Dertig jaar geleden: preselectie voor “Superfan”

Dertig jaar geleden: preselectie voor “Superfan”

Dertig jaar geleden was er op de BRT een quizprogramma “Superfan” genaamd. Dat werd op de zondagnamiddag uitgezonden in een overkoepelend programma, een soort van “Binnen en Buiten”. Ook Raymond Van het Groenewoud kwam daarin aan bod, maar blijkbaar hadden ze problemen om fans te vinden, die in aanmerking kwamen voor deze quiz. Alleszins hadden ze aan Raymond zelf een paar namen gevraagd en die had – eigenaardig genoeg – mijn naam doorgegeven.

Lees verder “Dertig jaar geleden: preselectie voor “Superfan””

Karel Poma (1920-2014)

Karel Poma (1920-2014)

Vijf jaar geleden zijn op korte tijd twee politici gestorven die mijn jaren op De Rode Vaan hebben gekleurd. Op tweede kerstdag verdween Leo Tindemans, “de premier die soms naar huis gaat” (“Vlaanderen boven”, Raymond Van het Groenewoud), maar veel heb ik over hem niet te vertellen, ook al was Albert “Berreke” De Coninck zijn buur in Edegem en wist die dus soms wel een grappige anekdote op te delven. Daarna was het echter de beurt aan de liberaal Karel Poma (foto Cobra.be) en die was in mijn RV-tijd minister van cultuur en dus ook vaak kop van jut als het erop aan kwam het cultuurbeleid uit die jaren onder de loep te nemen. Zo druk ik hieronder het stuk “Poma versmacht het Vlaamse theater” af uit 1985, maar in 1988 speelde hij ook een belangrijke rol in de teloorgang van de toenmalige Opera voor Vlaanderen, waarover ik ook uitvoerig heb bericht

Lees verder “Karel Poma (1920-2014)”

Bart Peeters wordt zestig…

Bart Peeters wordt zestig…

Toen Bart Peeters vijftig werd, was dat in “Peter (Van De Veire) Live” en natuurlijk mocht daarbij Raymond van het Groenewoud niet ontbreken met een huldelied. Bartje begon zowaar te wenen van ontroering. Ik ook, eerlijk gezegd, maar ik zou in deze donkere dagen al huilen als een hert wordt doodgeschoten…

