Hennie Kuiper wordt zeventig…

Hennie Kuiper wordt zeventig…

Vandaag wordt Hennie Kuiper zeventig jaar.

Aangezien hij de boezemvriend was van Temsenaar José De Cauwer heb ik hem destijds ook als “idool” geadopteerd. Het woord “idool” is overdreven, ik was toen al journalist en dan word je geacht geen “idolen” meer te hebben. Mijn houding tegenover Hennie Kuiper verschilt dan ook hemel en aarde van mijn enige echte wieleridool uit mijn jeugd, namelijk Rik Van Looy.
Aan de meeste belangrijke overwinningen van Hennie besteed ik aparte artikels, maar hier wil ik toch even zijn verrassend korte (toch wat doorlopende tekst betreft) Wikipedia-pagina overnemen.
Hendrikus Andreas Kuiper werd in 1972 olympisch kampioen op de weg en in 1975 wereldkampioen op de weg. Hij won in de Tour de France twee keer (1977 en 1978) de etappe naar Alpe d’Huez en werd twee keer tweede in het eindklassement, doch droeg hij nooit de gele leiderstrui. Kuiper richtte zich aanvankelijk op de grote rondes, maar ontpopte zich in de tweede helft van zijn carrière tot winnaar van grote klassiekers. Hij is nog steeds de enige Nederlander die de vier klassiekers Milaan-San Remo, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en de Ronde van Lombardije won. In november 2017 kwam zijn boek “Hennie Kuiper Kampioen Wilskracht” uit over zijn carrière. Samengesteld door Joop Holthausen, Jacob Bergsma, Kuiper zelf en zoon Bjorn Kuiper met een “woord vooraf” van Eddy Merckx.

Lees verder “Hennie Kuiper wordt zeventig…”

Veertig jaar geleden: “Met RVHG in de drie”

Veertig jaar geleden: “Met RVHG in de drie”

Morgen zal het ook al veertig jaar geleden zijn dat Freek Neirynck mij vroeg om Raymond van het Groenewoud te interviewen voor Radio 2 – Omroep Oost-Vlaanderen, meer bepaald voor het programma “Met wie in de drie”. Maar dat werd geen succes. Ik live op de radio, ge kunt al denken: zenuwen van hier tot ginder (daarom ook dat vele jaren later mijn werk voor Jan Wauters ook maar van korte duur was). En Raymond die op zijn qui-vive was en stekeliger antwoordde dan hij in gewone gesprekken of interviews deed (als ze voor een publicatie waren en niet voor een rechtstreekse uitzending, waarbij je moet proberen scoren). Bovendien moet ik (misschien door de zenuwen) zelf ook een verbeten indruk hebben nagelaten, lees maar even verder in de brief die ik nadien kreeg van Raymonds moeder…

