160 jaar geleden: “Ze herkende Satan in Mefistofeles”

160 jaar geleden: “Ze herkende Satan in Mefistofeles”

Morgen zal het 160 jaar geleden zijn dat in het Parijse Théâtre Lyrique Gounods “Faust” in première ging. Zelf besteed ik op mijn blog aandacht aan “Faust” bij Goethe en bij Charles Gounod, maar hieronder besteed ik even speciaal aandacht aan de rol van de duivel.
Lees verder “160 jaar geleden: “Ze herkende Satan in Mefistofeles””

Mitch Leigh (1928-2014)

Mitch Leigh (1928-2014)

Het is al vijf jaar geleden dat Mitch Leigh, de componist van “De man van La Mancha” (dat is dus niét Jacques Brel zoals velen schijnen te denken, Brel speelde – weliswaar schitterend – de hoofdrol in de Franse versie, maar daar blijft het bij), is overleden. Ikzelf heb enerzijds de film van Arthur Hiller uit 1972 gezien, waaruit hierboven het fragment met Peter O’Toole en Sophia Loren, en anderzijds twee Nederlandse versies, één met Marco Bakker in de hoofdrol en een tiental jaren later die met Ramses Shaffy. Twee keren bleef ik op mijn honger zitten…
Lees verder “Mitch Leigh (1928-2014)”

Bob Van der Veken (1928-2019)

Bob Van der Veken (1928-2019)

Maandag is de Antwerpse acteur Bob Van der Veken, bij het grote publiek vooral bekend als directeur Thienpondt uit “De Collega’s” (derde van links), op negentigjarige leeftijd overleden…

Het gekke is dat de lange loopbaan van Bob Van der Veken bij het theater op het internet wel compleet de mist lijkt ingegaan. Het enige wat ik erover vind, is… bij mezelf. En dan helaas nog niet eens in positieve zin. Want zo vertelt Tom Lanoye o.m. over zijn rol in “Blankenberge”: “Die ouwe janet, gespeeld door Bob van der Veken, moet b.v. op een bepaald moment een jonge Marokkaan pijpen. Ik weet natuurlijk dat dit niet kan op scène, maar vind daar dan toch een equivalent voor, verdomme. Nu zaten ze gewoon in de duinen wat over poëzie te spreken, ja zeg!”
Zelf ben ik gelukkig wat positiever als ik het heb over zijn rol van Buckingham in “Richard Everzwijn” van Hugo Claus in een regie van Eddy Vereycken. En wanneer hij met Cyriel Van Gent te zien is als Vladimir en Estragon in “En attendant Godot“, eveneens in het NTG, in 1993, in een regie van Sam Bogaerts, noem ik het duo “een soort reïncarnatie van de Dikke en de Dunne, waarbij vooral van der Veken verrast met een subtiel spel.”
Tien jaar eerder (in zijn volle glorieperiode als directeur Thienpondt) was ik minder tevreden over zijn prestatie in “De toevallige dood van een anarchist” van Dario Fo, nog altijd in het NTG. Ik schreef: “De agenten Hans De Munter en Bob Van der Veken voldeden echter minder. Hans is nog een student en werd wat al té vlug op de scène geduwd, terwijl Bob de lieveling van het publiek was (wegens Thienpondt uit « De Collega’s »?) en dit te nadrukkelijk wenste te affirmeren. Om iemand een schrijfmachine te zien kapot prutsen moeten wij overigens niet naar het theater gaan. Een collega doet dat hier dagelijks.”
