Lars Norén wordt 75…

Lars Norén wordt 75…

Vandaag wordt de Zweedse toneelauteur Lars Norén 75 jaar (foto Michiel Hendrickx, afkomstig van Wikipedia). Hij wordt beschouwd als de meest prominente hedendaagse Zweedse schrijver. Hij staat wereldwijd zelfs bekend als dé opvolger van Ibsen en Strindberg. Nadat hij debuteerde met gedichten, schreef Norén aan een razend tempo een reeks theaterstukken die ontwrichte familiale relaties blootleggen.
Lees verder “Lars Norén wordt 75…”

Régine Deforges (1935-2014)

Régine Deforges (1935-2014)

Het zal morgen ook al vijf jaar geleden zijn dat de Franse schrijfster Régine Deforges op 78-jarige leeftijd is overleden aan een hartaanval. Zij werd vooral bekend met de romancyclus De blauwe fiets waarvan sinds 1983 zo’n tien miljoen boeken zijn verkocht. Mijn vrouw, die graag boeken van lange adem leest, heeft van deze trilogie genoten (het boek is ook verfilmd met Laetitia Casta in de hoofdrol), maar zelf ben ik er nog niet aan toe gekomen. Wel heb ik enkele erotische werken van Régine Deforges gelezen. De socialistische president François Hollande roemde Deforges in een reactie op haar dood als een rebel die zich met hartstocht voor het feminisme en de strijd tegen taboes heeft ingezet. Behalve erotische literatuur schreef Deforges ook de onvermijdelijke kookboeken.
Lees verder “Régine Deforges (1935-2014)”

James Bond (1900-1989)

James Bond (1900-1989)

Vandaag is het dertig jaar geleden dat James Bond is gestorven. Hoezo? zal men zeggen, heeft die dan echt bestaan? Wel ja en euh… nee. Er bestond wel degelijk “een” James Bond, maar die man was een gerenommeerd ornitoloog en had buiten zijn naam niks vandoen met de roemruchte geheim agent die werd gecreëerd door Ian Fleming…

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Op de dag dat Khomeini de fatwa over Salman Rushdie uitsprak, zat ik in een toneelvoorstelling over markies de Sade. Daarover schreef ik later in De Rode Vaan een recensie onder de titel “Markiespijn”. Ja, woordspelingen, je houdt ervan of niet…

Alhoewel her en der misschien wel wordt ingespeeld op de mediabelangstelling die er rond de Franse Revolutie nu bestaat, kan men zeker niet beweren dat de herontdekking van de Franse schrijver Markies de Sade, die twaalf dagen voor de revolutie nog in de Bastille zat, daar rechtstreeks mee heeft te maken. Die herontdekking, die meteen ook een eerste waardering (dus geen her-waardering) inhoudt, is namelijk reeds een aantal jaren aan de gang. Wijzelf brachten al twee uitgebreide bijdragen, eerst naar aanleiding van de opvoering van Peter Weiss’ « Marat/Sade » zowel in PACT als in het NTG (zie r.v.nr.16 van vorig jaar) en dit jaar nog ter gelegenheid van Mishima’s « Madame de Sade » in het BKT (zie r.v.nr.3). Telkens betrof het hier echter een eerherstel van de filosoof of zelfs de ‘politicus’ de Sade. In « De Zwarte Legende », een productie van het Grand Théátre Groningen en F’act Rotterdam, gaat acteur Peter Gorissen weliswaar op het ingeslagen pad verder, maar voor het eerst ook wordt de « pornograaf » de Sade gewaardeerd, vooral dan die passages waarbij de seksuele, « sadistische » uitspattingen gepaard gaan met godslastering.
Wij zagen de voorstelling exact op de dag dat Zijne Heiligheid mijnheer Khomeini de hemel (en voor alle zekerheid ook 120 miljoen frank) beloofde aan een islamitische volgeling die hem het hoofd van de auteur Salman Rushdie op een schotel zou aanbieden. Tegelijk bevestigde dit de noodzaak van een stuk als dat van Gorissen en prezen we de Heer (zij het misschien dat Hij dit zelf niet zo op prijs stelde) dat in ons land een dergelijke productie, waarin o.m. paus Wojtyla masturberend in de schedel van Christus ten tonele wordt gevoerd, toch nog mogelijk is. De voorstelling die wij in Gent bijwoonden werd zelfs gesubsidieerd door het ministerie van cultuur.
Leidt hier echter vooral niet uit af dat « De Zwarte Legende » een stuk is dat zwaar op de hand ligt. Het begint wel stijf met Gorissen in zijn blote flikker — pardon, laat ik dat even anders formuleren: na een muzikale uitbarsting door bassist Ben Bervoets en multi-instrumentalist Karl Eriksson begint een naakte Gorissen erg zwaarwichtig met het citeren van teksten van de Sade, maar naarmate hij door schminkster Myriam Eijgenraam meer als ouder wordende, aftakelende markies wordt aangekleed, kan hij jongensachtig uit zijn rol stappen en grappen en grollen verkopen. Zo is er een bijna « Life of Brian »-achtige versie van de kruisdood of krijgt hij een hysterische lachbui à la Elvis Presley, terwijl hij « Can’t help falling in love » probeert te zingen. Hij speelt met een machinegeweertje tijdens het banjo-thema uit « Bonnie and Clyde », zijn vrienden zorgen voor hoefgetrappel bij « I was born under a wandering star » enz. enz. Deze kluchtige toestanden gaan trouwens verder in « een tweede deel » (het was niet duidelijk of dit een vast onderdeel is of gewoon omdat Gorissen en zijn vrienden het naar hun zin hadden in de balzaal van de Vooruit) waarin men enkele « liedjes van de radio » zingt. « New York, New York » begeleid op drie verschillende stoelen b.v. Of « La Bamba » met een aangepaste tekst over Vanden Boeynants. Maar helemaal plat gingen we toen Gorissen (opnieuw naakt) door de zaal marcheerde, het thema uit « The bridge over the river Kwai » fluitend, in het dialect beter gekend als « Sjarel, ik heb uw gat gezien »!
Ook het merkwaardige decor (b.v. met een koersfiets die uiteindelijk tot niets blijkt te dienen), de discussies met het publiek, de gewilde onhandigheden, het droeg allemaal bij tot een heel aparte en zelfs smakelijke voorstelling. Ondanks de « wansmakelijkheden » die uiteraard op rekening van de Sade zelf komen. Laten we echter niet vergeten dat al het kwade dat de Sade zijn medemens toebrengt, alleen maar in zijn fantasie gebeurde. In de werkelijkheid werd hem zelf veel pijn aangedaan. De pijn van een onbegrepen markies, de markiespijn. Het hoogtepunt van de voorstelling is dan ook niet een van de grappige momenten, maar wel de bewerking van het nummer « God » van John Lennon, waarin de mens (de Sade, Gorissen, u, ik) uiteindelijk voor de pijnlijke vaststelling komt te staan dat hij alleen maar in zichzelf kan geloven. Knap. En tegelijk valt de pianist toch op de grond en zingt Gorissen « ik geloof niet in VTM » en andere onzin. Zelfrelativering dus. En zo hoort het ook. Het gebeurt nog altijd veel te weinig in het theater. Hier gebeurde het wel. En dus gebeurde er eindelijk eens IETS.

