25 jaar geleden: wie kent er nog Dem Face?

25 jaar geleden: wie kent er nog Dem Face?

Vandaag is het 25 jaar geleden dat een vriendin waarmee ik vooral ging sporten (zwemmen, fietsen en lopen en merkwaardig genoeg deden we toch niét aan triatlon) in het huwelijk is getreden. Op het huwelijksfeest ontmoette ik toen Frank De Mey, die op dat moment in een groepje bleek te spelen, Dem Face. Uiteraard koppelde ik het nuttige aan het aangename en heb ik hun eerste mini-CD besproken voor Het Laatste Nieuws, waar ik toen voor werkte.
Lees verder “25 jaar geleden: wie kent er nog Dem Face?”

Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier

Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier

Het is vandaag al dertig jaar geleden dat ik ben begonnen als perschef van Norbert De Batselier, die toen ondervoorzitter van de Vlaamse regering was (een soort van vice-president zeg maar) en minister van economie. Op papier moest dit de bekroning van mijn professionele carrière worden, in werkelijkheid werden het de drie zwartste maanden uit mijn leven. Ik weet nog heel goed dat ik op een woensdag ben begonnen en dat ik op zaterdag een fuif gaf in de Grote Avond om mijn nieuwe job te vieren. Maar er viel toen al helemaal niets te vieren. Er heerste een begrafenisstemming. Ik herinner me nog dat een vriendin me met de beste bedoelingen een nieuwe das had gekocht en dat ik samen met Vuile Mong daar droefgeestig zijn meezinger “Ze noemen mij Gerard Plastron” (op de wijze van “Juul Kabas”) heb aangeheven. Of ik gehuild heb, weet ik niet meer, wellicht heb ik me “sterk gehouden”, zoals dat dan heet, maar, ach Mong, het huilen stond me veel nader dan het lachen…

