325 jaar geleden: einde van de “Querelle des Anciens et des Modernes”

325 jaar geleden: einde van de “Querelle des Anciens et des Modernes”

Vandaag is het precies 325 jaar geleden dat Nicolas Boileau (links) en Charles Perrault (rechts) elkaar in het openbaar (met name in de Académie Française) omarmden om zo een einde te maken aan de fameuze “Querelle des Anciens et des Modernes” (“strijd tussen de klassieken en de modernen”).

Lees verder “325 jaar geleden: einde van de “Querelle des Anciens et des Modernes””

Jean Rouaud

Jean Rouaud

De Franse auteur Jean Rouaud (foto YouTube) werd geboren te Campbon op 13 december 1952. Na het lyceum, een episode die sterk aan bod komt in zijn werk, studeerde hij wetenschappen en letterkunde aan de universiteit van Nantes. Om dan aan een grillige beroepsloopbaan te beginnen: pompbediende, verkoper van encyclopedieën, bediende in een boekhandel, om tenslotte gedurende zeven jaren een krantenkiosk uit te baten te Parijs, rue de Flandre 101, 19de arrondissement. Maar ondertussen schreef hij… Met het voornemen een familiekroniek in een trilogie te gieten. Het zullen uiteindelijk vijf boeken worden. En al met de eerste roman was het raak…

Lees verder “Jean Rouaud”

Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944)

Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944)

Vandaag is het 75 jaar geleden dat de schrijvende vliegenier of vliegende schrijver Antoine de Saint-Exupéry van de radar (*) verdween, zoals men dan zegt…

Op 6 april 2013 was het overigens ook zeventig jaar geleden dat “Le Petit Prince” van Antoine de Saint-Exupéry is verschenen. Wat me vooral trof als ik dit bericht tegenkwam op “Les éphémérides d’Alcide”, dat is dat het boek in New York werd uitgegeven. Het zou pas in 1946 door Gallimard in Frankrijk worden uitgegeven. Waarom dit zo gebeurd is, heb ik helaas niet kunnen achterhalen.
“De Kleine Prins” was bedoeld voor kinderen, maar kan ook als een allegorie voor volwassenen worden gelezen. Blijkens de inleiding verwonderde Antoine de Saint-Exupéry zich over het gebrek aan kinderlijke fantasie van ‘grote mensen’. Wat indruk op hen maakt, dat is de buitenkant van mensen en dingen, tijdwinst, grote aantallen, in plaats van het wezenlijke wat een kind van nature zou herkennen. Ergens stelt hij dat “Des gens importants aiment des chiffres”.
De verteller, een vliegenier net als Antoine de Saint-Exupéry, ontmoet na een noodlanding in de Sahara een jongetje, de kleine prins. Het boekje bestaat uit allerlei fantasierijke verhaaltjes over de belevenissen van het wijze prinsje op andere planeten, inclusief de aarde, met hun bewoners, observaties van de schrijver over de grote-mensenwereld en kleine belevenissen en dialogen in de woestijn. Berucht is de persiflage in de tekenfilmserie The Simpsons waarbij het hele verhaal in verband wordt gebracht met druggebruik.
In 1944 stierf Antoine de Saint-Exupéry een geheimzinnige dood. Als gepassioneerd vliegenier was hij op 31 juli vanuit Corsica vertrokken op een verkenningsmissie om de landing van de geallieerden in de Provence voor te bereiden. Sindsdien is hij echter spoorloos. Lang bleef zijn verdwijning een mysterie, omdat zijn lichaam noch zijn vliegtuig werden teruggevonden. Daardoor speculeerde men over een mogelijke wanhoopsdaad van de piloot. In 1998 werd een schakelarmband met zijn naam uit de Middellandse Zee opgevist en in 2004 vond men ook brokstukken van het vliegtuig terug. Waarom het vliegtuig in zee is gestort, blijft voorlopig een raadsel. In maart 2008 werd bekendgemaakt dat Horst Rippert, de broer van zanger Iwan Rebroff, het toestel van Saint-Exupéry had neergehaald. Rippert bewonderde de schrijver en betreurde achteraf zijn daad. De beweringen van Rippert worden echter niet gestaafd door archiefmateriaal en vormden wellicht onderdeel van een publiciteitscampagne voor een boek over de affaire.

Lees verder “Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944)”

Denis Diderot (1713-1784)

Denis Diderot (1713-1784)

Vandaag is het precies 235 jaar geleden dat de Franse schrijver en encyclopedist Denis Diderot is gestorven.