Grappiger was de toevoeging “net zoals ik nu” van Raymond in de uitvoering van “Meisjes”. Die opmerking maakte hij tussen neus en lippen na de fameuze zinsnede “ze komen zelden klaar meneer”. Waaruit nogmaals blijkt dat de bijbel gelijk heeft, als daar staat: wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan!
Bart Peeters’ verafgoding van Raymond van het Groenewoud is genoegzaam bekend, destijds kleedde hij zich zelfs als Raymond (de befaamde witrode slobbertrui), toen hij nog een groep vormde met Jos Verbist. In het NTG trof ik deze laatste dan ook herhaaldelijk bij de muzikale begeleiding aan en dan zowel op sax als op gitaar… “Ja, ik heb wel wat muzikale paden bewandeld, ja. In de tijd van de skifflegroepen b.v. En toen Bart Peeters als veertienjarig knaapje begon te drummen, hebben wij nog samen in een rockgroep gezeten. Maar dat was louter op amateuristisch niveau. Later ben ik dan saxofoon en piano beginnen spelen. Dat doe ik nu nog steeds, maar binnenskamers”.
Maar wat minder bekend is, is het feit dat “God save the queen” van The Sex Pistols voor Bart Peeters de jaren zeventig samenvat. “Auditief was er reeds ‘Lust for life’ geweest van Iggy Pop, maar het visuele aspect is voor mij erg belangrijk. Punk zelf is voor mij trouwens het belangrijkste verschijnsel van de jaren zeventig. Die teruggang naar de eenvoud, na al die verschrikkelijke symfonische groepen! Ik was toen veertien, vijftien jaar en ik had echt het gevoel dat rock dood was. Maar toen kwam dus dat live-optreden op televisie van The Sex Pistols en daar was ik compleet van ondersteboven. En verder voorspel ik – en dat meen ik écht – een heropleving van de glitterpop. Want hoe onfris het ook mag klinken, maar als je het imago van b.v. The Sweet of Slade wegdenkt, dan hebben die echt goede nummers gemaakt. Zelfs ‘Soley Soley’ van Middle of the Road vind ik heel mooi, al was hun imago afschuwelijk. Hoewel die korte broek van die mevrouw er wel mocht zijn.”
Bart Peeters debuteerde op televisie met de “BVBA Elektron”, maar bij het begin van het nieuwe schooljaar (1984-85) was het niet meer dan passend dat de stof van de vorige jaren nog eens werd doorgenomen. Giechelende retorica-leerling Bart Peeters ging dan ook zijn ouwe muziekleraar Roland Van Campenhout opzoeken, die helaas een beetje aan lager wal was geraakt en nu met blues spelen de kost moest verdienen. Maar dat paste juist goed want « Roots & Rock’n’Roll », dààrover zou het programma gaan (14/9/84) en blues moest dus zeker aan bod komen. En blues betekent afzien, ook dat paste dus erg goed. De ouwe meester had op zijn zolder nog wat vergeelde (maar zeer interessante) filmkes gevonden, terwijl de frisse knaap ook nog wat hedendaagse « vedetten » was gaan interviewen en het geheel werd gemixt door juffrouw Rita Goossens die ook in het kleuterklasje heel handig met schaar en lijm omspringt. Een « aardige » uitzending dus, omdat ze niet pretendeerde de wetenschappelijke documentaire te zijn die ze ook niet was. (De Rode Vaan nr.39 van 1984)
Later werd “Elektron” opgevolgd door “Villa Tempo”. Natuurlijk moest ook Groot Idool Raymond van het Groenewoud daarin eens zijn opwachting maken. In De Rode Vaan nr.3 van 1985 schrijf ik er het volgende over: “Heruitzendingen, we hebben er ons al dikwijls over geërgerd, maar dat ze soms hun nut hebben, werd bewezen door de speciale Villa Tempo-uitzending van 4-1, gewijd aan het « fenomeen » Van het Groenewoud, die we pas op 14-1 hebben kunnen meepikken. Speelt Bartje Peeters soms te veel solo-slim in de andere uitzendingen, dan moesten we nu vaststellen dat met een waardige tegenspeler er vele grappige effecten te bereiken vallen (de priester-dichter, de rondvaart op de reien…). Het speciale soort rock-humor (de punk-persiflage en de inbreng van Roland) zal wel nooit helemaal kunnen verdwijnen, maar zelfs dààrmee kan een intelligent iemand als RvhG ons verzoenen. En dan hebben we het nog niet eens over zijn capaciteiten als muzikant, componist en tekstschrijver gehad…”