Bovendien was Raymond nog maar pas zelf een gast geweest in Met wie in de drie op BRT2 Oost-Vlaanderen. Samen met Plastic Bertrand was hij namelijk de gast van Eddy Merckx en hij veranderde de tekst van zijn bekende ode aan de “Meisjes” in ‘Eddy, hij was de kampioen, meneer, er was niks aan te doen, meneer, machtsmens Eddy’ enz.
Goed van Raymond, die hiermee toffer uit de hoek kwam dan tijdens zijn “eigen” uitzending op 30 januari 1979, waarin ikzelf hem op de rooster legde over “Harnanas”, het fanzine (fan-magazine) van RvhG & the Centimeters. Raymond steekt echter zijn stekels uit en het wordt niks. “Plat op den buik”, zoals Freek Neirynck na afloop zei..
Tijdens het optreden maakt ook Roddy zijn radiodebuut want Raymond zingt een geïmproviseerd lied over Gent, waarbij hij de rijmwoorden van blaadjes afleest, die hij dan laat vallen. Omdat Roddy die altijd weer opraapt en het publiek daarom begint te lachen is hij wel verplicht voor de radioluisteraars een kleine toelichting te geven: “Er is hier een klein jongetje dat mijn spiekbriefjes gapt.”
Overigens, uit “doorgaans welingelichte bron”, zoals men dat noemt, vernamen wij dat Jef Turf (centrale gast in de uitzending van de week voor Merckx) ook Raymond had gevraagd als gast, maar dat dit hem geweigerd werd met als reden dat Raymond zelf pas aan de beurt was geweest. Nochtans kon het dus een week later bij Eddy Merckx wel. Hoe zit dat nou? Geen wonder dat Raymond in Humo van 7 mei 1992 tegen Marc Didden zegt: “Ik vind de communisten ontroerend. Een romantische partij. Zo’n Jef Turf, die zou toch geen vlieg kwaad doen. Die meende het goed. Later ben ik pas gaan beseffen dat mensen die het goed menen soms gevaarlijk zijn…”
Gedateerd op 30 januari 1979 krijg ik later een brief van Raymonds moeder:
“Beste Ronny De Schepper,
Verontschuldiging dat het zo lang geduurd heeft eer je een foto van RvhG kreeg.
Ik had griep en dacht er niet meer aan. Vanmorgen gezocht naar een foto uit de Pionierstijd, niet gevonden. Nu stuur ik twee foto’s op. Ik hoef ze niet terug te hebben.
Denk je, Ronny, dat Raymond de mensen belazert die hem vragen stellen?
RvhG verstaat de kunst om te antwoorden als volgt:
of hij wil niet op de vraag ingaan en geeft dan een speels antwoord waar je alle kanten mee op kunt;
of hij geeft een zeer duidelijk antwoord, maar wat niet als zodanig wordt herkend en dat schept moeilijkheden bij de vragen.
Ik heb jullie gehoord op de radio BRT2.
Lieve Ronny, je kan communist zijn en toch uit je harnas stappen (harnanas), dat mag echt.
Geef de groeten aan Raymond De Smet van de Rode Vaan, ik bedoel Aalst.
Vriendelijke groeten van de moeder van RvhG.
Alle Pioniers een dikke kus.”

Ikzelf schrijf ook een brief naar Raymond die (alhoewel dit niet de bedoeling was) verschijnt in de lang verwachte (nou en of!) tweede aflevering van Harnanas:
“Dag Raymond.
Enige tijd geleden heeft Jean Blaute me eens gevraagd iets te schrijven voor Harnanas. Ik zag dat echter niet zo direct zitten. Nu denk ik evenwel dat ik een ideetje heb dat het proberen waard is
Toen ik zo’n vijftien jaar was (al twaalf jaar geleden dus, jawadde), heb ik eens een romannetje geschreven dat handelde over vier Helden die vochten tegen het Kwaad. Die helden dat waren mijn vrienden en ikzelf (we noemden ons toen de Blommenkinders, stel je voor!), maar het plezante nu is dat de doorsnee van onze groep er zo uitzag :
een verschrikkelijk verstandige leider; een slim, maar tenger jongetje met bril (die jammer genoeg verliefd wordt op een meisje van het frivole type); een zeer sterke dikkerd met een goed karakter en tenslotte nog een playboy. Ik geef je te raden wie ikzelf was. Maar goed, daarom schrijf ik je niet natuurlijk. Wel omdat de vier typetjes nogal gemakkelijk terug te brengen zijn op de vier Miljonairs.
Ik zou dan ook voorstellen de “roman” (hij is toch nogal kort) ongewijzigd te publiceren, in afleveringen, alleen met de namen vervangen door die van de Miljonairs. Ook de Boeven zou ik trouwens toepasselijke namen willen geven.
Waarom nu per se ongewijzigd ? Zeker niet wegens mijn ijdelheid, want ik zou juist grote anonymiteit verlangen. Wel wegens het zeer puberachtige karakter van stijl en inhoud. Ik vermoed dat dit wel (1) voor insiders een koddig effect kan hebben en (2) voor jonge fans – en die heb je veel, denk maar aan KSA-Sint-Niklaas – zou het allemaal heel “serieus” klinken.
Bovendien was het indertijd de bedoeling dat we daarbij foto’s zouden maken zoals een soort fotoroman (met van die pompeuze houdingen, weet je wel) en ook dat zou de Miljonairs goed afgaan (ik denk aan de foto’s voor het singeltje ‘Vlaanderen Boven’ b.v.). Wat is ‘t? Doen?
Groeten,
Ronny
P.S. Indien het ‘neen’ is, zelfde vrienden, hé. Dat is trouwens vooral de reden waarom ik tot hiertoe niets heb geschreven voor Harnanas. Zoals iedereen ben ik wel ijdel wat dingen betreft die ik nù doe. Over tien jaar zal ik misschien even goed met mijn artikels van nu kunnen lachen (*). Niet omdat ze (en dus ook die roman) eigenlijk belachelijk zijn maar omdat je nu eenmaal verondersteld wordt niet de jaren wijzer, bezadigder, ernstiger te worden.”

