Montesquieu (1689-1755)

Montesquieu (1689-1755)

Charles Louis de Seconbet, baron de la Brède et de Montesquieu, werd geboren op 18 januari 1689 op het domein van La Brède (nabij Bordeaux) en overleed te Parijs op 10 februari 1755. Hij was een filosoof, de grondlegger van de sociologie (samen met John Locke) en is een symbool van de Verlichting. Hij ligt aan de basis van het westers idee van de democratie en van de scheiding der machten. Hij fulmineerde sterk tegen het koninklijk despotisme. En tegen de slavernij. Schreef ook over het strafrecht. Dit alles is o.m. terug te vinden in zijn werk ‘L’esprit des lois’ uit 1748. Maar ook in wat ongetwijfeld zijn meest leesbare werk is: ‘Lettres persanes’, een brievenroman gepubliceerd in 1721.
Lees verder “Montesquieu (1689-1755)”

45° à l’ombre (Georges Simenon)

45° à l’ombre (Georges Simenon)

’45° in de schaduw’ (45° à l’ombre; 1936) is een atypische Simenon. Hier geen gaslampen die hun licht spreiden op de door de regen glimmende straatstenen van Montmartre of doorheen de dwarrelende sneeuwvlokken tussen de naargeestige steegjes en de mistroostige gevels. Niks van dat alles. Deze roman speelt aan boord van het passagiersschip De Aquitaine op zijn reis van Matadi naar Bordeaux. Onder een tropenzon, grotendeels dan toch in deze hitte.
Lees verder “45° à l’ombre (Georges Simenon)”

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Op de dag dat Khomeini de fatwa over Salman Rushdie uitsprak, zat ik in een toneelvoorstelling over markies de Sade. Daarover schreef ik later in De Rode Vaan een recensie onder de titel “Markiespijn”. Ja, woordspelingen, je houdt ervan of niet…

