55 jaar geleden: eerste stuk van het Nederlands Toneel Gent (?)

55 jaar geleden: eerste stuk van het Nederlands Toneel Gent (?)

Als het NTG (foto Velvet via Wikipedia) 45 jaar geleden z’n tienjarig bestaan vierde, dan zou men normaal mogen veronderstellen dat het ook 55 jaar geleden is dat het eerste stuk van het nieuwe gezelschap in première ging. Toch blijkt dit pas in 1965 het geval te zijn…

65 Luce Premer en Dré Poppe (Geiteneiland)“Het verhaal van het NTG begint in 1965 met de oprichting van een beroepsgezelschap voor theater onder leiding van Dré Poppe. Bazuingeschal weerklonk op het balkon van de KNS en toen het doek opging veerde het publiek spontaan recht en gaf een overweldigend applaus voor de allereerste voorstelling: Maria Stuart van Schiller.”
Zo begint het overzicht van 36 jaar NTG in wat tevens de laatste jaarbrochure van het NTG was. Want op het einde van dat seizoen verdween het Nederlands Toneel Gent en verwelkomden wij dus het Publiekstheater, oorspronkelijk opgezet als een groot conglomeraat van alle Gentse beroepsgezelschappen, uiteindelijk beperkt gebleven tot een samengaan met Arca, een ander legendarisch Gents theater dat dus eveneens tot verdwijnen was gedoemd.
Het cynische is wel dat de cirkel daarmee rond was. Dré Poppe (op de foto samen met Luce Premer in de Arca-productie “Het geiteneiland”) was weliswaar sedert 1961 werkzaam op de BRT, maar als oprichter van Toneelstudio ’50 had hij ook aan de wieg gestaan van dat fameuze Arcatheater. En het was precies de intentie om Arca als een tweede plateau in het NTG in te schakelen die Poppe in conflict bracht met de Raad van Beheer van het NTG, meer bepaald met voorzitter Bert Willems.
Lees verder “55 jaar geleden: eerste stuk van het Nederlands Toneel Gent (?)”

35 jaar geleden: “De koning sterft”

35 jaar geleden: “De koning sterft”

Het beroemde stuk De Koning sterft van Eugène Ionesco, dat oorspronkelijk De ceremonie heette, werd in 1962 gecreëerd te Parijs; in 1963 bracht het Théätre de Poche in Brussel de Belgische creatie. Het thema van het stuk werd door Franz Marijnen reeds gebruikt voor de N.T.G.-Workshop-productie Las Meninas (1970). Van 29 september tot 15 oktober 1984 bracht hij het “echte” stuk in een decor van Santiago del Corral, haast geen muziek (na een « conflict » met aangezochte componist Wim Mertens) en een tamelijk statisch scènebeeld. De acteurs verlaten immers de scène niet, tenzij op het einde als de koning — Jef Demedts — alleen aan zijn lot wordt overgelaten. Sterven doe je onherroepelijk alleen. Een emotieve uitschieter in dit stuk dat ons voor de rest behoorlijk koud heeft gelaten. Verbazend hoe snel « progressieve » auteurs oudbakken worden !