En een beetje later in nr.16 van datzelfde jaar: “De vriendelijke oude heer die Stéphane Grapelli geworden is, blijft nog altijd een fenomeen in de vioolspeelkunst. Wij hebben dan ook met veel genoegen gekeken maar vooral geluisterd naar de beeldbandopname van zijn optreden in het Paleis voor Schone Kunsten die uitgezonden werd in het kader van de ontspanningsreeks « Nostalgia » (13-4). Het is hier niet de plaats om een discussie op te zetten over wat er al dan niet waardevol en blijvend is in het genre van « de lichte muziek ». Enkel weten wij dat aan « de hedendaagse goden » van « Villa Tempo » nooit met nostalgie zal teruggedacht worden. Zeker niet aan de « Killing Joke »-troep die tussen twee uitzendingen van Parijs-Roubaix het scherm onveilig mocht komen maken van Bartje Peeters (14-4). De grens tussen scherpe sociale kritiek en uitzichtloos nihilisme is door deze kerels wel ver overschreden. Ergst daarbij is dat een gedeelte van de jonge kijkers zich door deze mentaliteit laat aansteken. Hebben wij « Villa Tempo » een tijdje voor vorm en presentatie geprezen dan gaan wij steeds wantrouwiger staan tegenover zijn inhoud. « Love like blood » zegt ons niets. Vooral niet wanneer men ons « In the middle of nowhere » plaatst. Wij weten waar wij willen staan.
Ondertussen (1984) had men Bart Peeters ook al in Nederland ontdekt waar hij werd gevraagd voor “De Baanbrekers”, een programma waarin Peeters trachtte duidelijk te maken hoe je ook een zinvol bestaan kon leiden zonder te werken. In 1986 presenteerde Bart Peeters de loterijshow “Villa Valuta” op Veronica en een jaar later op de BRT “Bingo”, terwijl hij dan bij Veronica zowaar zijn eigen show krijgt.
In 1988 breekt Bart Peeters zelf ook muzikaal door met de Radio’s en “I’m into folk”. Eigenlijk is het op dat moment nog Bart Peeters, begeleid door Soul Sister, die dat jaar echter zelf internationaal doorbreken met “The way to your heart”, zodat Bart moet uitkijken naar eigen begeleiders. Dat worden dan in de eerste plaats de broertjes Mosuse, maar ook b.v. gitarist Danny Lademacher van Herman Brood’s Wild Romance.
Op de Kattekwaad-CD schrijft hij met “Karel” een loflied op Karel Theys, de aan de kant geschoven bassist bij Clouseau. Het lied wordt gezongen door zo’n typisch Clouseau-meisje (naar verluidt de dochter van zangeres Dani Caen) en zet je geruime tijd op het verkeerde been. Het lijkt wel de zoveelste liefdesverklaring aan het adres van Koentje, maar oeioei het blijkt uiteindelijk Karel te zijn. Dat moet ten huize Wauters zwaar aankomen!
Op “Turalura” zetten Bart Peeters en de Radio’s ook een fantastische versie van “Linda” neer, wat ikzelf overigens in een Tsjechische versie heb, gezongen door Tura zelf in een vertaling van Mirek Czerny!
Daarna schreef hij samen met Jan Leyers voor het NTG de rockmusical “Dokter De Vuyst” (première op 16/11/1991). Het NTG heeft een nieuwe directeur en aangezien nieuwe bezems goed keren, wordt er met deze creatie (een popversie van “Faust”, maar géén rock-opera!), gedaan alsof het hier een unicum betreft, maar in feite hebben beide reeds een aantal producties voor het KJT gemaakt. Bart heeft daar namelijk zijn burgerdienst gedaan en zo heeft hij (nog vóór Dirk Tanghe) “Romeo en Julia” b.v. bewerkt voor jongeren, samen met het orkest van Jan Leyers, dat toen nog niet Soulsister heette, maar The Crosswaters. En ook toen al verleende Hugo Matthijsen zijn medewerking, b.v. aan “Frankenstein” (al is die dat zelf blijkbaar vergeten, want hij weigerde om liedjesteksten te schrijven voor Dokter De Vuyst, met als