Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Natuurlijk was “Wie schrijft, vertrekt” niet mijn enige artikel in De Rode Vaan van 3 maart 1989. Er was b.v. ook nog “Markiespijn”, waarover ik het reeds heb gehad, of het interview met Lode De Pooter. En dan ook nog in de filmrubriek die ik van deze laatste had overgenomen, een stuk over de documentaire over John Lennon, “Imagine”, en over de film van Robbe de Hert, “Blueberry hill”.
« Eigenlijk gaat deze film over roddel. Over hoe een maatschappij ten onder gaat aan roddel. » Robbe De Hert over « Blueberry Hill » toen we hem deze zomer gingen opzoeken tijdens een draaidag in Gent (zie r.v.nr.34). De maatschappij waarover hij het heeft is die van de jaren vijftig. Een maatschappij waartegen jongeren rebelleerden. In « Blueberry Hill » vertolkt Michaël Pas (foto rechts) de rol van Robin De Hert, de Antwerpse rebel met het peperkoeken hart. In die andere havenstad, Liverpool, speelt John Lennon (foto links) zijn eigen rol. Die overigens pas in de jaren zestig zal doorwerken op wereldvlak. De film « Imagine » geeft er een eerlijk en juist daardoor ontroerend beeld van.
ALHOEWEL deze paar gegevens reeds voldoende zouden zijn om deze twee films in één adem te behandelen, zijn er nog een paar thema’s die op die manier een speciale invalshoek krijgen. Laten we beginnen met de titels, niet toevallig tweemaal een grote hit. Bij John Lennon lag het voor de hand : niet alleen vat « Imagine » de positieve kant van zijn karakter uitstekend samen (er is ook nog een « dark side » maar daarover zo dadelijk meer), maar bovendien is de periode van de opname van deze elpee het uitgangspunt geworden voor de documentaire van Andrew Solt (ook de maker van « This is Elvis »). Op last van Yoko Ono was er op hun prachtige verblijf in Ascot immers een professionele filmploeg aanwezig die alles registreerde: de plaatopname (door Phil Spector), maar ook de vrijpartijen en zelfs gewoon de maaltijden. Vertrekkende van dit kwalitatief uitstekende materiaal, dat weliswaar niet « objectief » is, maar toch afstandelijk genoeg om in et geheel te passen (b.v. de kibbelpartij met de technicus), heeft Solt een uitstekende documentaire samengesteld uit de meer dan 200 uren film die hem door Yoko Ono ter beschikking werden gesteld. Hij had overigens maar met dit titanenwerk ingestemd op voorwaarde dat hij de vrije hand zou krijgen. En dat is ook zo gebeurd. Over de zwartste periode in Lennons leven (het zogenaamde « lost weekend » toen Yoko hem de deur had gewezen) is men weliswaar kort (o.m. omwille van het ontbreken van beeldmateriaal), maar voor de rest worden Johns onhebbelijkheden niet met de mantel der liefde toegedekt (de passage over de ruzie met Paul McCartney is schrijnend), maar precies daardoor komt hij over als een mens zoals u en ik en niet zoals de halfgod die hij voor sommigen is geweest. En precies daardoor ontroert de film.
Bij Robbe De Hert ligt dat dus helemaal anders. Beginnen we bij de titel. Reeds tijdens de opname wist hij ons te vertellen dat er moeilijkheden waren wat copyright betreft. Uiteindelijk houden we nu een film over zonder de klassieker van Fats Domino, zelfs zonder een verwijzing ernaar. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Daarbij komt nog dat Jan Leyers van Soulsister als componist werd aangetrokken (een gelukkige beslissing overigens!) en dat het lanceerfilmpje van « Blueberry Hill » dan ook in de zalen te zien is met daarop de hit van Jans groep geplakt, « The way to your heart ». Ook van dit nummer is in de film zelf echter geen sprake. Maar niemand schijnt dat erg te vinden.