Denis Diderot kreeg, als zoon van een welgesteld ambachtsman, een opleiding bij de Jezuieten, eerst in zijn geboortestad Langres, daarna in Parijs, maar na het behalen van zijn “Maître ès Arts”-titel gooit hij zich in een bohémienleven. Hij huwt met een arbeidersmeisje en tracht zich in leven te houden als beroepschrijver. Dat lukte vrij aardig, want in 1746 verwerft hij zelfs het directeurschap van de “Encyclopédie”. Datzelfde jaar vliegt hij echter de gevangenis in omdat hij in zijn “Lettre sur les Aveugles” een aantal godsbewijzen weerlegde. De Parijse drukker Le Breton, die het koninklijk privilegie had gekregen om “L’Encyclopédie” uit te geven, beweerde echter dat hij failliet zou gaan als Diderot niet vrijkwam en zo geschiedde.
De “Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des Sciences, des Arts et des Métiers, par une Société de Gens de Lettres” zal in totaal 35 delen tellen, verschenen tussen 1751 en 1780, en zo’n zestig auteurs zullen samen zeventig duizend artikels schrijven. Alhoewel Diderot en zijn mede-directeur Jean Le Rond d’Alembert (1717-1783) zeker de eer toekomt van het omvangrijkste en meest erudiete werkstuk van de Verlichting te schrijven (in zijn “Discours Préliminaire” vat d’Alembert, die zelf de bijdragen over wis- en natuurkunde leverde, zelfs de principes van het empirisme samen, die aan de basis liggen van het werk, refererend aan Descartes en Locke), toch zijn ze schatplichtig aan de Brit Ephraïm Chambers die in 1727 in Londen zijn tweedelige “Cyclopedia or Universal Dictionary of the Arts and Sciences” publiceerde. Het is immers toen Le Breton hiervan een vertaling op de markt wilde brengen dat de bal aan het rollen ging.
Reeds in februari 1752 werd – onder invloed van de clerus – de verkoop van de reeds verschenen delen verboden en de publicatie van de volgende voor anderhalf jaar opgeschort.

LES BIJOUX INDISCRETS
Aangezien Diderots eigen werken op hun tijd vooruit waren (zij kondigen reeds het realisme aan), werden ze meestal pas na zijn dood gepubliceerd. Zo o.a. “Jacques le Fataliste et son Maître” (gepubliceerd in 1796) en “Le Neveu de Rameau”.

