55 jaar geleden: “Cry for a shadow” op nr.1 in Australië

55 jaar geleden: “Cry for a shadow” op nr.1 in Australië

Reeds zovele jaren fan en toch leer ik nog elke dag bij. Zo verneem ik pas nu dat “Cry for a shadow”, het instrumentale nummer dat The Beatles opnamen in Duitsland, drie jaar later (in volle Beatlemania) op nummer één is geraakt in Australië!
Lees verder “55 jaar geleden: “Cry for a shadow” op nr.1 in Australië”

Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Natuurlijk was “Wie schrijft, vertrekt” niet mijn enige artikel in De Rode Vaan van 3 maart 1989. Er was b.v. ook nog “Markiespijn”, waarover ik het reeds heb gehad, of het interview met Lode De Pooter. En dan ook nog in de filmrubriek die ik van deze laatste had overgenomen, een stuk over de documentaire over John Lennon, “Imagine”, en over de film van Robbe de Hert, “Blueberry hill”.
« Eigenlijk gaat deze film over roddel. Over hoe een maatschappij ten onder gaat aan roddel. » Robbe De Hert over « Blueberry Hill » toen we hem deze zomer gingen opzoeken tijdens een draaidag in Gent (zie r.v.nr.34). De maatschappij waarover hij het heeft is die van de jaren vijftig. Een maatschappij waartegen jongeren rebelleerden. In « Blueberry Hill » vertolkt Michaël Pas (foto rechts) de rol van Robin De Hert, de Antwerpse rebel met het peperkoeken hart. In die andere havenstad, Liverpool, speelt John Lennon (foto links) zijn eigen rol. Die overigens pas in de jaren zestig zal doorwerken op wereldvlak. De film « Imagine » geeft er een eerlijk en juist daardoor ontroerend beeld van.
ALHOEWEL deze paar gegevens reeds voldoende zouden zijn om deze twee films in één adem te behandelen, zijn er nog een paar thema’s die op die manier een speciale invalshoek krijgen. Laten we beginnen met de titels, niet toevallig tweemaal een grote hit. Bij John Lennon lag het voor de hand : niet alleen vat « Imagine » de positieve kant van zijn karakter uitstekend samen (er is ook nog een « dark side » maar daarover zo dadelijk meer), maar bovendien is de periode van de opname van deze elpee het uitgangspunt geworden voor de documentaire van Andrew Solt (ook de maker van « This is Elvis »). Op last van Yoko Ono was er op hun prachtige verblijf in Ascot immers een professionele filmploeg aanwezig die alles registreerde: de plaatopname (door Phil Spector), maar ook de vrijpartijen en zelfs gewoon de maaltijden. Vertrekkende van dit kwalitatief uitstekende materiaal, dat weliswaar niet « objectief » is, maar toch afstandelijk genoeg om in et geheel te passen (b.v. de kibbelpartij met de technicus), heeft Solt een uitstekende documentaire samengesteld uit de meer dan 200 uren film die hem door Yoko Ono ter beschikking werden gesteld. Hij had overigens maar met dit titanenwerk ingestemd op voorwaarde dat hij de vrije hand zou krijgen. En dat is ook zo gebeurd. Over de zwartste periode in Lennons leven (het zogenaamde « lost weekend » toen Yoko hem de deur had gewezen) is men weliswaar kort (o.m. omwille van het ontbreken van beeldmateriaal), maar voor de rest worden Johns onhebbelijkheden niet met de mantel der liefde toegedekt (de passage over de ruzie met Paul McCartney is schrijnend), maar precies daardoor komt hij over als een mens zoals u en ik en niet zoals de halfgod die hij voor sommigen is geweest. En precies daardoor ontroert de film.
Bij Robbe De Hert ligt dat dus helemaal anders. Beginnen we bij de titel. Reeds tijdens de opname wist hij ons te vertellen dat er moeilijkheden waren wat copyright betreft. Uiteindelijk houden we nu een film over zonder de klassieker van Fats Domino, zelfs zonder een verwijzing ernaar. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Daarbij komt nog dat Jan Leyers van Soulsister als componist werd aangetrokken (een gelukkige beslissing overigens!) en dat het lanceerfilmpje van « Blueberry Hill » dan ook in de zalen te zien is met daarop de hit van Jans groep geplakt, « The way to your heart ». Ook van dit nummer is in de film zelf echter geen sprake. Maar niemand schijnt dat erg te vinden.