Dat het hoofdpersonage Robin heette, viel ons tijdens het draaien reeds op, maar nu blijkt zelfs dat hij — zoals in Vlaanderen gebruikelijk — veel meer met zijn familienaam wordt aangesproken en die is… De Hert, jawel. Een misschien ietwat ongelukkige ingreep, ook al is het duidelijk dat de inbreng van Walter van den Broeck in het scenario zo groot is dat men bij koele analyse moeilijk kan aannemen dat men tussen Robin en Robbe zo maar een gelijkheidsteken kan plaatsen. Tijdens de film zelf evenwel (en dan vooral bij dit soort films) staat het verstand op nul en is het de emotie die het voor het zeggen heeft. En dan is het al veel moeilijker om die afstandelijkheid tegenover het hoofdpersonage (overigens uitstekend vertolkt door Michael Pas) te bewaren. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Zeker niet tijdens de zondagnamiddagvertoning die wij « meemaakten » en waaruit blijkt dat er dertig jaar later nog niet zo heel veel is veranderd. In het halfduister worden er nog altijd wereldrecords tongkussen gevestigd en graait men lustig in broekjes en bloesjes. Om nadien klappen te krijgen thuis. Geen wonder dat de zaal afgeladen vol zit, dat men met volle teugen geniet en — vooral — dat men zich nog steeds kan identificeren met de rebellenclub die daar ten tonele wordt gevoerd.
Typisch voor beide films is ook de, wat we zouden kunnen noemen, « ouvrieristische » sfeer waarin ze baden. In de « vakschool » van Robbe is dat eigenlijk niet meer dan normaal en buiten de sympathieke portrettering van dat milieu valt er niet veel méér over te zeggen. Bij John Lennon gaat het echter veel verder. Vooral in de discussie met de journaliste van The New York Times over zijn vredesengagement (zij stelde dat vredesactivisme toch ietwat meer is dan in bed te liggen en daarmee de voorpagina van alle kranten te halen) blijkt een virulent anti-intellectualisme. Lennon bevindt zich daarmee overigens in goed gezelschap. Alleen al het voorbije weekend hoorden wij Raymond van het Groenewoud in zijn soloprogramma en Hugo Claus bij Adriaan Van Dis zich in dezelfde weinig vleiende bewoordingen over intellectuelen in het algemeen en studenten in het bijzonder uitdrukken.
Een speelfilm bevat echter uiteraard wel een aantal elementen die niet zo maar naast een documentaire kunnen worden geplaatst, zeker niet daar « Blueberry Hill » zich heel duidelijk als een romantische film afficheert en niet als een soort van docudrama over de jaren vijftig. Daarom tot slot toch nog even speciale aandacht voor deze eigen Belgische productie. Voor het grootste gedeelte, laten we zeggen voor 75%, kunnen we ons zeker laten meeslepen door het verhaal, vooral dus door de grote herkenbaarheid van het scenario en door de « warme » manier waarop het in beeld werd gebracht. Babette van Veen is inderdaad de blonde schoonheid die Hitchcock Robbe mag benijden (nooit gedacht dat vader Herman tot zo een prachtprestatie in staat zou zijn geweest) en haar gekuist Antwerps laat op geen enkel moment haar Hollandse afkomst vermoeden. Tenzij haar stem gedubd zou zijn uiteraard, maar daaraan twijfelen we, want dat is bij de Franse lerares Myriam Meszières zo onhandig gebeurd dat alleen het feit dat de Franstalige versie (waarin dus de Vlamingen werden gedubd) nog veel slechter is, ons met deze miskleun kan verzoenen. En het is natuurlijk grappig om de klungelige huisbewaarder Ronny Coutteure met de stem van directeur Thienpont te horen praten.
De love-story tussen Michael/Robin en Babette/Cathy die op de prachtige affiche prijkt, is dramatisch eigenlijk toch wel ondergeschikt aan de « avonturen » die zich in de vakschool afspelen. Centraal daarin staat de rol van de tirannieke secretaris, schitterend vertolkt door Frank Aendenboom, die op basis van « roddel » o.m. in conflict komt met de lerares Frans en vooral met de « homofiele » leerling Eddy (Gert Nevens). Deze laatste wordt echter vanuit dramaturgisch standpunt iets te vlug tot zelfmoord gedreven en de « opstand » tijdens zijn begrafenis doet de film dan helemaal kantelen. Hier werkt de realistische aanpak juist tegen De Hert. Als hij dan toch aan overdrijven toe was, kon hij misschien beter volledig uitfreaken, zoals Lindsay Anderson in « If » b.v.
Jammer van het ontluisterende effect op het einde, want voor het overige is « Blueberry Hill » in dezelfde mate als « Imagine » het bekijken waard. Vooral de meisjes zullen er wat aan hebben, al was het maar wegens « de schone prins » Oliver Windross die, helaas voor hen, geen verdere carrière in de film ambieert. En als we zelf ooit een film draaien dan noemen we de slechterik Stafke van den Broeck. Goed geweten! (*)