Maar hoe was het dan “zover kunnen komen” zoals men dan zegt? Alles had in de eerste plaats natuurlijk te maken met de troubles op De Rode Vaan, waarbij het tot een breuk was gekomen tussen de oude redactie en het nieuwe partijbestuur. Op dat moment waren, op uitzondering van Jan Mestdagh, die pas op 1 april bij de C.S.C. zou beginnen (waar hij mij later zou kunnen overhalen om naartoe te komen, de twééde grootste misstap uit mijn leven), al mijn collega’s reeds vertrokken, zodat ik in een vijandige sfeer moest werken. Vandaar dat ik ook naar een andere job begon te hengelen en dan nog liefst op de persdienst van de toenmalige BRT, die op dat moment werd geleid door Hugo Morrens, waarmee ik omwille van mijn televisiebijdragen veel contact had gehad en waarmee ik (behalve een kleine frictie in mijn beginperiode toen ik nog voor het regionale weekblad De Voorpost werkte) goed kon opschieten.
Hugo Morrens ving deze signalen wel op, maar interpreteerde ze verkeerd, zodat hij mij niet bij de BRT maar wel op het kabinet van De Batselier binnenloodste. Of beter gezegd: wou binnenloodsen. Er was immers geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht op de vraag in te gaan. Dat kan mijn toenmalige vriendin getuigen die mij destijds afzette aan het fameuze gebouw in de Keizerslaan, waar ik later nog zovele ongelukkige jaren zou slijten en waar ik toen moest gaan “solliciteren” bij Carla Galle. Ik had haar (mijn vriendin) immers gezegd: wacht hier even op mij, ik ben zo terug, dit wordt gewoon een “beleefde weigering”.
Nog een geluk dat het arme mens (alweer die vriendin dus) een Humo had meegebracht, want het was zeker een uur later toen ik weer buitenkwam en dan wel degelijk als toekomstig persattaché van minister De Batselier.
Hoe is het in godsnaam zo ver kunnen komen? Nu leven we in een tijd dat als men niet enthousiast genoeg is, als men bij wijze van spreken niet op de tafel staat te dansen, men al niet wordt aangenomen, laat staan als men bij de aanvang zegt dat men het voorstel toch maar liever wil afwijzen! Waarom heeft Carla Galle zo op mij zitten inpraten?
Ik zou het niet weten. Wat ik wél weet is dat ik haar op 6 februari 1989 een brief schrijf, die ik begin met “Lieve Carla” (om maar te zeggen hoe ver mijn onnozelheid reikte!). Ik nodig haar daarin uit “om eens een glas te gaan drinken of misschien zelfs een hapje te eten” uit dankbaarheid voor haar “roos-kleurige (om een woordspeling meer of minder zit ik nooit verlegen, RDS) voorstelling van mijn persoontje bij Norbert De Batselier” (ik word niet goed!), maar vooral vraag ik haar meer inlichtingen over de manier waarop zij mijn job zag in combinatie met recensiewerk voor De Morgen, zoals ze in het vooruitzicht had gesteld. Uiteraard heb ik nooit geen antwoord gehad. En ik heb later wel voor De Morgen gewerkt, maar dan na een eigen sollicitatie bij de sportredactie (Jules Hanot).
Want uiteraard had ik hoegenaamd geen tijd bij De Batselier om daar ook maar iets nog bij te doen (ik deed daar dagen van tien uur en ik durf gerust zeggen dat dit van alle stafleden het gunstigste regime was; ik werd dan ook vaak vies aangekeken en op een bepaald moment is het met een zekere Ketels zelfs eens tot een scheldpartij gekomen). Hoe ik echter in het sprookje kon geloven dat de SP in die tijd nog kon dicteren wie er bij De Morgen kwam werken, zoals ze dat destijds bij Vooruit en De Volksgazet uiteraard wél nog had gekund, gaat mijn petje te boven. Vandaar, nogmaals Hugo, dat ik alle verantwoordelijkheid op mij neem. IK was de dwaze kloot in heel deze historie en niemand anders.
Enkele jaren later zag ik De Batselier weer, want C.S.C. staat voor “Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid”, dus het spreekt vanzelf dat wij ook deel uitmaakten van de “cel cultuur” van de SP, waarvan De Batselier de voorzitter was. Bij elke vergadering drukte hij me amicaal de hand, maar nooit ofte nooit heeft hij ook blijk gegeven van een teken van herkenning. Wie weet, misschien was hij me inderdaad gewoon vergeten, mijn verblijf is tenslotte heel kortstondig geweest en bovendien was het ook voor hem allesbehalve een prettige periode. Het was immers de periode van de mijnsluitingen, waarvoor hij als minister van economie verantwoordelijk was. Het spreekt vanzelf dat dit ook niet heeft bijgedragen om mijn taak te vergemakkelijken. Herman Verheyden, een ouwe rot in het vak, heeft me dat toen nog gezegd, waarmee hij zowat de enige moet zijn geweest, die me in die donkere periode trachtte een riem onder het hart te steken.
Met deze opmerking wil ik van de gelegenheid gebruik maken om een misverstand recht te zetten. Velen denken namelijk dat mijn huidig engagement voor de N-VA te maken heeft met wat er in die tijd en de daarop volgende jaren is gebeurd. Niets is minder waar. Eerst en vooral, na De Rode Vaan moest ik ondervinden dat de kansen voor iemand die van daar komt, niet voor het rapen liggen. De SP heeft mij die kansen geboden (ook Agalev heeft mij een aanzoek gedaan, maar dat was voor mij nog veel ondenkbaarder dan de SP) en ik heb ze verkwanseld. Dat is dus op de eerste plaats mijn eigen schuld. En ook al zou ik van alles kunnen opmerken over bepaalde mensen waarmee ik destijds bij de SP heb gewerkt, dan ga ik dat niet doen omdat ik vind dat ik op de eerste plaats toch de hand in eigen boezem moet steken. Wat ik ze wél wil verwijten, is een gebrek aan mededogen, vooral omdat dit toch altijd één van hun slogans is geweest. En daarvoor hoef ik zelfs niet eens mijn eigen persoontje als voorbeeld te nemen, ik ken er ook nog andere, die ik met mijn eigen ogen heb ten onder zien gaan.
Maar nogmaals, dat heeft allemaal niets met mijn keuze voor N-VA te maken, dat trouwens zelfs nog niet eens bestond in de periode waarover ik nu spreek. Nee, die keuze heb ik elders op mijn blog al diverse malen uitgelegd en die komt telkens neer op een positieve keuze voor Vlaanderen en dus zeker niet uit rancune tegenover de SP, laat staan tegenover het socialisme.
Anderzijds is het wel zo dat de giftige manier waarop de sp.a (zoals ze nu heten) op de N-VA reageert (vraag dat maar aan Dylan Casaer en de andere socialisten van Aalst) en vooral ook het getreiter en gejen (ik wil het modewoord “pesten” niet gebruiken) van mijn vroegere communistische kameraden die nu voor sp.a of Groen! stemmen ervoor zorgt dat die afkeer er stilaan wel komt. Ik denk nochtans dat ik het spel eerlijk heb gespeeld. Ik denk dan vooral aan sociale media als Facebook en dergelijke. Uiteraard kom ik uit voor mijn ideeën en wil ik andere mensen overtuigen, maar ik doe dat altijd op mijn eigen pagina, ik ga nooit op de accounts van anderen mijn ideeën uitdragen. Dat is iets wat zeker niet kan gezegd worden van mijn tegenstanders. En het strafste is dan nog: dat mij verzuring wordt verweten. Enfin, ze doen maar. In mei volgt de afrekening…

