Billie Holiday (1915-1959)

Billie Holiday (1915-1959)

Morgen zal het al zestig jaar geleden zijn dat de Amerikaanse jazz- en blues-zangeres Billie Holiday is overleden (foto YouTube).

Billie Holiday (werkelijke naam Eleanora Fagan Gough) was de dochter van gitarist Clarence Holiday (1898-1937) en Sadie Fagan (1895-1945). Haar vader was dus zestien en haar moeder negentien toen zij geboren werd. De artiestennaam Billie ontleende de zangeres later aan Billie Dove, een actrice die zij bewonderde. De kindertijd van Holiday is in nevelen gehuld en ook het moment waarop zij begon met zingen staat niet onomstotelijk vast. Wat wel vaststaat, is dat zij in 1933 voor het eerst in de publiciteit kwam door een column in het blad Melody Maker, geschreven door producent John Hammond. Deze bracht haar in contact met Benny Goodman, die haar een platendebuut bezorgde met het lied Your Mother’s Son in Law.
Opvallend, alhoewel Benny Goodman één van de eersten (zo niet dé eerste was) om de rassenscheiding te doorbreken door samen te spelen met zwarte muzikanten, liet hij Billie Holiday niet met zijn orkest optreden, maar met een eigen groep uitsluitend bestaande uit zwarten. (Later zou hij wél opnames met haar maken.)
Het jaar daarop reeds maakte Holiday al furore in de New Yorkse jazzclubs, wat resulteerde in een optreden in het vermaarde Apollo Theater. Later speelde zij samen met Louis Armstrong, Duke Ellington, Count Basie, Artie Shaw, Ben Webster en natuurlijk vooral tenorsaxofonist Lester Young die haar de bijnaam “Lady Day” heeft gegeven en die zij op haar beurt the Prez (afkorting van President) ging noemen. De twee hadden jarenlang een verhouding, maar volgens één van de vele legendes die over Billie de ronde doen (en die zij vaak zelf in het leven heeft geroepen), zou de verhouding enkel “platonisch” zijn geweest. Jazz & drugs, jawel, maar geen “rock’n’roll”…
In de loop van haar leven begon Billie Holiday inderdaad steeds meer drank en drugs te gebruiken. In 1947 werd zij zelfs gearresteerd voor overtreding van het verbod op drugs, waarna zij een jaar doorbracht in een rehabilitatiecentrum. Alhoewel zij geen licentie meer kon verkrijgen om in New York op te treden, ging Holiday door met concerten geven. Tien dagen na haar vrijlating zong zij in een overvolle concertzaal in Carnegie Hall. Haar blijvende verslaving aan heroïne tastte wel haar stem aan, maar niet haar gevoeligheid en techniek. Uiteindelijk kostte deze verslaving haar in 1959 wel het leven.

Selectieve bibliografie
John Chilton, Billie’s blues, 1975.
Donald Clarke, Wishing on the moon: the life and times of Billie Holiday, Viking, 1993, 468 blz.
Billie Holiday, Lady sings the blues, 1956 (te verkrijgen als Rainbow Pocket).
Stuart Nicholson, Billie Holiday, Londen, Victor Gollancz, 1995, 311 blz.
Robert O’Meally, Billie Holiday: les multiples facettes de Lady Day, Editions Denoël, 1992, 208 blz.

Viktor Liberman (1931-1999)

Viktor Liberman (1931-1999)

Morgen zal het ook al vijftien jaar geleden zijn dat de Russische violist Viktor Liberman is overleden (foto YouTube).

Viktor Liberman werd geboren in 1931 in Leningrad. In 1958 wint hij de Tsjaikovski-wedstrijd, waarna hij in 1968 concertmeester wordt van de Filharmonie van Leningrad en, later, als hij in 1979 in Nederland komt wonen, eerst van het Rotterdams Filharmonisch Orkest en daarna (1985) van het Concertgebouworkest, waar hij afwisselde met Jaap Van Zweden. Dat was ook het geval tijdens de “Cosi fan tutte”, gedirigeerd door Nikolaus Harnoncourt die ik bijwoonde. Hij was ook jurylid van de Elisabethwedstrijd 1993. Bij zijn afscheidsconcert wegens pensionering in 1996 dirigeerde hij het Concertgebouworkest in onder andere de vijfde symfonie van Dmitri Sjostakovitsj. In datzelfde jaar werd hij vaste gastdirigent bij het Noord-Nederlands Orkest in Groningen, waarvan hij van 1997 tot zijn dood chef-dirigent was. Viktor Liberman overleed op 68-jarige leeftijd aan leverkanker.