Het fanzine van RvhG & the Centimeters heeft zichzelf ondertussen tot “zeer nieuw Vlaams literair tijdschrift” (**) in de macht verheven. Daar zal de plaats van de bespreking van nr.1 in De Rode Vaan wel voor iets tussen zitten. En het is deze keer ook geniet. Alweer dankzij onze nietsontziende kritiek allicht.
Wellicht wordt dit meteen ook het laatste nummer (al zou Jean Blaute het liever anders zien), wat ons hoegenaamd niet verwondert. De anarchistische manier én van het aan de man brengen én van de inhoud zelf (om niet van nihilisme te gewagen) laat bijna geen andere uitweg open. Dit tijdschrift richt zich b.v. tot hooguit tien mensen die misschien zelf ook niet alles van a tot z snappen, zodat het dan ook wellicht meer kwaad dan goed doet voor de populariteit van RvhG. Dat een paar mensen uit de media hier en daar kunnen “meegniffelen” is wat dat betreft evenmin noodzakelijk, want de kwaliteit van Raymonds muziek is zijn beste, om niet te zeggen zijn enige, public relations.
Conclusie: het is goed geweest zo. Laten we deze pagina omdraaien. Voor wie zich tegen beter weten in nog wil abonneren: Harnanas, 180 fr. Voor 6 nrs. Op PRK 310-0390102-45 van Raymond van het Groenewoud.
Ik had gelijk: dit wérd ook het laatste nummer. En dus werd ook “Zijn Eerste Opdracht” (zoals mijn “roman” heette) nooit gepubliceerd. Maar wat erger was, Pol Evrard heeft het manuscript ook nooit terugbezorgd!

Lees verder “Veertig jaar geleden: “Met RVHG in de drie””

Dertig jaar geleden: interview met Dr.Michel Vanhoorne

Dertig jaar geleden: interview met Dr.Michel Vanhoorne

In de loop van de maand december 1988 kreeg Dr.Michel Vanhoorne, werkleider in de Dienst voor Hygiëne en Sociale Geneeskunde van de Gentse Rijksuniversiteit, één van de drie prijzen « Gezondheid en Onderneming », die worden toegekend door de « Europese Club voor de Gezondheidszorg ». De prijs werd hem toegekend voor « een epidemiologisch onderzoek in de viscose-nijverheid door middel van studie van de blootstelling aan CS2 en H2S via atmosfeermetingen en biologische monitoring en door grondig medisch onderzoek ». Een heel mondje vol, waarvan we net zoveel begrepen als u en daarom gingen we de gelauwerde in Gent zelf opzoeken, waar we hem overigens reeds sinds jaren kenden als een ernstig en actief militant van de Communistische Partij.