In ‘Les bijoux indiscrets’ laat Diderot, dankzij een magische ring die de koning van Kongo, Mangogal, in het jaar … op de sieraden, de ‘altaren’ van de vrouwen richt, hen hun meest geheime ontboezemingen aan de openbaarheid prijsgeven. Tot vermaak van zichzelf en van zijn trouwe echtgenote Mirzoza. Maar tot ontreddering van het ganse hof en tenslotte van het hele land. Want nergens is een deugdzame vrouw te vinden, zelfs niet in de kloosters. Een pamflet tegen de vrouwen? Nee, wulpse vrouwen, maar dan moeten er net zoveel lichtzinnige mannen zijn. En dan kan er wel een zin staan als “..;dat men minder van dit geslacht begrijpt naarmate men er meer mee omgaat”. Of de bewering “dat vrouwen drie drijfveren hebben: eigenbelang, genot en ijdelheid. En dat ze voor het merendeel karakterloos zijn”. Het blijft alles heel amusant, met de nodige overdrijvingen, het zijn scabreuze verhalen die opgedist worden. En toch is dit nu net geen schandaalroman, laat u niet op het verkeerde been zetten door dit alles!
Deze eerste roman van Diderot werd anoniem uitgegeven in het meer libertijnse Amsterdam in 1748. Het is een kluchtig boek, vermakelijk, maar de bedoeling is snel duidelijk: de auteur verwoordt er onder die laag humor, zotternij, absurditeit, toch vooral zijn opvattingen en zijn kritiek op mens en maatschappij. En zoals verwacht: behoorlijk scherp. “Religieuze gevoelens, een onmiskenbaar voorteken van de naderende dood of geestelijke aftakeling bij hooggeplaatste personen” sneert hij al in de eerste bladzijden. Graag speelt hij de contemplatieve geestelijken uit tegen de praktijk gebonden priesters wanneer hij hen beide, hilarisch, het fenomeen van de sieradenonthullingen laat verklaren. Of steekt hij op die wijze de draak met Descartes en Newton. Ook zowat alle filosofen moeten er aan geloven. Bij monde van de favoriete van de koning, Mirzoza, die een filosofische voordracht houdt, de ‘empirische metafysica’ bedrijft, zich daartoe in de gekste aangepaste kleren hult, gedrag en intonatie aanpast: wat “de helft van de verdienste is” om als filosoof erkend te worden. Ze worden nog meer op de korrel genomen in een droom van Mangogul waarin hij Plato ontmoet. Een opperfilosoof blaast bellen waarmee talloze anderen willen spelen, het zijn de theoretici; zij hebben zich getooid met stukjes stof die afgerukt zijn van de toga van Socrates, verder zijn ze naakt. Dit geschiedt onder een wankele tempel die definitief ondermijnd wordt door Galilei, Pascal en Newton, optredend in de vorm van een kind dat tot een reus uitgroeit: ervaring en wetenschap winnen het van de blabla…
Het is een voorbeeld van hoe Diderot tekeergaat in dit werk. Zo heeft hij het ook over de literatuur. Hij trekt van leer tegen critici, censoren, bloemlezers die hij als pygmeeën betitelt. En wat te zeggen over de vertalers: “Het is niet noodzakelijk een taal te kennen om eruit te vertalen; men vertaalt immers voor mensen die er helemaal geen woord van verstaan” laat hij een prominent vertaler beweren. Terwijl in een droom van Mirzoza zijn appreciatie voor auteurs als Vergilius, Horatius, Socrates, Voltaire blijkt… Postume publicaties die een auteur onrecht doen en louter op geldbejag gebaseerd zijn, daartegen fulmineert hij. En hij heeft het over de twist tussen de Anciens en de Modernes. Hij laat de koning zeggen: “Ik zou tegen de modernen willen zeggen: “Mijne heren, in plaats van uw personages bij iedere gelegenheid wijsheden over het leven te laten verkondigen, moet u ze in omstandigheden plaatsen die het hun inblazen.”
Wat al niet bieden deze ‘vaginamonologen’… Want inderdaad, de vertellingen van de vrouwelijke juwelen zijn vaak hilarisch, en boeiend! Maar dus heel wat meer. Zo krijgen we ook bijvoorbeeld een analyse van de eigenschappen van de Europese vrouwen volgens hun nationaliteit; en later idem wat de mannen betreft maar hier verhaalt een bereisd sieraad in het Engels, Latijn, Italiaans en Spaans – en Diderot weigert de vertaling! Essentieel is het feit dat het geheel, spelend in Kongo in een fictief jaar, duidelijk verwijst naar het bewind van Louis XIV. Dat wordt helemaal scherp gesteld in het verhaal van de trekpoppen. Daar herkennen we Mme de Maintenon, maîtresse en later echtgenote van de Franse koning, die aan de touwtjes trok bij het Hof, de regering en het ganse land. Een groteske tekst, vlijmscherp; begrijpelijk dat Diderot zijn werk in Nederland liet drukken, en anoniem…
De Nederlandse vertaling ‘De loslippige sieraden’ (2008) van Tatjana Daan verscheen bij Athenaeum, Amsterdam. Een uitgebreid nawoord over roman en auteur is van René Puthaar.     