Alhoewel her en der misschien wel wordt ingespeeld op de mediabelangstelling die er rond de Franse Revolutie nu bestaat, kan men zeker niet beweren dat de herontdekking van de Franse schrijver Markies de Sade, die twaalf dagen voor de revolutie nog in de Bastille zat, daar rechtstreeks mee heeft te maken. Die herontdekking, die meteen ook een eerste waardering (dus geen her-waardering) inhoudt, is namelijk reeds een aantal jaren aan de gang. Wijzelf brachten al twee uitgebreide bijdragen, eerst naar aanleiding van de opvoering van Peter Weiss’ « Marat/Sade » zowel in PACT als in het NTG (zie r.v.nr.16 van vorig jaar) en dit jaar nog ter gelegenheid van Mishima’s « Madame de Sade » in het BKT (zie r.v.nr.3). Telkens betrof het hier echter een eerherstel van de filosoof of zelfs de ‘politicus’ de Sade. In « De Zwarte Legende », een productie van het Grand Théátre Groningen en F’act Rotterdam, gaat acteur Peter Gorissen weliswaar op het ingeslagen pad verder, maar voor het eerst ook wordt de « pornograaf » de Sade gewaardeerd, vooral dan die passages waarbij de seksuele, « sadistische » uitspattingen gepaard gaan met godslastering.
Wij zagen de voorstelling exact op de dag dat Zijne Heiligheid mijnheer Khomeini de hemel (en voor alle zekerheid ook 120 miljoen frank) beloofde aan een islamitische volgeling die hem het hoofd van de auteur Salman Rushdie op een schotel zou aanbieden. Tegelijk bevestigde dit de noodzaak van een stuk als dat van Gorissen en prezen we de Heer (zij het misschien dat Hij dit zelf niet zo op prijs stelde) dat in ons land een dergelijke productie, waarin o.m. paus Wojtyla masturberend in de schedel van Christus ten tonele wordt gevoerd, toch nog mogelijk is. De voorstelling die wij in Gent bijwoonden werd zelfs gesubsidieerd door het ministerie van cultuur.
Leidt hier echter vooral niet uit af dat « De Zwarte Legende » een stuk is dat zwaar op de hand ligt. Het begint wel stijf met Gorissen in zijn blote flikker — pardon, laat ik dat even anders formuleren: na een muzikale uitbarsting door bassist Ben Bervoets en multi-instrumentalist Karl Eriksson begint een naakte Gorissen erg zwaarwichtig met het citeren van teksten van de Sade, maar naarmate hij door schminkster Myriam Eijgenraam meer als ouder wordende, aftakelende markies wordt aangekleed, kan hij jongensachtig uit zijn rol stappen en grappen en grollen verkopen. Zo is er een bijna « Life of Brian »-achtige versie van de kruisdood of krijgt hij een hysterische lachbui à la Elvis Presley, terwijl hij « Can’t help falling in love » probeert te zingen. Hij speelt met een machinegeweertje tijdens het banjo-thema uit « Bonnie and Clyde », zijn vrienden zorgen voor hoefgetrappel bij « I was born under a wandering star » enz. enz. Deze kluchtige toestanden gaan trouwens verder in « een tweede deel » (het was niet duidelijk of dit een vast onderdeel is of gewoon omdat Gorissen en zijn vrienden het naar hun zin hadden in de balzaal van de Vooruit) waarin men enkele « liedjes van de radio » zingt. « New York, New York » begeleid op drie verschillende stoelen b.v. Of « La Bamba » met een aangepaste tekst over Vanden Boeynants. Maar helemaal plat gingen we toen Gorissen (opnieuw naakt) door de zaal marcheerde, het thema uit « The bridge over the river Kwai » fluitend, in het dialect beter gekend als « Sjarel, ik heb uw gat gezien »!
Ook het merkwaardige decor (b.v. met een koersfiets die uiteindelijk tot niets blijkt te dienen), de discussies met het publiek, de gewilde onhandigheden, het droeg allemaal bij tot een heel aparte en zelfs smakelijke voorstelling. Ondanks de « wansmakelijkheden » die uiteraard op rekening van de Sade zelf komen. Laten we echter niet vergeten dat al het kwade dat de Sade zijn medemens toebrengt, alleen maar in zijn fantasie gebeurde. In de werkelijkheid werd hem zelf veel pijn aangedaan. De pijn van een onbegrepen markies, de markiespijn. Het hoogtepunt van de voorstelling is dan ook niet een van de grappige momenten, maar wel de bewerking van het nummer « God » van John Lennon, waarin de mens (de Sade, Gorissen, u, ik) uiteindelijk voor de pijnlijke vaststelling komt te staan dat hij alleen maar in zichzelf kan geloven. Knap. En tegelijk valt de pianist toch op de grond en zingt Gorissen « ik geloof niet in VTM » en andere onzin. Zelfrelativering dus. En zo hoort het ook. Het gebeurt nog altijd veel te weinig in het theater. Hier gebeurde het wel. En dus gebeurde er eindelijk eens IETS.

Lees verder “Dertig jaar geleden: “Markiespijn””

Pierre Boulle (1912-1994)

Pierre Boulle (1912-1994)

Morgen zal het ook alweer 25 jaar geleden zijn dat de Franse auteur Pierre Boulle (foto YouTube) is overleden. Zijn naam zegt u hoogstwaarschijnlijk niets, maar hij is wel de auteur van twee enorme blockbusters: “De brug over de rivier Kwai” en “De apenplaneet”…

