Louis Paul Boon, wegbereider van Hugo Claus

Louis Paul Boon, wegbereider van Hugo Claus

Op 15 mei 1979 was Hugo Claus een van de velen die de voortijdig gestorven Louis Paul Boon ten grave hielpen dragen (foto van Cobra.be). ‘Nu ben ik de grootste’, zo fluisterde de Meester, terwijl hij een witte fresia op de kist legde. Het klonk wat raar, een tikje arrogant zelfs, maar de geciteerde uitspraak betekende wel degelijk de hoogste lof die de aflijvige uit de mond van zijn jonge concurrent ten deel kon vallen. Uiteindelijk gaf Claus immers toe dat de Nobelprijskandidaat Boon tot dan toe Vlaanderens grootste schrijver was geweest.

85 jaar geleden: Jefke Bruyninckx wint wedstrijd om De Witte te spelen

85 jaar geleden: Jefke Bruyninckx wint wedstrijd om De Witte te spelen

85 jaar geleden won Jefke Bruyninckx een wedstrijd om te bepalen wie De Witte mocht spelen in de gelijknamige film van de Duits-Vlaamse filmregisseur Edith Kiel (1904-1993), al werd de film aan de man waarmee ze samenleefde, Jan Vanderheyden (1890-1961), toegeschreven.
Lees verder “85 jaar geleden: Jefke Bruyninckx wint wedstrijd om De Witte te spelen”

Gaston van Camp wordt tachtig!

Gaston van Camp wordt tachtig!

Jeugdauteur Gaston van Camp wordt morgen tachtig jaar! Ik zou zeggen: angstwekkend! Maar zijn “partner in crime” Mireille Cottenjé is zelfs al enkele jaren niet meer onder ons, dus we kunnen het dus maar beter langs de positieve kant bekijken. Aangezien ik indertijd bij De Rode Vaan veel jeugdboeken heb gerecenseerd (ik had toen opgroeiende kinderen), heb ik wel meerdere malen over Gaston geschreven. En als ik het niet was, dan deed Johan de Belie het wel. We beginnen in 1980 als Gaston zijn canon krijgt…