Directeur Jef Demedts die graag de pers trachtte te manipuleren door hen tegen elkaar uit te spelen, viste dit fragment dan ook uit mijn recensie om het te contrasteren met een confrater die zowaar een andere filmgrootheid uit de annalen opdiepte: “Iets wil ik toch speciaal vermelden: wat Bob van der Veken maakt van de gemimeerde schrijfmachine-sequentie. Ik heb hem jaren geleden nog zo’n Chaplin-streken zien uithalen. In het geheel van de productie valt dit tussen de plooien, maar op zichzelf is het als prestatie voldoende om van deze productie een must te maken.”
Over “De kunst van de komedie” van Eduardo de Filippo in een regie van Jean-Pierre De Decker (1984) ben ik iets genuanceerder: “Hoofdrolspeler Bob Van der Veken trekt zijn tegenspelers mee in een wervelend tempo… althans na de pauze. Daarvóór is het eerder vervelend i.p.v. wervelend.”
Over zijn prestatie in Mevrouw Warrens broodwinning ben ik dan ten slotte weer niet te spreken (zij het dat ik zelf reeds een vergoelijking aanhaal): “Chris Boni zet deze rol met veel verve op het toneel. Hetzelfde kan niet worden gezegd van haar drie aanbidders, Roger Bolders, Bob Van der Veken en Cyriel Van Gent, al heeft dit meer te maken met de tekening door Shaw dan met het talent van deze heren.”
Antwerpenaar Bob Van der Veken maakte dus vooral carrière in het Gentse NTG. Ter gelegenheid van “De gekroonde leersse” noteer ik dan ook: “Geestig is vooral het feit dat Keizer Karel (Bob van der Veken) en zijn knecht Ambroos (een uitstekende Eddy Vereycken die de overleden Raf Reymen vervangt) Antwerps praten: de Gentenaars geraken hun complexen tegenover de Antwerpse superioriteit maar niet kwijt!”
Nadien speelde Bob op televisie nog gastrollen in Wittekerke (onderzoeksrechter), 2 Straten verder, Liefde & geluk (meneer Vervoort), Spoed (Jozef Sirou), Het eiland (Julien), De Wet volgens Milo (Rechter), Lili en Marleen (meneer Joost), Mega Mindy (Baron), De Kotmadam (Hubert), Matroesjka’s 2 (Kamiel Van Os) en in Grappa de rol van opa. Hij speelde ook twee gastrollen in F.C. De Kampioenen, waarvan één in 1996 als Paul Thienpondt!
Ondanks dat de meeste mensen hem kennen van televisie was Van Der Veken meer met theater bezig. Op 23 december 2006 stond hij voor de laatste keer op de planken, in het stuk ‘The Red Star Line’. Op zijn 78ste en na zestig jaar theater nam hij afscheid van het podium.