Nadat we een klein uurtje vruchteloos op onze patiënt hadden zitten wachten, komt Michel (het formele Dr. Vanhoorne kunnen we hier wel achterwege laten) zich uitgebreid verontschuldigen : « Glad vergeten en ik was net aan een artikel aan het werken. » « Hij is zo verstrooid, hij werkt zich te pletter, » had lieve echtgenote Carla reeds tevoren verklaard, terwijl zij ons wachten zo aangenaam mogelijk maakte. « Weet je overigens wie me gisteren is komen interviewen? » gaat Michel met pretoogjes verder, maar helaas, we weten het inderdaad al, Carla heeft haar mond voorbijgepraat. Ik vraag echter niet of hij Jef Turf ook een uur heeft laten wachten…
Aangezien ik van mijn kant die avond ook nog verplichtingen heb, wordt er maar meteen aan tafel gegaan en krijgt de cassetterecorder een ereplaatsje tussen een heerlijke gezonde groentesoep en een kalkoen « met uitzonderlijke borsten », zoals Michel hem (haar?) noemt. Is het dus niet tussen de soep en de patatten, dan is het toch tussen de soep en de kalkoen dat hij om te beginnen enige uitleg verstrekt bij de Club die hem deze prijs heeft toegekend. Daar de uitreiking in Rome geschiedde, denk ik uiteraard onmiddellijk aan « de Club van Rome » maar daarmee blijkt ze geen uitstaans te hebben.
« Welke Club het dan wel is, is mij ook niet volkomen duidelijk. Ze bestaat uit een aantal EEG-landen en de prijs wordt dan ook ieder jaar ergens anders uitgereikt. Ik ben overigens niet naar Rome geweest, want ik moest mijn eigen reis-en verblijfskosten betalen, zodanig dat er van het bedrag dat aan de prijs verbonden is (125.000fr) niet veel meer zou overgebleven zijn. In verhouding tot andere prijzen is dat nochtans een behoorlijk bedrag, maar het spreekt vanzelf dat men er op zich uiteraard weinig mee kan aanvangen. » Vooraleer u moord en brand begint te schreeuwen, moet u weten dat Michel zich hier niet als een « big spender » ontpopt, maar dat hij het heeft over het wetenschappelijk onderzoek waaraan hij het geld heeft overgemaakt, aangezien hij zijn collega’s in de internationale waardering wenste te betrekken. Voorwaar een nobele geste, maar wat houdt dat onderzoek nu precies in?
« Het is dus een epidemiologisch onderzoek, dat wil dus zeggen de studie van gezondheidsveranderingen bij groepen mensen en de factoren die daarmee in verband staan. Vroeger werd die term uitsluitend voor infectieziekten (« epidemies ») gebruikt, maar sinds enkele tientallen jaren heeft men dat uitgebreid tot alle ziekten die bij bepaalde bevolkingsgroepen voorkomen. Men bestudeert uiteraard ieder individu, maar het belang van de studie is het globaliseren, het statistisch in kaart brengen van de gezondheidstoestand van bepaalde groepen van mensen, b.v. in mijn geval dus arbeiders in de viscose-nijverheid. »
« Viscose wordt op basis van cellulose gemaakt, die meestal afkomstig is uit hout. Dat wordt opgelost, waarbij de zeer grote moleculen van die cellulose worden afgebroken. Door een herschikking krijgt men dan allerlei nieuwe materialen, meestal textielproducten, zoals kunstzijde die in de voering van vesten e.d. wordt gebruikt, kunstwol, cellofaan, kunstsponsen, dweilen, zelfs wegwerpbare damesslipjes. Maar wij zijn niet geïnteresseerd in de effecten van het eindproduct, want dat is niet giftig, maar die cellulose wordt opgelost met CS2 (koolstofdissulfide) en dat is de grote boosdoener. Dat is een oplosmiddel, dus een vluchtige stof die reeds verdampt bij ongeveer veertig graden en die dampen zijn zeer giftig. De eerste intoxicaties zijn gebeurd en beschreven in het midden van de vorige eeuw, toen men dit ook als oplosmiddel gebruikte bij de natuurlijke rubber, dus bij het maken van ballonnen en condomen enz. op basis van latex. Aangezien men toen de gevaren ervan nog niet kende, werd er gewoon open en bloot mee gewerkt zodat de mensen werkelijk gek werden. Door de opkomst van de kunstrubber is die natuurlijke rubberindustrie fel achteruitgegaan en is ook de enorme epidemie van dat soort intoxicaties in feite op een natuurlijke wijze uitgestorven, »