Lees verder “Viktor Liberman (1931-1999)”

Anne Marie Musschoot wordt zeventig…

Anne Marie Musschoot wordt zeventig…

KANTL-lid Anne Marie Musschoot, erehoogleraar moderne Nederlandse literatuur en algemene literatuurwetenschap (Universiteit Gent), viert vandaag haar zeventigste verjaardag. Ik heb haar destijds geïnterviewd n.a.v. haar voorzitterschap van het Cyriel Buysse Genootschap.

A.M.Musschoot: Op dit ogenblik mag de belangstelling voor Buysse wel groot lijken (ze is b.v. groter dan voor Stijn Streuvels om maar iets te zeggen), maar dat is dan het gevolg van een heel recente revival. “Recent” moet je in dat geval zien in literair-historisch perspectief, want ik spreek nu over de jaren zeventig. Vóór die tijd werd Buysse zo goed als verwaarloosd. De katholieken b.v. móchten hem gewoonweg niet lezen: in de bibliotheken mocht hij niet aangekocht worden, een paar boeken waren helemààl verboden…
Slechts één voorbeeld uit de velen: de bijdrage over Buysse in “Beknopte Literatuurgeschiedenis II” van M.Lieven, uitgeverij Plantijn, bedraagt in de tweede druk uit 1968 precies vijf lijnen. En in die vijf lijnen slaagt men er dan nog in de volgende kenmerken samen te brengen: antiklerikaal, franskiljon, ruw, brutaal, cynisch, instinctief. De conclusie luidt: hij “blijft de werkelijkheid verwringen en zijn karakters zijn eerder typen. Hij is bovendien een slecht stilist.” (*)
Het is dus pas in de jaren zeventig dat er op dat vlak een soort van doorbraak is gekomen, vandaar dat er een hele inhaalbeweging nodig is. Die revival heeft ongetwijfeld ook te maken met het feit dat hij van de auteurs van zijn generatie in Vlaanderen de meest leesbare is. De reden hiervoor is dat hij een realist is, ook in zijn stijl, wat b.v. bij Streuvels niet het geval is. Daarmee wil ik niet afdingen op de waarde van Streuvels, integendeel, maar Buysse heeft niet die “écriture artiste” en daarmee bedoel ik dan die louter stilistische ornamenteringen die nu in de weg staan voor de moderne lezer. Lees een paar kleine novelletjes van Streuvels van rond 1900 en je zal meteen zien dat de taal in de weg staat, dat je uitleg nodig hebt, dat hij woorden gebruikt die niet meer gekend zijn. Buysse heeft dat niet en hij wordt dan ook graag gelezen. Dat Streuvels destijds beter werd ontvangen dan Buysse, heeft volgens mij dan ook veel meer te maken met extra-literaire omstandigheden.
– Maar die “inhaalbeweging” wordt dus nu gemaakt via een Genootschap. Maar wat houdt dat precies in?
A.M.Musschoot
: Het Cyriel Buysse Genootschap is gesticht na de herdenkingstentoonstelling in 1982. Buysse is gestorven in 1932 en vijftig jaar later is er dan, nog op verzoek van zijn zoon, een grote herdenkingstentoonstelling gekomen in Antwerpen en in Gent. Van daaruit is nadien bij barones Buysse, de schoondochter dus (Mathilde Nerincx, 1908-2000, RDS), de behoefte ontstaan om daar iets blijvends van te maken, om dat niet zo maar opnieuw in het niets te laten verdwijnen. Vandaar de oprichting van dit Genootschap dat zich wil bezighouden met het verder bekend maken van het werk van Buysse en het verbreden en verdiepen van de studie van zijn oeuvre. Er is immers nog heel wat werk op de plank, als je nagaat dat hij zijn Verzameld Werk maar heeft gekregen tussen 1974 en 1982!
– Waarvoor u trouwens heeft gezorgd…
A.M.Musschoot
: Samen met mijn voorganger, Prof.Van Elslander, ja.
– Hoe functioneert dat Genootschap dan?
A.M.Musschoot
: Er zijn een kleine driehonderd leden. Aanvankelijk kwamen die niet samen tot ik enkele jaren geleden een eerste colloquium heb georganiseerd, wat eigenlijk bedoeld was als een soort van ledenvergadering, maar aangezien het een wetenschappelijk colloquium was, zijn niet alle leden daarop afgekomen, omdat ze niet allemààl uit die hoek komen. Op die manier bereiken we dus maar een beperkt aantal leden, vandaar dat we sindsdien ook andere initiatieven organiseren, zoals literaire wandelingen en zelfs culinaire bijeenkomsten, die dan wel altijd van ver of van nabij met Buysse te maken hebben.
– Elk jaar is er ook een jaarboek…
A.M.Musschoot
: Tot grote tevredenheid van de leden inderdaad. Maar het is wél een wetenschappelijk werk, wat alweer misschien een beperking is in vergelijking met soortgelijke Genootschappen of Stichtingen, zoals men ze in Nederland noemt. Ons jaarboek is geïnspireerd door de Achterberg Stichting, waarvan echter eerder een jaarboekje verschijnt. Maar de andere Genootschappen in Vlaanderen, waarvan de grootste die van Felix Timmermans en Ernest Claes zijn, die hebben véél meer leden dan wij. Ik probeer daaraan iets te doen natuurlijk, maar Buysse is een ander soort schrijver dan Timmermans en Claes, we zullen dus hoe dan ook een ander publiek hebben.
– Dat “ander soort schrijver” zijn, geldt dan op de eerste plaats zijn sociaal engagement, waardoor hij o.m. in socialistische middens “aantikte”, maar toch zet ik die uitdrukking tussen aanhalingstekens, want hij was tevens een uitgesproken liberaal!
A.M.Musschoot