Lees verder “Bob Van der Veken (1928-2019)”

25 jaar geleden: “Duifke Klok” van Karst Woudstra

25 jaar geleden: “Duifke Klok” van Karst Woudstra

Morgen zal het al 25 jaar geleden zijn dat ik in het NTG naar “Duifke Klok” ging kijken van Karst Woudstra (foto). Chris BONI (Fenna Compier), Magda CNUDDE (Thisbe van Dijck), Karen DE VISSCHER (Liesje Schippers), Blanka HEIRMAN (Judith Ferf), Peter MARICHAEL (Stefano Gambineri), Lieve MOORTHAMER (Henriëtte Zondag) en Erik VAN HERREWEGHE (Niels Ferf) werden geregisseerd door Jan DEVOS.

Het was de eerste regie van Jan Devos sedert 1980. Nochtans had hij als pas afgestudeerde regisseur in 1974 een opmerkelijke voorstelling gebracht met zijn groep Het Keuntje. En in 1979 werd zijn “Escurial” in het NTG ook goed onthaald. Dan vertrok hij naar de Actors’ Studio en toen hij terugkeerde beperkte hij zich tot lesgeven aan het Brusselse conservatorium.
Hij was ook als filmer bedrijvig, b.v. als assistent van Delvaux bij “L’Oeuvre au noir”. Vandaar allicht dat Hugo van den Berghe aan hem dacht om een nieuw stuk van Mark Didden te regisseren. Didden (wel aanwezig op de première) kwam echter niet tijdig klaar en daarom greep men dan maar naar het nieuwste stuk van Karst Woudstra. De “filmrealistische” stijl heeft Devos wel aangehouden, dat blijkt ook uit het “halve murendecor” van Jan PLEYSIER en de kostuums van Marnik BAERT.
Vier dames van middelbare leeftijd (apothekeres Fenna Compier, schooldirectrische Thisbe van Dijck, pianolerares Henriëtte Zondag en “rentenierster” Judith Ferf) zijn ooit verliefd op elkaar geweest en nu brengen ze voor het eerst de zomervakantie door in hun landhuis in Toscane. Alles wordt in gereedheid gebracht voor een huis­concert door de jonge cellospelende zoon die de biseksuele Judith aan een losse scharrel heeft overgehouden. Maar de herinnering aan een op de kop 25 jaar geleden overleden vriendin, de legendarische operazangeres Duifke Klok gooit roet in het eten (oorspronkelijk heette zij “Duifje”, maar verder gaat de “vervlaamsing” niet). Zij heeft immers zelfmoord gepleegd en Thisbe houdt Judith daarvoor verantwoordelijk. Thisbe is destijds door Fenna in huis genomen toen ze totaal ontredderd was door die zelfmoord. Haar vroegere vriendin Henriëtte bleef ook inwonen, echter zonder verdere seksuele relaties, zodat deze emotioneel helemaal over haar toeren is. Als op de koop toe dan ook nog het bloedjonge apothekershulpje van Fenna ten tonele verschijnt, helemaal ondergescheten door het effect van bedorven ham gaan de poppen aan het dansen. Letterlijk zelfs want een pop, die de “pop”-kunstenaar Jeff Koons voorstelt, speelt ook een rol.
Dit stuk lijkt helemaal nergens op. “Ik heb helemaal geen enkele ambitie met mijn stukken,” zegt Woudstra ergens. “Ik schrijf ze omdat ik het leuk vind om ze te schrijven, omdat ik weet voor wie ik ze schrijf en dat is zeker het allerbelangrijkste. Vooral de acteurs dan.” Maar dat waren dus niet de acteurs van het NTG! (Al werd ook de creatie door Het Nationale Toneel van Den Haag slecht onthaald.)
Alles aan deze voorstelling klinkt immers vals van A tot Z. Niemand is geloofwaardig. Erik Van Herreweghe als jonge snotneus, die in een reusachtige onderbroek aan zijn piemel zit te trekken, kom nou! Of Peter Marichael als Italiaanse casanova, die meteen onder de voet gelopen wordt door “mannenverslindster” Blanka Heirman: hallo! En vanwaar haalt dat schijterige Liesje plotseling het lef om iedereen op het einde zomaar de les te spellen?
De ommekeer van Thisbe is trouwens al evenmin verklaard. In het begin van het stuk is ze een uitslover, op het einde een intrigante. Maar dat is allemaal nog niks tegen het feit dat de intrige eigenlijk staat of valt met Chris Boni die blijkbaar onweerstaanbaar is voor iedere lesbienne! De enige die min of meer acceptabel is, is Lieve Moorthamer, maar die heeft de auteur dan weer bedacht met een incestueuze verkrachting door haar vader, want niemand is normaal, nietwaar. Kortom, wordt het ensemble van het NTG langzaam maar zeker niet stokoud? Dreigt verstarring niet alom? Is het écht zo’n crisis dat er geen klein budgetje af kan voor een jonge gastactrice of een Italiaanse gastarbeider in een figurantenrolletje?
Deze sof werd merkwaardig positief onthaald door de anders zo strenge Wim Van Gansbeke. Een paar weken later kwam uit waarom dat zo was: hij volgt Frans Redant op als dramaturg van het NTG.

Lees verder “25 jaar geleden: “Duifke Klok” van Karst Woudstra”

