Dertig jaar geleden: het boek dat mijn oortjes deed gloeien

Dertig jaar geleden: het boek dat mijn oortjes deed gloeien

Wat een toeval! Net op het moment dat Opa Adhemar ons op de schoot neemt om ons te vertellen welke boeken als kind zijn “oortjes deed gloeien”, is het ook de dertigste verjaardag van een artikel onder die titel dat ik in De Rode Vaan liet verschijnen n.a.v. de kinderboekenweek.
Lees verder “Dertig jaar geleden: het boek dat mijn oortjes deed gloeien”

Dertig jaar geleden: “Droomnovelle” (Arca)

Dertig jaar geleden: “Droomnovelle” (Arca)

Dertig jaar geleden vierde het Gentse Arcatheater zijn veertigste verjaardag. En het gezelschap mocht zich toen alvast deze pluim op zijn hoed steken: dat het in al die jaren zijn doelstelling om te experimenteren trouw is gebleven. De voorbije seizoenen werd dit uitstekend in praktijk gebracht door Jos Verbist en Jappe Claes, dààrvoor ging die andere tandem Pol Dehert-Herman Gilis iets te ver in onze ogen. Nu is Claes weg (naar Blauwe Maandag) en Gilis terug en krijgen we dus een nieuw duo Verbist-Gilis waar we met veel verwachtingen naar uitkijken.

