Juliette Binoche wordt 55…

Juliette Binoche wordt 55…

In december 1994 sprak president Mitterand haar nog aan in een restaurant met de vraag of ze hem eens niet wou opbellen, “want,” zoals hij aan zijn (blijkbaar loslippige) tafelgenoot toevertrouwde, “sedert ik haar in die film die zich afspeelt in Praag naakt heb gezien, droom ik steeds van haar.” Nooit geweten dat ik nog iets gemeen had met een Franse president: dromen van Juliette Binoche…
Lees verder “Juliette Binoche wordt 55…”

Alain Resnais (1922-2014)

Alain Resnais (1922-2014)

Het is ook al vijf jaar geleden dat de Franse filmregisseur Alain Resnais (91) is overleden. In de jaren vijftig maakte hij samen met o.a. François Truffaut en Jean-Luc Godard deel uit van de zogenoemde “Nouvelle Vague”. Enkele van zijn bekendste films zijn “Hiroshima mon amour” (1959), “Providence” (1977, zie foto hierboven, samen met hoofdactrice Ellen Burstyn) en “Smoking/No Smoking” (1993).

Met zijn eerste langspeelfilm “Hiroshima mon amour” uit 1959 verwierf Renais onmiddellijk bekendheid. Het scenario was van Marguerite Duras. Het is een indringende schets over de flirt van een Japanse architect en een Franse actrice in het Hiroshima van na WO II. Aangezien de film begint met een parallelmontage, die close‑ups van de naakte verstrengelde lichamen van een Japanse man (Eiji Okada) en een Franse vrouw (Emmanuelle Riva) doorsnijdt met documentaire en geënsceneerde opnamen van de gevolgen van de eerste atoombom, is er weinig twijfel mogelijk wat de aard van Resnais’ en Duras’ engagement aangaat. De koppeling van liefde aan dood (de liefde die de dood overwint, maar ook de herinnering aan sterfelijkheid oproept, la petite mort) is altijd al het hoofdthema geweest in het werk van Marguerite Duras en zou in deze film vooral geïnterpreteerd worden als een politiek manifest, door al diegenen die zich, mede om de laatste oorlog psychologisch te verwerken, in de jaren vijftig verzetten tegen de atoomwapenwedloop. In haar experimentele verhaallijn balanceert Duras voortdurend op de smalle grens tussen fictie en werkelijkheid, tussen heden en verleden, tussen geheugen en wensdromen, tussen herinneren en vergeten. Duras en Resnais trachten hiermee de klassieke kijkpatronen te ontwrichten. In Cannes viel de film echter buiten de prijzen, evenals “A bout de souffle” van Jean-Luc Godard met Jean-Paul Belmondo, waarmee nog eens overduidelijk werd aangetoond dat het Franse filmestablishment oorspronkelijk helemaal niets moest weten van die “Nouvelle Vague”.
In 1994 kreeg Alain Resnais de Louis Delluc-prijs voor een film die uit twee delen bestaat “Smoking” en “No smoking”, die in willekeurige volgorde mogen worden afgespeeld. Het gegeven is namelijk gebaseerd op een stuk van Alan Ayckbourn, dat uiteraard alweer over relaties gaat, en waarin op een bepaald moment één van de personages de keuze krijgt tussen roken of niet roken. Al naargelang van die keuze evolueert de film in een totaal verschillende richting. Dat gebeurt dan nog een paar keer. Telkens worden de verschillende mogelijkheden getoond. Dat maakt het wel nogal ingewikkeld, zeker als men weet dat àlle personages door slechts twee acteurs worden vertolkt: Sabine Azema speelt alle vrouwen en Pierre Arditi alle mannen. Bovendien duurt het in totaal zo’n vijf uur!
Tijdens zijn loopbaan ontving Resnais nog tal van andere prijzen en onderscheidingen. Hij kreeg twee Césars als beste regisseur: in 1978 voor “Providence” en in 1994 voor “Smoking/No Smoking”. “Providence” en “Smoking/No Smoking” werden ook gelauwerd met een César voor de beste film, net als “On connaît la chanson”, wat ik overigens zijn beste film vond – of althans toch de film die ik het liefst heb gezien – ook al vonden de “ernstige” critici dit luchthartige grapje beneden zijn waardigheid. Het “misplaatst” gebruiken van bestaande muziek kan een prachtig effect sorteren. In deze film werden de originele versies gebruikt en beperkten de acteurs zich tot opvallend lippen. Dàt was nog eens “Verfremdungstechnik”!
De tweede plaats gaat (voor mij) naar “Je t’aime, je t’aime” uit 1966, een titel die natuurlijk voor zichzelf spreekt, maar toch is deze film vooral opvallend door het spelen met de tijd. Of Resnais hiermee tot het magisch-realisme mag worden gerekend, laat ik echter aan Johan de Belie over. In 1973 was er “Stavisky” met Jean-Paul Belmondo, Annie Duperey en Daniel Lecourtoix en in 1994 “Mon Oncle d’Amérique” met Gérard Depardieu.
Op het filmfestival van Venetië won Resnais in 1960 de Gouden Leeuw met “L’Année dernière à Marienbad” en in 2006 de Zilveren Leeuw voor “Coeurs”. In 1994 werd Resnais onderscheiden met de Zilveren Beer op het filmfestival van Berlijn voor “Smoking/No Smoking” en in 1998 eveneens met de Zilveren Beer voor “On connaît la chanson” (dan toch!). In 1980 verwierf hij op het filmfestival van Cannes de Grand Prix voor “Mon oncle d’Amérique” en in 2009 de “Lifetime achievement award”. De regisseur kreeg in 1949 ook een Oscar voor de beste kortfilm in twee delen voor “Van Gogh”. “Aimer, boire et chanter” was zijn laatste film.