In de steek gelaten door auteur en (in minder mate) regisseur moesten de acteurs dus zelf maar de klus klaren. Het was te vrezen dat Demedts daarvan gebruik zou maken om het laken naar zich toe te halen. Een discussie over het stuk verengt zich op die manier vaak naar een discussie over het al dan niet appreciëren van Demedts. Demedts is een groot acteur, dat staat buiten kijf, maar hij wéét het ook en dát is gevaarlijker. Alleszins vinden wij dat in dat opzicht zijn « tegenspelende » koninginnen (Chris Boni en Magda Cnudde) onheus worden behandeld. Nolle Versyp en Cyriel Van Gent assisteren in de schaduw, maar nieuwkomer Alexandra Van Marken als de meid Juliette weet zowaar nog iets uit de brand te slepen. Een meisje dat in de gaten zal dienen te worden gehouden.
Daarna volgden “De kale zangeres” en “De les” van het Fakkeltheater, maar ondertussen zagen we ook het toen reeds aangekondigde “De stoelen” van het Toneelgezelschap Ivonne Lex. Thema van dit stuk is de leegheid van het bestaan of de afwezigheid. Deze afwezigheid wordt geïllustreerd door de talloze hooggeplaatste gasten (tot en met de keizer zelf) die door Lucas Van Den Eynde en Tine Thijs worden uitgenodigd. Zij zullen de eerste getuigen zijn van de belangrijke “boodschap” die de gastheen hen wil verkondigen. Om deze “boodschap” kond te doen werd beroep gedaan op een redenaar. De gasten treden aan maar zijn fysiek niet aanwezig. Hun aanwezigheid wordt visueel gemaakt door het steeds maar aanslepen van stoelen tot de bewegingsruimte van de gastheer en vrouw tot nihil beperkt wordt. Enkel de redenar zal op het einde van het stuk ook echt verschijnen al blijkt snel dat zijn aanwezigheid volstrekt overbodig is.
Voor Ionesco heeft het al of niet gebruiken van acteurs hier enkel te maken met het feit dat het om theater gaat en je de toeschouwer toch “iets moet laten zien op de scène”. Je moet er mentaal (en wat het kleine theater het Appeltje betreft ook fysiek) op voorbereid zijn om deze ruim twee uur durende waanzin vol te houden. Het boeiend acteren ten spijt, raak je binnen de kortste keren de draad kwijt en ga je enkel nog stoelen tellen terwijl je je afvraagt of je aanwezigheid in de zaal eigenlijk nog vereist is om de voorstelling af te maken. In die fase besef je langzaam het absurde van de hele situatie waaraan je als toeschouwer deelneemt en kom je tot de slotsom dat dit een geslaagde voorstelling is. De prikkel van Ionesco om je tot denken aan te zetten over wat niet gebeurt, is het enige wat lijfelijk aanwezig is. Voor de liefhebbers een goede Ionesco in een regie van Paul Dom.

Anton Tsjechov (1860-1904)

Anton Tsjechov (1860-1904)

Het is vandaag 115 jaar geleden dat de Russische (toneel)auteur Anton Tsjechov is gestorven.

