Stoy Stoffelen wordt 65…

Stoy Stoffelen wordt 65…

Vandaag wordt Werner Stoffelen, beter gekend als Stoy Stoffelen, 65 jaar. Ik (en zowat iedereen van mijn leeftijd, denk ik) ken hem het best als drummer bij de Centimeters van Raymond Van het Groenewoud. In die tijd heb ik hem ook eens geïnterviewd voor de “Sloebergazet”, het blad van de Pionierkes, en is daarom vooral op zijn jeugd gericht…
Lees verder “Stoy Stoffelen wordt 65…”

Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Natuurlijk was “Wie schrijft, vertrekt” niet mijn enige artikel in De Rode Vaan van 3 maart 1989. Er was b.v. ook nog “Markiespijn”, waarover ik het reeds heb gehad, of het interview met Lode De Pooter. En dan ook nog in de filmrubriek die ik van deze laatste had overgenomen, een stuk over de documentaire over John Lennon, “Imagine”, en over de film van Robbe de Hert, “Blueberry hill”.
« Eigenlijk gaat deze film over roddel. Over hoe een maatschappij ten onder gaat aan roddel. » Robbe De Hert over « Blueberry Hill » toen we hem deze zomer gingen opzoeken tijdens een draaidag in Gent (zie r.v.nr.34). De maatschappij waarover hij het heeft is die van de jaren vijftig. Een maatschappij waartegen jongeren rebelleerden. In « Blueberry Hill » vertolkt Michaël Pas (foto rechts) de rol van Robin De Hert, de Antwerpse rebel met het peperkoeken hart. In die andere havenstad, Liverpool, speelt John Lennon (foto links) zijn eigen rol. Die overigens pas in de jaren zestig zal doorwerken op wereldvlak. De film « Imagine » geeft er een eerlijk en juist daardoor ontroerend beeld van.
ALHOEWEL deze paar gegevens reeds voldoende zouden zijn om deze twee films in één adem te behandelen, zijn er nog een paar thema’s die op die manier een speciale invalshoek krijgen. Laten we beginnen met de titels, niet toevallig tweemaal een grote hit. Bij John Lennon lag het voor de hand : niet alleen vat « Imagine » de positieve kant van zijn karakter uitstekend samen (er is ook nog een « dark side » maar daarover zo dadelijk meer), maar bovendien is de periode van de opname van deze elpee het uitgangspunt geworden voor de documentaire van Andrew Solt (ook de maker van « This is Elvis »). Op last van Yoko Ono was er op hun prachtige verblijf in Ascot immers een professionele filmploeg aanwezig die alles registreerde: de plaatopname (door Phil Spector), maar ook de vrijpartijen en zelfs gewoon de maaltijden. Vertrekkende van dit kwalitatief uitstekende materiaal, dat weliswaar niet « objectief » is, maar toch afstandelijk genoeg om in et geheel te passen (b.v. de kibbelpartij met de technicus), heeft Solt een uitstekende documentaire samengesteld uit de meer dan 200 uren film die hem door Yoko Ono ter beschikking werden gesteld. Hij had overigens maar met dit titanenwerk ingestemd op voorwaarde dat hij de vrije hand zou krijgen. En dat is ook zo gebeurd. Over de zwartste periode in Lennons leven (het zogenaamde « lost weekend » toen Yoko hem de deur had gewezen) is men weliswaar kort (o.m. omwille van het ontbreken van beeldmateriaal), maar voor de rest worden Johns onhebbelijkheden niet met de mantel der liefde toegedekt (de passage over de ruzie met Paul McCartney is schrijnend), maar precies daardoor komt hij over als een mens zoals u en ik en niet zoals de halfgod die hij voor sommigen is geweest. En precies daardoor ontroert de film.
Bij Robbe De Hert ligt dat dus helemaal anders. Beginnen we bij de titel. Reeds tijdens de opname wist hij ons te vertellen dat er moeilijkheden waren wat copyright betreft. Uiteindelijk houden we nu een film over zonder de klassieker van Fats Domino, zelfs zonder een verwijzing ernaar. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Daarbij komt nog dat Jan Leyers van Soulsister als componist werd aangetrokken (een gelukkige beslissing overigens!) en dat het lanceerfilmpje van « Blueberry Hill » dan ook in de zalen te zien is met daarop de hit van Jans groep geplakt, « The way to your heart ». Ook van dit nummer is in de film zelf echter geen sprake. Maar niemand schijnt dat erg te vinden.