Lees verder “Dertig jaar geleden: “Markiespijn””

Estelle Bennett (1941-2009)

Estelle Bennett (1941-2009)

Morgen zal het al tien jaar geleden zijn dat Estelle Bennett is overleden. Samen met haar zus Veronica (Ronnie) en hun nichtje Nedra Talley vormde ze The Ronettes, die in het begin van de jaren zestig door producer Phil Spector naar de top van de hitparade werd gepiloteerd. (Op de foto v.l.n.r. Nedra Talley, Estelle Bennett, Phil Spector and Ronnie Bennett.)

Hun eerste singletje “I Want A Boy/What’s So Sweet About Sweet Sixteen” werd door Colpix Records uitgebracht in augustus 1961, gevolgd door “I’m Gonna Quit While I’m Ahead/My Guiding Light” door zusterbedrijf May in januari 1962, beide onder de (terechte) naam “Ronnie and the Relatives”. Deze laatste single bracht Colpix in juni 1962 opnieuw uit als B-kant van “I’m on the Wagon” en bovendien onder een nieuwe bandnaam: “the Ronettes”. Hierna was het een vol jaar helemaal stil rondom the Ronettes en Colpix zou de band daarom vrijwel zeker hebben afgeschreven.
Terwijl hun contract bij Colpix nog gewoon doorliep zochten de dames echter wel contact met Phil Spector, die interesse in hen had. Ze lieten Colpix weten de showbusiness maar onbevredigend te vinden en dat ze uit de muziekindustrie wilden stappen. Het was dus een kwestie van tijd totdat hun contract daar afliep, wat hen in maart 1963 hoogstwaarschijnlijk wel in staat heeft gesteld via Phil Spector nog een single bij Atco uit te brengen onder de naam “the Heartbreakers”. In augustus 1963 tekenden zij openlijk bij Spector hun contract en namen zij “Be My Baby” op.
Toen “Be My Baby” in het najaar van 1963 nummer 1 werd, bracht Colpix de single “Good Girls/The Memory” uit onder hun May label. Phil Spector van zijn kant produceerde daarna “Baby I Love You” (november 1963), “(The Best Part of) Breakin’ Up” (23 mei 1964), “Do I Love You” (1 augustus 1964) en “Walking in the Rain” (12 december 1964), waarna Colpix in januari 1965 een LP uitbracht met alle songs van de Ronettes die ze hadden, inclusief het nog niet uitgebrachte “He Did It” en “Recipe for Love”.
Toch was het succes van The Ronettes op dat moment al voorbij. Op 29 oktober 1966 zouden ze weliswaar nog “I can hear music” uitbrengen, maar het zou duren tot The Beach Boys hiervan een cover opnamen vooraleer dit nummer enig succes kende. Nochtans zouden uiteenlopende artiesten (van the Beatles over The Walker Brothers tot Amy Winehouse) hun inbreng naar waarde schatten.
Met The Ronettes had Phil Spector zich zowaar als protagonist van de vrijgevochten vrouwen naar voren gewerkt, maar daar staat tegenover dat zijn andere meisjesgroep The Crystals zelfs slaafs onderworpen aan de man werden opgevoerd. Als men hiervoor de termen “dominant” en “onderdanig” uit het SM-jargon zou hanteren of gewoon “actief” en “passief”, dan waren The Ronettes de dominante component en The Crystals (met Darlene Love, Barbara Alston en leadzangeres Lala Brooks) de onderdanige. Dit bleek o.a. uit hun eerste “hit” (zeg dat wel): “He hit me (and it felt like a kiss)” dat zelfs uit de handel diende te worden genomen. Nu gaat dat wel over een jongen die ten onrechte vermoedt dat zijn meisje “vreemd gaat”, maar als dit plaatje dan wordt opgevolgd met één dat “Please hurt me” heet, dan gaat een mens zich toch vragen stellen. Zeker wanneer men weet dat beide nummers werden geschreven door het toenmalige echtpaar Carole King en Gerry Goffin, die voor een andere groep (The Cookies) toch ook al “Chains, my baby’s got me locked up in chains” hadden gepleegd.
