrije tijd. Helaas apprecieerde men het niet dat we ons vaak of lang in onze kamer terugtrokken. Restten dus de gemeenschappelijke ruimten. Te weten de tv-kamer. Waar ik geen voet zette. De programmakeuze van de medebewoners! En eerlijk, de buitenwereld interesseerde me allerminst. Zodoende was ik genoodzaakt mijn toevlucht en (on)heil te zoeken in de living. Met een boek. In aanwezigheid van de breiende of Libelle-lezende verpleegsters, en een aantal patiënten.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (13)”

Marc De decker alias Johan de Belie wordt zeventig…

Marc De decker alias Johan de Belie wordt zeventig…

Vandaag viert één van mijn oudste en trouwste vrienden, Marc De decker, in literaire middens beter gekend als Johan de Belie, z’n zeventigste verjaardag. Hij is nog altijd de meest productieve medewerker aan mijn blog, waarvoor zeker vandaag nog eens mijn oprechte dank.
Lees verder “Marc De decker alias Johan de Belie wordt zeventig…”