Dat het hoofdpersonage Robin heette, viel ons tijdens het draaien reeds op, maar nu blijkt zelfs dat hij — zoals in Vlaanderen gebruikelijk — veel meer met zijn familienaam wordt aangesproken en die is… De Hert, jawel. Een misschien ietwat ongelukkige ingreep, ook al is het duidelijk dat de inbreng van Walter van den Broeck in het scenario zo groot is dat men bij koele analyse moeilijk kan aannemen dat men tussen Robin en Robbe zo maar een gelijkheidsteken kan plaatsen. Tijdens de film zelf evenwel (en dan vooral bij dit soort films) staat het verstand op nul en is het de emotie die het voor het zeggen heeft. En dan is het al veel moeilijker om die afstandelijkheid tegenover het hoofdpersonage (overigens uitstekend vertolkt door Michael Pas) te bewaren. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Zeker niet tijdens de zondagnamiddagvertoning die wij « meemaakten » en waaruit blijkt dat er dertig jaar later nog niet zo heel veel is veranderd. In het halfduister worden er nog altijd wereldrecords tongkussen gevestigd en graait men lustig in broekjes en bloesjes. Om nadien klappen te krijgen thuis. Geen wonder dat de zaal afgeladen vol zit, dat men met volle teugen geniet en — vooral — dat men zich nog steeds kan identificeren met de rebellenclub die daar ten tonele wordt gevoerd.
Typisch voor beide films is ook de, wat we zouden kunnen noemen, « ouvrieristische » sfeer waarin ze baden. In de « vakschool » van Robbe is dat eigenlijk niet meer dan normaal en buiten de sympathieke portrettering van dat milieu valt er niet veel méér over te zeggen. Bij John Lennon gaat het echter veel verder. Vooral in de discussie met de journaliste van The New York Times over zijn vredesengagement (zij stelde dat vredesactivisme toch ietwat meer is dan in bed te liggen en daarmee de voorpagina van alle kranten te halen) blijkt een virulent anti-intellectualisme. Lennon bevindt zich daarmee overigens in goed gezelschap. Alleen al het voorbije weekend hoorden wij Raymond van het Groenewoud in zijn soloprogramma en Hugo Claus bij Adriaan Van Dis zich in dezelfde weinig vleiende bewoordingen over intellectuelen in het algemeen en studenten in het bijzonder uitdrukken.
Een speelfilm bevat echter uiteraard wel een aantal elementen die niet zo maar naast een documentaire kunnen worden geplaatst, zeker niet daar « Blueberry Hill » zich heel duidelijk als een romantische film afficheert en niet als een soort van docudrama over de jaren vijftig. Daarom tot slot toch nog even speciale aandacht voor deze eigen Belgische productie. Voor het grootste gedeelte, laten we zeggen voor 75%, kunnen we ons zeker laten meeslepen door het verhaal, vooral dus door de grote herkenbaarheid van het scenario en door de « warme » manier waarop het in beeld werd gebracht. Babette van Veen is inderdaad de blonde schoonheid die Hitchcock Robbe mag benijden (nooit gedacht dat vader Herman tot zo een prachtprestatie in staat zou zijn geweest) en haar gekuist Antwerps laat op geen enkel moment haar Hollandse afkomst vermoeden. Tenzij haar stem gedubd zou zijn uiteraard, maar daaraan twijfelen we, want dat is bij de Franse lerares Myriam Meszières zo onhandig gebeurd dat alleen het feit dat de Franstalige versie (waarin dus de Vlamingen werden gedubd) nog veel slechter is, ons met deze miskleun kan verzoenen. En het is natuurlijk grappig om de klungelige huisbewaarder Ronny Coutteure met de stem van directeur Thienpont te horen praten.
De love-story tussen Michael/Robin en Babette/Cathy die op de prachtige affiche prijkt, is dramatisch eigenlijk toch wel ondergeschikt aan de « avonturen » die zich in de vakschool afspelen. Centraal daarin staat de rol van de tirannieke secretaris, schitterend vertolkt door Frank Aendenboom, die op basis van « roddel » o.m. in conflict komt met de lerares Frans en vooral met de « homofiele » leerling Eddy (Gert Nevens). Deze laatste wordt echter vanuit dramaturgisch standpunt iets te vlug tot zelfmoord gedreven en de « opstand » tijdens zijn begrafenis doet de film dan helemaal kantelen. Hier werkt de realistische aanpak juist tegen De Hert. Als hij dan toch aan overdrijven toe was, kon hij misschien beter volledig uitfreaken, zoals Lindsay Anderson in « If » b.v.
Jammer van het ontluisterende effect op het einde, want voor het overige is « Blueberry Hill » in dezelfde mate als « Imagine » het bekijken waard. Vooral de meisjes zullen er wat aan hebben, al was het maar wegens « de schone prins » Oliver Windross die, helaas voor hen, geen verdere carrière in de film ambieert. En als we zelf ooit een film draaien dan noemen we de slechterik Stafke van den Broeck. Goed geweten! (*)