Lees verder “Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier”

Hans Beck (1929-2009)

Hans Beck (1929-2009)

Tien jaar geleden maakte ik een stuk met als titel “De dood van de vader van Wickie de Viking”. Maar dat vergde wel enige uitleg…

Laat ik eerst en vooral duidelijk stellen: Runer Jonsson, de schrijver van “Vicke Viking” uit 1963, dat hier in Vlaanderen in de jaren zeventig als de tekenfilmserie “Wickie de Viking” werd uitgezonden, is al lang overleden (op 29 oktober 2006 namelijk). Over hém gaat dit stukje dus niet.
Nee, ik lees in de krant dat Hans Beck, de schepper van de Playmobilpoppetjes, vrijdag op 79-jarige leeftijd is overleden. En om hém is het mij te doen.
Beck werkte reeds sedert 1958 voor de Duitse speelgoedfabrikant Geobra Brandstätter, die voornamelijk kinderversies van gebruiksvoorwerpen voor volwassenen, zoals winkelkassa’s, walkietalkies of weegschalen, verkocht. Een ware hype hebben ze echter veroorzaakt met iets helemaal anders: de hoela hoep.
In het begin van de jaren zeventig raakte het bedrijf echter in moeilijkheden omdat door de oliecrisis de kunststof te duur werd voor de fabrikanten van groot plastic speelgoed. Grote baas Andreas Brandstätter gaf toen de opdracht aan Hans Beck om een klein figuurtje te ontwikkelen, waarvoor minder plastic nodig was. “Maak het beweeglijk en zorg dat je er ook allerlei accessoires bij kan aanschaffen,” gaf Brandstätter verder nog mee.
Twee jaar werkte Beck aan wat uiteindelijk de bekende Playmobilpoppetjes zullen worden. Hij begon met een bouwvakker, een indiaan en een ridder te paard. Op de jaarlijkse speelgoedbeurs van Nürnberg in 1974 leek de uitvinding eerst te gaan floppen, tot op de allerlaatste dag de Nederlandse groothandel Otto Simon honderd duizend exemplaren bestelde. Daarmee was het hek van de dam. Ondertussen is het speelgoed verkrijgbaar in meer dan zeventig landen en zijn er al meer dan twee miljard poppetjes verkocht.
Als je die ridder te paard laat vallen, leek het wel of Beck zich eerst liet inspireren door The Village People (maar in realiteit kwamen die pas later aan bod), maar hier in Vlaanderen werden de poppetjes dus populair tesamen met de tekenfilmserie van “Wickie de Viking”. Mijn kinderen waren verzot op het slimme Vikingknaapje en de eerste playmobilfiguurtjes die wij dus kochten waren uiteraard… Vikings! En die figuurtjes werden door mijn kinderen dan ook “Wickies” (uitgesproken als “Vicky’s”) genoemd.
Ik lees in de krant dat Becks favoriete ontwerp zijn piratenschip was. Piraten of Vikings, who cares? Wij hadden dus ook dat piratenschip in huis gehaald. Verder lees ik dat de vrouwelijke “Wickies” nu ook borstjes hebben. Dat was “in onze tijd” nog niet het geval. Als ik me goed herinner was de enige manier waarop je een jongen van een meisje kon onderscheiden dat de bovenkledij van de meisjes een beetje “uitwaaide”, terwijl die van de jongens strak tegen hun lijf zat. (*)
Maar hoe dan ook, mijnheer Beck, je hebt mijn kinderen uren speelplezier doen beleven. En als zij gelukkig waren, dan was ik het ook. Daarom groet ik je hier met veel eerbied en dankbaarheid.