Lees verder “Alain Resnais (1922-2014)”

Willy Kurant wordt 85…

Willy Kurant wordt 85…

In 1986 recenseerde Lode De Pooter de film “Flagrant désir” van Claude Faraldo in De Rode Vaan. Opvallend was daarbij de uitgebreide aandacht die hij besteedt aan het camerawerk van de Belg Willy Kurant. Dat gebeurt zo nadrukkelijk dat ik er bijna zeker van ben dat Lode Willy persoonlijk heeft gekend. Helaas heb ik daar destijds niet bij stilgestaan, of ik ben het ondertussen gewoon vergeten, dat kan ook natuurlijk…

De film « Flagrant désir » van Claude Faraldo boeit misschien niet zozeer door zijn onderwerp. Maar zijn fotografie, die mag er zijn. « Onze » Willy Kurant, de man die destijds nog werkte voor mensen als Welles, Varda, Gainsbourg, Delvaux e.a. groten van de zevende filmkunst en die ook een aantal opvallende publicitaire spots op zijn naam plaatste, laat zich hier echt van zijn beste zijde kennen als beeldvormgever.
« Flagrant désir » handelt over het onderzoek in een verdrinkingszaak van een jonge vrouw uit een rijke wijnbouwersfamilie uit de streek van de Médoc. Ongeval of misdaad ? De inspecteur van dienst zal al de draden van de zaak opnemen, hen ontwarren en… misschien terug in mekaar verstrengelen. Het heeft ons alles niet zozeer geboeid zoals wij hoger reeds zegden. Maar met des te meer fascinatie zijn wij blijven kijken naar de natuurtaferelen die bij dit verhaal meer dan een achtergrond zijn geworden, naar de vele stillevens die erin verwerkt zitten, naar de speling met licht en schaduw, naar de tinteling in de wijnglazen die natuurlijk niet ontbreken bij zulk een gegeven.
Het rood in al zijn varianten speelt een zeer grote rol in deze film. Willy Kurant mengde het met veel groen en met wat geel en maakte er een heerlijke cocktail van hoe weinig dit woord ook past bij een wijnfilm. Wij hebben er echter met plezier van genipt en zijn het eigenlijke onderwerp van de prent bijna helemaal vergeten. Bijgebleven is een indruk Van beeldschoonheid, weze het dan ook met een reclametintje. Maar dat merkt men eerst achteraf…
Zoals Lode zelf zegt: we zijn het eigenlijke onderwerp van de prent bijna helemaal vergeten. En inderdaad, wat ik vooral onthou, is de sensualiteit die van het scherm spatte. Vreemd genoeg moet ik mij daarvoor dan ook wenden naar… het katholieke “Film en Televisie”, waarin Karin Seberechts toch aan de keizer geeft wat de keizer toekomt…
De seksuele obsessie van de adolescente dochter van begoede wijnbouwers uit de Médoc, zet in Claude Faraldo’s Flagrant désir een raderwerk van feiten en gebeurtenissen, van oorzaken en al dan niet te voorziene gevolgen in werking. Een van die gevolgen is de dood van de inwonende schoonzus van de wijnbouwer. Politieman/romancier Sam Waterstop stelt een onderzoek in naar het « ongeval » en krijgt al snel « vermoedens ». Hij laat die echter rijpen zoals de druiven in de omringende wijngaarden. Daartoe legt hij een weg af die vooral, en zeker niet toevallig, langs (mooie) vrouwen gaat. Hij grijpt niet in, maar laat zijn suspecten, of alleszins erg raadselachtige subjecten ophelderend werk doen…
Flagrant désir lijkt daardoor op het eerste gezicht een rustige film die nergens forceert, maar die onderhuids toch heel wat intriges verbergt. Faraldo levert een sfeerrijke, boeiende, suggestieve en soms wel iets gezochte « whodunit » af, die bovendien ook nog stijlvol en charmant oogt, mooi gefotografeerd en gemonteerd is. En meer sensualiteit in pacht heeft dan eroticus Adrian Lyne in zijn hele leven bijeen kan dromen. Zelfs een doorgaans erg « stoffig » iemand zoals Sam Waterston bloeit in deze prent zowaar een beetje open. Een echte « grand cru » kan je dit elegante mysterie niet noemen, maar deze Faraldo is alleszins te mooi om links te laten liggen.

