Sixty years ago: the day the music died…

Sixty years ago: the day the music died…

Mason City, Iowa, 3 februari 1959 (A.P.): “Drie Rock & roll-zangers, wier platen en optredens miljoenen teenagerharten beroerd hebben zijn vandaag gedood door een vliegtuigongeluk hier in de omgeving. Het gehuurde vierpersoonstoestel, dat het drietal en de piloot vervoerde, stortte enkele minuten na het opstijgen in licht sneeuw vanaf het vliegveld van Mason City neer. De slachtoffers waren Buddy Holly (22) uit Lubbock, Ritchie Valens (17) uit Los Angeles, J.P. Richardson alias “The Big Bopper” (24) uit Beaumont, en Roger Peterson (21) uit het naburige Clear Lake, de piloot van het toestel.

De groep waarbij de zangers behoorden, had de vorige avond voor 1.100 teenagers opgetreden in de Surf Ballroom te Vlear Lake. De Beechcraft Bonanza, die gehuurd was van de Dwyer Flying Service, zou de drie zangers naar Fargo brengen voor het optreden aldaar hedenavond. De anderen gingen per gehuurde bus.
De autoriteiten schreven het ongeluk toe aan het slechte weer. Het sneeuwde, de temperatuur was 18 Fahrenheit en er waaide een zuidelijke wind met een snelheid van 35 mijl per uur, toen het toestel om 1 uur ’s nachts opsteeg. Het kwam ongeveer 5 mijl ten noord-westen van de boerderij van de heer Albert Juhl neer. Niemand heeft het horen neerstorten. De linkervleugeltop kwam blijkbaar het eerst in aanraking met de grond. Er werden stukken van het wrak afgerukt, toen het vliegtuig over een afstand van ongeveer twee huizenblokken door de grond ploegde, om vervolgens tegen een schutting te pletter te slaan. Mevrouw Caroll Anderson, de echtgenote van de manager van de Surf Ballroom, zei dat alles in orde scheen toen het toestel opsteeg.
In vakkringen te Hollywood wordt gezegd, dat de gezamenlijke platenverkoop van het drietal in de miljoenen loopt. De heer Valens, wiens werkelijke naam Richard Valenzuela was en die vorig jaar van de San Fernando High School afging om een zangcarrière op te bouwen, had zojuist zijn eerste film gemaakt, getiteld “Go Johnny Go”. Zijn eerste plaat, die zes maanden geleden werd uitgebracht, was “Donna”, waarvan volgens de Del-Fi Record Company meer dan 1 miljoen stuks zijn verkocht.
(Uit de film “La bamba” zullen we veel later leren dat Richie Valens met een begeleider van Buddy Holly getost had voor het overblijvende plaatsje in het vliegtuig. Deze “verliezer” die dus uiteindelijk een “winnaar” werd, was Waylon Jennings, die het nog zou uitzingen tot februari 2002, toen hij werd geveld door de gevolgen van diabetes.)
De heer Holly, ster van The Crickets, die ook optraden, kwam aan de top met zijn nummers “Peggy Sue” en “That’ll Be The Day”, die elk een oplage van meer dan anderhalf miljoen stuks behaalden. De heer Richardson was met vakantie. Hij werkte als disc-jockey, zanger en programmaleider van de zender KTRM te Beaumont, Texas. zijn “Chantilly Lace” werd door het vakblad Billboard beoordeeld als de op drie na bestverkochte plaat, en werd in 37 andere landen uitgebracht.”
(*)
Charles Hardin Holley werd op 7 september 1936 in Lubbock (Texas) geboren. Zijn jeugd verschilt niet in het minst van die van de talloze andere muzikanten uit het Zuiden van de VS. Zij begonnen nl. bijna allemaal als dj bij één van de vele plaatselijke radiostations. Als ze zwart waren, gingen ze dan blues zingen, de blanken (Holly dus ook) country. Hij deed dit met zijn schoolvriend Bob Montgomery en de platen uit die tijd (verkrijgbaar in beperkte oplage) leggen meer de nadruk op Bob dan op Buddy. Toch was het Buddy die de aandacht van niemand minder dan Kolonel Parker trok, toen zij het voorprogramma van Elvis Presley in Lubbock mochten verzorgen. (Als de eerste de beste fan probeert Buddy na het optreden een handtekening – of gewoon maar een blik – van zijn idool te versieren. Op de foto zie je hem helemaal rechts.)
Met een platencontract op zak vormde Buddy een backing-group naar het voorbeeld van die van Elvis: The Three Tunes. Sonny Curtis (later o.m. bekend als componist van het thema voor “Het Meisje van de TV”) hanteerde de gitaar, Don Guess de bas en Jerry Allison de drums. Alhoewel Buddy hier reeds dat hikkerig geluid in zijn stem had, wat later zijn “gimmick” zou worden, kende hij geen succes, misschien omdat hij toen nog trachtte er als een ster uit te zien (foto’s zonder bril bijvoorbeeld). Later ging men zijn bijziendheid e.a. gebreken (zoals naar verluidt een stinkende adem) juist zeer sterk in de verf zetten en… het succes was verzekerd (door identificatie, noemt men dat dan).