Dertig jaar geleden: verteltheater

Dertig jaar geleden: verteltheater

Dertig jaar geleden had ik het in mijn toneelrubriek in De Rode Vaan over twee toneelstukken die konden worden samengevat onder de noemer “verteltheater”. En zo gezegd, zo gedaan!
« Ik wil u een verhaal vertellen ». Dat zijn de eerste woorden van Lieve Moorthamer, wanneer ze (vanuit het publiek) de geïmproviseerde scène van de aula van de Gentse Rijksuniversiteit opstapt. Dan doet ze haar jas uit en daar staat ze : Rosalie Niemand. Tijdens de lunchpauze zal ze vlug even haar levensgeschiedenis vertellen. Arne Sierens heeft méér tijd nodig. Hij vertelt dan ook twéé verhalen : de moord op Lev Trotski (foto) en die op Emiliano Zapata.
Wat hebben die twee nu met elkaar te maken, vraagt u zich misschien af. En terecht. Het zijn weliswaar beiden in Mexico vermoorde revolutionairen maar het grootste nadeel van het stuk « Los Muerticitos/Onze Lieve Doden » is inderdaad dat er haast geen raakpunten zijn tussen de populaire boerenleider en de geïsoleerde Russische balling. Dat ze met een verschil van 21 jaar (1919-1940) werden vermoord is daarbij vanuit theatraal oogpunt zelfs van minder belang. Even onbelangrijk als het toevallige detail dat ze beiden in 1879 geboren zijn.
Neen, het is veeleer in sfeer dat beide verhalen « schuren ». In het verhaal van Trotski zoals dat door zijn weduwe Natalia Sedowa (Gert Portael) wordt verteld, is het duidelijk dat de Mexicaanse achtergrond (overigens met minimale elementen briljant opgeroepen door het decor van Tone Pauwels en de belichting van Stef Viaene) eigenlijk maar bijzaak is. De drie « Zapatistas », Ramon, Angel en Serafin, daarentegen vertellen hun verhaal « vanuit de buik ». In dit onderdeel haalt Arne Sierens bijna het niveau van zijn ontroerende « De soldaat-facteur en Rachel » (zie rv nr 45 van 1986) waarin de twee hoofdpersonages (gespeeld door hemzelf en de reeds genoemde Gert Portael) letterlijk met beide voeten in de slijkerige West-Vlaamse bodem wegzakken. Geen slijk in Mexico uiteraard, maar wel datzelfde medevoelen, dezelfde passies, het zelfde succesrijke ineenstrengelen van liefde en dood. De passionele liefde tussen Angel (Wouter Van Lierde) en Jesusita, de echtelijke liefde tussen Serafin (Mark Verstraete) en Esperanza, de liefde van Ramon (Bart Van Avermaet) voor zijn broer.
Natuurlijk is er ook de liefde tussen Natalia en Trotski, maar deze wordt op een heel andere manier naar voren gebracht. Met ironiserende trekjes, cynisme zelfs, kortom intellectualistischer, afstandelijker, helemaal in de geest van de personages zelf. Arne Sierens (die overigens zelf de regie heeft verzorgd van deze Korrekelderproductie) heeft verklaard dat het verhaal over Trotski ook best apart kon worden gebracht, maar dat hij het juist een uitdaging vond om de twee « lamento’s » samen te voegen, met als leidraad « de dag der doden », wat overeenkomt met onze Allerzielen, maar die in Latijns-Amerika uitbundig wordt gevierd. Van dat « vieren » was overigens niet veel te merken, misschien daarom dat de samenvoeging zo zwaar op de hand was. Laten we hopen dat Sierens deze krachttoer niet probeert te herhalen in de stukken die nog moeten volgen. Deze twee verhalen maken immers deel uit van een « Kroniek XX », een ambitieus project waarin Sierens de mythologische geschiedenis van de twintigste eeuw tracht samen te vatten.
Hoeft het nog gezegd dat de muziek voor het stuk van Sierens gecomponeerd werd door Johan De Smet, de man met wie hij reeds drie opera’s heeft geschreven? Diezelfde De Smet is ook verantwoordelijk voor de muzikale intermezzo’s bij « Rosalie Niemand », waarin hij Lieve Moorthamer de kans geef haar onmiskenbare zangtalent aan te boren. Maar nog veel meer dan haar vocale kwaliteiten komt in deze aangrijpende monoloog haar acteerprestatie naar boven. Het zou ons niet verwonderen mocht het haar hier of daar een prijs opleveren.