Dat het hoofdpersonage Robin heette, viel ons tijdens het draaien reeds op, maar nu blijkt zelfs dat hij — zoals in Vlaanderen gebruikelijk — veel meer met zijn familienaam wordt aangesproken en die is… De Hert, jawel. Een misschien ietwat ongelukkige ingreep, ook al is het duidelijk dat de inbreng van Walter van den Broeck in het scenario zo groot is dat men bij koele analyse moeilijk kan aannemen dat men tussen Robin en Robbe zo maar een gelijkheidsteken kan plaatsen. Tijdens de film zelf evenwel (en dan vooral bij dit soort films) staat het verstand op nul en is het de emotie die het voor het zeggen heeft. En dan is het al veel moeilijker om die afstandelijkheid tegenover het hoofdpersonage (overigens uitstekend vertolkt door Michael Pas) te bewaren. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Zeker niet tijdens de zondagnamiddagvertoning die wij « meemaakten » en waaruit blijkt dat er dertig jaar later nog niet zo heel veel is veranderd. In het halfduister worden er nog altijd wereldrecords tongkussen gevestigd en graait men lustig in broekjes en bloesjes. Om nadien klappen te krijgen thuis. Geen wonder dat de zaal afgeladen vol zit, dat men met volle teugen geniet en — vooral — dat men zich nog steeds kan identificeren met de rebellenclub die daar ten tonele wordt gevoerd.
Typisch voor beide films is ook de, wat we zouden kunnen noemen, « ouvrieristische » sfeer waarin ze baden. In de « vakschool » van Robbe is dat eigenlijk niet meer dan normaal en buiten de sympathieke portrettering van dat milieu valt er niet veel méér over te zeggen. Bij John Lennon gaat het echter veel verder. Vooral in de discussie met de journaliste van The New York Times over zijn vredesengagement (zij stelde dat vredesactivisme toch ietwat meer is dan in bed te liggen en daarmee de voorpagina van alle kranten te halen) blijkt een virulent anti-intellectualisme. Lennon bevindt zich daarmee overigens in goed gezelschap. Alleen al het voorbije weekend hoorden wij Raymond van het Groenewoud in zijn soloprogramma en Hugo Claus bij Adriaan Van Dis zich in dezelfde weinig vleiende bewoordingen over intellectuelen in het algemeen en studenten in het bijzonder uitdrukken.
Een speelfilm bevat echter uiteraard wel een aantal elementen die niet zo maar naast een documentaire kunnen worden geplaatst, zeker niet daar « Blueberry Hill » zich heel duidelijk als een romantische film afficheert en niet als een soort van docudrama over de jaren vijftig. Daarom tot slot toch nog even speciale aandacht voor deze eigen Belgische productie. Voor het grootste gedeelte, laten we zeggen voor 75%, kunnen we ons zeker laten meeslepen door het verhaal, vooral dus door de grote herkenbaarheid van het scenario en door de « warme » manier waarop het in beeld werd gebracht. Babette van Veen is inderdaad de blonde schoonheid die Hitchcock Robbe mag benijden (nooit gedacht dat vader Herman tot zo een prachtprestatie in staat zou zijn geweest) en haar gekuist Antwerps laat op geen enkel moment haar Hollandse afkomst vermoeden. Tenzij haar stem gedubd zou zijn uiteraard, maar daaraan twijfelen we, want dat is bij de Franse lerares Myriam Meszières zo onhandig gebeurd dat alleen het feit dat de Franstalige versie (waarin dus de Vlamingen werden gedubd) nog veel slechter is, ons met deze miskleun kan verzoenen. En het is natuurlijk grappig om de klungelige huisbewaarder Ronny Coutteure met de stem van directeur Thienpont te horen praten.
De love-story tussen Michael/Robin en Babette/Cathy die op de prachtige affiche prijkt, is dramatisch eigenlijk toch wel ondergeschikt aan de « avonturen » die zich in de vakschool afspelen. Centraal daarin staat de rol van de tirannieke secretaris, schitterend vertolkt door Frank Aendenboom, die op basis van « roddel » o.m. in conflict komt met de lerares Frans en vooral met de « homofiele » leerling Eddy (Gert Nevens). Deze laatste wordt echter vanuit dramaturgisch standpunt iets te vlug tot zelfmoord gedreven en de « opstand » tijdens zijn begrafenis doet de film dan helemaal kantelen. Hier werkt de realistische aanpak juist tegen De Hert. Als hij dan toch aan overdrijven toe was, kon hij misschien beter volledig uitfreaken, zoals Lindsay Anderson in « If » b.v.
Jammer van het ontluisterende effect op het einde, want voor het overige is « Blueberry Hill » in dezelfde mate als « Imagine » het bekijken waard. Vooral de meisjes zullen er wat aan hebben, al was het maar wegens « de schone prins » Oliver Windross die, helaas voor hen, geen verdere carrière in de film ambieert. En als we zelf ooit een film draaien dan noemen we de slechterik Stafke van den Broeck. Goed geweten! (*)

Lees verder “Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub””

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Op de dag dat Khomeini de fatwa over Salman Rushdie uitsprak, zat ik in een toneelvoorstelling over markies de Sade. Daarover schreef ik later in De Rode Vaan een recensie onder de titel “Markiespijn”. Ja, woordspelingen, je houdt ervan of niet…