Dat The Ronettes “dominant” zouden zijn geweest, is bovendien ook enkel een “rollenspel”, in de realiteit was er maar één dominant en dat was Spector zelf. En wat voor één. Hij huwde met de leadzangeres van The Ronettes, Veronica Bennett, doopte haar om tot Ronnie Spector en hield haar voor de komende twintig jaar gevangen. Eerst haast letterlijk binnen de ommuurde grenzen van hun woning (The Ronettes gingen op tournee – o.a. met The Beatles – met een vervangster), later – toen ze van hem gescheiden was – hield hij haar nog zeven jaar uit de platenproductie weg door allerlei vernuftige regeltjes in haar contract. Zo schreef Brian Wilson het toepasselijke “Don’t worry baby” voor haar, maar zij kon dat – wegens de tirannieke houding van Phil Spector – pas veel later opnemen. Toen hadden The Beach Boys het overigens zelf reeds opgenomen.
Na het uiteenvallen van de Ronettes in 1966, nam Bennett nog een plaatje op bij Laurie Records, “The Year 2000/The Naked Boy”. Nadien verdween zij uit de schijnwerpers. In her decades away from the public eye she struggled with anorexia and schizophrenia, and at times she had also been homeless, said her daughter, Toyin Hunter. Haar zus Ronnie huwde Phil Spector officieel pas in 1968 (en zou er in 1974 alweer van scheiden). In die periode richtte ze (tevergeefs overigens) The Ronettes opnieuw op, maar ze deed opvallend geen beroep op haar zus en nicht. Als oudste was Estelle, die een tijdje voor mode-ontwerpster had gestudeerd, nochtans verantwoordelijk geweest voor de sexy look van de groep en had zij dus zeker een aandeel in het succes. Enfin, als men dus weet dat Diana Ross kwaad was omwille van de film “Dreamgirls”, waarin zij zichzelf en het lot van Florence Ballard herkende, dan hadden de producers net zo goed kunnen repliceren dat niet The Supremes maar The Ronettes model hadden gestaan…
In 1988 the Ronettes sued Phil Spector for back royalties, and the suit dragged on for 14 years. Part of the case was dismissed, but the three women won the right to some royalties. They received “in excess of $1 million.” After lawyers’ fees, however, each woman took home about… $100,000!
Twee jaar vóór de dood van Estelle werden The Ronettes opgenomen in “The Hall of Fame”. Omdat men vreesde dat Estelle het optreden om zeep zou helpen, mocht ze enkel op het podium komen voor een kort dankwoord. Bij het optreden zelf werd haar plaats ingenomen door iemand uit de “tweede” Ronettes-formatie.

Lees verder “Estelle Bennett (1941-2009)”

Clive Staples Lewis (1898-1963)

Clive Staples Lewis (1898-1963)

Een mens leert altijd bij: zo verneem ik pas nu dat niet enkel Aldous Huxley, maar ook zijn collega Clive Staples Lewis, beter gekend als C.S.Lewis, de auteur van o.a. “The chronicles of Narnia”, op dezelfde dag is gestorven als John Kennedy. Ook voor hem geldt dus wat ik bij Huxley heb geschreven: zijn dood zal wel zo goed als onopgemerkt voorbijgegaan zijn. De christelijke schrijver Peter Kreeft heeft het boek Between heaven and hell geschreven, over de hypothetische ontmoeting tussen deze drie beroemdheden na hun dood in een soort hiernamaals.
Lees verder “Clive Staples Lewis (1898-1963)”