Lees verder “Willy Kurant wordt 85…”

Jean Renoir (1894-1979)

Jean Renoir (1894-1979)

Morgen zal het al veertig jaar geleden zijn dat de Franse cineast Jean Renoir, zoon van de schilder Pierre-Auguste Renoir, is overleden.

Na de dood van zijn vader in 1919 begon Renoir met diens erfenis een eigen productiemaatschappij, en vanaf 1924 regisseerde hij zijn eerste stomme films, meestal met zijn vrouw Catherine Hessling in de hoofdrol. Toen de geluidsfilm zijn intrede deed, maakte hij enkele succesvolle films, waaronder La Chienne (1931).
In 1936 draait een collectief o.l.v. Jean Renoir en met o.m. Henri Cartier-Bresson voor de Franse communistische partij “La vie est à nous”. Uit die periode stamt ook “La grande illusion” van Jean Renoir, dat als een voorbeeld geldt van impressionisme in de film (en die ook de oscar als beste film veroverde in een periode dat er nog geen afzonderlijke oscar was voor niet-Engelstalige films).
Ik ben niet helemaal zeker of Marcel Carné ook tot deze strekking behoorde, maar aangezien de dichter Jacques Prévert de scenario’s voor zijn films schreef, is dat wel mogelijk. In “Quai des brumes” (1938) storen die dichterlijke dialogen in het begin, maar als ze op het einde toch hun nut blijken te hebben gehad, kan ik er wel mee leven.
De film die door velen wordt beschouwd als het eerste meesterwerk van Renoir was La Grande Illusion, een oorlogsfilm uit 1937. De film was een internationale hit en werd genomineerd voor een Oscar voor Beste Film. Twee jaar later, in 1939, volgde La règle du jeu, een tragikomedie over de Franse hogere kringen in die tijd. Omdat de film sterke kritiek uitte op de Franse samenleving, haalde de Franse regering de film uit de bioscopen en knipte er enkele scènes uit.
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd Renoir lid van de Filmdienst van het Franse leger. Nadat Frankrijk door de Duitsers onder de voet was gelopen, vluchtte Renoir via Portugal naar Amerika, en ging naar Hollywood. In 1943 maakte hij This Land Is Mine voor RKO, een patriottisch anti-Duits drama. In 1945 bracht United Artists The Southerner uit, waarvoor hij een Oscarnominatie voor Beste Regie kreeg. Jean Renoir brengt met “French cancan” in 1954 een eerbetoon aan het Frankrijk van “la belle époque”. Alhoewel het onderwerp op zichzelf “pikant” is, zijn het uiteraard niet de gezonde onderbroeken die we tijdens de cancan te zien krijgen, die deze pikanterieën oproepen. Daarvoor moet men eerder op de achtergrond letten: een vrouw die zich aan- of uitkleedt of een die een bad neemt. Op een bepaald moment loopt ook een halfnaakte dame gewoon door het beeld, zonder dat dit iets met de actie als zodanig te maken heeft.
In 1974 kreeg hij dan toch een Oscar voor zijn volledige oeuvre. Hij stierf op 12 februari 1979 in Hollywood.

Lees verder “Jean Renoir (1894-1979)”