Alhoewel her en der misschien wel wordt ingespeeld op de mediabelangstelling die er rond de Franse Revolutie nu bestaat, kan men zeker niet beweren dat de herontdekking van de Franse schrijver Markies de Sade, die twaalf dagen voor de revolutie nog in de Bastille zat, daar rechtstreeks mee heeft te maken. Die herontdekking, die meteen ook een eerste waardering (dus geen her-waardering) inhoudt, is namelijk reeds een aantal jaren aan de gang. Wijzelf brachten al twee uitgebreide bijdragen, eerst naar aanleiding van de opvoering van Peter Weiss’ « Marat/Sade » zowel in PACT als in het NTG (zie r.v.nr.16 van vorig jaar) en dit jaar nog ter gelegenheid van Mishima’s « Madame de Sade » in het BKT (zie r.v.nr.3). Telkens betrof het hier echter een eerherstel van de filosoof of zelfs de ‘politicus’ de Sade. In « De Zwarte Legende », een productie van het Grand Théátre Groningen en F’act Rotterdam, gaat acteur Peter Gorissen weliswaar op het ingeslagen pad verder, maar voor het eerst ook wordt de « pornograaf » de Sade gewaardeerd, vooral dan die passages waarbij de seksuele, « sadistische » uitspattingen gepaard gaan met godslastering.
Wij zagen de voorstelling exact op de dag dat Zijne Heiligheid mijnheer Khomeini de hemel (en voor alle zekerheid ook 120 miljoen frank) beloofde aan een islamitische volgeling die hem het hoofd van de auteur Salman Rushdie op een schotel zou aanbieden. Tegelijk bevestigde dit de noodzaak van een stuk als dat van Gorissen en prezen we de Heer (zij het misschien dat Hij dit zelf niet zo op prijs stelde) dat in ons land een dergelijke productie, waarin o.m. paus Wojtyla masturberend in de schedel van Christus ten tonele wordt gevoerd, toch nog mogelijk is. De voorstelling die wij in Gent bijwoonden werd zelfs gesubsidieerd door het ministerie van cultuur.
Leidt hier echter vooral niet uit af dat « De Zwarte Legende » een stuk is dat zwaar op de hand ligt. Het begint wel stijf met Gorissen in zijn blote flikker — pardon, laat ik dat even anders formuleren: na een muzikale uitbarsting door bassist Ben Bervoets en multi-instrumentalist Karl Eriksson begint een naakte Gorissen erg zwaarwichtig met het citeren van teksten van de Sade, maar naarmate hij door schminkster Myriam Eijgenraam meer als ouder wordende, aftakelende markies wordt aangekleed, kan hij jongensachtig uit zijn rol stappen en grappen en grollen verkopen. Zo is er een bijna « Life of Brian »-achtige versie van de kruisdood of krijgt hij een hysterische lachbui à la Elvis Presley, terwijl hij « Can’t help falling in love » probeert te zingen. Hij speelt met een machinegeweertje tijdens het banjo-thema uit « Bonnie and Clyde », zijn vrienden zorgen voor hoefgetrappel bij « I was born under a wandering star » enz. enz. Deze kluchtige toestanden gaan trouwens verder in « een tweede deel » (het was niet duidelijk of dit een vast onderdeel is of gewoon omdat Gorissen en zijn vrienden het naar hun zin hadden in de balzaal van de Vooruit) waarin men enkele « liedjes van de radio » zingt. « New York, New York » begeleid op drie verschillende stoelen b.v. Of « La Bamba » met een aangepaste tekst over Vanden Boeynants. Maar helemaal plat gingen we toen Gorissen (opnieuw naakt) door de zaal marcheerde, het thema uit « The bridge over the river Kwai » fluitend, in het dialect beter gekend als « Sjarel, ik heb uw gat gezien »!
Ook het merkwaardige decor (b.v. met een koersfiets die uiteindelijk tot niets blijkt te dienen), de discussies met het publiek, de gewilde onhandigheden, het droeg allemaal bij tot een heel aparte en zelfs smakelijke voorstelling. Ondanks de « wansmakelijkheden » die uiteraard op rekening van de Sade zelf komen. Laten we echter niet vergeten dat al het kwade dat de Sade zijn medemens toebrengt, alleen maar in zijn fantasie gebeurde. In de werkelijkheid werd hem zelf veel pijn aangedaan. De pijn van een onbegrepen markies, de markiespijn. Het hoogtepunt van de voorstelling is dan ook niet een van de grappige momenten, maar wel de bewerking van het nummer « God » van John Lennon, waarin de mens (de Sade, Gorissen, u, ik) uiteindelijk voor de pijnlijke vaststelling komt te staan dat hij alleen maar in zichzelf kan geloven. Knap. En tegelijk valt de pianist toch op de grond en zingt Gorissen « ik geloof niet in VTM » en andere onzin. Zelfrelativering dus. En zo hoort het ook. Het gebeurt nog altijd veel te weinig in het theater. Hier gebeurde het wel. En dus gebeurde er eindelijk eens IETS.

Lees verder “Dertig jaar geleden: “Markiespijn””