Geboren in Taganrog (zijn grootvader was nog lijfeigene geweest), gaat Antons vader (een kruidenier) failliet als Anton 16 jaar is. Hij trekt met zijn vrouw en vijf kinderen naar Moskou om aan de schuldeisers te ontsnappen, terwijl Anton alleen achterblijft en zelf aan de kost moet zien te komen om zijn studies te kunnen verder zetten. Drie jaar later trekt hij ook naar Moskou om er geneeskunde te gaan studeren. Om in zijn levensonderhoud te voorzien schrijft hij onder een schuilnaam in humoristische blaadjes van laag allooi. Hij heeft zoveel succes dat hij niet alleen vijf jaar later afstudeert, maar dat hij ook zijn ouders financieel kan onderhouden. Hij lijdt wel aan TBC. Nog twee jaar later begint hij onder invloed van de schrijver Gregorovitsj “echt” te publiceren (niet meer onder pseudoniem). In een brief uit 1888 schrijft hij: “De mensen die publiceren, en vooral de kunstenaars, moeten toch eindelijk eens beseffen dat je er inderdaad niets van begrijpt op deze wereld, zoals Socrates dat eens heeft ingezien en zoals ook Voltaire erkende. De grote massa denkt dat zij alles weet en alles begrijpt; en hoe dommer zij is, hoe wijder haar blik schijnt te zijn. Wanneer nu de kunstenaar, in wie de massa vertrouwen heeft, er eens toe zou komen te verklaren dat hij niets begrijpt van datgene wat hij ziet, dan zou dat al een belangrijke geestelijke verrijking en een grote stap vooruit betekenen…”
Niet dat Tsjechov ondertussen bij de pakken blijft zitten: na een (vrijwillig) verblijf op het gevangeniseiland Sakhaline publiceert hij hierover een boek, waardoor de overheid zo onder druk komt te staan dat ze een onderzoekscommissie moeten sturen. Vandaar misschien zijn bittere brief uit 1895: “Het doel van de roman is de bourgeoisie in slaap te wiegen in haar gouden dromen. Wees je vrouw trouw, bid samen met haar uit het gebedenboek, verdien geld, hou van sport – en je zaak is gezond, zowel in deze als in de andere wereld. De bourgeoisie is dol op zogenaamde ‘positieve’ types en romans met een gelukkig slot, omdat die haar de rustige gedachte geven dat je tegelijkertijd een kapitaal bijeen kunt garen en onschuld betrachten, een beest en tegelijkertijd gelukkig kunt zijn…”
Anton Tsjechov wordt dan ook aanzien als de schepper van het “statische drama”. Mensen als Ibsen, Hauptmann, Maeterlinck of Strindberg effenden reeds het pad, maar hun stukken vertonen toch nog het traditionele patroon van “verandering”. Als navolgers van Tsjechov kunnen we Herman Heijermans, Thornton Wilder, Jean-Paul Sartre en zelfs Bertolt Brecht (toch in het geval van “Mutter Courage” b.v.) citeren.
In 1897 schrijft Tsjechov aan L.Avilova: “U klaagt dat mijn personages somber zijn. Maar dat is niet mijn schuld! Dat worden ze onwillekeurig: als ik schrijf heb ik niet de indruk dat ik somber schrijf; in elk geval ben ik als ik werk altijd in een goede stemming. Er is wel eens opgemerkt dat zwartgallige mensen, melancholici, altijd opgewekt schrijven, terwijl levensblije naturen de lezer met hun geschrijf zwaarmoedig maken.” Zijn eigen gezondheid verzwakt zienderogen en daarom installeert hij zich in 1899 op Jalta en raakt er bevriend met Maxim Gorki, aan wie hij de volgende raad geeft: “Als je de drukproeven doorleest, schrap er dan waar mogelijk de bepalingen bij zelfstandige naamwoorden en werkwoorden uit. Er staan bij jou zoveel bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden dat de lezer het moeilijk kan volgen en hij vermoeid raakt. Het is begrijpelijk als ik schrijf: ‘De man ging op het gras zitten’; dat is begrijpelijk omdat het duidelijk is en de aandacht niet vasthoudt. Omgekeerd is het moeilijk te begrijpen en wat zwaar om te verwerken voor het brein wanneer ik schrijf: ‘Een lange man van middelbare leeftijd met smalle borst en een rossige baard ging zitten op het groene, reeds door wandelaars platgetrapte gras, hij ging zachtjes zitten, verlegen en angstig om zich heen kijkend.’ Dat kunnen de hersenen niet zo ineens verwerken, en als het literatuur is moet het dadelijk, in één seconde verwerkt worden.”
De eerste première van een Tsjechov-stuk vond plaats in 1887; dat stuk was “Ivanov”. Ivanov is een echte Tsjechovfiguur met zijn dubieuze verlangen naar de roes van de liefde, zijn neiging tot verveling en wereldvlucht en zijn onverbloemd egoïsme. Ivanov is een anti‑held die zijn dromen en de eisen van de realiteit niet met elkaar in overeenstemming wil brengen. Hij kan zich niet interesseren voor zijn landgoed, noch voor zijn zwaar zieke vrouw. De dochter van de buurman wordt verliefd op Ivanov wat zijn schuldgevoel en zijn twijfels nog groter maakt. Na de dood van zijn vrouw, besluit hij het jonge buurmeisje te huwen. Op het laatste ogenblik ziet hij echter van zijn voornemen af en schiet hij zichzelf door het hoofd. Hoe zoudt ge zelf zijn!
De bekendste stukken van Tsjechov zijn echter “De kersentuin”, “De meeuw”, “De drie zusters” en “Oom Wanja” (1898). Het is ongemeen boeiend om de vier meest bekende toneelstukken van Tsjechov onmiddellijk na elkaar te lezen. Pas dan word je echt geconfronteerd (meer dan wanneer je een stuk apart in een enscenering ziet – en ik zag hen in meerdere voorstellingen, beroeps en liefhebbers) met de vraag of en welk etiket er op gekleefd kan worden. Psychologisch realisme, maar steeds stuit je ook op symbolen. En die zwartgalligheid, dat troosteloze… toch overstijgt Tsjechov de verwachte pijn. Heel bizar. Er rest telkens iets als een loutering. En zo wenste hij blijkbaar ook zijn voorstellingen te zien; dat blijkt af en toe uit de briefwisseling tussen hem en zijn bewonderaar (wederzijds overigens) Maxim Gorki. Uiteraard is naast de realiteit die hij zijn personages meegeeft, het minutieuze daarvan, idem wat decor en regieaanduidingen betreft, ook en vooral de weemoedige sfeerschepping van belang. Dit conglomeraat heeft hem tot een vernieuwer gemaakt en zijn stukken tot nog steeds meer dan genietbare werken, te beginnen met de genoemde volavondstukken, maar ook eenakters als ‘De beer’ en ‘Het huwelijksaanzoek’. (Johan de Belie)