Nu wàs Buddy Holly, gewoon als artiest, ook heel belangrijk. Hij moest wel, want hij heeft amper anderhalf jaar tijd gehad om zijn roem te vestigen…
Zelfs tot op de dag van vandaag zal buiten Rod Stewart (in zijn tijd bij The Faces) niemand erin slagen net als Buddy Holly twee carrières op te bouwen (solo én met The Crickets) en voor beide aan de lopende band hits te hebben. Vooral in Engeland heeft Buddy Holly een revolutie veroorzaakt, dit omdat hij als “best next thing” na de King himself zichzelf niet te hoog achtte om in het toen op popgebied nogal achterlijke (vooral wegens een censurerende dictatuur van “auntie” BBC, vandaar later de piratenstations) Engeland te gaan optreden. The Hollies noemden zich naar hem, The Rolling Stones namen “Not fade away” op, en daarvóór had je al Adam Faith and the Roulettes, Brian Poole and the Tremeloes en The Hullaballoos, allemaal naäpers.
Ook The Beatles zouden The Beatles niet zijn zonder Holly, zelfs letterlijk, want de naam “Beatles” (kevers) is gekozen in navolging van “Crickets” (krekels). Wie nu trouwens nummers van Holly op zijn repertoire neemt (zoals Linda Ronstadt met “It’s so easy” of “That’ll be the day”), brengt veel geld in de kassa van Paul McCartney, die de rechten op de Holly-songs heeft opgekocht. Geen wonder dat hij destijds zijn vriendje Denny Laine (van Wings) ertoe heeft overhaald een hele elpee (“Hollydays”) vol te stouwen met Holly-composities.
John Lennon van zijn kant brengt een eresaluut aan Buddy op z’n elpee “Rock’n’roll” in de vorm van zijn grootste hit “Peggy Sue”. Lennon: “Buddy Holly kèn ik. Ik ben eigenlijk nog een tijdje Buddy Holly gewèèst. Ik droeg net zo’n bril als hij en ik kende al zijn nummers.”
En dan Georges Harrison: “Het was de muziek van Buddy Holly die me echt in rock’n’roll interesseerde. Hij hield er een unieke manier van gitaarspelen op na, die nog ’t meest leek op klokkenspel. Daarom ook hebben we later z’n ‘Words of love’ opgenomen.”
Ik hou dan ook van reeksen platen die heruitgaven zijn van oude successen. Niet alleen omdat ik met die muziek groot gebracht ben, maar ook omdat dergelijke reeksen vaak slechts een prikje kosten in vergelijking met de toch wel dure nieuwe releases. Vandaar ook dat mijn criteria voor nieuwe platen zo hoog liggen en dat ik niet zo gauw geneigd ben om tot kopen aan te sporen.
Met heruitgaven en compilatie-elpees liggen de kaarten dus helemaal anders. Technisch mag er dan soms al het een en het ander worden aangemerkt (al was het maar omdat de opnametechnieken in die tijd nog verre van volmaakt waren), muzikaal kan ik vaak dezelfde hoge norm blijven hanteren en dat doet mij plezier.
Zo bijvoorbeeld bij de verzamelelpee van Buddy Holly in de reeks Gold van Ariola (MCA 202 370). Ik ken iemand die beweert dat gewoonweg àlles wat Buddy Holly heeft opgenomen uitstekend is. Dat mag dan enigszins overdreven zijn, voor deze elpee gaat die slagzin alleszins op. Ik heb moeite om een paar nummers te selecteren die nog beter zijn dan de andere. Enfin, voor mij mogen dat dan “Peggy Sue”, “True love ways”, “It doesn’t matter anymore” en “Oh boy” zijn.
Vier nummers van diezelfde Buddy Holly (maar niet deze vier) maken ook het corpus uit van een andere verzamelelpee in dezelfde reeks, genaamd “Superstars Rock’n’Roll” (MAC 202 062).
Alhoewel de andere selecties (tweemaal Bill Haley, twee rock-nummers van Brenda Lee, Johnny Burnette en “When” van The Kalin Twins, naast de mij onbekende Owen Bradley en Johnny Cymbal) zeker niet slecht zijn bewijst Buddy Holly hier nogmaals hoe uitmuntend hij wel is, zodanig dat zijn eigen compilatie-album toch een grotere aanrader is.
Bij de nieuwe elpees die Music for Pleasure daarna op de markt heeft gegooid, viel mij vooral “Rave On” van Buddy Holly op. De hoestekst dateert al van 1975. Blijkbaar dus toch niet meer zo “nieuw”, deze verzamelelpee. Wellicht enkel nu pas verkrijgbaar in België. Uiteraard verandert dat weinig aan de zaak, want van een zanger die op dat moment reeds bijna twintig jaar dood was, kan je moeilijk nieuw materiaal verlangen.
Toch staan hier vijf postume releases op, waarvan één heel oude met z’n schoolvriend Bob Montgomery. Deze opnamen zijn niet gemaakt door The Crickets, maar wel door Jimmy Gilmer and the Fireballs, nà het overlijden van Buddy (m.a.w. enkel zijn stem is authentiek). Van z’n échte hits staan er slechts twee op, telkens “toevallig” als eerste nummer van elke kant: de geweldige titelsong “Rave on” en het rustigere “Everyday”. Wel een beetje weinig, zelfs voor de lage prijs. De overige vijf nummers zijn niet slecht, verre van, maar alles bij elkaar toch een ontgoocheling. Hoge bomen… (Buddy Holly: “Rave On” – MFP 50176)