: Laten we ervan uitgaan dat je hem niet onder één hoedje kon vatten. Je kan zijn opvattingen niet identificeren met een bepaalde partij of zelfs niet met een bepaalde ideologie. Hij is voor de socialisten heel interessant geweest, maar dat was ook voor de liberalen het geval. En dat wou hij ook zo. Zelf verklaarde hij immers dat hij niet ging stemmen bij de verkiezingen. Hij komt uiteraard wel uit een liberale familie: zijn broer Arthur is zelfs liberaal volksvertegenwoordiger geweest. De socialisten hebben echter veel voor het werk van Buysse gedaan en zijn sympathie ging dan ook naar hen uit (hij had zelfs vrienden die links van de BWP stonden, zoals Frans Masereel en de Franse auteur Léon Bazalgette, o.m. correspondent van “L’Humanité”, RDS). Maar daarnaast had hij b.v. ook veel sympathie voor de Daensistische beweging. Hij was van oordeel dat zij op het platteland de functie hadden van wat de socialisten deden in de stad, namelijk ingaan tegen de sociale onrechtvaardigheid. Want dààr ging het om bij Buysse: een meevoelen met de verdrukte mens, met de mens die wordt verdrukt door de mens. Je moet dat niet politiek verklaren, je moet dat menselijk verklaren. En daarom ook dat hij een belangrijk schrijver was én is.
– In de tijd dat Buysse actief was als schrijver, was ook de taal een middel tot onderdrukking. Hoe was zijn houding dààrtegenover?
A.M.Musschoot
: Dat is een belangrijke vraag omdat ze een hele discussie heeft doen ontstaan. Hij is daarin immers niet steeds rechtlijnig geweest. Om te beginnen was hij van huis uit Franstalig, maar ook Nederlandstalig: beide talen werden gesproken. Zijn opvoeding geschiedde oorspronkelijk in het Vlaams maar later werd hij naar “de stad” (Gent) gestuurd om zijn Frans, dat hij al heel goed kende, nog wat bij te spijkeren. Hij heeft trouwens geprobeerd om in het Frans door te dringen. Zo heeft hij een aantal novellen in het Frans geschreven. Ook zijn “Biezenstekker” heeft hij vertaald en zelfs getracht om het in Parijs te laten opvoeren via Maurice Maeterlinck die hij zeer goed kende. Dat is hem niet gelukt. De klacht van Buysse dat hij hem zou verhinderd hebben carrière te maken in Frankrijk, was echter ongegrond, want hij deed wél zijn best om publiciteit te maken voor Buysse. Het is echter wél waar dat hij hem afraadde om in het Frans te schrijven. Niet echter uit vrees voor concurrentie, zoals Buysse veronderstelt, maar omdat het Frans van Buysse abominabel was, al was Buysse lid van een franskiljonse lobby, de “Association flamande pour la vulgarisation de la langue française”, waarvan ook de Gentse bisschop Stillemans en… Edward Anseele lid waren.
(Op die manier kreeg Buysse trouwens informatie uit de eerste hand voor de roman die hij later, in 1900, over Anseele zou schrijven, onder de titel ’n Leeuw van Vlaanderen. Overigens was dit boek eigenlijk nogal kritisch t.o.v. de socialistische leiders. Het werd dan ook pas in 1911 – in het kader van een Buysse-viering – in afleveringen gepubliceerd in Vooruit. Het toeval, of misschien zelfs de Wet van Murphy, wou dat precies op 1 mei de passage verscheen, die aan de oorsprong zou liggen van de term biefstukkensocialisme. Op een partijvergadering van 10 mei kan men in de verslagen dan ook terugvinden dat sommige bestuursleden zich hieraan hadden geërgerd, RDS.)
A.M.Musschoot: Daarbij moeten we ook rekening houden met het feit dat Buysse op een bepaald moment trouwt met een Nederlandse, waarna hij voor het grootste deel van het jaar in Den Haag gaat wonen. Hij wordt dus tot op zekere hoogte een “Nederlands” auteur. Tot in de jaren twintig zijn al zijn uitgevers trouwens Nederlanders. Wat verder een zeer belangrijke rol heeft gespeeld is een incident in 1897, dus in de periode dat hij in het Frans probeerde te schrijven, toen hij n.a.v. een persoonlijke kwestie de flaminganten heeft aangevallen.
– Kunt u dat niet iets meer specifiëren?
A.M.Musschoot
: Nee. Dat ontaardt te gemakkelijk in roddel, waaraan ik me niet wil begeven (**). Maar het is in ieder geval zo dat hij de flaminganten heeft aangevallen, waarbij hij het vooral gemunt had op een aantal van hen die hem in zijn persoonlijke leven hadden getroffen. Dat artikel in “De Amsterdammer” is hem erg kwalijk genomen en hij heeft daar achteraf ook veel spijt over gehad. In een paar open brieven heeft hij er zich zelfs van gedistantieerd. Uit later werk zoals zijn toneelstuk “Jan Bron” en zijn novelle “Uleken” blijkt dat hij integendeel erg veel sympathie had voor de flaminganten. Wat sterk tot die ommekeer heeft bijgedragen is dat het bewuste artikel in de strijd rond de gelijkheidswet werd misbruikt door Bara in de senaat, zodat het op die manier grotere gevolgen had dan Buysse bedoelde.
– Bovendien ontwikkelt Buysse tijdens de Eerste Wereldoorlog als reactie op het activisme opnieuw een Belgicistische reflex…
A.M.Musschoot
: Dat is zijn liberale achtergrond natuurlijk.
– Maar het activisme is toch helemaal niet te vergelijken met de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog! Hoe is het mogelijk dat een man als Buysse de sociale dimensie daarvan niet heeft gezien?