Gaston van Camp heeft de Yang-prijs 1980 in de wacht gesleept en daarmee is niet enkel hijzelf maar ook de Vlaamse jeugdliteratuur gecanoniseerd. Het 99ste nummer van Yang is hier dan ook voor het grootste gedeelte aan gewijd.
Wijzelf zijn steeds grote voorstanders geweest van “volwassen” jeugdliteratuur en van Camp doet zeker een poging (sinds hij op de weg naar Damascus door het Grote Licht in de persoon van Miep Diekmann werd getroffen) om die te brengen, felicitaties voor hem én voor de Yang-jury zijn hier dus zeker op z’n plaats.
Maar anderzijds kan men uit de formulering ook afleiden dat we toch ook zekere reserves hebben. Die bekering van van Camp b.v., die komt ons te theatraal over. En die bedenking heeft dan alles te maken met het feit dat het in de naweeén van ’68 goed stond om “probleemboeken” te gaan schrijven voor de jeugd. In die optiek
vinden wij de bijdrage van Eric HulsensProgressiviteit en trivialiteit, een analyse van Brieven voor Barbara van Gaston van Camp ») veruit de beste in dit nummer. Dat een kritische noot in wat toch als een huldenummer wordt gepresenteerd, helemaal vooraan wordt geplaatst siert de redactie die blijkbaar niet om zelfkritiek verlegen zit.
Gaston Van Camp schreef dus oorspronkelijk vrij oubollige, traditionele jeugdverhalen, maar met “Ik ben Harry van de Achterbuurt” (door de Gazet van Antwerpen “pornografie op de huid van de jeugd” genoemd) gooide hij toen hij al dertig was o.i.v. Miep Diekmann het roer resoluut om en werd de apostel van de “geëngageerde, realistische jeugdroman”. In dezelfde lijn ligt o.a. “Sikkelstraat 12”. In 1984 publiceerde hij ook een (wat recensent Jos Borré dan noemt) “volwaardige” roman: “De kracht van Marrakech”, een romantische “louteringsroman”, en dat jaar schreef hij ook “Marilyn” waarin men met het grafische talent van Michel Gruyters kan kennismaken. In vijf sober gehouden, suggestieve tekeningen in een romantische fin-de-siècle sfeer (een beetje à la Jan Vanriet) roept Gruyters het “verhaal” op. Alhoewel er geen echt “verhaal” is natuurlijk, want de omschrijving “stripverhaal” van uitgeefster Berns kan (en wil) Gruyters niet waarmaken. Maar hij weet wel uitstekend de sfeer van een werk te vatten.
Beter dan Van Camp zou ik bijna durven zeggen, want de schrijver heeft getracht een aantal “stijlvernieuwingen” in het (door de volwassen lezer wellicht wel gekende) verhaal te verwerken en de kinderen die door Leja Van Hoejmissen daarover op de persvoorstelling werden ondervraagd, reageerden daarop nogal negatief. En terecht, mijns inziens, want in de simplifiëring die dan toch wordt doorgevoerd (het is tenslotte een “jeugdboek”, nietwaar…) komt bijvoorbeeld de aanspreking van de lezer die in de “nouveau roman” soms een knap effect kan hebben, hier eerder in de nabijheid van de paternalistische aanspreekvorm die Oom Wim of andere Pater Godverdommes pleegden te hanteren.
Laten we anderzijds Van Camp niet vastpinnen op deze ene zwakheid. Alles bij elkaar blijft dit een leesbaar portret met een juiste inschatting van de erotiek (toch altijd een “teer punt” in jeugdboeken). Voor discussie vatbaar is het feit dat de “ontluistering” die Van Camp wenst te tekenen blijkbaar eerder op hemzelf slaat dan op zijn lezers (de voornaamste drijfveer om dit boek te schrijven, bekende Van Camp zelf, was dat hij zijn nogal onzinnige puberverliefdheid op Marilyn Monroe van zich af wou schrijven).
Met « Morgen vliegt de condor » (Manteau, Antwerpen, 138 blz.) kan Gaston van Camp ons eveneens bekoren. Dit verhaal over een guerillabeweging in « een » Latijns-Amerikaans land belicht werkelijk àlle aspecten die daarbij komen kijken en concentreert zich vooral op dat ene (en niet het minst belangrijke !) : geweld gebruiken of niet. Dit thema wordt heel behoedzaam uitgediept en vooral daarvoor verdient van Camp alle lof.
Inhoudelijk zou dit boek ons inziens zeker ook voor een volwassen publiek geschikt zijn (ondanks een iets te onthullende flaptekst zorgt een spannend scenario ervoor dat de ideologie niet te nadrukkelijk op het werk gaat wegen), ware het niet dat « de oude van Camp » hier en daar nog aanwezig is, meer bepaald in de stijl. Want u weet toch dat van Camp (naar eigen zeggen) een soort van Heilige Paulus is die het licht op weg naar Damascus heeft gezien ? Hij heeft m.a.w. in een ver verleden nog « traditionele » jeugdboeken geschreven en dat zindert nog na in zinnen als « Haar gezicht is een roos van doorschijnend albast. Haar lichaam is een roerloze vijver waarover de maan goudglanzende stralen legt » (blz. 104).
Datzelfde verleden speelt van Camp trouwens ook parten als hij — in omgekeerde zin dan — zich er te zeer wil tegen afzetten en wat al te nadrukkelijk de erotische toer opgaat. Niet dat wij iets tegen erotiek in jeugdboeken hebben (integendeel, zie onze bespreking van « De schaduw van de toren » in de r.v. nr. 47 van vorig jaar), maar je hoeft daarom niet zo uitdrukkelijk met een erectie rond te lopen, Gaston.
In 1986 volgden dan de “Avonturen bij baron Pepijn de Pienterste”, een fantasierijk verhaal met referenties in de tekst aan bekende sprookjesfiguren: een creatieve stimulans. Bizarre personages, herkenbare symbolen, makkelijk te begrijpen verbanden. De auteur wordt hier de sprookjesschrijver op weg naar zijn uitgever. Éen autopanne laat hem in de wondere wereld van Pepijn belanden, waar de tijd stilstaat. Hij zal, gesteund door zijn vrouw, het domein bevrijden van reële en van fictieve verschrikkingen. In dat bestrijden van de angst is Van Camp pedagogisch maar zijn wijze lessen zijn nooit belastend voor het verhaal. Ook hier worden zogenaamde zekerheden, zoals roddelpraat en dogmatische rechtspraak, in vraag gesteld en dat is de belangrijkste verdienste van dit boek, naast de vlotte en humoristische verteltoon die het verhaal schraagt. Leek Van Camp op de eerste bladzijden zijn lezerspubliek wat te onderschatten in een naïeve toon, hij komt tenslotte goed terecht.

