Het hoekje van Opa Adhemar (48)

Het hoekje van Opa Adhemar (48)

Toen de Franse schrijver Jean Giono, tot dan honkvast, in de herfst van 1951 een reis ondernam naar Italië in het gezelschap van zijn echtgenote en een bevriend echtpaar, drong een bezoek aan een bepaalde stad zich aan hen op. Om drie redenen. Giono tekende voor twee van hen, zijn vriend Antoine, meteen de chauffeur, was verantwoordelijk voor de derde.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (48)”

Vijftig jaar geleden: “Actie Tomaat” (deel twee)

Vijftig jaar geleden: “Actie Tomaat” (deel twee)

In 1968 had Hugo Claus nog samen met Alex van Royen en Carlos Tindemans “T 68 of de toekomst van het theater in Zuid-Nederland” geschreven, waarin hij experimentele theaterstandpunten verdedigde. Later zal dat veranderen. Zo lokt hij reeds in 1969, middenin de Actie Tomaat, een incident uit. Toen ging in de Amsterdamse schouwburg zijn stuk “Vrijdag” door de Nederlandse Comedie in première.

Aangezien Claus hier op het eerste gezicht teruggrijpt naar het naturalistische toneel (vgl. met “Driekoningenavond” van Cyriel Buysse b.v.) en in interviews vooraf nog wat olie op het vuur had gegoten door te stellen dat al die discussianten leuteraars zijn die niet weten waar ze over praten, dat met name het toneel niet dood is, maar dat er een tekort is aan echte persoonlijkheden, dreigde men in de pers reeds “die ouwe zak” (sic, Claus was toen 40) eens de les te spellen. Daarom posteerde Claus zijn boksende broers in de zaal om eventuele tomatengooiers tot andere inzichten te brengen. Maar het was niet nodig. Het werd een succes. Claus: “Theater bestaat voornamelijk uit een communicatie die tot nader order nog altijd verbaal moet zijn. (…) Wat men dan een beetje smalend ‘dichterlijk’ noemt, is de essentie van het theater: Haal je van Shakespeare de taal weg, dan krijg je alleen maar ridicule, nonsensicale verhalen die nergens op slaan, waarvan de psychologie niet klopt, enfin, alles is één ratjetoe. Is er iets belachelijker dan de plot van ‘Hamlet’? Is er iets idioter dan ‘Twelfth Night’, dan ‘A Midsummernight’s Dream’? Dat is pure kolder, niet eens goed voor een comic-strip. Het bestaat in functie van wat er daar met woorden gedaan wordt. (…) De laatste jaren krijgt de toneelschrijverij hier te lande echter een heel koddige dimensie: men neemt vier pagina’s Heidegger en een stuk of wat krantenknipsels en gaat die vervolgens, met z’n allen improviserend, op de planken brengen. We hebben momenteel een theaterlandschap van diepe treurnis. Men schijnt hier te vergeten dat toneel een onzuivere kunst is, die eist dat er rekening gehouden wordt met de tweehonderd mensen die zitten te kijken en van wie een aantal nauwelijks kan lezen of schrijven. (…) Ik geloof in elk geval niet in wat men met een gekke term aanduidt als het rituele theater, ’t schuimbekkend over de grond rollen en het gepiep en gekwijl en het collectief hysterische: wij hebben namelijk geen goden, dus waarom zouden we een rite opvoeren alsof we wel goden hadden? Da’s allemaal hocuspocus waar ik niet in geloof en in de zogenaamde diepverborgen persoonlijkheidslagen die je met zo’n toneel aanboort, geloof ik evenmin.”
Dat wil anderzijds niet zeggen dat met name “Vrijdag” vol verwijzingen zit, zowel naar de heidense (Germaanse), de Griekse en de christelijke mythologie. Claus zal zijn eigen stuk in 1981 verfilmen.
Alhoewel Hugo Claus soms (niet altijd, zie hier ) net als Louis Paul Boon mei ’68 eerder als een kleinburgerlijke revolte beschouwt (hij zat echter ironisch genoeg in de vermaarde brasserie Lipp te eten toen daar een traangasgranaat werd binnengegooid), schrijft hij rond die tijd toch “Reconstructie”, een operatekst samen met Harry Mulisch die een eerbetoon wil zijn aan Che Guevara. Ook in 1993 blijven beiden trouwens vasthouden aan hun geloof in Cuba. Als men het “ondemocratische” karakter van het regime aanhaalt, repliceert Claus in Humo: “Democratie is niet een pleistertje dat je overal kunt opplakken, op sommige plekken schiet zij te kort: in de kunst b.v.”
In 1970 volgt “De Spaanse hoer”, naar het 15e eeuwse “La Celestina” van F. de Rojas.
Van 1970 tot 1974 zetelt hij in de redactie van De Gids. Samen met Johan Daisne dus blijkbaar…
In het najaar van 1970 publiceert Claus twee omvangrijke poëziebundels : “Heer Everzwijn” (waarvoor hij de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie krijgt) en “Van horen zeggen”.

Twintig jaar geleden: cultuur in Gent

Twintig jaar geleden: cultuur in Gent

Jongeren zijn eigenzinnig. Dat maakt deel uit van het opgroeien. En natuurlijk geldt dit des te meer voor jongeren die artistiek bezig zijn. Ook al hebben ze dan voor een « uitvoerende » opleiding gekozen (toneelspelen met name), dan nog willen ze creatief omspringen met tekstmateriaal. Een toneelauteur, hij mag dan nog Shakespeare heten b.v., die hebben ze niet nodig, nee, ze creëren liever hun eigen Shakespeare. ★ Dat zal ook wel het geval zijn tijdens de tweede « Eerste Zit » in Vooruit, nog vanavond en morgen. Veel details werden niet vrijgegeven, maar als je ziet dat Los Cojones del Toro b.v. « P20, nen ouwe Griek, over een doos » spelen, dan heb ik toch de indruk dat het weer in die richting gaat. ★ Dat belet echter niet dat dit ook soms aangename verrassingen kan opleveren. Werden vorig jaar op die manier niet de Kakkewieten ontdekt? ★ En het omgekeerde is ook soms waar: « Voorjaarsontwaken » in het NTG is een stuk OVER jongeren, maar hier heeft men juist zoveel eerbied voor de tekst van Frank Wedekind dat het stuk tempo mist. (HLN, 3/6/1998)