A.M.Musschoot
: Omdat hij heel sterk anti-Duits was. En zijn hevige anti-Duitse houding maakte hem tot een “echte Belg” in liberale zin. Hij heeft zich trouwens verzet tegen het feit dat men een aantal van zijn boeken in het Duits heeft vertaald.
– Eigenlijk waren het zelfs eerder “bewerkingen”, heb ik begrepen, want ze werden aangepast zodat ze beter thuishoorden binnen de “Heimatliteratur”…
A.M.Musschoot
: Zo is het. En hij was daar doodongelukkig om.
– Buysse was ook een naturalist, dat was Gefundenes Fressen voor wie hem wilde verbieden…
A.M.Musschoot
: Het naturalisme bij Cyriel Buysse moet niet overschat worden: het is maar een klein gedeelte van een uitgebreid oeuvre, dat bijwijlen ook hyperromantisch is, in de traditie van zijn tantes Loveling. De naturalistische episode zou zich volgens sommige kenners uitstrekken van 1890 (de publicatie van “De Biezenstekker” in het avantgarde-tijdschrift “De Nieuwe Gids”) tot 1900. In dat geval zou “Het Gezin van Paemel” (1903) dus echter niet naturalistisch zijn! Maar zelfs als men ervan uitgaat dat men het voornamelijk over het prozawerk van Buysse heeft, dan nog kan misschien beter de datum 1905 (publicatie van “Het leven van Rozeken van Dale”) naar voren worden geschoven. Anderzijds moet worden toegegeven dat ook in Buysses romantische werk maatschappijkritiek zit. Bij hem gaat het immers zoals gezegd altijd over het kwaad dat de ene mens de andere aandoet. Bij Streuvels b.v. is het thema eerder hoe klein de mens wel is in de kosmos, in de natuur.
– Als ik dit alles op een rijtje zet, dan kom ik tot de conclusie dat de Buysse-studie niet mag worden beschouwd als een vorm van “literaire archeologie”?
A.M.Musschoot
: Zeker niet! Met Buysse wordt een lijn ingezet die men kan doortrekken tot op de dag van vandaag. Die gaat via Gerard Walschap en Louis Paul Boon over Walter van den Broeck en Monica Van Paemel naar Guido Van Heulendonk…
Volgens Marc Reynebeau (Knack) refereren de drie tantes van Katrien Deschryver in “Het Goddelijke Monster” van Tom Lanoye aan “Tantes” van Cyriel Buysse. Trouwens, toen in een vorige aflevering van de Mededelingen Yvan de Maesschalck op overeenkomsten wees tussen Buysses “Biezenstekker” en “Vrijdag” van Hugo Claus, dan vertelde hij weliswaar niet nieuws, maar als hij “De geruchten” met “’t Bolleken” gaat vergelijken, blijf je toch wel met rode oortjes lezen…
Over de bemiddelende rol die Buysse heeft gespeeld om andere Vlaamse auteurs in Nederlandse tijdschriften te laten publiceren vertelt biograaf Joris van Parys de volgende leuke anekdote. Hoofdredacteur Frans Coenen heeft niet altijd oren naar Buysses suggesties omdat hij liever werk van vrouwen uit zijn onmiddellijke omgeving publiceert. Hij doet dit zo opvallend dat Jan Greshoff spreekt van zijn “haremvrouwen”, terwijl Menno ter Braak uitbraakt: “Wat een degradatie, om van een Forum op een blad vol wijven terecht te komen!” En let wel, hij heeft het dus niet over Menzo, Ché of Cover, hé!
Dat soort bladen zouden we zeker in de Fenomenale Feminatheek van Boontje aantreffen. In verband met deze schrijver kunnen we tot slot de bekende anekdote aanhalen die Hugo Van den Berghe o.m. tegen Pascal Verbeken vertelde in De Standaard der Letteren van 27/2/97: “Toen ik in Aalst voor een socialistische kring Het gezin van Paemel regisseerde, kwam op een avond Boon langs. Hij bood zich aan om het rolletje van de facteur te spelen die aan het eind de brief uit Amerika brengt. Hij zei toen: ik heb zo veel bewondering voor Buysse, eigenlijk zou ik een boek over hem moeten schrijven; maar door mee te spelen bewijs ik hem veel meer eer.”
In 2014, bij de presentatie van de 30ste aflevering van de Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap en in het boek zelf, werd al duidelijk gemaakt dat de publicatie verder in een andere vorm zou verschijnen. De bedoeling was een jaarboek uit te geven met een bredere blik op de context waarin Buysse leefde en werkte. Het is echter gebleken dat voor een dergelijke jaarlijkse publicatie over de literatuur van het interbellum onvoldoende belangstelling bestond. Daarom heeft het bestuur besloten om contact op te nemen met een uitgever die zich zou willen engageren om jaarlijks een boek met één of meer titels van Buysse op de markt te brengen. Zij hebben Rudy Vanschoonbeek (uitgeverij Vrijdag) bereid gevonden deze publicatie, met de financiële steun van het Cyriel Buysse Genootschap, op zich te nemen en we hebben om te beginnen een afspraak voor de eerstkomende vijf jaar. Het eerstvolgende boek zal in 2016 verschijnen. Omdat er geen publicatie komt in 2015 hoopt men ook het tweede boek nog in 2016 te laten verschijnen. De Mededelingen verschijnen dus niet meer en er wordt ook geen lidgeld opgevraagd, maar iedereen die deel uitmaakt van het huidige ledenbestand zal een reductiebon ontvangen van de uitgever waarmee hij of zij zich de geplande nieuwe Buysse-druk in de boekhandel kan aanschaffen tegen verminderde prijs.