Ronny De Schepper

(*) En in hun haar zat er zowaar een “hoerenkrul”, meen ik me te herinneren.

Honderd jaar geleden: het huwelijk van mijn grootouders

Honderd jaar geleden: het huwelijk van mijn grootouders

Morgen zal het precies honderd jaar geleden zijn dat mijn grootouders van langs vaderskant, dus Julia Brijs en Gustaaf De Schepper, zijn getrouwd (voor alle zekerheid: bovenstaande foto is van vele jaren later; ik heb helaas geen trouwfoto van het jonge paar).

Over mijn grootvader moet ik helaas kort zijn. Hij is immers gestorven toen ik twee en een half jaar oud was. Ik heb een vage herinnering dat ik aan zijn hand door de Schoolstraat loop (waar ze toen woonden) wellicht om een plaat te gaan kopen voor mij. Dat was dan de 78-toerenplaat “Mijn bonpapa” van Kleine Janneman, die mijn grootvader mij om voor de hand liggende redenen wou geven. Ik heb die plaat jarenlang gekoesterd, zij het – als ik heel eerlijk moet zijn – eerder om de B-kant “Eddie de Eskimo”, die zelfs nog heeft dienst gedaan toen ikzelf een zoon kreeg die ik Roddy heb genoemd. Dat was weliswaar een verwijzing naar mijn grote idool van toen, Rod Stewart, maar het was toch meegenomen dat ik voor die kleine dan “Roddy de Eskimo” kon zingen.
In die tijd verhuisden wij echter nogal dikwijls en de breekbare 78-toerenplaat heeft één van die verhuizen niet doorstaan. Het cynische was dat ik ze juist apart had gehouden opdat er niets mee zou gebeuren, terwijl – als ik ze in de hoop had laten zitten – er wellicht niets zou zijn gebeurd…
Mijn grootmoeder anderzijds was mijn grote liefde. Ik moet er durven voor uitkomen dat ik haar eigenlijk liever zag dan mijn ouders. Ook zij is echter tamelijk jong gestorven, namelijk op de leeftijd die ik nu ben, wat maakt dat ik in die tijd nog geen zestien jaar oud was.
Mijn onvoorwaardelijke liefde voor mijn grootmoeder maakte mij wellicht blind voor een paar mindere kanten van haar die ervoor hebben gezorgd dat het nooit heeft geklikt tussen haar en haar schoondochter. Mijn moeder van haar kant sprak dan ook altijd wat meewarig over mijn grootvader die het met zijn vrouw ook niet onder de markt zou hebben gehad.
Nu, de waarheid zal wel ergens in het midden liggen, zeker? Ik heb alleszins nu nog altijd contact met een vrouw, Maria Claus, die destijds als kind door het paar is opgevoed en die spreekt nog altijd met veel lof over beiden.
Nog iets opmerkelijk: het paar heeft drie kinderen gehad, maar ik heb dat de grootste tijd van mijn leven niet geweten. In mijn ogen was mijn vader net als ik enig kind. Pas toen mijn ouders gestorven zijn, ben ik in het bezit gekomen van documenten waaruit bleek dat er nog twee andere zoontjes zijn geweest. Eén vóór mijn vader en één erna. Dat eerste kind moet wellicht doodgeboren zijn, maar het is toch wel straf dat daar nooit over gesproken werd. Het tweede was echter nog erger, want die is toch wel ongeveer zes maand geworden… Lees verder “Honderd jaar geleden: het huwelijk van mijn grootouders”

Arthur Engels (1915-2004)

Arthur Engels (1915-2004)

Morgen zal het al vijftien jaar geleden zijn dat mijn nonkel Tuur (rechts op de foto) is gestorven. Hij was de eerste van de vier om te gaan. Dus vóór zijn vrouw, mijn tante Jeanne, en uiteraard ook vóór mijn ouders.