argument: “I hate musicals, so fuck off!”). En verder was er ook nog “De reis naar Pitsjepatsj”, een bewerking van een stuk van het Gripsteater, in november 1982 voor het KJT. Bart zorgde toen ook voor decor en kostuums. En tot slot citeren we nog “Saterday night” (geen tikfout), een eigen verhaal van Bart Peeters en Jan Leyers (toen al) over een orkestje uit Kruibeke (of all places). Ook nu weer is het verhaal trouwens in het Waasland gesitueerd, meer bepaald in het Waasmunster, waar Tom Lanoye niet zoveel eerder reeds zijn “Jules & Alice” liet plaatsvinden in hetzelfde theater.
In 1992 vijzelt Bart Peeters zijn populariteit opnieuw op met “De Droomfabriek” en “Dag Sinterklaas” (alweer op tekst van Hugo Matthijssen).
Uit de film “Boys” houden we van The Radios “Dreamin’ wild”, terwijl ze voor “She goes nana” een beroep doen op het kamerorkest “Prima La Musica”. Op dat moment is de groep echter de facto reeds uit elkaar. Ook op televisie doet Bart een “faux pas”: hij stapt over naar VTM.
Bij het begin van het seizoen 1999-2000 is Bart Peeters echter terug bij wat ondertussen tot VRT is omgedoopt. Samen met boezemvriend Hugo Matthijssen brengt hij op Canvas een televisieversie van het populaire “Leugenpaleis” op Studio Brussel. De titel werd zonder veel inspiratie omgebogen naar “Peulengaleis”. Alhoewel de regie werd gevoerd door Stijn Coninx, die mij de nuchterheid zelve lijkt, was het gehalte absurditeit in mijn ogen net iets te groot om van een succes te spreken. Alleen de pornoscènes (“ik komt! ik komt!”) zullen de geschiedenis ingaan. De rubriek “Koken met Jezus” is als idee wel uitstekend, maar wordt nogal ongeïnspireerd uitgewerkt. Gegarandeerd volgde er natuurlijk wel een relletje (echter van geen kanten te vergelijken met de Urbanusrel van twintig jaar geleden – tijden veranderen), maar dat werd aan kant geschoven. Toch kan ik er niet aan doen, maar ik vrees dat bij een rubriek als “Koken met Mohammed” het land op zijn kop zou staan. De slogan “Eigen volk eerst” mag dan verwerpelijk zijn, het equivalent “Eigen volk, kust mijn kloten” is ook niet zo fraai…
Bart zelf is echter verzot op “Het Peulengaleis” en dat is hem volledig gegund, want daarnaast verwaarloost hij toch niet het klootjesvolk op één. Integendeel, met “Eurosong”, “Hoe?Zo!” en tal van andere programma’s begint hij soms wat tegenwind te krijgen wegens “overexposure”.
Zelf schrijf ik hem in die tijd een mailtje en dat ging als volgt:
Dag Bart,
Ik zal maar meteen toegeven ben dat ik geen trouwe kijker ben van “Hoe?Zo!”, dus het zou best kunnen dat het probleem dat ik wil aankaarten reeds behandeld is (maar dan kan je me misschien meteen een antwoord geven, dat is ook leuk meegenomen).
Na de uitzending van gisteren, zette ik immers een videoband aan met daarop (o.a.) een live-uitvoering van “Manuela” door de onsterfelijke Jacques Herb (jaja, ’t moet niet altijd Arte zijn). Er werd door de zaal flink meegezongen, zodat het niet altijd “juist” klonk, om het met een understatement te zeggen. Daarom hielden de meisjes van de backing vocals hun ene oor dicht. En dat is nou wat mij intrigeert: waarom hoor je met één oor “beter” of “juister”? En ik bedoel uiteraard niet dat als er links van je iemand erg vals zingt of gewoonweg luid te keer gaat, dat je dan je linkeroor beter toestopt, want dat lijkt me nogal wiedes. Nee, het gaat om het “principe”. Gilbert Bécaud b.v. die deed het bijna systematisch
…”
Ik dacht dat dit wel een leuk item in “Hoe?Zo!” zou kunnen opleveren, maar niet dus. Ik kreeg echter wél een antwoordje van Bart:
Beste Ronny
De beste monitoring gaat via het binnenoor, maar een niet reëel geluidsbeeld kan een Doppler-effect geven(dit wil zeggen weer vals, in-ears zijn een kunstje)
Vandaar één oor wel,één niet, goeie oplossing. Groet! Bart