In 2013 verscheen van Mieke Verschuivingen en ontgrenzingen waarin enkele momenten die de geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur hebben veranderd worden belicht: scharniermomenten die accentverschuivingen laten zien, op breuklijnen tussen traditie en vernieuwing. De auteurs die een rol hebben gespeeld in dit onvoorspelbare mechanisme dat de motor is van de literaire geschiedenis, blijken allen hun inspiratie te hebben gevonden in de brede internationale, West-Europese stromingen.
De lijnen van de ontwikkeling lopen van de late negentiende eeuw, met de overgang van romantiek naar naturalisme en symbolisme in het fin de siècle (met Cyriel Buysse, Karel van de Woestijne, Guido Gezelle en Paul van Ostaijen), naar het modernisme in het begin van de twintigste eeuw (met Willem Elsschot en Maurice Gilliams). De overgang van modernisme naar postmodernisme wordt voorbereid door Johan Daisne en Louis Paul Boon, en manifesteert zich bij zo diverse auteurs als Leon de Winter en Peter Handke, Louis Ferron en Paul de Wispelaere. In het sluitstuk van de bundel staat het werk van Stefan Hertmans centraal.
Een overzicht van de inhoud:
Deel 1. Rondom Buysse en Van de Woestijne
1. De sociaal-kritische traditie in Vlaanderen
Eugeen Zetternam en Cyriel Buysse
2. Tussen twee eeuwen
Enkele beschouwingen over de verstrengeling van twee culturen in het fin de siècle
3. Karel van de Woestijne als chroniqueur van de Frans-Belgische letteren
4. Gezelle – Van de Woestijne – Van Ostaijen en de traditie van de poésie pure
Deel 2. Rondom Elsschot en Gilliams
5. Op zoek naar Willem Elsschot in Villa des Roses
6. Maurice Gilliams
Schrijven als zelfondervraging
7. Eerherstel voor het ‘tweede cahier’ van Gilliams’ Elias?
Deel 3. Van modernisme naar postmodernisme
8. Johan Daisne als romanvernieuwer
9. Louis Paul Boon: Abel Gholaerts
Een omstreden boek?
10. Leon de Winter en Peter Handke
Vormen van postmodernisme
11. Louis Ferron: gefascineerd door het kwade
Meerduidigheid en omkeerbaarheid in Hoor mijn lied, Violetta (1982)
12. Het gekoesterde ego
Autobiografisch schrijven en het einde van het millennium
13. Schrijven als een vorm van literaire archeologie
Over Paul de Wispelaeres Het verkoolde alfabet
Deel 4. Over Stefan Hertmans
14. Stefan Hertmans: van fascinatie naar reflectie
15. Stefan Hertmans en Wallace Stevens
Een postmodernistische dialoog met de modernistische traditie
16. Creatief zwerven zonder kompas
Stefan Hertmans als essayist
Anne Marie Musschoot is erehoogleraar moderne Nederlandse literatuur en algemene literatuurwetenschap (Universiteit Gent) en redacteur van de Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap. Zij publiceerde verschillende kleinere studies over Karel van de Woestijne. Samen met Arie Gelderblom vormt ze de hoofdredactie van de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur.
De bundel kost € 23.50 en kan worden besteld bij uitgeverij Academia Press, Eekhout 2, 9000 Gent, Tel. 09 233 80 88, Fax 09 233 14 09, info@academiapress.be, http://www.academiapress.be