JACQUES PERK (10 juni 1859 – 1 november 1881)
BUDDY HOLLY (7 september 1936 – 3 februari 1959)

de twee vernieuwers leefden even kort.
te kort voor Perk, hij bleef nu wat halfslachtig,
de voorloper en gangmaker van ’80,
wanneer der schoonheid naam geheiligd wordt.

Buddy’s gitaar en hikstem waren machtig,
zo bleek op teenagers hun schoolrapport.
toen ’t vliegtuig dat hem vloog was neergestort,
bleven hem fans en MCA indachtig.

ze brachten werkjes over de verloofden
van anderen, Jacques Perk, de blondgehoofde,
beschreef Madonna-achtige Mathilde,

en Buddy Holly zong, de zwartgebrilde,
over die van zijn drummer “Peggy Sue”.
ook ik ben tweeëntwintig, twenty-two.

Jan KAL

(*) Wat in dit artikel van American Press van de dag zelf niet vermeld staat (omdat het nog niet kon natuurlijk), dat is dat een dag later de tournee van de “Winter Dance Party” alweer op gang werd geschoten. Frankie Avalon en Jimmy Clanton werden als vervangers ingehuurd. Onnodig te zeggen dat deze twee hoegenaamd geen partij vormden voor Buddy Holly en Richie Valens. Zelfs de vervanging droeg dus bij tot de begrafenis van de échte rock’n’roll…

Allen Klein (1931-2009)

Allen Klein (1931-2009)

Vandaag is het vijftig jaar geleden dat de Amerikaanse manager Allan Klein werd aangesteld als nieuwe zakelijke leider van The Beatles. Dat was dus een soort van nederlaag voor Paul McCartney, die op de foto niet erg happy is met het tekenen van het contract. McCartney had immers de vader van zijn toenmalige echtgenote Linda Eastman graag in die functie gezien, maar hij had het pleit verloren. Achteraf zou hij wel gelijk krijgen als Klein door de rechtbank zal worden veroordeeld voor fraude.