Als eerste stuk van dit nieuwe seizoen presenteert Arca « Droomnovelle » van Arthur Schnitzler in een regie van Dirk Buyse. Buyse blijft de tekst van Schnitzler erg trouwende voorstelling is dan ook zeker en vast genietbaar, toch blijven het een beetje te veel « plaatjes bij praatjes »…
Tijdens het seizoen 1986-1987 ensceneerde Dirk Buyse voor Arca reeds de succesvolle productie « Is de duivel een vrouw ? » van Karl Schönherr. Het is duidelijk dat de bewerking van Schnitzlers « Droomnovelle » (want zoals de titel zelf reeds aangeeft, is het oorspronkelijk geen toneeltekst, al is Schnitzler vooral bekend om zijn theater en zitten er dus ook in zijn proza veel theatrale elementen) in dezelfde optiek dient te worden gezien. Niet alleen zijn Schnitzler en Schönherr land- en tijdgenoten en artsen die hun medische carrière inruilden voor een schrijversloopbaan, ze willen allebei ook op de eerste plaats de burgerlijke moraal ontmaskeren. Een moraal die vrouwen strikte regels oplegt op het gebied van de seksualiteit, terwijl de mannen rustig hun gangen mogen gaan. Meer zelfs, dat hoort zo voor een « echte » man (zoals de slotzin van « Droomnovelle » trouwens luidt)
Schnitzler doet dit door de niet zo onschuldige, maar ook niet echt denderende avontuurtjes van een man, Fridolin (Bob De Moor) te plaatsen naast de ongebreidelde seksuele fantasie van zijn vrouw, Albertine (Sien Eggers), die in feite veel verder gaat, veel roesverwekkender is. Schnitzler schreef deze novelle in de jaren twintig toen de Duitssprekende wereld in rep en roer stond wegens de opvoering van zijn « Rondedans », stuk dat hij rond de eeuwwisseling had geschreven en dat tijdens het seizoen 1983-1984 nog door het N.T.G. werd opgevoerd. Het opkomende fascisme vond in de antisemitische hetze die naar aanleiding van dit stuk ontstond trouwens een goede voedingsbodem.
Op het eerste gezicht is in deze novelle helemaal niets terug te vinden van deze tijdsgeest maar dat kan Buyse bewust vermeden hebben omdat hij (ondanks een « historische » aankleding) op de tijdeloosheid van de problematiek de nadruk heeft willen leggen. Zo had de sleutelscène in het geheime genootschap wel die aankleding kunnen krijgen, maar dat zou enkel maar de aandacht afgeleid hebben. In het programmaboekje laat Buyse integendeel een verwijzing afdrukken naar de nog steeds bestaande « Bohemian Grove Country Club » in de Verenigde Staten, met leden als Kissinger, Nixon, Ford, Reagan en Helmut Schmidt.
Belangrijker is echter de literaire impact van deze scène: wanneer Fridolin op het punt staat ontmaskerd te worden, offert een vrouw (een hoer?) zich voor hem op. ’s Anderendaags zal Fridolin haar lijk aantreffen in de “Morgue”. De spanning tussen eros en thanatos die heel het werk van Schnitzler beheerst, wordt hier zeer tastbaar te meer daar in de droom van Albertine het Fridolin is die om harentwille wordt gekruisigd (zij lacht hem daarvoor overigens uit). De monoloog van Albertine zou bovendien ergens heel ver aan de oorsprong liggen van de beroemde monoloog van Molly Bloom in “Ulysses” van James Joyce, dat kort daarop tot stand is gekomen.
Om deze op het eerste gezicht nogal « literaire » (en dus zwaar op de handse) novelle naar een modern theaterpubliek te « vertalen », heeft Dirk Buyse voornamelijk twee ingrepen gedaan, een gelukkige en een minder gelukkige. Op het niveau van de taal is hij zo verstandig geweest om deze lichtjes dialectisch te maken. « Colloquial», zoals men in het Engels zegt. Helemaal dialect zou uiteraard fout geweest zijn (de onzalige beslissing die Jo Decaluwe vorig seizoen heeft genomen met « Huwelijk-spel » van Edward Albee) en ook deze aanpak houdt het risico van trivialisering, van banalisering in. Deze klip werd echter omzeild door het enorme talent van Bob De Moor en misschien zelfs nog meer door een verbluffend knappe Sien Eggers. De minder belangrijke rollen verbleekten hier iets tegenover, maar dat had ongetwijfeld ook met de regie-aanpak te maken. Zo moest Daan Hugaert als musicus Nachtigall nogal wat kritiek over zich heen laten gaan, terwijl we hem in dergelijke rollen reeds hebben weten schitteren (o.a. precies met Dirk Buyse in “Duck Variations”). De reden is dan ook ongetwijfeld dat door het verduitste Nederlands van Nachtigall (dat verpoolst Duits moet voorstellen) de barrière van de banalisering wel werd doorbroken. Er werd soms gelachen alleen al om bepaalde zinswendingen en dat mocht niet de bedoeling zijn.
De tweede ingreep van Buyse was minder gelukkig. Hij heeft namelijk « plaatjes bij praatjes » willen maken. Hij is met andere woorden de oorspronkelijke tekst zo trouw gebleven dat hij zijn best heeft gedaan om alles zo goed mogelijk te « tonen ». Dat heeft voor gevolg dat de mogelijkheden van de Roeland-zaal tot het uiterste worden benut — en eigenlijk zelfs die grenzen voorbij, want wat zich op de balcons links en rechts van het podium afspeelt, is voor tal van toeschouwers niet (goed) zichtbaar en, hoe dan ook rommelig en slordig. Ook de idee om een Weens café « realistisch » te proberen uitbeelden (inclusief échte drank en valse dronkaards) was op voorhand tot mislukken gedoemd.
Op het eerste gezicht heeft het er de schijn van dat om dit te verwezenlijken Dirk Buyse (met scenograaf Michel Gerd Peter) hard heeft moeten zwoegen. Veel hardere arbeid, maar ook met een veel beter resultaat, zou het Buyse echter hebben gekost als hij gewoon aan zijn werktafel zou hebben gezocht naar een sfeerschepping met minder middelen, zoals hij dat trouwens succesvol heeft gedaan op het eind, waardoor het ritme opgedreven wordt en de handeling pregnanter.
Het ziet er dan ook naar uit dat Buyse vertrokken is van de erotische scène bij het geheime genootschap (waarover in Gent overigens lang voor de eerste voorstelling reeds veel te doen was), waarvoor hij nogal wat figuranten nodig had, waarvan op de koop toe een flinke portie exhibitionisme werd gevraagd. Het ziet er dan ook naar uit, zeg ik, dat als beloning voor die inzet deze figuranten her en der ook eens een verschijning mogen maken, zonder dat dit eigenlijk het stuk vooruithelpt. Wat anderzijds niet belet dat in deze kleinere rollen o.a. Helga Demeyere en Marianne Locufier zich erg verdienstelijk maken.
De originele muziek van Vincent d’Hondt is op cassette verkrijgbaar. « Droomnovelle » speelt nog iedere woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag, de hele maand oktober. Arca speelt dit seizoen ook nog « De Tijd en de Kamer » van Botho Strauss, « Geliefd Monster » van Javier Tomao, « Typen » van Cyriel Buysse, «De Theatermaker» van Thomas Bernhard, twee eenakters van Roger Vitrac en « Emilia Galotti » van Gotthold Ephraïm Lessing. Info en reservatie : 091/25.18.60