‘k Versta er niets van, maar ’t is wel aardig van zijnentwege.

10 bart peeters

Twintig jaar geleden: Laïs in de Groenzaal

Twintig jaar geleden: Laïs in de Groenzaal

Vandaag zal het twintig jaar geleden zijn dat Laïs optrad in de Gentse Groenzaal. Als plaatselijk reporter van Het Laatste Nieuws werd ik erop uitgestuurd voor een interview. Maar je weet hoe dat gaat met plaatselijke correspondenten: het moet en zal enkel over plaatselijke toestanden handelen! En wat bleek: Jorunn Bauweraerts en Annelies Brosens hadden elkaar wel degelijk leren kennen aan het Gentse conservatorium, maar Nathalie Delcroix, op wie ik op dat moment tot over mijn oren verliefd was, bleek helemaal niks met Gent te maken te hebben. Zij werd dus voor het interview uitgesloten. En het is nooit meer goed gekomen.

IN GENT GEVORMD
Hoewel de meisjes van Laïs alle drie uit Kalmthout afkomstig zijn, is de groep zelf dus toch ontstaan in Gent. Jorunn Bauweraerts volgde aan het conservatorium jazz-zanglessen bij Ronald Douglas, toen ze de gebrilde Annelies Brosens, lyrische sopraan onder de hoede van de klassieke tenor Zeger Vandersteene, tegen het lijf liep. Samen met Soetkin Collier, die ze rond 1995 hadden ontmoet op een folkstage in Gooik, besloten ze, ter gelegenheid van een productie van Theater Taptoe, oude Vlaamse volksliedjes a capella te gaan zingen.
Soetkin Collier, toen amper 18, verliet al vlug de groep. Volgens manager Bieke Purnelle in Het Nieuwsblad van 20/2/2003 was dat “onder meer vanwege haar interesse voor extreem-rechts”. Het was meer bepaald Patrick Riguelle die de bal aan het rollen bracht. Riguelle speelde toen nog bij Kadril, die als ontdekkers van Laïs kunnen gelden en die in die beginperiode ook soms als begeleiders fungeerden en alleszins als “double bill” op tournee gingen. Riguelle weigerde nog langer met Laïs samen te werken, totdat de twee andere meisjes zich van Collier distantieerden, ook al kwam Jorunn eveneens uit een rechts nest (net zoals bij Soetkin was de naam al een weggever).
Echter niet zo rechts als Collier blijkbaar. Tot het academiejaar 1995-1996 was deze als dochter van de uitbater van het VMO-café “De Leeuw van Vlaanderen” immers lid van het Vlaams Nationaal Jeugdverbond (VNJ) en van de Nationalistische Studentenvereniging (NSV). Daarbij werd ze twee keer administratief aangehouden bij een actie van Voorpost in 1993 aan het Vredescentrum in Deurne en een van het Taalactiecomité in Wevelgem (1996). In datzelfde jaar werd ze ook gesignaleerd op een Rudolf Hess-herdenking in Tielrode, maar dat ontkent ze. Ondertussen is Soetkin wel gehuwd met Roeland Buisseret, de zoon van Vlaams Blok-senator Xavier Buisseret.
Toch werd ze in februari 2003 geweerd uit de groep waarbij ze op dat moment zong (Urban Trad), toen die naar het Eurovisie Songfestival werd gestuurd. Alhoewel Collier op dat moment haar verleden had afgezworen (ze gaf zelfs les aan allochtonen), vond de RTBf op aandringen van de Staatsveiligheid het niet aangeraden haar naar Estland te sturen.
Bij Laïs was ze ondertussen al lang vervangen door Nathalie Delcroix, de bloedmooie dochter van ex-profwielrenner Ludo Delcroix (jarenlang ploegmaat van Eddy Merckx). Het zou nog jaren duren vooraleer Nathalie een beetje in de intimiteit van de twee anderen kon doordringen, ondanks het feit dat Jorunn op een bepaald moment met haar broer heeft gevrijd (de broer van Nathalie bedoel ik natuurlijk!).
BIJ SINT-JACOBS
Die oude Vlaamse volksliedjes zijn in de mond van Laïs nauwelijks nog als dusdanig te herkennen. Zelfs “Het Smidje” dat ik midden de jaren zestig ooit nog heb leren kennen als B-kant van een huldelied aan Rik Van Looy (!) en dat later onder meer ook door Miek & Roel + Roland van een swingende versie werd voorzien, heeft weinig met deze herwerkingen te maken.
De meeste van hun muziek schrijven ze – net als de Engelse Mediaeval Babes – dan ook zelf, zij het dan wel op bestaande middeleeuwse teksten. Alhoewel ze zich genoemd hebben naar de erotische troubadoursliederen, houdt de vergelijking met het erotische gedoe van de Babes hier op, al zijn de meisjes op hun eigen, wat onhandige manier (of misschien juist daardoor), vaak zeer opwindend.