« Maar in het begin van de twintigste eeuw is dan de viscose-nijverheid opgekomen en zijn er dus nieuwe gezondheidsproblemen opgedoken. België was trouwens één van de eerste landen om dergelijke bedrijven op te richten. O.a. in Aalst was er een viscose-bedrijf dat nu niet meer bestaat, waar rond 1903 een zeer harde staking heeft plaatsgevonden. Die staking heeft maanden geduurd, waardoor de stakers uiteraard geen inkomen hadden en om geld in te zamelen zijn ze dan heel België rondgetrokken, o.m. met de verkoop van een pamflet met het lied van de stakende viscose-arbeiders. Dat lied is trouwens opgenomen in het boek « Pieter Daens » van Louis Paul Boon. »
« Een andere tragische anekdote is dat zeer hoge blootstellingen ook beschreven zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen was in Europa de toevoer van katoen afgesneden en werd de productie van viscose dus geweldig opgedreven. Ik heb een werkelijk vreselijke studie gelezen over zo’n voorval in bezet Polen. De arbeiders werden daar ook volkomen gek, en werden dan naar psychiatrische instellingen afgevoerd. De Duitse politiek ten opzichte van psychiatrische patiënten is echter maar al te goed gekend: afvoeren naar de gaskamer. Op die manier zijn massaal arbeiders uit de viscose-nijverheid om zeep gegaan. »
« Zo erg is het nu uiteraard niet meer, maar door de lagere concentratie heeft men meer « sluipende » effecten. Deze zijn op de koop toe niet zeer typisch, die kunnen dus met andere woorden ook aan andere oorzaken worden gewijd, b.v. stress of vermoeidheid. Zo heeft men in sommige landen een effect vastgesteld op coronair hartlijder (hartinfarct), maar daar spelen natuurlijk ook andere factoren een rol, zodat men niet uit één specifiek geval kan afleiden dat dit speciaal aan die giftige stof te wijten is. Dat kan men alleen als men statistieken gaat maken en men de frequentie van die ziekte gaat nagaan in vergelijking met groepen arbeiders die met dat product niét werken. »
« Naast de reeds genoemde effecten op het zenuwstelsel en het hart en de bloedvaten, is er ook nog invloed op de hormonen, op het sperma, kortom een hele reeks effecten die dienen te worden bestudeerd, ook voor de andere chemische factor, H2S, het zogenaamde putjesgas, dat niet gebruikt wordt als grondstof maar vrij komt wanneer die opgeloste cellulose weer wordt omgezet in het eindproduct. Dit is ook een zeer giftig gas, waarvan men plots bewusteloos kan vallen bij hoge concentraties. Het is dus zeer verraderlijk, b.v. in putten. Maar dergelijke concentraties vindt men niet in de industrie, wel kleinere hoeveelheden die o.m. aanleiding geven tot prikkeling van de ogen. »
« Wij wetenschappers moeten ons er echter wel voor hoeden om normen voor die concentraties vast te leggen. Want eigenlijk is dat zeggen: kijk, dat risico is aanvaardbaar. Er is praktisch niets dat zonder risico is in het leven, maar de vraag is: welk risico is men bereid te aanvaarden? Het is de taak van de wetenschapper om het risico te bestuderen en informatie daarover te geven. Van b.v. te zeggen: als je werkt met een bepaalde giftige stof tegen die hoeveelheid en gedurende zoveel jaar, dan is de kans op het ontstaan van die of die ziekte zoveel procent. Maar de vraag of dat risico aanvaardbaar is, is een maatschappelijke beslissing. En dat is de fout die veel wetenschappers begaan als ze b.v. op televisie worden geraadpleegd over milieuproblemen. De maatschappij moet de wetenschap natuurlijk wel in staat stellen om de relatie tussen dosis en effect te bestuderen. »
« En dat is wat wij in ons geval dus onderzoeken zowel door het meten van bepaalde toxische stoffen in de lucht, als door « biologische monitoring » wat wil zeggen: door de blootstelling te meten in bepaalde biologische media, zoals het bloed of de urine. Een belangrijk aspect van ons werk is juist het perfectioneren van deze methode. »