Lees verder “Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub””

Dertig jaar geleden: het boek dat mijn oortjes deed gloeien

Dertig jaar geleden: het boek dat mijn oortjes deed gloeien

Wat een toeval! Net op het moment dat Opa Adhemar ons op de schoot neemt om ons te vertellen welke boeken als kind zijn “oortjes deed gloeien”, is het ook de dertigste verjaardag van een artikel onder die titel dat ik in De Rode Vaan liet verschijnen n.a.v. de kinderboekenweek.
Lees verder “Dertig jaar geleden: het boek dat mijn oortjes deed gloeien”

Vijftig jaar geleden: Frank Sinatra neemt “My way” op

Vijftig jaar geleden: Frank Sinatra neemt “My way” op

“My Way” is de titel van een lied, dat in de loop der jaren door honderden artiesten is gezongen. De Franse zanger Claude François bracht het in 1967 uit als “Comme d’habitude”, maar het was vooral de bewerking van Paul Anka uit 1968, gezongen door Frank Sinatra, die uitgroeide tot een internationale evergreen.

De Franse componist Jacques Revaux schreef het lied, aanvankelijk onder de titel “For Me” en bood het aan verschillende zangers aan, maar niemand leek geïnteresseerd.
Na enig aandringen wilde Claude François het nummer in 1967 wel op de plaat zetten, mits het voorzien werd van een nieuwe tekst. Gilles Thibaut schreef vervolgens samen met François, onder de titel “Comme d’habitude”, een tekst waarin het leven wordt beschreven van een vermoeide forens met een relatie waaruit de vonk allang verdwenen is. De inspiratie hiervoor putte François uit zijn net beëindigde relatie met de zangeres France Gall.
De Canadees Paul Anka maakte tijdens een bezoek aan Parijs kennis met “Comme d’habitude”. Hij schreef een Engelse tekst op Revauxs melodie en dat werd dan “My Way”, over iemand die aan het einde van zijn levensweg is aangekomen en niet ontevreden vaststelt dat hij misschien niet altijd het juiste heeft gedaan, maar in elk geval uniek is geweest.
Paul Anka kreeg van François toestemming het nummer uit te brengen (*). Anka slaagde er vervolgens in de Amerikaanse crooner Frank Sinatra over te halen het lied op te nemen. Met veel succes, al is dat eerder “in the long run” te situeren. Wat de hitnotering betreft was de hoogste plaats in maart 1969 toen de plaat op nummer 27 stond in de Amerikaanse Billboard Hot 100! In de UK Singles Chart behaalde “My Way” in 1969 dan toch de 5e plaats, maar belangrijker is dat het nummer vervolgens met tussenpozen, 142 weeknoteringen in totaal, tot in 1973 terugkeerde in de lijst.
Vanaf 1969 groeide het nummer uit tot een vast bestanddeel van het repertoire van elke nachtclubzanger. Claude François zag er wel scherp op toe wie het nummer op de plaat mocht zetten. Na zijn dood in 1978 was de weg echter vrij voor een aantal opmerkelijke plaatversies: zowel de Sex Pistols (postuum uitgebracht na de dood van Sid Vicious) als Nina Hagen en Herman Brood namen het nummer op.
In Nederland waren er versies van de Zangeres Zonder Naam (“Mijn leven”) en André Hazes (“Waarom”). Bij de uitvaart van beide artiesten werd het lied (door respectievelijk Marianne Weber en René Froger) gezongen. In Vlaanderen was de eerste versie die van Ron Davis (1946-1971), maar de meest bekende is die van Will Tura. Ook Jacques Raymond heeft een versie uitgebracht, die merkwaardig genoeg een ode aan Vlaanderen is (**). Raymond van het Groenewoud is zowat de enige die het origineel van Claude François als uitgangspunt gebruikte, wat tot het fantastische “Zoals gewoonlijk” leidde. (Wikipedia)

Lees verder “Vijftig jaar geleden: Frank Sinatra neemt “My way” op”