Elisabeth Marains “Rosalie Niemand” in een regie van Hugo van den Berghe is eigenlijk een soloproductie van Lieve Moorthamer. Zeker na het zien van de MMT-versie van dit boek van Elisabeth Marain (een regelrechte draak), is het duidelijk hoe groot de verdienste van bewerker Jan De Vuyst wel is. Vooral als men weet dat Marain zelf haar actieve medewerking aan de MMT-bewerking heeft verleend. Misschien had RV-recensent Johan de Belie toch gelijk wanneer hij bij het verschijnen van het boek tegen de gangbare opinie in verkondigde dat Marain vaak vervalt in “een melodramatische stijl met pseudo-literaire beelden” en “gezwollen taal en pathetiek” (RV nr.36 van 1988)
Daarom dienen in de hulde ook Jan De Vuyst betrokken, die het bekende boek van Elisabeth Marain bewerkte, en regisseur Hugo Van den Berghe, die met een minimaal attribuut (een stoel, god betere het!) een hele ambiance weet op te roepen van kille kloostergangen, beangstigende zolderkamers, overvolle slaapzalen. En ook wel een prettig naaiatelier en een heerlijke vakantie op de boerenbuiten, want net zoals in « One flew over the cuckoo’s nest » zitten er toch een paar lichtere passages in om de toeschouwer de gelegenheid te geven al dat leed te verwerken.
Wat niet wegneemt dat er na afloop toch hier en daar gesnotterd werd. « Als het sentimenteel is, zitten wij ernaast », had Lieve Moorthamer op voorhand gesteld en, inderdaad, aan de uitgang werden ook kleine pamfletjes uitgedeeld van « Kisjot » en « Bevrijd De Waanzin » die juist protesteren tegen een « sentimentele » interpretatie. « Rosalie Niemand zit nog binnen », is hun standpunt. Met andere woorden, het is niet omdat deze kranige dame (Liliane Stijnen is haar echte naam en ze lijkt verdomme wel de zus van Lieve) er tenslotte in geslaagd is zichzelf te bevrijden (en dan nog op de eerste plaats omdat de subsidiewetgeving is veranderd), dat dergelijke wantoestanden zich niet meer zouden voordoen in onze psychiatrische instellingen.
Toch mag het snotteren niet als goedkope sentimentaliteit worden opgevat. Het trio Moorthamer-Van den Berghe-De Vuyst zit er dus NIET naast. Men kan immers ook wenen van woede, van onmacht. En men zou zich kunnen afvragen of dit hier niet het geval is. De kernzin van het stuk is o.i. immers te horen wanneer Rosalie één van haar grootste kwellingen ondergaat en constateert : « Ik hoef maar te zeggen : ik zal mij voegen naar uw voorschriften of zoiets, en de riemen zullen van mij afvallen. Maar ik weiger. Ben ik gek? » Dit overstijgt immers niet alleen dit individuele geval, maar ook de problematiek van psychiatrische instellingen in het algemeen. Dit is werkelijk een vraag waarmee iedereen geconfronteerd wordt, die weigert de platgetreden paden te bewandelen, die doelbewust uit de maatschappij stapt, die « in tegenstroom » wil leven…
Bovendien is er nog een ander excuus voor de traantjes van de gevoelige zielen: de zeer realistische manier waarop deze NTG-productie wordt gebracht, werkt allicht nog veel aangrijpender dan in romanvorm. Daarom hebben we maar één bedenking: waarom moest dit stuk nu zo nodig als « lunchvoorstelling » worden gebracht? Is dit genre niet ipso facto wat luchtiger van aanpak ? Met dit stuk krijgt de toeschouwer immers zoveel klappen te verwerken dat het de eetlust volledig wegneemt. En dat kan toch niet de bedoeling zijn, dachten we. Want vermageren is immers een teken van ziekte… nietwaar, Rosalie?

Lees verder “Dertig jaar geleden: verteltheater”

35 jaar geleden: “Oom Wanja” in het NTG

35 jaar geleden: “Oom Wanja” in het NTG

35 jaar geleden was in het NTG “Oom Wanja” te zien, de klassieker van Anton Tsjechov met in de hoofdrollen Nolle Versyp en Chris Thys (zie bovenstaande foto).