“De drie zusters” werd als opening van het seizoen 1989-90 opgevoerd door het NTG. “Ik wilde (…) tegen de mensen zeggen: kijk naar uzelf, kijk hoe uw leven vervelend en slecht is.” Dit schreef Tsjechov over zijn bedoeling met dit stuk. Dan zou hij misschien wel erg tevreden geweest zijn over deze enscenering door de ex-DDR-regisseur Alexander Lang. Het stuk wordt immers erg nadrukkelijk, erg langdradig, ja erg vervelend gebracht. Zodanig zelfs dat het uiterst moeilijk is om zich op het spel te blijven concentreren. Zijn medewerkster Caroline Neven Du Mont heeft immers een prachtig scènebeeld ontworpen, zo wijds en groots dat je aandacht vaak afgeleid wordt naar picturale taferelen die zich hier of daar in de immense sporthal aftekenen. Gewild of niet roepen ze vaak reminiscenties op aan schilderijen van Magritte of Delvaux. Tegelijk is het echter ook deze uitgestrekte speelvlakte die bijdraagt tot het extreem trage tempo. Om van “cour” naar “jardin” te gaan heeft een acteur haast een half uur nodig. Gelukkig is er toch één die de fiets neemt! De titelrollen worden vrij onevenwichtig vertolkt door Els Magerman, Karen De Visscher en Tine Van Den Brande, terwijl de aanwezigheid van Raf Troch, Eddy Spruyt en Karin Tanghe in de andere rollen soms toch even wat meer vaart brengt.
Frank Van Laecke van zijn kant mag dan vooral gekend zijn van grote massaspektakels, af en toe grijpt hij toch nog eens terug naar een kleinschalige productie om zijn affiniteiten met het pure theater beter tot hun recht te laten komen. Zo regisseerde hij in 2008 Karen De Visscher en Jef Demedts in “Jouw hand in mijn hand”, een stuk van Carol Rocamora over de laatste levensdagen van Tsjechov. Toen hij 39 was, wist Tsjechov reeds dat hij niet lang meer te leven had. Op dat moment ontmoet hij de tien jaar jongere actrice Olga Knipper, een actrice van het Kunsttheater van Moskou (dat bijna al zijn stukken creëerde). Drie jaar later trouwen ze, nog eens drie jaar later sterft Tsjechov. In 1904 sterft hij aan TBC op een hotelkamer in Badenweiler met een glas champagne in de hand. Zijn vrouw Olga Knipperis bij hem. Aan de hand van de ongeveer 400 brieven die ze naar elkaar schreven (zij werkte in Moskou, terwijl hij voor zijn gezondheid meestal in Jalta verbleef), schetst Carol Rocamora een prachtig theatraal huwelijksportret. (Ronny De Schepper)
Tsjechov was ook een meester-verteller. Hij schreef zo’n 600 verhalen. De meeste tellen nauwelijks drie à vier pagina’s. Soms evenwel haalt een tekst de lengte van een novelle. Steeds schuiven aan de ene kant de natuur, anderzijds de mens, op indringende wijze aan de lezer voorbij. De natuur… Tsjechov hanteert zowel zijn kennis van en verbondenheid met fauna en flora om een wereld te creëren. En die speelt zich af in de wisselende seizoenen: de winter is bar en genadeloos, de lente hoopvol, er zijn bijvoorbeeld talloze ‘kerstvertellingen’. Via de auteur moeten we niet alleen onze ogen gebruiken maar ook auditief bespeelt hij ons, ieder geluid in de natuur is van belang en roept spanning op. Dit alles hanteert hij met verve om tot zijn talloze sfeerscheppingen te komen. ‘Overal om mij heen weerklonk de roep van de wachtelkoning, van de kwartel, van de snip, de nachtegaal zong, de krekels sjirpten, de mollen ritselden. Er hing een lichte nevel boven het gras en aan de hemel snelden zonder om te zien de wolken voortdurend voor de maan langs, op weg naar ergens toe. Neen, de natuur sliep niet, het leek er eerder op dat zij bang was de beste ogenblikken van haar leven te verslapen’ (uit ‘Angsten’). Hier personifieert hij de natuur zelfs.
En de mens in dit alles? Die staat uiteraard centraal, hij zou anders Tsjechov niet zijn. Boeren, ambtenaren, de adel, de bedienden, de geestelijken… Scherp, vaak komisch, tekent hij hun uiterlijk, gedragingen, behoeften, begeerten. Zijn spot is overwegend mild al kan hij in één zin de maatschappij in haar hemd zetten.. ‘Hij was gestorven aan een tweetal in ons vaderland zo verspreide ziekten: een boosaardige eega en alcoholisme’. En ook, voor schijnheiligheid, bedrog, en voor wie uit een machtspositie naar de andere trapt, heeft hij slechts bittere hoon en scherpe taal. Zo in hetzelfde verhaal (De redekunstenaar) bij de begrafenis van haar echtgenoot zakt de kist in het graf en de echtgenote ‘riep zelfs uit: “Ik wil met hem mee” maar zij voegde de daad niet bij het woord waarschijnlijk omdat haar het pensioen te binnen was geschoten.’ Zijn humor kan bijtend zijn. En het is overwegend de ‘kleine man’ die het onderspit delft.
Alle verhalen zijn onderhoudend, ze vliegen naar een pointe toe dankzij een duidelijke structuur. Een boodschap? Inderdaad, meestal is die er, al brengt Tsjechov die niet belerend aan – zijn verhalen behouden steeds iets anekdotisch. Hij is vaak grappig, vaak ontroerend. Maar ook toont hij hoe pijnlijk het mensenleven is. En de auteur komt vooral tevoorschijn als iemand die begaan is met de mens, een mee-voelend schrijver. (Johan de Belie)