Men kan zich natuurlijk afvragen in hoeverre de bedrijven hun medewerking willen verlenen aan dergelijk onderzoek. « In dit geval is het een studie die is opgelegd door de arbeidsinspectie. Het bedrijf is dus wel verplicht zijn medewerking te verlenen, maar in het verleden heeft het reeds behoorlijk tegengewrongen, ja. Op een bepaald ogenblik heeft het bedrijf de studie twee jaar geblokkeerd door lobbying via Economische Zaken b.v. »
« De positie van de arbeidsgeneesheer is trouwens zeer variabel van bedrijf tot bedrijf. Vaak zit zo’n man tussen hamer en aambeeld. Maar dat hangt allemaal af van de houding van de directie, van de sterkte van de vakbeweging, enz. Vandaar dat de druk in KMO’s meestal groter is dan bij multinationals. In het ziekenhuis zie ik dikwijls mensen die gestuurd zijn door hun huisdokter en die uit kleine bedrijven komen, waar men op gebied van arbeidshygiëne zeer nalatig is en de adviezen van de arbeidsgeneesheer weinig opvolgt.
»
Hoe wordt iemand eigenlijk arbeidsgeneesheer? « Er zijn verschillende motiveringen, maar ik ken bijna niemand die het reeds bij de aanvang van zijn studies voor ogen staat. Alleszins, toen ik studeerde was dat praktisch nog onbekend (ik ben in 1961 afgestudeerd). Er waren op dat ogenblik wel reeds een aantal geneesheren werkzaam in grote bedrijven, maar die deden daar enkel aan curatieve geneeskunde. Dat was geen arbeidsgeneeskunde gericht op de collectiviteit. Een aantal multinationals waren tussen de beide wereldoorlogen wel met echte arbeidsgeneeskunde begonnen, uiteraard niet uit menslievendheid, maar omdat zij het belang daarvan inzagen. Arbeidsgeneeskunde op grote schaal — de dag van vandaag moet er een arbeidsgeneesheer zijn op alle bedrijven, zelfs als er maar één werknemer is — bestaat nog maar sinds 1968. »
« Ik heb dus algemene geneeskunde gedaan, waarna ik een paar maal huisartsen heb vervangen. Maar in die tijd was hoegenaamd nog geen sprake van groepspraktijken e.d. en de manier waarop die curatieve geneeskunde in het algemeen werd beoefend vond ik eigenlijk niet interessant. Bovendien wilde ik geen legerdienst doen. Ik verkoos een vervangende dienst in Afrika, waarvoor ik dan enkele maanden tropische geneeskunde en chirurgie heb gevolgd. Dat verblijf in Afrika is uiteindelijk vier jaar geworden. Op die manier heb ik meer en meer belangstelling gekregen voor het preventieve, voor het collectieve, al was dat ook daarvoor reeds het geval omwille van mijn politieke instelling (ik ben lid geworden van de partij in 1960). Maar toch stel je vaak vast, vooral bij oudere arbeidsgeneesheren of schoolgeneesheren of anderen die zich met preventieve geneeskunde bezighouden, dat deze mensen eerst in de tropen hebben gewerkt. Omdat men daar automatisch veel meer met de neus gedrukt wordt op de invloed van de maatschappelijke situatie op de gezondheid. Een « normale » opleiding is immers ten zeerste gericht op het individu. Aan het verband met de maatschappij wordt in de traditionele medische opleiding zeer weinig aandacht geschonken.
»
« Toen ik terugkeerde, was een vriend van mij als assistent benoemd in de sociale geneeskunde en toen men daar nog een andere assistent zocht, werd mij die plaats aangeboden. Ik heb dan de cursus arbeidsgeneeskunde gevolgd en zeer snel heeft mijn diensthoofd mij opgedragen om dat beroep ook te velde te gaan uitoefenen. Zo ben ik sedert 1968 twee halve dagen in de week arbeidsgeneesheer bij ACEC. »
« Sommige bedrijven trekken behoorlijk hoge bedragen uit voor intern onderzoek, maar als de resultaten hen niet aanstaan, mogen ze niet gepubliceerd worden. »
« Maar ook nu nog is de sociale geneeskunde een beetje een vreemde eend in de bijt op de universiteit. Aan de ene kant heeft men daar een blok mensen die aan laboratoriumonderzoek doen, de basiswetenschappen laten we zeggen, en aan de andere kant zijn er de mensen uit de kliniek die met zieken omgaan. Het spreekt vanzelf dat wij met deze twee disciplines moeten samenwerken, maar wij zijn vooral gericht op de buitenwereld (het bedrijf, de school, het milieu…) en dat is iets waar de meeste geneesheren over het algemeen weinig begrip van hebben. Bovendien wordt in de geneeskunde veel onderzoek gedaan in functie van en betaald door de farmaceutische nijverheid, dat is uiteraard een geldbron waarop wij hoegenaamd geen beroep kunnen doen. Sponsoring vanuit de bedrijfswereld in het algemeen komt haast even zelden voor. Wat er natuurlijk wel gebeurt, dat zijn bedrijven die zelf intern een onderzoek laten doen door hun eigen arbeidsgeneesheren en daarvoor soms behoorlijk grote bedragen uittrekken. De keerzijde van de medaille is echter dat als de resultaten hen niet aanstaan, deze niet gepubliceerd mogen worden. Ik ken collega’s die in bepaalde industrieën zeer interessant onderzoek doen en mij daarover berichten, maar die daar wel aan toevoegen dat dit niet gepubliceerd mag worden. De directie beschouwt dat als interne keuken… »
« Als je in België een tijdlang geld gekregen hebt voor een bepaald onderzoek, zegt men: ’t is genoeg geweest, nu moet je maar eens iets anders doen. »
Waarmee we rond zijn, want deze prijs kan voor de wetenschappelijke overheid dan misschien een aansporing zijn om er toch maar mee door te gaan. « Het grootste deel van ons onderzoek is kunnen gebeuren dankzij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Gedurende zes jaar hebben we daarvan geld gekregen. Maar het is een politiek probleem. Als je hier in België een tijdlang geld hebt gekregen voor een bepaald onderwerp, dan zegt men plotseling: ’t is genoeg geweest, nu moet je maar eens iets anders doen. Dat is volgens mij een verkeerde politiek, want meestal zijn nog niet alle problemen opgelost en heeft men op een bepaald terrein juist voldoende ervaring en know-how opgedaan om er nu tegenaan te gaan. Maar juist dan heeft men het moeilijk om aan fondsen te geraken. Bepaalde onderwerpen zijn natuurlijk « populair » (denk maar aan kanker of hartziekten) en als men dan van de ene instelling geen geld kan loskrijgen, dan staat er wel een andere klaar, de ASLK of de Lotto of weet ik veel. Maar dat is bij de sociale geneeskunde natuurlijk niet het geval… »