Lees verder “Gaston van Camp wordt tachtig!”

Anton Bergmann (1835-1874)

Anton Bergmann (1835-1874)

Het zal morgen 145 jaar geleden zijn dat de Vlaamse schrijver Anton Bergmann is overleden. Hij schreef onder het pseudoniem “Tony” en zijn bekendste werk is ongetwijfeld “Ernst Staas”.

Anton Bergmann werd geboren te Lier, als zoon van de latere liberale burgemeester George Bergman. Hij liep lagere school in zijn geboortestad. Hij volgde er ook de lagere Latijnse klassen aan het Lierse stadscollege. In 1849 nam hij plaats op de banken van het stedelijk atheneum te Gent. Reeds toen ontpopte hij zich als een groot liefhebber van de Nederlandse letteren. Samen met o.a. Julius Vuylsteke maakte hij deel uit van het romantisch-flamingant Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal wel gaan, een vereniging die de beoefening van de Nederlandse literatuur en de verdediging van de Nederlandse taal tot doel had. Gedurende zijn korte leven was de liberale advocaat Tony Bergmann een actief deelnemer aan de Nederlandse Taalcongressen en lid van talrijke verenigingen zoals o.a. het Willemsfonds. Hij stichtte het weekblad De Lierenaar. Hij stierf op 21 januari 1874 en kreeg postuum de vijfjaarlijkse Prijs voor Nederlandse Letterkunde voor het tijdvak 1870-1874 toegewezen.
“Het eerste pleidooi van Ernest Staas” (p.52)
– borduurraam (vgl. beroep! kantwerkster)
– zij nam de zaak in kennis (ter harte)
– aartsvader: Abraham (dus: heel oude traditie)
– wat betekenen blinddoek en weegschaal?
– wij, commissaris… : pluralis majestatis
– rechtbank van enkele politie: van eerste aanleg (?)
– injuriën: slagen en verwondingen (?)
– mitsgaders: daarom
– een mager heerschap enz.: “humoristische” observatie
– silence: processen in die tijd uitsluitend in het Frans
– gegoten: in gietvorm
– huissier: deurwaarder
– helleveeg: mevrouw Stuyck
– onnozel: onschuldig
– dat de wetten hen dan treffen wegens meineed
– drie punten: inleiding, midden, slot
– vleiend: captatio benevolentiae
– hakte door: zoals Alexander de Gordiaanse knoop
– hakte door en sloeg op de kop: overdreven gebruik van beeldspraak.
– dilemma: àlle getuigen zijn eerbare lieden en spreken de waarheid, zowel Plus als Stuyck zijn dus schuldig
– schof: arbeidstijd
– ook hier flamingantisch engagement
“Het Werkmansboekje” (uit “Ernest Staas”, p.44-46)
1.Hoe werkt het pro deo-systeem? (uit de tekst!)
2.Geef enkele staaltjes van Bergmanns humor.
3.Waaruit blijkt dat Bergmann zich inzette voor de Vlaamse zaak? (Rol van ’t Zal wel gaan)
4.Wat is het probleem van Mietje Kempeneers?
5.Wat leert men over de arbeiders bij Bergmann? En bij Beets? Vergelijk. (Toch mag men niet overdrijven: Staas zorgt ervoor dat zijn cliënt krijgt waarop hij recht heeft, het lot van de andere arbeiders trekt hij zich niet aan.)
6.De oplossing is wel typisch hypokriet: alleen geïnteresseerd in de onmiddellijke omgeving.
– Beets schreef zelf over “Ernest Staas”: “Het is waarheid en leven, geest en gevoel, fijnheid van tekening en losheid van trek, juistheid van opvatting en schilderachtigheid van uitdrukking. En in plan en aanleg, zowel als uitvoering, die matiging, die sobriëteit, die, gelijk zij van het zelfbezit van de schrijver getuigt, ook de kracht van zijn werk is.”