Pierre Boulle werd geboren in Avignon op 21 februari 1912. Zijn vader Eugène Boulle, een excentrieke advocaat, schreef in de krant over theater. Van zijn vader kreeg hij zijn liefde voor de literatuur mee, maar hij stierf reeds in 1926. Pierre Boulle haalde in 1930 zijn baccalaureaat in Avignon, en ging daarna in Parijs studeren. Hij haalde zijn licentiaat in de wetenschappen in 1931 en werd toegelaten aan de prestigieuze Supélec, waar hij in 1933 afstudeerde als ingenieur. Na een paar jaar te werken als ingenieur, trok hij in 1936 naar Malaya, waar hij werd aangeworven als technicus op een rubberplantage op een vijftigtal mijl van Kuala Lumpur. In november 1939 werd Boulle gemobiliseerd en werd hij naar Saigon geroepen.
Na de Duitse bezetting van Frankrijk werd hij in april 1941 gedemobiliseerd en wachtte op een Brits visum om terug te keren naar naar Maleisië. In juli keerde hij uiteindelijk terug naar Singapore, waar hij zich aansloot bij de Vrije Fransen. Uiteindelijk werd hij in augustus 1942 gevangengenomen door aanhangers van het Vichy-regime. Een paar maand later werd hij voor de krijgsraad in Hanoi schuldig bevonden aan verraad. Boulle werd gedegradeerd, zijn Franse nationaliteit ontnomen en tot levenslange dwangarbeid veroordeeld.
In het najaar van 1944, enkele maanden na de geallieerde ontscheping in Frankrijk, slaagde hij er dankzij enkele connecties in te ontsnappen. In 1945 werd Boulle gerepatrieerd naar Parijs en daarna keerde hij terug naar Avignon. Hij werd onderscheiden met de Légion d’honneur, het Croix de Guerre en de Médaille de la Résistance. Hij had het echter moeilijk om terug een normaal leven op te bouwen en ging weer op een rubberplantage werken in Azië.
Uiteindelijk besloot hij het zich te gaan toeleggen op de literatuur en in 1949 keerde hij terug naar Parijs. In Parijs gebruikte hij zijn eigen ervaringen om zijn roman Le pont de la rivière Kwaï te schrijven in 1952, die werd verfilmd door David Lean in 1957 als The Bridge on the River Kwai. Boulle schreef zijn roman gebaseerd op zijn eigen ervaringen in het Japanse krijgsgevangenenkamp van waaruit hij in 1944 wist te ontsnappen, maar van een brug die daar (door Britten dan nog wel) op bevel van de Japanners werd gebouwd, was er geen sprake. Toch werd in de Thaise provincie Kanchanaburi een brug over de Menam Meklong “gereconstrueerd” enkel en alleen ten behoeve van de talrijke toeristen.
In 1955 was ondertussen zijn zus Madeleine weduwe geworden en Pierre ging in haar appartement wonen. Hij zou er de rest van zijn leven blijven wonen en vrijgezel blijven. In 1963 verscheen zijn sciencefictionroman La Planète des singes. In 1968 werd La Planète des singes een eerste maal verfilmd door Franklin Schaffner als Planet of the Apes. De originele “Planet of the Apes” ontstond natuurlijk in de Koude Oorlog-tijdperk, waarbij iedereen dacht (en misschien ook wel gesuggereerd werd) dat de apen onze planeet hadden veroverd nadat een nucleaire oorlog een einde had gemaakt aan de menselijke beschaving. Als veel later (met name in 2011) de “prequel” “Rise of the Planet of the Apes” wordt gedraaid (door Rupert Wyatt) dan wordt er een heel andere uitleg aan gegeven, maar eigenlijk heeft deze film niets meer te maken met het boek van Pierre Boulle, die toen trouwens al vijftien jaar dood was.

Lees verder “Pierre Boulle (1912-1994)”

Victor Hugo (1802-1885)

Victor Hugo (1802-1885)

Ik ben op dit moment “Les misérables” aan het lezen van Victor Hugo. Ik geef toe dat ik heb getwijfeld. Het verhaal is zó bekend, nietwaar? Bovendien is het geen Franse editie, maar een Nederlandse en dan nog zonder vermelding van de vertaler. (Maar het is wel een mooie editie, dat moet ik toegeven; niet enkel uiterlijk – ingebonden – maar ook binnenin met mooie eigentijdse gravures, o.a. de bekende tekening van Cosette).