Veel heb ik over nonkel Tuur niet te vertellen. Hij heeft voor zover ik weet zijn leven lang op de Boelwerf gewerkt en in zijn vrije tijd dronk hij graag een pintje (*). Soms ook méér dan eentje en zo kon het gebeuren dat hij op een bepaald moment ergens moest overgeven en dat was in zo’n ouderwetse WC. Helaas kotste nonkel Tuur ook zijn vals gebit uit en dat verdween in de smurrie. Er werd een zoekactie op touw gezet en na verloop werd het kleinood teruggevonden. Het werd onder de kraan gehouden en verdween weer in de mond van mijn nonkel.
’t Is grappig, maar ’t is tegelijk een beetje triest als dat het voornaamste is wat je van een mensenleven hebt onthouden. Maar toch vind ik het beter het dààrover te hebben dan over de dood van zijn dochtertje Jenny, wat toch een hele slag moet geweest zijn voor hem (**). Dat zal ook zijn enige zoon Raoul wel beamen, neem ik aan…

Lees verder “Arthur Engels (1915-2004)”

Etienne Vermeersch (1934-2019)

Etienne Vermeersch (1934-2019)

Ik verneem zopas dat vorige week vrijdag professor emeritus Etienne Vermeersch (foto YouTube) is overleden…