Lees verder “Dertig jaar geleden: interview met Dr.Michel Vanhoorne”

Veertig jaar geleden: mijn officiële start op De Rode Vaan

Veertig jaar geleden: mijn officiële start op De Rode Vaan

Vandaag is het veertig jaar geleden dat ik officieel ben beginnen werken op De Rode Vaan. Op bovenstaande foto ziet u mij op de wekelijkse redactievergadering in de Kazernestraat naast mijn goeroe, Lode De Pooter. Op onderstaande foto kijk ik over de schouder van die andere inspirerende figuur, Jan Mestdagh. Deze foto is reeds genomen in de Lemonnierlaan, aan het bureau van Jan, dat naast het mijne (onderste foto) stond.
Lees verder “Veertig jaar geleden: mijn officiële start op De Rode Vaan”

Dertig jaar geleden: Jef Turf ontslagen als politiek directeur

Dertig jaar geleden: Jef Turf ontslagen als politiek directeur

Het is vandaag dertig jaar geleden dat Jef Turf door het partijbestuur van de Communistische Partij werd ontslagen als politiek directeur van De Rode Vaan. Daarop nam Jef ontslag, waarbij hij werd gevolgd door de voltallige redactie. Evenwel niet in één keer omdat sommigen (waaronder ikzelf) eerst op zoek gingen naar ander werk. Bij mij werd dat dan woordvoerder van minister De Batselier, een rampzalige beslissing. Een maand na mij trok de laatste redacteur, Jan Mestdagh, de deur achter zich dicht. Hij ging naar de Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid, waar ik een vijftal jaren later me bij hem zou voegen. Alweer een rampzalige beslissing!
Lees verder “Dertig jaar geleden: Jef Turf ontslagen als politiek directeur”