Lees verder “Dertig jaar geleden: “Droomnovelle” (Arca)”

Paul Despiegelaere (1954-2013)

Paul Despiegelaere (1954-2013)

Het is al vijf jaar geleden dat Gentenaar Paul Despiegelaere, vooral bekend van The Machines, is overleden. Alhoewel hij in zijn glorieperiode niet zo ver van mijn deur woonde (boven het verdwenen restaurant Roma op het Frankrijkplein), was het toch Peter Van den Eede (nu één van de mannen die het voor het zeggen hebben in het Kunstencentrum Vooruit) die hem ooit eens is gaan interviewen voor De Rode Vaan. Het moet zijn dat ik andere zaken te doen had, want het was zeker niet omdat ik geen fan was. Integendeel! Ik deelde met Paul een grote liefde voor The Beatles en het feit dat ik hun bekendste elpee “A world of Machines” die in de Abbey Road studio’s werd opgenomen heb besproken als was het een postume bootleg-elpee van de Fab Four, vind ik nog altijd één van mijn stilistische hoogstandjes.
Lees verder “Paul Despiegelaere (1954-2013)”

Veertig jaar geleden: “De dag dat het kampioenschap van België verreden werd”

Veertig jaar geleden: “De dag dat het kampioenschap van België verreden werd”

Op 26 februari 1978 speelde Bob De Moor de hoofdrol in “De dag dat het kampioenschap van België verreden werd”, een TV-spel van Dré Poppe, gebaseerd op het stuk van Mark De Bie (°1939). Deze bankbediende is vooral actief in het amateurtheater en schreef ook sportcursiefjes. Deze beide belangstellingssferen kwamen tesamen in dit stuk, waarin Bob De Moor alias ene André deelneemt aan het kampioenschap van België voor juniores wielrennen, wat echter de aanleiding vormt om een aantal latente conflicten weer naar boven te woelen. Zo is vader Valeer (Alex Wilequet) zelf ook wielrenner geweest, maar dat hij nu in een rolstoel zit, heeft niets te maken met een val, zoals b.v. bij de ongelukkige Berten Ramon, maar met een afrekening tijdens de bezetting. De BWB wilde trouwens enkel maar haar medewerking verlenen als het stuk niet over doping of over een wielerongeluk ging. Nee dus, en daarom werden de beelden van de wedstrijd “clandestien” in Sint-Niklaas gedraaid.

Bob De Moor vertelt Vlaamse legende

Bob De Moor vertelt Vlaamse legende

Charles De Coster is vooral bekend om zijn « Tyl Ulenspiegel ». Dat boek is echter niet uit de lucht komen vallen. Deze zoon van een Vlaamse vader en een Waalse moeder was al 28 jaar en zes jaar free-lance auteur als hij nog altijd aan de kost diende te komen met kleine stukjes voor een lokale krant. Toen zijn opdrachtgever hem naar het bedevaartsoord Hakendover stuurde, was deze vrijmetselaar geenszins enthousiast.
Lees verder “Bob De Moor vertelt Vlaamse legende”