Ronny De Schepper

(*) Ook Vic De Donder citeert in zijn boek “Kom eens naar mijn kamer, een halve eeuw collegeleven in Vlaanderen” (Elsevier, 1986) Cyriel Buysse als voornaamste auteur die door de katholieke scholen werd “doodgezwegen” (p.120).
(**) Eigenaardig dat ik daarover niet heb doorgevraagd, want twintig jaar eerder heeft prof.Musschoot in haar lessen over Buysse daar wél meer over verteld. Dit zijn de nota’s die ik daarover toen heb genomen: in 1897 schrijft Buysse in “De Amsterdammer” een polemisch artikel over het flamingantisme, waardoor het tot een breuk komt met zijn Vlaams lezerspubliek en dan vooral met de redactie van het tijdschrift “Van nu en straks”. Wellicht heeft hij het artikel geschreven n.a.v. een verslag van een lezing van Jan van Rijswijck, de burgemeester van Antwerpen, over de Nederlandse taal. Daarbij moet men wel weten dat Jan Van Rijswijck bevriend was met Max Rooses, met wiens dochter Rosa Buysse graag een relatie had gehad, maar vader Rooses verzette zich daartegen, vooral na insinuaties van Paul Frédérique (Rooses zal trouwens op een prachtige ironische wijze reageren op het artikel). In het artikel verwijt Buysse de flaminganten dat ze onder elkaar Frans spreken, enerzijds omdat er geen beschaafde omgangstaal is en anderzijds uit arrivisme. Als datzelfde jaar in de senaat de gelijkheidswet wordt besproken (bedoeld wordt: de gelijkheid van taal, meer concreet dat de wetten voortaan ook in het Nederlands zouden worden uitgevaardigd), zijn de liberalen daartegen en hun woordvoerder Bara haalt op dat moment het artikel van Buysse aan ter staving van hun argumenten. Jules Bara (1835-1900) was weliswaar een Franstalige Brusselaar, maar het artikel was na amper een paar dagen al vertaald door een Gentse advocaat. In het liberale blad “Etoile belge” verklaart Buysse zich nogmaals solidair, waarop August Vermeylen in “Van nu en straks” reageert met het artikel “Onze taal voor de senaat en voor Buysse”. In eerste instantie wordt de gelijkheidswet afgeschoten, maar een jaar later zal ze toch goedgekeurd worden. Voor Buysse zelf zal het nog tot 1903 duren vooraleer hij in het tijdschrift “Groot-Nederland” terugkrabbelt, maar van dan af is het hek dan ook van de dam en keert hij zijn kar 180°. In een interview afgenomen door de Gazette van Detroit op 16 september 1931 (enige maanden voor zijn dood) toont hij zich zelfs een visionair: “Wij gaan naar het Federalisme! (…) Vlaanderen krijgt ongetwijfeld zelfbestuur. Wallonië eveneens. De twee Staten in een Federale Staat België.” (Mededelingen XXVI, p.186) Als Groot-Nederlander in woord (het tijdschrift) en in daad (hij woonde afwisselend in Vlaanderen en in Nederland) betreurt hij wel dat dit samengaan in de praktijk nooit zal worden verwezenlijkt: “Het is een onmogelijk uit te voeren droom. Het meent de verbrokkeling, de vernietiging van België als ’n Staat, iets wat de mogendheden, vooral Engeland, niet zouden dulden. In Holland verlangt men niet naar die aanhechting. Een der redenen, om er maar eene te noemen, is de overwegende meerderheid der protestanten in Holland. Neemt men Vlaanderen daarbij dan verandert die meerderheid in eene minderheid en worden de katholieken baas. Ook het Hollandsch vorstenhuis is Protestantsch. Er zijn nog andere redenen, maar deze eene zoude moeten voldoende zijn. En Vlaanderen heeft er alles bij te winnen, die droom te vergeten.” (idem, p.187)