– Volgens Bernard Kemp (B.F.Van Vlierden) is “Ernest Staas” méér dan een realistische roman (is het wel een roman?), hij noemt het onze eerste schrijversroman of kunstenaarsroman. Wat zou dit betekenen als je weet dat bij een aantal van die romans de volgende opsplitsing van de persoonlijkheid van de auteur een typisch kenmerk is:
Edward Douwes Dekker Multatuli Max Havelaar
Anton Bergmann Tony Ernest Staas
Dr.Amaat De Vos Wazenaar Constant Vliermans
Alfons de Ridder Willem ElsschotFrans Laarmans
Is de “Camera Obscura” dan ook een schrijversroman?
– Nog Kemp: “De literairhistorie heeft dit meesterwerkje al te vlot ondergebracht in de realistische manier van N.Beets. Niet helemààl ten onrechte: er zijn boeiende beschrijvingen van allerhande types – o.m. de hele fauna van de universiteit en van het gerechtshof -, er is de vertederde impressionistische genegenheid voor het Begijnhof te Lier, die wel als vertrekpunt kan gelden van alle kleinsteedse heimatkunst tot en met de Begijnhofgeschiedenissen van F.Timmermans en M.Sabbe.”
– M.Lieven: “Terecht wordt dit prozawerk vergeleken met de Camera Obscura van N.Beets ofschoon Ernest Staas typisch Vlaams is.”
– Herman Dangez: “Naast romantisch sentiment overheersen hier realistische observatie en zachtzinnige humor. Daarom werd Ernest Staas wel eens lichtvaardig als de ‘Vlaamse Camera’ omschreven, maar in feite is Bergmanns boek veel directer, frisser en soberder dan Hildebrands soms al te langademig werk. Daarenboven treft ons bij hem de genegenheid voor de kleine man, zijn antimilitarisme en de rustige, beredeneerde manier waarop hij voor de Vlaamse rechten opkomt.”
– Overeenkomsten en verschillen in de humor bij Anton Bergmann en Nicolaas Beets. Overeenkomsten met moderne humoristen, zoals Godfried Bomans, Simon Carmiggelt of Kees van Kooten aan de ene kant en Jos Ghijsen, Gaston Durnez of Tom Lanoye bij ons. (“Het zijn geen humoristen maar fotografen. Ze leggen op een fotografische manier een stukje werkelijkheid vast, waar je dan om kunt grinniken.” Karel Jonckheere)
– “Ernest Staas” is vooral situatiehumor.
– Eveneens gebrek aan intrige.
– Wel schets van hetzelfde burgerlijke milieu als b.v. in “De familie Kegge”. Toch is er een verschil: Beets concentreert zich op de figuur van William Kegge, die als parvenu aan de auteur uitstekende kansen biedt voor zijn komisch-realisme. Met de personen uit “Ernest Staas” zou Beets niks kunnen aanvangen.
– Op bijna elke bladzijde staan gallicismen.
– Wel een levend Vlaams dat het algemeen Nederlands sterk benadert, wat voor die tijd erg belangrijk was.
– Beets’ “Camera” en Tony’s “Ernest Staas” zijn beide gedeeltelijk studentenromans. Ook de jeugdwerken van Hendrik Conscience zitten in die sfeer en meer nog hun latere “navolgers”, resp. Godfried Bomans en Ernest Claes. Ken je er nog? Welk beeld wordt daarin gegeven van de student? Is dit juist? Roept dit verlangens op in de aard van “de studententijd is de mooiste tijd van je leven” (zoals dat voor de arbeiders dan vroeger het geval zou geweest zijn met “den troep”)?

Lees verder “Anton Bergmann (1835-1874)”