LE NEVEU DE RAMEAU
Wie was Rameau? Jean-Philippe Rameau (1683-1764), componist van vooral meerdere opera’s zoals ‘Les Indes galantes’, ‘Castor et Pollux’ en ‘Dardanus’. Maar wie was dan zijn neef zoals in de titel van het werk van Diderot vermeld? Jean-François Rameau, °Dijon 30.01.1716, vermoedelijk overleden in 1767; componist van enkele stukken voor klavecimbel en auteur van het lange autobiografische epische gedicht ‘La Raméide’. Maar vooral: een klaploper, bohémien, “een mengeling van grootheid en laaghartigheid, van gezond verstand en onredelijkheid. Van fatsoen en van onbetamelijkheid, een mengelmoes…” zo lezen we op de eerste pagina. Hij liep school bij de jezuïeten, ging in het leger, trad in het seminarie om tenslotte muzikant en beroepsbietser te worden. Zoals men hem omschreef: hij volgde de kauwwetten, de ‘lois de mastication’: één principe gold nog, voldoende goed eten hebben en een comfortabel bed. Een materialist dus? Niet helemaal zoals uit de ‘De neef…’ blijkt.
‘Le neveu de Rameau’, gepubliceerd in 1891, geschreven wellicht tussen 1760 en 1775. Maar vreemd: reeds in 1805 verscheen een Duitse vertaling van de hand van Goethe. Het manuscript zou hem toegespeeld zijn door Schiller (gevonden in de Hermitage in Petersburg). Pas bijna honderd jaren later belandde dit manuscript – of een tweede ‘origineel’ – in Frankrijk om daar gepubliceerd te worden. Dit raakte ook weer op de dool en dook pas 25 jaar later op in Amerika waar het zich nu nog bevindt in de Piermont Morgan Library.
Het is een dialoog die zich afspeelt in een café waar hoofdzakelijk geschaakt wordt. Een tweespraak tussen de neef en Hij, de filosoof (Diderot?). Ze behandelen allerlei thema’s, in een schitterend steekspel van woorden, humor, speldenprikken, scherpe en milde woorden. Het geheel ontwikkelt zich vlot en boeiend. Het start met woorden over genialiteit, over begrippen als goed en kwaad. Dan poneert de neef hoe hij onderdak en eten verkrijgt terwijl hij zijn weldoeners bij wie hij de nar speelt, belachelijk maakt. Hij poneert zichzelf als koppelaar, wat de filosoof – persoonlijk getroffen wegens bedenkingen over zijn dochter – ontstemt. Ze stappen over op het onderwerp opvoeding en onderwijs, wat moet de filosoof zijn dochter leren? – de meningen zijn verdeeld. Later zullen ze het hebben over wat Rameau zijn zoon leert: ondeugden, de pias uithangen en zo rijk worden, dat lijkt hem belangrijkst. Overigens, hijzelf is trots zich te verrijken als bedrieger wanneer hij muzieklessen geeft aan rijke jongedames.
De twee vinden elkaar als ze het hebben over de anti-filosofen, de gezworen vijanden van Diderot! Maar absoluut niet indien Rameau blijkt te genieten van zijn vertellingen over misdaden en het onrecht dat hij in de wereld ontmoet.
Een belangrijk deel van de dialoog wordt, meermaals, ingenomen door de muziek. De neef trekt tegen één en ander – vrijwel alles – van leer. Hij pleit voor de zuivere melodie. Vooral deze momenten onderbreken de dialoog: Rameau mimeert allerlei instrumenten, zingt hele aria’s en liedjes… Ook elders komen dergelijke scènes voor en zal hij b.v. mensen imiteren. Soms worden de schaakspelers in het café er als toeschouwer bij betrokken. Dit alles verlevendigt uiteraard het geheel. Samen met de humor en de satire. Nee, een droog filosofisch traktaat is dit zeker niet. En wat meer is: ‘Le neveu de Rameau’ wordt in Frankrijk nog vaak op het toneel gebracht. Niet verwonderlijk want het geheel is zo speelbaar dat het voor het theater geschreven lijkt. Een wonderlijk boek, even wonderlijk als de geschiedenis die het nodig had om ons eindelijk te bereiken. Vol waardevolle overpeinzingen en zeer vlot, prettig om te lezen.
LA RELIGIEUSE
Diderot schreef ook “Les bijoux indiscrets”, die zogezegd verhalen uit “1001 nacht” parafraseerden, maar in feite een satire waren op de seksuele zeden van de machthebbers uit die tijd.
Dat geldt ook voor de briefroman “La Religieuse” waarin Suzanne Simonin, de onechte dochter van een verarmde edelman verplicht wordt in het klooster te treden, omdat het familiefortuin naar haar twee zussen gaat. Oorspronkelijk is Mme de Moni, de abdis van het klooster van Longchamp, nog als een moederlijke vriendin voor Suzanne, maar na haar dood krijgt ze het aan de stok met de strenge Sainte-Christine. Ze wordt op water en brood gezet en als dit tot fysieke uitputtingsverschijnselen leidt wordt ze van hekserij beschuldigd. Al verliest ze het proces, toch mag ze dit strenge klooster ruilen voor het nogal libidineuze Saint-Eutrope d’Arpajon, waar de abdis Mme de Chelles, dochter van de regent Philippe, af en toe wel een nonnetje lust. Ook Suzanne mag op een bepaald moment naar haar cel komen. Mme de Chelles heeft de bedoeling haar met “les plaisirs d’amour” te laten kennismaken, wat duidelijk blijkt als een ander nonnetje daardoor verschrikkelijk jaloers wordt…