Referenties
Cyriel Buysse, Zoals het was… Manteau, Antwerpen, 1983, 221 blz., 395 fr.
Johan & Jan de Belie-Segers, Omzien naar Cyriel Buysse: het ontwakend bewustzijn van de arbeidersklasse, De Rode Vaan nr.18 van 1984
Ronny De Schepper, “Meevoelen met de verdrukte mens, daar ging het om bij Buysse”, De Rode Vaan nr.15 van 12 april 1991
Ronny De Schepper, Jaarboek Buysse Genootschap, Het Laatste Nieuws, 19 april 1994
Ronny De Schepper, In de voetsporen van schrijver Cyriel Buysse, Het Laatste Nieuws, 16 september 1994
Ronny De Schepper, Opstellen van prof.Musschoot, Het Laatste Nieuws 27 september 1994
Ronny De Schepper, Het land van Cyriel Buysse, Het Laatste Nieuws, 6 april 1995
Ronny De Schepper, Het engagement van Cyriel Buysse, De Hoogste Tijd, juni 1997
Ronny De Schepper, Het engagement van Cyriel Buysse, Nitro, september 1997

Lees verder “Anne Marie Musschoot wordt zeventig…”

Herbert von Karajan (1908-1989)

Herbert von Karajan (1908-1989)

Het is vandaag ook al dertig jaar geleden dat de omstreden dirigent Herbert von Karajan is overleden (foto YouTube).