Maar goed, de vertaling is o.k. en ik ben uiteindelijk heel blij dat ik voor dit boek heb gekozen. Ook omwille van de grote rol die de slag van Waterloo erin speelt. Ik had dit eigenlijk al moeten weten van mijn blog, maar ik was dat natuurlijk alweer vergeten. En waarom is dat nu zo belangrijk? Omdat deze ook een grote rol speelt in die andere klassieker die ik me heb voorgenomen om te lezen, “Vanity Fair” van William Makepeace Thackeray. Uiteraard komt dit door de nieuwe televisiereeks waarin ik tot over mijn oren verliefd ben geworden op de actrice die het verwerpelijke maar verrukkelijke schepseltje Becky Sharp speelde (Olivia Cooke). Oh, die openingsscène van iedere aflevering waarbij ze op die carrousel gezeten haar hoofd in de nek gooit en het orgastisch uitschreeuwt van de pret!
“Vanity Fair” is ondertussen besteld bij de Standaard Boekhandel omdat ik voor mijn verjaardag een geschenkbon heb gekregen. Zelf zou ik die winkel niet hebben gekozen, gezien wat mij daar is overkomen. Ik bestelde het boek namelijk per mail (ik doe àlles per mail de laatste tijd) en ik kreeg als antwoord van de winkeljuffrouw: mijnheer, als ik dat boek intik, krijg ik meer dan 150 mogelijkheden, kunt u niet wat preciezer zijn? Nu, wat was er gebeurd? De overgrote meerderheid van die mogelijkheden gingen natuurlijk over het modetijdschrift met dezelfde naam! Ik zeg tegen die juffrouw: als u de naam van de auteur aan uw zoekfunctie toevoegt zal het al heel wat simpeler zijn. En inderdaad, uiteindelijk moest ik kiezen uit twee uitgaven: een spiksplinternieuwe, geïnspireerd door de serie, en één uit de jaren negentig van Penguin. Ondanks het mooie gezichtje van Olivia Cooke heb ik toch maar voor good old Penguin gekozen, omdat ik bang was opnieuw met een bewerking te maken te hebben en zo had ik er al één uit de jaren zestig zoals ik al heb gezegd, naar ik meen. Ik kijk er nu naar uit om beide werken te vergelijken. Ze schijnen me inderdaad allebei om de verhouding tussen schijn en realiteit te handelen vooral dan wat de sociale implicaties daarvan aangaat.
Ondertussen kon ik wel de verfilmingen reeds vergelijken, want onmiddellijk na “Vanity Fair” startte op de BBC een nieuwe interpretatie van “Les misérables” (van Tom Shankland). Een erg “miserabele” versie als je het mij vraagt. Er lopen daar in de vroege negentiende eeuw immers evenveel kleurlingen rond als nu, in de 21ste eeuw! En als het dan b.v. nog allemaal dienstboden of gevangenen waren, maar zelfs inspecteur Javert door een zwarte laten spelen (David Oyelowo) is toch wat teveel “politieke correctheid”!