Lees verder “Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub””

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Op de dag dat Khomeini de fatwa over Salman Rushdie uitsprak, zat ik in een toneelvoorstelling over markies de Sade. Daarover schreef ik later in De Rode Vaan een recensie onder de titel “Markiespijn”. Ja, woordspelingen, je houdt ervan of niet…

Alhoewel her en der misschien wel wordt ingespeeld op de mediabelangstelling die er rond de Franse Revolutie nu bestaat, kan men zeker niet beweren dat de herontdekking van de Franse schrijver Markies de Sade, die twaalf dagen voor de revolutie nog in de Bastille zat, daar rechtstreeks mee heeft te maken. Die herontdekking, die meteen ook een eerste waardering (dus geen her-waardering) inhoudt, is namelijk reeds een aantal jaren aan de gang. Wijzelf brachten al twee uitgebreide bijdragen, eerst naar aanleiding van de opvoering van Peter Weiss’ « Marat/Sade » zowel in PACT als in het NTG (zie r.v.nr.16 van vorig jaar) en dit jaar nog ter gelegenheid van Mishima’s « Madame de Sade » in het BKT (zie r.v.nr.3). Telkens betrof het hier echter een eerherstel van de filosoof of zelfs de ‘politicus’ de Sade. In « De Zwarte Legende », een productie van het Grand Théátre Groningen en F’act Rotterdam, gaat acteur Peter Gorissen weliswaar op het ingeslagen pad verder, maar voor het eerst ook wordt de « pornograaf » de Sade gewaardeerd, vooral dan die passages waarbij de seksuele, « sadistische » uitspattingen gepaard gaan met godslastering.
Wij zagen de voorstelling exact op de dag dat Zijne Heiligheid mijnheer Khomeini de hemel (en voor alle zekerheid ook 120 miljoen frank) beloofde aan een islamitische volgeling die hem het hoofd van de auteur Salman Rushdie op een schotel zou aanbieden. Tegelijk bevestigde dit de noodzaak van een stuk als dat van Gorissen en prezen we de Heer (zij het misschien dat Hij dit zelf niet zo op prijs stelde) dat in ons land een dergelijke productie, waarin o.m. paus Wojtyla masturberend in de schedel van Christus ten tonele wordt gevoerd, toch nog mogelijk is. De voorstelling die wij in Gent bijwoonden werd zelfs gesubsidieerd door het ministerie van cultuur.
Leidt hier echter vooral niet uit af dat « De Zwarte Legende » een stuk is dat zwaar op de hand ligt. Het begint wel stijf met Gorissen in zijn blote flikker — pardon, laat ik dat even anders formuleren: na een muzikale uitbarsting door bassist Ben Bervoets en multi-instrumentalist Karl Eriksson begint een naakte Gorissen erg zwaarwichtig met het citeren van teksten van de Sade, maar naarmate hij door schminkster Myriam Eijgenraam meer als ouder wordende, aftakelende markies wordt aangekleed, kan hij jongensachtig uit zijn rol stappen en grappen en grollen verkopen. Zo is er een bijna « Life of Brian »-achtige versie van de kruisdood of krijgt hij een hysterische lachbui à la Elvis Presley, terwijl hij « Can’t help falling in love » probeert te zingen. Hij speelt met een machinegeweertje tijdens het banjo-thema uit « Bonnie and Clyde », zijn vrienden zorgen voor hoefgetrappel bij « I was born under a wandering star » enz. enz. Deze kluchtige toestanden gaan trouwens verder in « een tweede deel » (het was niet duidelijk of dit een vast onderdeel is of gewoon omdat Gorissen en zijn vrienden het naar hun zin hadden in de balzaal van de Vooruit) waarin men enkele « liedjes van de radio » zingt. « New York, New York » begeleid op drie verschillende stoelen b.v. Of « La Bamba » met een aangepaste tekst over Vanden Boeynants. Maar helemaal plat gingen we toen Gorissen (opnieuw naakt) door de zaal marcheerde, het thema uit « The bridge over the river Kwai » fluitend, in het dialect beter gekend als « Sjarel, ik heb uw gat gezien »!
Ook het merkwaardige decor (b.v. met een koersfiets die uiteindelijk tot niets blijkt te dienen), de discussies met het publiek, de gewilde onhandigheden, het droeg allemaal bij tot een heel aparte en zelfs smakelijke voorstelling. Ondanks de « wansmakelijkheden » die uiteraard op rekening van de Sade zelf komen. Laten we echter niet vergeten dat al het kwade dat de Sade zijn medemens toebrengt, alleen maar in zijn fantasie gebeurde. In de werkelijkheid werd hem zelf veel pijn aangedaan. De pijn van een onbegrepen markies, de markiespijn. Het hoogtepunt van de voorstelling is dan ook niet een van de grappige momenten, maar wel de bewerking van het nummer « God » van John Lennon, waarin de mens (de Sade, Gorissen, u, ik) uiteindelijk voor de pijnlijke vaststelling komt te staan dat hij alleen maar in zichzelf kan geloven. Knap. En tegelijk valt de pianist toch op de grond en zingt Gorissen « ik geloof niet in VTM » en andere onzin. Zelfrelativering dus. En zo hoort het ook. Het gebeurt nog altijd veel te weinig in het theater. Hier gebeurde het wel. En dus gebeurde er eindelijk eens IETS.