Eigenlijk heet Herbert von Karajan gewoon Herbert Karajan of Karajanis, zoals zijn voorouders uit Macedonië oorspronkelijk heetten. Het is waar dat zijn overovergrootvader, die zijn heil in Saksen had gezocht, daar naam had gemaakt in de kledingindustrie en daarom door de Oostenrijkse keizer in de adelstand was verheven, maar bij de oprichting van de Oostenrijkse staat werd de adel afgeschaft.
Herbert Von Karajan kon na de Tweede Wereldoorlog onmogelijk zijn NSDAP-lidmaatschap loochenen. Hij stelde het echter voor dat zijn lidmaatschap een “formaliteit” was om in 1935 chefdirigent in Aken te worden. Niet alleen is het onzin te beweren dat een chefdirigent een nazi-partijlid zou moeten zijn, het is vooral gewoonweg gelogen, want Von Karajan was reeds twee jaar eerder en uit volle overtuiging lid geworden, eerst in Oostenrijk, nadien in Duitsland. In 1944 dirigeerde hij in het bezette Parijs nog het tweede Brandenburgs concert van Bach (waarvoor hij zich dus dubbel zou moeten schamen!) en toch werd hij reeds in 1947 aangesteld als hoofd van de Wiener Philharmoniker! Nochtans waren veel mensen er getuige van geweest hoe hij concerten vaak met het Horst Wessellied begon.
“Hard to swallow” voor de zovele Karajan-fans natuurlijk, daarom dat men er steeds vergoelijkend (?) aan toevoegt : “Hij zou zijn stem uitbrengen op de partij die het best zijn persoonlijke belangen dient. Hij heeft, geen ideologie.” Het zijn slechts joodse musici zoals Isaac Stern, Arthur Rubinstein en Itzhak Perlman die weigeren met “het genie van het Wirtschaftswunder” (zoals Theodore Adorno hem genoemd heeft) samen te werken. Andere joden zijn niet zo kieskeurig. Karajan is een goudmijn, dus Karajan is onze vriend, zeggen de… Rothschilds!
Herbert von Karajan heeft inderdaad een buitengewone aanleg om geld te scheppen. En dan nog niet eens vanwege zijn gage (300.000 fr. per concert) waarmee hij in de jaren zeventig aan de top stond van de dirigenten (Boehm, Bernstein en Solti delen de tweede plaats met 240.000 fr. elk). In de jaren zestig gold Von Karajan dan ook zowat als het boegbeeld van de klassieke muziek. Maar daarom ook werd hij bijna onmiddellijk verguisd toen hij is overleden in juli 1989. Om een voorbeeld te geven van zijn pathetiek: over het fameuze adagietto van Gustav Mahler doet hij veertien minuten, terwijl Bruno Walter, toch een persoonlijke vriend van Mahler, slechts acht minuten nodig had.

Lees verder “Herbert von Karajan (1908-1989)”

Negentig jaar geleden: Hector Van Rossem wint de eerste beroepsrennerskoers in Temse

Negentig jaar geleden: Hector Van Rossem wint de eerste beroepsrennerskoers in Temse

Het is vandaag precies negentig jaar geleden dat Hector Van Rossem (foto Frans Nauwelaerts via de Wielersite) de eerste beroepsrennerskoers in Temse heeft gewonnen.

Hector Van Rossem (1907-1954) was zelf van Temse, maar dat wil niet noodzakelijk zeggen dat hij de overwinning ten geschenke kreeg. Hij won dat jaar immers ook een rit in de Ronde van België en de semiklassieker Brussel-Parijs. Hij reed dat jaar voor Alcyon, net als het daaropvolgende jaar waarin hij weliswaar geen overwinning boekte, maar toch opnieuw derde werd in de Ronde van België en tweede in alweer een andere semiklassieker Lyon-Genève-Lyon.

Een jaar later stapte hij over naar de Vlaamse ploeg Libertas. Hij won de kermiskoers in Rupelmonde en werd tweede in de Omloop der Vlaamse Gewesten, die toen nog als rittenkoers werd betwist.

Vanaf 1932 had hij het statuut van “individueel”. Toen won hij de Omloop van België en een jaar later won hij opnieuw in Temse. In 1934 was zijn beste prestatie een derde plaats in Sint-Mariaburg. Dat vond hij blijkbaar zelf onvoldoende, zodat hij de fiets aan de haak hing.

Zijn supporterslokaal in de Schoolstraat (waar op dit moment Fietsen Bruno is gevestigd) liet hij over aan de nieuwe vedette uit Temse: Jules Deschepper.

Alfred Deller (1912-1979)

Alfred Deller (1912-1979)

Het is vandaag al veertig jaar geleden dat de Britse contratenor Alfred Deller is gestorven.

Alfred Deller speelde een belangrijke rol bij de authentieke uitvoeringspraktijk. Kort na de Tweede Wereldoorlog introduceerde hij de hoge mannenstem opnieuw in de concertzalen. Dat was dus wel ruim laat in zijn carrière en bovendien zou hij zich op één uitzondering na (“Sosarme” van Händel in 1954 en dan nog enkel op plaat) nooit aan opera wagen. Barokopera dan wel, want in 1960 schreef Benjamin Britten speciaal voor hem de rol van Oberon in “Midsummernight’s dream”. Als acteur kreeg hij overigens slechte kritieken, zodat bij de herneming een jaar later men een beroep deed op de Amerikaan Russell Oberlin. Aangezien zijn normale stem een lichte bariton is, heeft hij een timbre dat zelfs Stephan Moens tot tranen kan bewegen. Zijn zoon Mark is ook een contratenor, maar met minder allure. Van zijn vader heeft hij de leiding van het Deller Consort overgenomen.

Lees verder “Alfred Deller (1912-1979)”