Victor Hugo zelf van zijn kant werd geboren te Besançon (Franche-Comté) als zoon van Joseph Léopold Sigisbert Hugo (1773-1828), een Franse generaal onder het keizerrijk van Napoleon afkomstig uit Lotharingen, en Sophie Trébuchet, oorspronkelijk afkomstig uit Nantes.
Door het beroep van zijn vader kende Hugo een moeilijke kindertijd en werd hij meegesleurd van stad tot stad volgens het garnizoensleven. Hugo verbleef onder andere in Parijs, in het oude klooster des Feuillantines, in Napels, waar zijn vader gedurende een tijd gouverneur van een provincie was, en in Spanje (1811-1812), waar zijn vader drie provincies bestuurde. Er was bovendien een slechte verstandhouding tussen Hugo’s ouders, die er op politiek en religieus vlak verschillende meningen op na hielden. Hugo’s vader was een atheïstische republikein voor wie Napoleon een held was; Hugo’s moeder was een katholieke royaliste. Deze moeilijkheden zorgden voor een breuk tussen Hugo’s ouders. Hugo’s moeder leefde vanaf 1813 gescheiden van zijn vader en ging met haar zoon in Parijs wonen. Op aanraden van zijn vader ging Hugo naar het Lycée Louis-le-Grand, maar het was vooral zijn moeder die vanaf dan een grote invloed had op zijn opvoeding en die van zijn twee broers, Abel en Eugène. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in Hugo’s vroege werk thema’s als “geloof” en “monarchie” veelvuldig aan bod komen. Hugo maakte zijn roeping als schrijver al vrij vroeg bekend toen hij op veertienjarige leeftijd in zijn dagboek schreef: “Je veux être Chateaubriand ou rien.” In meer dan een opzicht volgde Hugo Chateaubriands voetstappen. Hugo werd de vaandeldrager van de Romantiek in Frankrijk (o.m. met zijn historische romans, al herkent men bij Hugo ook altijd een zekere parodie op het genre), engageerde zich op politiek vlak als republikein en werd verbannen omwille van zijn politiek gedachtegoed.
In 1831 verscheen Hugo’s eerste grote roman: “Notre-Dame de Paris” (De Klokkenluider van de Notre Dame). Het werk was zo succesvol dat het al gauw in diverse Europese talen werd vertaald. Het was gedeeltelijk de bedoeling om de stad Parijs ertoe aan te zetten de verwaarloosde Notre Dame-kathedraal te restaureren, zeker nu zoveel toeristen die het boek gelezen hadden naar Parijs togen om de kerk te bezichtigen. Om u een idee te geven hoezeer de interesse voor architectuur en vooral het verzet tegen de afbraak van middeleeuwse kunstwerken een belangrijke plaats innamen bij het tot stand komen van dit boek: toen het werk bij de drukker werd gedaan, bleken drie hoofdstukken te ontbreken. Naar eigen zeggen (inleiding bij de tweede editie) was Hugo te lui om ze te herschrijven en dus werd het boek oorspronkelijk zonder die hoofdstukken uitgegeven (tegen de tweede editie werden ze teruggevonden en op de geijkte plaats ingevoegd, vandaar die inleiding trouwens). Maar dat betekent dus ook dat die hoofdstukken niets bevatten dat essentieel was voor de voortgang van het verhaal! Het boek gaf dan ook aanleiding tot een hernieuwde interesse voor pre-renaissancistische gebouwen, waardoor deze actief zouden worden beschermd.
Eerst was Hugo dus monarchist en aanhanger van de Monarchie van Juli (1830‑1848) van koning Louis‑Philippe van Orléans. Later was hij gewonnen voor de republikeinse en humanitaire ideeën die leidden tot de Tweede Republiek in 1848. Als gedeputeerde steunde hij de kandidatuur voor het presidentschap van Louis‑Napoléon Bonaparte, neef van de keizer.
Een beoordelingsfout met rampzalige gevolgen! Deze man werd een koppige twijfelaar genoemd. Onder het mom van democratische idealen pleegde hij een staatsgreep die leidde tot zijn afkondiging als keizer van de Fransen op 2 december 1852 onder de naam van Napoleon III. Hugo, die geprobeerd had de staatsgreep te voorkomen, moest zijn toevlucht nemen tot ballingschap. Hij weigerde de amnestie die hem in 1859 werd aangeboden en zou pas naar Frankrijk terugkeren na de Franse nederlaag van 1870. (*)
Zoals zovelen komt hij op die manier in Brussel terecht. Daar doopt hij zijn pen in de gal om “Napoléon le Petit” aan te vallen en zo komt hij in aanvaring met het Belgische gerecht, maar in tegenstelling tot bepaalde bronnen wordt hij niet het land uitgezet. Hij gaat wel naar Jersey en nadien naar Guernsey wonen, maar hij keert geregeld nog terug naar Brussel, waar zijn zoon Charles is blijven wonen. Het is dan ook in Brussel dat in 1861 de eerste druk van “Les misérables” verschijnt. Hij had het geschreven in Waterloo rechtstaand aan een lessenaar, aldus het verhaal, precies tegenover de heuvel van de Leeuw. In totaal verbleef hij 1.247 dagen in België. Hij vond er de vrijheid en de rust tijdens zijn lange ballingschap.
Het werk in ballingschap is imposant, geïnspireerd door een opmerkelijke kracht: literaire essays, romans, toneelstukken, gedichten en pamfletten wisselen elkaar af. De dichter, boven alles een Schepper, moet en zal de Mens dichter bij de waarheid brengen (de poeta vates). Hugo voelt zich bezield door een bijna heilige humanitaire missie, gesteund door het fiere geweten van zijn scheppend genie. In tegenstelling tot tijdgenoten als Honoré de Balzac en Alexandre Dumas zijn de werken van Victor Hugo dan ook niét als krantenfeuilletons verschenen. Anders zou zo’n anekdote als die over de verloren hoofdstukken van “Notre-Dame” trouwens niet kunnen hebben voorgekomen. Feuilletonschrijvers werkten immers altijd naar een cliffhanger toe. Een ander verschil is dat Victor Hugo de happy endings aan Walt Disney overlaat, als je begrijpt wat ik bedoel.
In de tijd van de commune keert Hugo terug naar Parijs, waar hij als vertegenwoordiger van extreem-links in het parlement is verkozen. Ondanks het feit dat de droom niet kon standhouden, was Victor Hugo “intouchable” en werd hij toch na zijn dood met pracht en praal begraven, zij het niet in de kerk, want dààr stond hij toch op. Victor Hugo overleed op 22 mei 1885 op 83-jarige leeftijd. Zijn dood gaf aanleiding tot een nationale rouw. Zijn lijkkist stond enkele dagen onder de Arc de Triomphe, vanwaar hij onder massale belangstelling werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in het Panthéon. Men schat dat zo’n drie miljoen mensen aan Hugo een laatste eer hebben bewezen.

Lees verder “Victor Hugo (1802-1885)”