Het was overigens reeds op 2 november 1973 dat de drie Beatles die hun belangen door Allen Klein lieten waarnemen een proces tegen hem hadden ingespannen (en hiermee dus eigenlijk toegaven dat Paul McCartney gelijk had gehad).
Allen Klein was de manager van Sam Cooke, toen deze overleed in 1964. Toen Andrew Oldham in 1965 zijn gevecht met drugs verloor en door The Rolling Stones werd verdacht van geld te verduisteren om zijn drugsverslaving te bekostigen, nam Klein het van hem over als producer bij de band. Vlak na het ontslaan van Brian Jones werd echter ook Klein ontslagen bij The Rolling Stones, omdat Mick Jagger en Keith Richards zelf gingen produceren. Ondertussen was Brian Epstein echter overleden en moesten The Beatles dus een nieuwe manager kiezen. Na zijn veroordeling bleef hij nochtans de belangen van John Lennon en Yoko Ono behartigen. Hij overleed op 4 juli 2009 aan de gevolgen van de ziekte van Alzheimer.

Lees verder “Allen Klein (1931-2009)”

Vijftig jaar geleden: laatste concert van The Beatles

Vijftig jaar geleden: laatste concert van The Beatles

Het is al vijftig jaar geleden dat The Beatles optraden bovenop het dak van het Apple-gebouw in Londen. Het zal hun laatste optreden in het openbaar zijn…

Het zogenaamde Get Back-project had de bedoeling om weer terug te keren naar de eenvoud van vroeger. De bedoeling was om weer lekker op te nemen en weer te toeren zonder allerlei toestanden eromheen en dat alles zou dan worden gefilmd, er zou een tournee komen, een single en een album. Dat project faalde deerlijk. Er werd niet getoerd, in de plaats deden ze enkel onaangekondigd op 30 januari 1969 een optreden op het dak van het Apple-gebouw in Londen. De lp kwam er ook niet, alleen een single (“Get Back”) en de film “Let it be” die laat zien hoe de groep uit elkaar valt, o.a. geïllustreerd door de ruzie tussen George Harrison en Paul McCartney. After McCartney criticising a guitar riff played by Harrison on “I’ve Got a Feeling.” Harrison cynically responds: “I’ll play whatever you want me to play, or I won’t play at all if you don’t want to me to play. Whatever it is that will please you, I’ll do it.”
Ook bij de opnames van “Get back” was er ruimte voor menige interpretatie. Zo bestaat er een studio-take waarop Paul McCartney een nogal racistisch getinte tekst zingt, die helemaal past in het kader van de extreem-rechtse predikant Enoch Powell. Later verklaarde Paul (uiteraard) dat het maar een grapje betrof. John daarentegen vond het alvast géén grapje dat Paul tijdens het zingen van “Get back to where you once belonged” naar Yoko Ono zou hebben gekeken.
Ook met de Beatles hun eigen platenlabel Apple liep het slecht af. “Het basisidee achter Apple was in die dagen dat we het jammer vonden dat veel geweldige muzikanten om aan de kost te geraken op hun knieën moesten kruipen voor de grote platenfirma’s. Dat hadden wij als Beatles ook moeten doen voor EMI, en dus beloofden we elkaar dat, als we ooit een beetje geld zouden hebben, dat we dan zouden trachten althans dit onderdeel van het Systeem te kraken.” (George Harrison) Onnodig te zeggen dat niet het Systeem maar zijzelf door deze ondoordachte filantropie werden gekraakt.

Lees verder “Vijftig jaar geleden: laatste concert van The Beatles”

Harry Nilsson (1941-1994)

Harry Nilsson (1941-1994)

Het is vandaag al 25 jaar geleden dat Harry Nilsson (foto YouTube), de drinkebroer van John Lennon (cfr. “the lost weekend”), is overleden aan een hartaanval. Hij is vooral bekend van de hit “Everybody’s Talkin'” (uit de film “Midnight Cowboy”) en het album “Nilsson Schmilsson”.