Waarom kozen de meisjes voor Gent? Hun motivatie is zeer verschillend. Jorunn was al lang verliefd op Gent en koos dus doelbewust voor deze locatie. Annelies daarentegen ging enkel af op de naam van haar leraar, de liefde voor Gent kwam later vanzelf.
“Zeger Vandersteene werd mij door mijn lerares Greetje Anthoni aangeraden,” vertelt Annelies, die ondertussen haar klassieke ambities voor een tijdje heeft opgeborgen. “Bij klassieke muziek moet je gewoon de beste zijn om iets te bereiken. En daar heb ik nu onvoldoende tijd voor. Laïs gebeurt nù en ik wil er met volle teugen van genieten. Later neem ik de draad wel weer op, want dan wil ik er volledig voor gaan. Ik wil zeker niet eindigen als koorzangeres, want daar hou ik eigenlijk helemaal niet van.”
Jorunn was nog geen twintig, maar toch leerde ze Gent kennen via “een oud lief”. Ze zat op kot nabij Sint-Jacobs en is na het vertrek van Collier dan ook de enige die een zekere band heeft met de eerste Vlaamse folkrevival uit het begin van de jaren zeventig. “Zij het niet zozeer met Walter De Buck dan wel met het Kliekske en het Brabants Volksorkest. Mijn vader speelde trouwens zelf doedelzak.”
Die vader, Gunter Bauweraerts, is op 10 juli 2008 op 55-jarige leeftijd in Frankrijk overleden. Hij vertoefde daar in de Alpen samen met twee van zijn vijf kinderen om in de bergen te wandelen. Zij zouden daarna doorreizen naar het folkfestival in Saint-Chartier, maar onderweg brachten ze een nacht door bij vrienden. Daar werd hij onverwacht geveld door een hartaanval (*).
NONCHALANT
De nabijheid van Sint-Jacobs zorgde ervoor dat Jorunn, in tegenstelling tot Annelies, nooit examen heeft afgelegd. “Er was altijd wel iets te doen in de cafés in de buurt. Het succes van Laïs ging bovendien ook pijlsnel. En ik ben ook nogal nonchalant. De weinige keren dat ik op het conservatorium verscheen, moest ik steeds vaststellen dat de uren weer eens gewijzigd waren. Ik moet dus heel eerlijk bekennen dat ik Ronald Douglas niet vaak gezien heb…”
Het gerucht doet de ronde dat de meisjes op het conservatorium werden tegengewerkt. “We werden er zeker niet aangemoedigd, maar tegengewerkt is een te sterk woord,” verzekeren ze me allebei. Toch zal geen van beiden terugkeren naar het Gentse conservatorium: “Organisatorisch loopt daar een heleboel fout.”
Al vlug verliet Laïs het pad van de “zuivere” folk. Zo wonnen ze met “Twee meisjes” van Raymond van het Groenewoud in april 2008 de “vakantie”-aflevering van “Zo is er maar één”. Ikzelf vond het arrangement iets te verregaand, zeker in verhouding tot de repetitietijd die er blijkbaar in is gekropen. Het nummer was in mijn ogen m.a.w. niet àf, het rammelde nog te veel aan alle kanten. Maar in vergelijking met de andere deelnemers was het zeker een verdiende winnaar. Trouwens, wat beoordelen de kijkers eigenlijk? Het nummer zelf of de uitvoering ervan? Indien het enkel om het nummer gaat, is “Twee meisjes” uiteraard sowieso een zeer goede keuze. Er bestààn zelfs niet eens veel betere nummers.
Nog in 2008 kwamen de meisjes dus voor het eerst naar de Gentse Feesten, maar dan wel op het Sint-Baafsplein (het plein van Eddy Wally!) en niet bij Sint-Jacobs zoals men zou verwachten. Het werd nog erger toen zij weigerden hun oude successen te zingen (op één uitzondering na) maar bijna uitsluitend werk brachten uit hun nieuwe CD. Hierop staat het soort muziek dat wij in het begin van de jaren zeventig al draaiden in een achterzaaltje van de lokale jeugdclub, terwijl een reusachtige toeter de ronde deed. Onderwijl keken wij vol minachting neer op het gros van de jongeren dat op datzelfde moment uit de bol ging op “Keep on smiling” of “Knock three times”. Nu, zoveel jaren later, realiseer ik mij hoe arrogant we wel waren en hoe overtuigd van ons eigen gelijk. Hopelijk heeft Laïs niet evenveel tijd nodig om tot datzelfde besef te komen…

Lees verder “Twintig jaar geleden: Laïs in de Groenzaal”