Lees verder “Dertig jaar geleden: “Markiespijn””

Sixty years ago: the day the music died…

Sixty years ago: the day the music died…

Mason City, Iowa, 3 februari 1959 (A.P.): “Drie Rock & roll-zangers, wier platen en optredens miljoenen teenagerharten beroerd hebben zijn vandaag gedood door een vliegtuigongeluk hier in de omgeving. Het gehuurde vierpersoonstoestel, dat het drietal en de piloot vervoerde, stortte enkele minuten na het opstijgen in licht sneeuw vanaf het vliegveld van Mason City neer. De slachtoffers waren Buddy Holly (22) uit Lubbock, Ritchie Valens (17) uit Los Angeles, J.P. Richardson alias “The Big Bopper” (24) uit Beaumont, en Roger Peterson (21) uit het naburige Clear Lake, de piloot van het toestel.

De groep waarbij de zangers behoorden, had de vorige avond voor 1.100 teenagers opgetreden in de Surf Ballroom te Vlear Lake. De Beechcraft Bonanza, die gehuurd was van de Dwyer Flying Service, zou de drie zangers naar Fargo brengen voor het optreden aldaar hedenavond. De anderen gingen per gehuurde bus.
De autoriteiten schreven het ongeluk toe aan het slechte weer. Het sneeuwde, de temperatuur was 18 Fahrenheit en er waaide een zuidelijke wind met een snelheid van 35 mijl per uur, toen het toestel om 1 uur ’s nachts opsteeg. Het kwam ongeveer 5 mijl ten noord-westen van de boerderij van de heer Albert Juhl neer. Niemand heeft het horen neerstorten. De linkervleugeltop kwam blijkbaar het eerst in aanraking met de grond. Er werden stukken van het wrak afgerukt, toen het vliegtuig over een afstand van ongeveer twee huizenblokken door de grond ploegde, om vervolgens tegen een schutting te pletter te slaan. Mevrouw Caroll Anderson, de echtgenote van de manager van de Surf Ballroom, zei dat alles in orde scheen toen het toestel opsteeg.
In vakkringen te Hollywood wordt gezegd, dat de gezamenlijke platenverkoop van het drietal in de miljoenen loopt. De heer Valens, wiens werkelijke naam Richard Valenzuela was en die vorig jaar van de San Fernando High School afging om een zangcarrière op te bouwen, had zojuist zijn eerste film gemaakt, getiteld “Go Johnny Go”. Zijn eerste plaat, die zes maanden geleden werd uitgebracht, was “Donna”, waarvan volgens de Del-Fi Record Company meer dan 1 miljoen stuks zijn verkocht.
(Uit de film “La bamba” zullen we veel later leren dat Richie Valens met een begeleider van Buddy Holly getost had voor het overblijvende plaatsje in het vliegtuig. Deze “verliezer” die dus uiteindelijk een “winnaar” werd, was Waylon Jennings, die het nog zou uitzingen tot februari 2002, toen hij werd geveld door de gevolgen van diabetes.)
De heer Holly, ster van The Crickets, die ook optraden, kwam aan de top met zijn nummers “Peggy Sue” en “That’ll Be The Day”, die elk een oplage van meer dan anderhalf miljoen stuks behaalden. De heer Richardson was met vakantie. Hij werkte als disc-jockey, zanger en programmaleider van de zender KTRM te Beaumont, Texas. zijn “Chantilly Lace” werd door het vakblad Billboard beoordeeld als de op drie na bestverkochte plaat, en werd in 37 andere landen uitgebracht.”
(*)
Charles Hardin Holley werd op 7 september 1936 in Lubbock (Texas) geboren. Zijn jeugd verschilt niet in het minst van die van de talloze andere muzikanten uit het Zuiden van de VS. Zij begonnen nl. bijna allemaal als dj bij één van de vele plaatselijke radiostations. Als ze zwart waren, gingen ze dan blues zingen, de blanken (Holly dus ook) country. Hij deed dit met zijn schoolvriend Bob Montgomery en de platen uit die tijd (verkrijgbaar in beperkte oplage) leggen meer de nadruk op Bob dan op Buddy. Toch was het Buddy die de aandacht van niemand minder dan Kolonel Parker trok, toen zij het voorprogramma van Elvis Presley in Lubbock mochten verzorgen. (Als de eerste de beste fan probeert Buddy na het optreden een handtekening – of gewoon maar een blik – van zijn idool te versieren. Op de foto zie je hem helemaal rechts.)
Met een platencontract op zak vormde Buddy een backing-group naar het voorbeeld van die van Elvis: The Three Tunes. Sonny Curtis (later o.m. bekend als componist van het thema voor “Het Meisje van de TV”) hanteerde de gitaar, Don Guess de bas en Jerry Allison de drums. Alhoewel Buddy hier reeds dat hikkerig geluid in zijn stem had, wat later zijn “gimmick” zou worden, kende hij geen succes, misschien omdat hij toen nog trachtte er als een ster uit te zien (foto’s zonder bril bijvoorbeeld). Later ging men zijn bijziendheid e.a. gebreken (zoals naar verluidt een stinkende adem) juist zeer sterk in de verf zetten en… het succes was verzekerd (door identificatie, noemt men dat dan).