Nilsson werd geboren in New York als Harry Edward Nilsson III. Kort na de Tweede Wereldoorlog liet zijn vader het gezin in de steek en verhuisde de jonge Nilsson met zijn moeder naar Californië, waar hij de rest van zijn leven doorbracht. In de avonduren werkte hij bij een bank en overdag schreef Nilsson liedjes voor muziekuitgevers. Enkele hiervan werden in 1964 door Mercury Records als singles uitgegeven, waarvoor Nilsson gebruikmaakte van de artiestennamen Johnny Niles, Foto-Fi Four en Bo Pete. Hij zong kortstondig bij de New Salvation Singers. Het lukte hem aanvankelijk niet om als artiest bekend te raken. Zijn composities werden echter wel opgenomen door bekende muziekgroepen en artiesten, onder wie The Monkees, The Yardbirds, Lulu, Blood, Sweat & Tears (“Without her”) en The Turtles (“The story of rock’n’roll”). Hij schreef tevens drie liedjes voor Phil Spector, die gezongen werden door The Ronettes en het Modern Folk Quartet. In 1966 gaf Tower Records een compilatie van zijn eerste werk uit met als titel “Spotlight on Nilsson”.
Nadat hij in 1967 een contract tekende bij RCA Records werd zijn eerste studioalbum uitgegeven, getiteld “Pandemonium Shadow Show”, dat bij het publiek nauwelijks aansloeg. Het ontving wel positieve recensies en toenmalig Beatleslid John Lennon toonde zich een groot liefhebber van zijn muziek. Bij een persconferentie ter gelegenheid van de oprichting van Apple Records noemden Paul McCartney en hij Nilsson als hun favoriete artiest. Op Nilssons volgende album, “Aerial Ballet”, stond een vertolking van het door Fred Neil geschreven “Everybody’s Talkin'”. De singleversie hiervan werd een grote hit; hij bereikte de top tien in de Verenigde Staten en werd als themalied gebruikt in de door John Schlesinger geregisseerde film “Midnight Cowboy” (1969).
In november 1971 brak hij door met het album “Nilsson Schmilsson”, waarvan in de Verenigde Staten meer dan een miljoen exemplaren verkocht werden. De van dit album afkomstige single “Without You” (oorspronkelijk van Badfinger) werd een nummer één-hit in de Billboard Hot 100 en bezorgde Nilsson in 1972 een Grammy Award. Ook voor de film “The Point”, waarvoor Nilsson de muziek schreef en uitvoerde en die ook als LP werd uitgebracht met het verhaal verteld door Harry Nilsson zelf. In dat jaar oogstte Nilsson ook succes met de singles “Coconut”, “Jump Into the Fire” en “Space Man”. Nilsson werkte vervolgens samen met Ringo Starr aan de film “Son of Dracula” (1974). Hij was bevriend met John Lennon tijdens diens verlaten van Yoko Ono (het zogenaamde “lost weekend”). Lennon produceerde zijn volgende album, “Pussy Cats”. Tijdens de opnamen scheurde Nilsson een van zijn stembanden, waardoor hij niet meer in staat was om te zingen. “Pussy Cats” was het laatste album van Nilsson dat de Amerikaanse top honderd bereikte. Intussen verloor zijn label, RCA Records, interesse en het album “Knnillssonn” werd niet uitgegeven.
In de jaren tachtig trok Nilsson, wiens stemband permanent beschadigd was, zich terug uit de muziekindustrie. In 1988 werd nog wel het album “A Little Touch of Schmilsson in the Night” uitgegeven. Begin jaren negentig bleek zijn manager ervandoor met zijn geld en een faillissement dreigde. Nadat hij in 1993 een hartaanval kreeg, begon hij weer nieuwe liedjes te schrijven en op te nemen. Enkele dagen na de laatste opnamen van het nimmer uitgegeven album “Papa’s Got a Brown New Robe” overleed Nilsson aan een tweede hartaanval. [Wikipedia]

Lees verder “Harry Nilsson (1941-1994)”