In mijn tekst over Miel Swillens heb ik het over een “top tien” van mensen die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven. Etienne Vermeersch hoort daar zeker ook bij.
Ik heb professor Vermeersch leren kennen toen ik aan de universiteit voor het keuzevak “hedendaagse wijsbegeerte” opteerde. Maar dan enkel “ex cathedra”, ik heb zelfs geen mondeling examen bij hem afgelegd. Vermeersch gaf namelijk eerst een schriftelijk examen met meerkeuzevragen en nadien kon je dan, als je dat wou, nog een mondeling examen gaan afleggen om je punten wat bij te schaven.
Nu, uit mijn verhaal over zijn collega prof.Boehm moet wel duidelijk zijn dat filosofie aan mij helemaal niet besteed was. Maar dankzij die “multiple choice” vond ik mijn schriftelijk examen toch nog tamelijk geslaagd (ik zou gelijk krijgen: ik behaalde 14) en ik was dus niet van plan om dat cijfer naar de filistijnen te helpen door mij aan een mondeling examen te wagen.
Toch heb ik professor Vermeersch wel ooit persoonlijk ontmoet. Dat was op een treinrit van Brussel naar Gent en toevallig dan ook nog op een “omnibus”, zodat we een hele tijd hebben kunnen praten. Ik stelde mij voor als een vroegere student en voegde er voor alle zekerheid ook mijn hoedanigheid als journalist van De Rode Vaan aan toe. Dat moet zijn belangstelling hebben gewekt, want we hebben zoals gezegd heel lang samen gepraat. Maar sla me dood, ik zou begot niet meer weten waarover.
Zeker niet over popmuziek, want wat zegt de brave man hierover? “Je moet popmuziek zeker niet gaan vergelijken met de werken van Bach of Beethoven. Strikt muzikaal gezien betekenen The Beatles mijns inziens weinig: de kans dat men er over honderd jaar nog naar luistert, is gering. Toch heb ik ooit een plaat van The Beatles gekocht, ‘Sergeant Pepper’s lonely heartsclub band’, omdat ik dat een historisch monument vond.”
En ook niet over het hoofddoekenverbod, want dat was toen nog niet aan de orde. Nochtans had het een interessant gesprek kunnen opleveren, want terwijl heel het pseudo-progressieve wereldje op z’n achterste poten gaat staan omwille van het hoofddoekenverbod voor ambtenaren in steden zoals Antwerpen en Gent, verklaarde professor Vermeersch in de Gazet van Antwerpen van 1/3/2008 juist dat hij nog veel strengere maatregelen gewenst acht. “Zo’n belangrijk onderwerp moet worden behandeld op het niveau van de Vlaamse regering. De huidige situatie, waarin politici van dezelfde partij tegenstrijdige standpunten innemen in verschillende gemeenten, is belachelijk. En het VB grijpt dankbaar de kans om de zaak overal op de agenda te zetten. In Frankrijk is op het hoogste niveau een speciale commissie aangesteld, die na rijp beraad heeft besloten dat de hoofddoek in de scholen niet wordt aanvaard. In de openbare besturen en instellingen moet absolute neutraliteit heersen. De ambtenaren moeten een dresscode dus aanvaarden. Ik ga daarin zelfs nog verder dan Patrick Janssens: ik vind dat die code moet worden uitgebreid naar alle ambtenaren met enig gezag. Ook in het onderwijs. Ik wil alleen een uitzondering maken voor leerkrachten die religieuze of levensbeschouwelijke vakken geven.”
Dat laatste is inderdaad iets wat vaak door katholieken wordt vergeten, die nu de kant van de hoofddoek kiezen omdat ze met heimwee terugdenken aan hun nonnenkappetjes. Maar dat waren dus wel nónnen, hé, die waren “gewijd” (wat men daarover ook mag denken), terwijl het nu gaat over gewone “gelovigen”.
GRAVENSTEENMANIFEST
En al evenmin hadden we het over het zogenaamde Gravensteen-manifest, waaraan professor Vermeersch mede ten grondslag ligt, want dat zou ook pas een vijftiental jaren later opduiken. In Humo van 8/7/2008 legt prof.Vermeersch uit waarom dat hem zo nauw aan het hart ligt: “Omdat een Belgische natie niet meer bestaat. Een natie is, naar een theorie van Benedict Anderson die ik volleidg volg, een imagined community. Mensen stellen zich voor tot dezelfde gemeenschap te horen, een gemeenschap waarin ze een zekere broederlijkheid ervaren, waarvoor ze ook bereid zijn te sterven én te doden. Zo’n natie komt tot stand door feitelijke netwerken: administratief, sociaaleconomisch, verkeerswegen enzovoort. Maar ook de communicatiemedia, die de gedachten en gevoelens sturen, spelen een fundamentele rol. Welnu, the imagined community België bestaat niet meer in de geesten. Je hebt nog wel het historisch gegroeide administratieve netwerk, maar de imparct daarvan brokkelt af door de overheveling van bevoegdheden naar de regio’s en naar Europa. (…) Zo’n imagined community bestaat wel in Vlaanderen: je hebt daar geen Bekende Belgen maar wel Bekende Vlamingen, en die BV’s staan dan symbool voor een hele reeks