Nu wàs Buddy Holly, gewoon als artiest, ook heel belangrijk. Hij moest wel, want hij heeft amper anderhalf jaar tijd gehad om zijn roem te vestigen…
Zelfs tot op de dag van vandaag zal buiten Rod Stewart (in zijn tijd bij The Faces) niemand erin slagen net als Buddy Holly twee carrières op te bouwen (solo én met The Crickets) en voor beide aan de lopende band hits te hebben. Vooral in Engeland heeft Buddy Holly een revolutie veroorzaakt, dit omdat hij als “best next thing” na de King himself zichzelf niet te hoog achtte om in het toen op popgebied nogal achterlijke (vooral wegens een censurerende dictatuur van “auntie” BBC, vandaar later de piratenstations) Engeland te gaan optreden. The Hollies noemden zich naar hem, The Rolling Stones namen “Not fade away” op, en daarvóór had je al Adam Faith and the Roulettes, Brian Poole and the Tremeloes en The Hullaballoos, allemaal naäpers.
Ook The Beatles zouden The Beatles niet zijn zonder Holly, zelfs letterlijk, want de naam “Beatles” (kevers) is gekozen in navolging van “Crickets” (krekels). Wie nu trouwens nummers van Holly op zijn repertoire neemt (zoals Linda Ronstadt met “It’s so easy” of “That’ll be the day”), brengt veel geld in de kassa van Paul McCartney, die de rechten op de Holly-songs heeft opgekocht. Geen wonder dat hij destijds zijn vriendje Denny Laine (van Wings) ertoe heeft overhaald een hele elpee (“Hollydays”) vol te stouwen met Holly-composities.
John Lennon van zijn kant brengt een eresaluut aan Buddy op z’n elpee “Rock’n’roll” in de vorm van zijn grootste hit “Peggy Sue”. Lennon: “Buddy Holly kèn ik. Ik ben eigenlijk nog een tijdje Buddy Holly gewèèst. Ik droeg net zo’n bril als hij en ik kende al zijn nummers.”
En dan Georges Harrison: “Het was de muziek van Buddy Holly die me echt in rock’n’roll interesseerde. Hij hield er een unieke manier van gitaarspelen op na, die nog ’t meest leek op klokkenspel. Daarom ook hebben we later z’n ‘Words of love’ opgenomen.”
Ik hou dan ook van reeksen platen die heruitgaven zijn van oude successen. Niet alleen omdat ik met die muziek groot gebracht ben, maar ook omdat dergelijke reeksen vaak slechts een prikje kosten in vergelijking met de toch wel dure nieuwe releases. Vandaar ook dat mijn criteria voor nieuwe platen zo hoog liggen en dat ik niet zo gauw geneigd ben om tot kopen aan te sporen.
Met heruitgaven en compilatie-elpees liggen de kaarten dus helemaal anders. Technisch mag er dan soms al het een en het ander worden aangemerkt (al was het maar omdat de opnametechnieken in die tijd nog verre van volmaakt waren), muzikaal kan ik vaak dezelfde hoge norm blijven hanteren en dat doet mij plezier.
Zo bijvoorbeeld bij de verzamelelpee van Buddy Holly in de reeks Gold van Ariola (MCA 202 370). Ik ken iemand die beweert dat gewoonweg àlles wat Buddy Holly heeft opgenomen uitstekend is. Dat mag dan enigszins overdreven zijn, voor deze elpee gaat die slagzin alleszins op. Ik heb moeite om een paar nummers te selecteren die nog beter zijn dan de andere. Enfin, voor mij mogen dat dan “Peggy Sue”, “True love ways”, “It doesn’t matter anymore” en “Oh boy” zijn.
Vier nummers van diezelfde Buddy Holly (maar niet deze vier) maken ook het corpus uit van een andere verzamelelpee in dezelfde reeks, genaamd “Superstars Rock’n’Roll” (MAC 202 062).
Alhoewel de andere selecties (tweemaal Bill Haley, twee rock-nummers van Brenda Lee, Johnny Burnette en “When” van The Kalin Twins, naast de mij onbekende Owen Bradley en Johnny Cymbal) zeker niet slecht zijn bewijst Buddy Holly hier nogmaals hoe uitmuntend hij wel is, zodanig dat zijn eigen compilatie-album toch een grotere aanrader is.
Bij de nieuwe elpees die Music for Pleasure daarna op de markt heeft gegooid, viel mij vooral “Rave On” van Buddy Holly op. De hoestekst dateert al van 1975. Blijkbaar dus toch niet meer zo “nieuw”, deze verzamelelpee. Wellicht enkel nu pas verkrijgbaar in België. Uiteraard verandert dat weinig aan de zaak, want van een zanger die op dat moment reeds bijna twintig jaar dood was, kan je moeilijk nieuw materiaal verlangen.
Toch staan hier vijf postume releases op, waarvan één heel oude met z’n schoolvriend Bob Montgomery. Deze opnamen zijn niet gemaakt door The Crickets, maar wel door Jimmy Gilmer and the Fireballs, nà het overlijden van Buddy (m.a.w. enkel zijn stem is authentiek). Van z’n échte hits staan er slechts twee op, telkens “toevallig” als eerste nummer van elke kant: de geweldige titelsong “Rave on” en het rustigere “Everyday”. Wel een beetje weinig, zelfs voor de lage prijs. De overige vijf nummers zijn niet slecht, verre van, maar alles bij elkaar toch een ontgoocheling. Hoge bomen… (Buddy Holly: “Rave On” – MFP 50176)