Het lijkt wel een drieluik : « Madame Warren » van 1893, « Rondedans » uit 1897 en nu « Oom Wanja » van 1898. Het kan alleszins geen toeval zijn en het NTG heeft in zijn onvolprezen programmaboekje bij Tsjechovs « Oom Wanja » dan ook een passende vergelijkende tijdstabel afgedrukt. Voor de bollebozen onder onze lezers kunnen wij er trouwens nog aan toevoegen dat ook « Starkadd » (Arcatheater) uit 1898 dateert en « Pelléas et Mélisande » (het oorspronkelijke toneelstuk althans waarop de opera is gebaseerd die op dit moment te zien is) uit 1892.
Allemaal fin de siècle dus en met 1984 gaan we daar ook stilaan naartoe.
Is dat soms de link ? Want de andere overeenkomsten kaderen in diezelfde sfeer. Er is de verveling b.v., prominent aanwezig in het landelijke leven van Oom Wanja en de zijnen, maar eigenlijk ook aan het hof van koning Ingel (« Starkadd »), op het buitenverblijf van Madame Warren, ja zelfs bij de personages van « Rondedans ». Telkens wordt daartegen dan gereageerd met het oplaaien van erotische passies (Wanja en dr. Astrov voor Jelina; Sonja voor dr. Astrov; Crofts voor de dochter van Madame Warren) of van oppervlakkig erotisch vertier (« Rondedans », maar ook de jonge Frank in « Mad. Warren » en het slippertje van Helga met Saemund in « Starkadd »).
In dit laatste aspect zit ook reeds een ander kenmerk : het decadentisme.
Tsjechov gaf ooit een regisseur of een auteur de raad: « Als je in het decor een geweer tegen de schoorsteen hangt, zorg dan dat er ook een schot afgaat. » Een raad die hij zelf bijzonder ter harte heeft genomen, want in zijn werk zijn er dan ook een paar stukken waarin omgesprongen wordt met vuurwapens. Zo ook in « Oom Wanja », al is dat net niet het belangrijkste wat er in het stuk te beleven valt.
« Oom Wanja » is een stuk van liefde en verliefdheden, hopeloze liefdes en gemiste kansen, over mensen die hunkeren naar wat anders en wier leven als zand tussen hun vingers glijdt; ook een ode aan de natuur en als u wil zelfs een pleidooi voor milieuzorg.
Ivan Woinitski, met zijn verkleinnaam Wanja genoemd, beheerst samen met zijn nichtje Sonja, de dochter van zijn overleden zuster het familielandgoed. De weduwnaar, de beroemde professor Serebrjakov is hertrouwd met de veel jongere, beeldschone Jelena.
Deze zelfingenomen emeritus heeft met Jelena zijn intrek genomen op het landgoed, dat moet voorzien in de levensbenoeften van de familie; hij laat iedereen als knechts opdraaien voor zijn seniele grillen.
Wanja wordt verliefd op Jelena, zo ook de huisdokter Astrov, Sonja is verliefd op Astrov. Het tergend tiranniek gezeur van de wetenschappelijke charlatan en de amoureuze strubbelingen zorgen voor onoverzienlijke spanningsvelden. Wanneer Serebrjakov kil beslist dat het landgoed moet verkocht worden (hij woont liever in de stad), barst de bom.
« Men verwijt mij vaak dat ik over niemendalletjes schrijf, » verdedigde Tsjechov zich ooit. « Dat er in mijn werk nooit grote helden voorkomen, geen revolutionairen, geen Alexander de Grote, of zelfs niet een eerlijke politieman. Waar moet ik die echter vandaan halen? Ik zou wel willen. Het leven bij ons is provinciaal… Zolang we jong zijn, kwetteren we kwiek als mussen op de mesthoop; later, wanneer we de veertig naderen, zijn we al grijs en beginnen aan de dood te denken. Fraaie helden zijn we! »
Zoals geschetst kan dat decadentisme worden gesitueerd op moreel vlak, maar ook esthetisch. Zo is het aandeel van de decorbouwers in alle hoger geciteerde stukken enorm. De wisselwerking met de regie was telkenmale optimaal (zoals het natuurlijk hoort. maar bij een esthetiserend decor valt het uiteraard meer op). Op die manier zouden we kunnen stellen dat er in « Starkadd » in profiel werd gespeeld, in « Mad. Warren » diagonaal en in « Oom Wanja » lateraal (binnenkort moeten we een voetbalverslaggever als toneelrecensent inhuren). In de eerste twee gevallen kwamen door die opstelling de conflicten weliswaar beter tot uiting, maar werd toch ook een zeker afstand gesuggereerd, wat een trager tempo met zich meebracht. In « Oom Wanja » staat het scènebeeld (van Luk Goedertier samen met regisseur Jean-Pierre De Decker) helemaal in functie van de contactarmoede en wordt de verveling erdoor nog beklemtoond. Alleen de wervelende regie van « Rondedans » doorbrak dus dit systeem, ook al waren er ook hier te trage momenten.
Toneel wordt dus anno 1984 te vaak een puur esthetische ervaring, waarin de verveling van de toeschouwer een haast niet weg te denken component wordt. Wie positief staat tegenover die esthetische benadering schrijft dan b.v. « toch werkt de voorstelling niet helemaal » (Daan Bauwens in « De Morgen »), maar je kan natuurlijk ook andersom stellen dat verveling op de scène, hoe mooi ook ingekleed, nooit mag leiden tot verveling in de zaal. En dat was bij « Oom Wanja » alleszins toch onze ervaring…
En in dat geval wordt de rest allemaal detailkritiek. Zowel positief als negatief. De glansprestatie van Nolle Versyp b.v. als dr. Astrov kan dan een voorstelling niet redden. En anderzijds heeft het ook geen zin om zich vast te bijten in de regie-opvatting van De Decker die b.v. Chris Thys voortdurend over het toneel laat hollen en lelijk laat zijn (wat voor haar een moeilijke opgave was, maar waarin ze door een perfecte uitbeelding van Wiske uit het bekende beeldverhaal uitstekend slaagt).
Nu nog « Dantons dood » en dan zijn we eindelijk « Thuis »…

Lees verder “35 jaar geleden: “Oom Wanja” in het NTG”