zaken uit de populaire cutluur die mensen delen. Van Oostende tot Maaseik kunnen mensen met elkaar spreken over ‘Familie’ en Ann Van Elsen. Misschien zijn er nog wel mensen die zich Belg voelen, maar in feite zijn ze dat niet: ze wéten dat ze in Wallonië niet over Jan Leyers of Rik Torfs moeten beginnen. (…) Het Vlaams Blok heeft het separatisme telkens weer op de voorgrond gebracht; dat is belangrijk. Hun extreme Vlaams-nationalisme sprak aanvankelijk weinig mensen aan, maar het Blok heeft dat gekoppeld aan hun migrantenstandpunten, die wél succes hadden. Zo hebben ze stilaan ook hun nationalistische programma bij een veel bredere groep ingang doen vinden. (…) Ik geloof niet dat in Vlaanderen de solidariteitsgedachte op zich in het geding is – niemand heeft er problemen mee dat we solidair zijn met Portugal of Ierland, of Ethiopië. Maar de solidariteit wordt wél een probleem als de Vlamingen merken dat de Franstaligen de politieke solidariteit niet opbrengen om de grondwet te respecteren. Want dat is de kern van deze impasse: de Franstaligen respecteren de taalgrens niet, ze denken dat ze daarover heen mogen lopen, dat ze hun grondgebied onbeperkt kunnen uitbreiden. En dan tegelijk zeggen: ‘En nu moeten jullie ook nog solidair zijn met ons!’, dat is steeds moeilijker te aanvaarden, hé?”
“Bovendien hebben ze sociaal-economisch zwaar geknoeid. 25 jaar geleden was Ierland een arm land, vandaag is het met Europese steun een succesverhaal geworden. Wallonië heeft die Europese steun óók gehad, en bovendien nog eens steun vanuit België, en het is een rampverhaal geworden. Zij moeten toch ook kunnen wat Ierland kan? Solidair zijn met een bodemloze put is heel ontmoedigend. (…) En als Van Hecke en Dewinter dan in de volgende verkiezingscampagne tegen de mensen zeggen: ‘Met de miljarden die we vandaag aan Wallonië geven kunnen we morgen uw financiële problemen oplossen,’ dan zullen de mensen eieren voor hun geld kiezen, wees daar maar zeker van.”
THOMAS VAN AQUINO
Maar daarover hebben we het dus allemaal niet gehad, dus om die “top tien”-plaats te rechtvaardigen moet ik dan toch maar terug naar zijn cursus. Daarin vertelde Vermeersch namelijk iets wat mij op slag ongelovig maakte. Hij zei dat de meeste mensen de zin van hun bestaan zochten in het feit dat ze door god waren geschapen. Met andere woorden: ze trachtten te leven conform het verwachtingspatroon dat die god dan in hen had gesteld. “Maar,” zo voegde Vermeersch eraan toe, “wie heeft in dat geval dan die god geschapen?”
Ik was als door de hand gods geslagen, om nu eens een heel ontoepasselijke beeldspraak te gebruiken. Ook ik had tot dan toe immers steeds volgens die stelregel gehandeld en nu viel die ineens weg. Op het college hadden we in de lessen Frans reeds uitgebreid gesproken over de existentialisten (Sartre, Camus, Malraux) en ik had daar wel veel belangstelling voor gehad, maar ik had die “sprong in het duister” altijd zo vreemd gevonden. Je weet wel: het humanisme dat voortvloeit uit het existentialisme. Ze geloven in niets, maar juist daardoor gaan ze “humaan” handelen. Ik vond dat absurd. Maar nu, met die uitspraak van Vermeersch, kon ik die sprong ineens wél maken: niet god, maar “de mens is de maat van alle dingen”.
Ik weet nog goed dat ik daardoor zo van de kaart was, dat ik daarover met iedereen ging discussiëren. Zo ook met mijn toenmalig lief, die niet eens haar humaniora had uitgedaan. “Dat wist ik al lang,” antwoordde ze me droog. Dat vond ik toen zó verwaand: niet eens de humaniora gehaald en dan iets poneren waarvoor ik de hulp van een superintelligente professor nodig had gehad.
Toen vond ik dat dus, maar nu niet meer. Misschien is het inderdaad iets waar je met een eenvoudige geest vanzelf op komt. Ikzelf lig echter altijd zozeer met mezelf in de knoop dat ik dergelijke voor de hand liggende zaken niet zie.
Maar goed, hoe kom ik nu daarbij om daar uitgerekend vandààg zo lang bij stil te staan. Omdat ik nu lees dat Thomas van Aquino in datzelfde principe juist het godsbewijs ziet! Akkoord, Thomas van Aquino spreekt niet over “scheppen” maar over “bewegen”. Maar het principe is hetzelfde: “Alles wat bewogen wordt, moet bijgevolg door iets anders bewogen worden. Maar wanneer nu datgene, waardoor iets bewogen wordt, zelf ook weer bewogen wordt, dan moet het ook door iets anders bewogen worden, en dat ook weer door iets anders. Maar zo kan men niet opklimmen tot in het oneindige, want dan zou er geen eerste beweger zijn, en zelfs geen enkele andere, want de ondergeschikte bewegers kunnen alleen iets bewegen, in zover ze door een eerste beweger zelf bewogen worden: zo brengt een stok alleen dan iets in beweging, wanneer hij zelf door de hand bewogen wordt. We moeten dus tot een eerste beweger komen, die door geen ander wordt bewogen, en hierdoor verstaat iedereen God.”