Lees verder “Anton Tsjechov (1860-1904)”

45 jaar geleden: “Het recht van de sterkste” in het NTG

45 jaar geleden: “Het recht van de sterkste” in het NTG

In april 1974 regisseerde Hugo in het NTG “Het recht van de sterkste”, de toneelbewerking door Jan Christiaens van de gelijknamige roman van Cyriel Buysse. Ikzelf heb het stuk op televisie gezien (dergelijke captaties moeten we nu ontberen), maar ik herinner me er niet veel meer van. Niets eigenlijk. Als ik echter op de recensie van Mark Vlaeminck in De Standaard van 16 april 1974 moet afgaan, was het geen groot succes. De titel “vervelende Buysse-smartlap” zegt reeds meer dan voldoende, maar ik geef u toch ook nog zijn slot mee: “Waarom na de dood van Maria de wiedsters opnieuw ten tonele moeten verschijnen en nogmaals alles uitleggen, heb ik niet gesnapt. Tijdens de tweede voorstelling, zondagnamiddag, heeft het publiek geapplaudisseerd na de sterfscène! De mensen dachten (terecht) dat het afgelopen was. Alles was immers gezegd en toen kwam er nog eens een flauwe epiloog met veel verklaringen en goedkope pseudo-filosofie.”
Lees verder “45 jaar geleden: “Het recht van de sterkste” in het NTG”