JACQUES PERK (10 juni 1859 – 1 november 1881)
BUDDY HOLLY (7 september 1936 – 3 februari 1959)

de twee vernieuwers leefden even kort.
te kort voor Perk, hij bleef nu wat halfslachtig,
de voorloper en gangmaker van ’80,
wanneer der schoonheid naam geheiligd wordt.

Buddy’s gitaar en hikstem waren machtig,
zo bleek op teenagers hun schoolrapport.
toen ’t vliegtuig dat hem vloog was neergestort,
bleven hem fans en MCA indachtig.

ze brachten werkjes over de verloofden
van anderen, Jacques Perk, de blondgehoofde,
beschreef Madonna-achtige Mathilde,

en Buddy Holly zong, de zwartgebrilde,
over die van zijn drummer “Peggy Sue”.
ook ik ben tweeëntwintig, twenty-two.

Jan KAL

(*) Wat in dit artikel van American Press van de dag zelf niet vermeld staat (omdat het nog niet kon natuurlijk), dat is dat een dag later de tournee van de “Winter Dance Party” alweer op gang werd geschoten. Frankie Avalon en Jimmy Clanton werden als vervangers ingehuurd. Onnodig te zeggen dat deze twee hoegenaamd geen partij vormden voor Buddy Holly en Richie Valens. Zelfs de vervanging droeg dus bij tot de begrafenis van de échte rock’n’roll…