Ben ik dan ook opnieuw gelovig geworden? Uiteraard niet, alleen wordt de impact, die de uitspraak van Vermeersch op mij had, serieus ondergraven. Overigens, sinds wanneer lees ik Thomas van Aquino? Niet, uiteraard! Het fragment staat in “Bidden wij voor Owen Meany” van John Irving (p.542), ook wel een zeer “religieus” boek, maar evenmin van aard om mijn niet-geloof (ongeloof?) aan het wankelen te brengen.
AND NOW FOR SOMETHING COMPLETELY DIFFERENT
“De aarde telt sinds maandag officieel 7 miljard mensen. Geen reden om te feesten, want de grote populatie bedreigt de natuur en de toegang tot gezondheidszorg,” aldus Glynis Procureur in Het Nieuwsblad van 2/11/2011. Daarom komt ethicus Etienne Vermeersch met een drastische stelling. ‘De meeste mensen denken dat de keuze van het aantal kinderen een fundamenteel mensenrecht is. Hoewel de universele verklaring van de rechten van de mens dat suggereert, is die stelling op termijn niet houdbaar. Want als iedereen zelf mag bepalen hoeveel kinderen hij neemt, wordt de situatie onhoudbaar.’ In 1950 waren we met 3 miljard, tegen 2040 zal dat al 9 miljard zijn. En dat terwijl het tot 1800 duurde vooraleer er één miljard mensen op de aarde rondliepen. ‘Er is duidelijk nood aan begrenzing. In landen als Niger, Somalië en Ethiopië sterven dagelijks honderden kinderen door honger. We hadden die vrouwen vroeger moeten aansporen hun kinderaantal te beperken, door sterilisatie te belonen met een geldsom bijvoorbeeld. Dat was veel beter geweest. Nu moeten we lijdzaam toezien hoe hun kinderen sterven.’
Dan maar overal de éénkindpolitiek zoals in China?
‘Dat was niet prettig, maar onvermijdelijk op dat moment. Daardoor zijn 300 miljoen Chinezen niet geboren. Een opluchting, want anders zouden de Chinezen van vandaag zelfs geen kans op onderwijs gekregen hebben.
Geboortebeperking is ook bij ons nodig. ‘De ecologische voetafdruk van een kind uit de westerse landen is ongeveer twintig keer zo groot is als die van een Afrikaans kind. In België moet er op dit moment niets gebeuren: we hebben voldoende gezond verstand om niet allemaal vijf kinderen te nemen. Maar wat men zeker niet mag doen, is zeggen dat onze vrouwen te weinig kinderen baren. Geboortes aanmoedigen is het laatste wat moet gebeuren. Migranten in ons land hebben vaak nog te veel kinderen.
Nochtans berekenden Duitse wetenschappers dat er op onze aardbol plaats is voor minstens 75 miljard mensen. ‘Die wetenschappers zijn onnozelaars. Natuurlijk is er plaats voor zo’n massa. Net zoals er plaats is voor één miljard kippen in België, op voorwaarde dat ze allemaal op 25 vierkante centimeter leven.
Onnodig te zeggen dat Vermeersch de toekomst somber inziet. ‘Behalve de explosie van de wereldbevolking, groeit ook het consumptieniveau. Als ze in China en India evenveel auto’s kopen als wij in België, gaat de natuur eraan kapot.‘”
In 2016 ging hij zelfs nog een stapje verder in een interview met de internetsite Doorbraak.be: “Ik vind al zeer lang dat men ontwikkelingshulp zou moeten koppelen aan eisen voor geboorteregeling. In Haïti hebben we eerst die aardbeving en vervolgens die storm gehad en dan zouden we mensen moeten steunen. Maar die steun zou erin moeten bestaan dat iedereen die je laat steriliseren 500 dollar krijgt. Dat zou een efficiënte steun zijn. Wat baat het dat we ze steunen en ze vervolgens met een reeks kinderen afkomen die ze toch niet kunnen opvoeden? In de oorlog bij ons indertijd hielden de mensen zich in. Na de oorlog heeft dat dan tot de babyboom geleid. Maar nu zie je in Syrië, ze zijn daar al jaren in oorlog, dat die vluchtelingen allemaal met kleine kinderen afkomen. Alleen al het beeld dat je in oorlogstijd kinderen verwekt, dat is toch krankzinnig? Die mensen zijn onvoldoende voorgelicht en de officiële instanties zouden nooit mogen spreken over problemen zonder het probleem van de contraceptie en de geboorteregeling erbij te noemen. En als er geld wordt uitgedeeld moeten het in de eerste plaats gaan naar vrouwen die zich laten steriliseren. (…) De komende 30 jaar zal er fundamenteel veel veranderen. Maar dan zitten we met het onnoemelijke probleem dat tussen nu en 2050 de bevolking van Afrika met een miljard zal aangroeien. Zelfs als er 100 miljoen Afrikanen naar Europa komen, kunnen wij dat gewoon niet aan als we ook aan hen een basisinkomen moeten uitbetalen. Men schijnt onvoldoende te beseffen wat er op ons afkomt. De asielcrisis die we nu meemaken is maar een fractie van wat er op ons afkomt.”

Lees verder “Etienne Vermeersch (1934-2019)”