Als Suzanne deze “perversiteit” doorheeft, biecht ze alles op bij Père Lemoine, die haar de raad geeft uit de buurt te blijven van Mme de Chelles, maar zich des te meer tot hem te wenden. Op een bepaald moment wordt hij vervangen door Dom Morel, die ook tegen zijn zin gewijd is en haar daarom zal helpen uit het klooster te ontsnappen. Als dan blijkt dat ook hij het vooral op de “lusten des vlezes” gemunt heeft, slaat Suzanne op de vlucht. Totaal berooid wordt ze opnieuw door een vriendelijke dame letterlijk van straat opgeraapt, maar als dan blijkt dat het is om haar aan het werk te zetten in een luxe-bordeel, gooit Suzanne zich uiteindelijk te pletter op diezelfde straat.
Het is een waar gebeurd Assepoester-verhaal zonder happy end, al is de echte naam van de non Marguerite de la Marre. Tegelijk inspireerde Diderot zich ook op zijn zuster die op 27-jarige leeftijd in een klooster krankzinnig stierf. Letterlijk doodgepest. In 1758 zijn de Encyclopedisten (o.a. Voltaire, Montesquieu, de gebroeders Grimm, Jean-Jacques Rousseau die over muziek schreef, terwijl de literatuur werd behandeld door de ondertussen vergeten dichter Marmontel) haar zelfs ter hulp gekomen.
Op dat moment is Diderot overigens reeds helemaal geëvolueerd naar materialisme en atheïsme. Vandaar dat hij niet welkom is op het buitengoed van de familie Volland in Isle-sur-Marne in de Champagne, alhoewel hij nochtans tot over zijn oren verliefd is op de dochter Louise-Henriëtte, die omwille van haar wijsheid (ze droeg zelfs een bril!) Sophie werd genoemd. Hij zou haar honderden liefdesbrieven schrijven (187 werden er bewaard, maar er zijn er ook ongetwijfeld verloren gegaan), die tevens een document humain zijn van de tijdsgeest.
Nu is het zo dat er steeds twijfels bleven bestaan over die briefwisseling tussen Diderot en Sophie. Heeft hij deze brieven werkelijk verstuurd? Was dit alles geen literair spel, een epistolair dagboek? In ieder geval bestaan er geen brieven van Sophie aan Diderot en is ook elders geen spoor van de liefdesverhouding te vinden. Dat Sophie – Louise Henriëtte Volland – historisch is, dat staat dan wel vast ook al bezitten we geen portret van haar. Doet het er toe? Nee. De brieven zijn schitterend. Erudiet, uiteraard, filosofisch, Diderot neemt geen blad voor de mond zelfs in precaire tijden en omstandigheden. Zijn schetsen van de mensen met wie hij omgaat zijn teder, maar soms genadeloos en ik dacht vaak aan de broeders de Goncourt maar hij laat hen ver beneden zich in zijn menselijkheid en de waardigheid waarmee hij anderen benadert. Bovendien zijn de brieven vlot leesbaar, vaak spannend (avontuurlijk) en grappig (zelfs soms wat scabreus of libertijns) gezien de talloze anekdotes waarmee hij hen doorspekt. Hij bevond zich in het brandpunt van het politieke en sociale leven van een boeiende eeuw, ook dat is afleesbaar uit de brieven. Daadwerkelijk heeft hij daarmee zelden iets aangevangen, tenzij kleine persoonlijke ingrepen keek hij van de zijlijn toe – behalve uiteraard in zijn geschriften. Maar nu, de liefdesbrieven? Hoe dan ook ze zijn van een zeldzame schoonheid, ontroerend, poëtisch, gepassioneerd. Met vaak natuurbeschrijvingen die een andere Diderot laten zien. Ieder die het onderwerp vormt van dergelijke liefdesbrief moet zich wel gevleid voelen – en meer. Dus wat maakt het voor ons nog uit of Sophie al dan niet deze brieven ontving en las; ik hoop voor haar van wel!
In 1759 veroordeelt de paus “L’Encyclopédie”, zodat de uitgevers hun “koninklijk privilegie” verliezen en de uitgave alweer dient te worden gestaakt. D’Alembert zal zich zelfs definitief terugtrekken. Nadat enkele hooggeplaatste intekenaars er de regering op wijzen dat dit het imago van Frankrijk in het buitenland geen goed doet, kan Diderot zijn werk uiteindelijk verderzetten. De censors kijken hem echter zozeer op de vingers dat men besluit voortaan in het Zwitserse Neuchâtel uit te geven (*). In 1777 komt men dan toch terug naar Parijs bij de uit Rijsel afkomstige uitgever Charles-Joseph Panckoucke, die zoals men kan merken van Vlaamse afkomst was.

Lees verder “Denis Diderot (1713-1784)”