Jan Hoet (1936-2014)

Jan Hoet (1936-2014)

Het is ook al vijf jaar geleden dat de Gentse “kunstpaus” Jan Hoet is overleden. Ondanks het feit dat ik mij als journalist enkel maar zijdelings met de plastische kunsten heb beziggehouden (bij De Rode Vaan was dit het terrein van Jan Mestdagh) heb ik Jan Hoet toch enkele keren ontmoet, vooral dan in de jaren negentig toen ik de rubriek “cultuur in Gent” verzorgde voor Het Laatste Nieuws.

Zo herinner ik mij een uitgelaten Jan Hoet (toegegeven, de drank had een beetje geholpen) die tijdens de Gentse zesdagen de ene premie na de andere wegschonk. Dat waren dan meestal lithografieën. Eén ervan werd gewonnen door de Australiër Scott McGrory. Om te testen of Hoet wel een échte wielerfan was, vroeg ik hem op de eerstvolgende persconferentie (die uiteraard totaal niks met wielrennen te maken had) wat McGrory van zijn trofee vond. Ik had verwacht dat Hoet uit de lucht zou komen vallen, maar nee, hij wist heel goed wie McGrory was en wélke lithografie hij had gewonnen. Hij beklemtoonde trouwens nog eens dat het lithografieën uit zijn eigen collectie waren en dat hij niet die van het museum aan het wegschenken was.
Heerlijke man dus Jan Hoet, ook al wegens de manier waarop hij op de (uitstekende) imitatie door Chris Van den Durpel reageerde. En dan was er dat evenement dat hij zo’n twintig jaar geleden in mijn geboortedorp Temse heeft georganiseerd, Ponton Temse. Deze manifestatie viel ongeveer tussenin zijn twee grootste verwezenlijkingen, deze keer in Gent zelf: “Chambres d’Amis” en “Over the edges“. Ook deze twee manifestaties heb ik bezocht, net als diverse malen uiteraard zijn geesteskind het SMAK, wat voor iemand als mij toch wel uitzonderlijk is. Daarmee is tevens bewezen dat Jan Hoet in zijn opzet is geslaagd, namelijk hedendaagse kunst ook ingang te doen vinden bij mensen die daar eigenlijk helemaal niet in geïnteresseerd zijn…
Jan Hoet was een oud‑inwoner van Geel. Als zoon van een psychiater woonde hij destijds in het huis aan de Pas, een negentiende‑eeuwse ambtswoning vlak naast het psychiatrisch ziekenhuis, waar in 2001 het zwaartepunt van de tentoonstelling “Y.E.L.L.O.W.” lag. Naast het ouderlijk huis van Jan Hoet fungeerde het Van Disselhuis als tweede locatie. Tot voor een dertigtal jaar werd deze tempel gebruikt als cultusplaats voor de vele protestantse patiënten die in Geel werden opgenomen. Zowel het ouderlijk huis, het psychiatrisch ziekenhuis, het Van Disselhuis als het opvangsysteem van psychiatrische patiënten in gezinnen in de stad zorgden voor een heel bijzondere sfeer en brachten een reeks inhoudelijke associaties met zich mee.
Eén keer heb ik Jan Hoet “officieel” geïnterviewd, dat was dan weer ten tijde van de culturele actieweek “Vlaanderen Leeft” die in het Gentse ICC plaatshad, o.a. ook in de hangar waarin hij enkele werken van zijn geliefde Panamarenko had ten toon gesteld. En dààrover ging nu net dat interview:
Jan Hoet : « Tweehonderd vijftig mentaal gehandicapten zien dansen van geluk in mijn tentoonstelling is toch een enorme ervaring »
Aan Jan Hoet de vraag of hij denkt dat ook de niet direct geïnteresseerde bezoeker iets gehad heeft aan het feit dat zijn tentoonstelling zowat als draaischijf diende voor het hele gebeuren…
Jan Hoet : Het is moeilijk om een evaluatie te maken. Ik vind het een beetje te gemakkelijk om zo maar te zeggen : ’t is allemaal bullshit. Er zijn toch een paar goeie dingen gebeurd. Tenslotte is het de eerste keer dat men erin geslaagd is iets te organiseren zonder selectief te zijn. Iedereen die wou binnenkomen kreeg een plaats. Vormelijk, architecturaal en ook vaak inhoudelijk stemt dit niet overeen met wat ik met mijn museum nastreef. Dat moet duidelijk zijn. Maar het is op die manier dat men kan zien waar de goeie dingen liggen en waar de minder goeie. En zo heb ik toch een aantal positieve klanken gehoord. 250 mentaal gehandicapten al dansend van geluk door mijn zaal zien lopen, dat was toch een enorme ervaring. Want dat gebeurt anders natuurlijk nooit. Er is geen enkel instituut dat daarop zou komen. Dat zie ik in de opera of in de K.N.S. of op het stadhuis nog niet zo gauw gebeuren. Begrijp je wat ik bedoel ? Zoiets is alleen hier mogelijk en dat vind ik niet zo negatief. En er zijn hoe dan ook mensen die hier naartoe gekomen zonder goed te weten waarom en die dan opeens worden geconfronteerd met een werk van Panamarenko. Dat is toch fantastisch? Dat vind ik toch een belangrijk vertrekpunt voor een mogelijke confrontatie in de toekomst. Het was nu nog allemaal wat chaotisch, maar de grootste dingen zijn uit de chaos ontstaan.
— Bent u tevreden over de opkomst ? En dan zowel de opkomst specifiek voor uw tentoonstelling als over die van de « toevallige bezoekers »…
Jan Hoet:
Ik ben zeer tevreden over de opkomst voor MIJN tentoonstelling. De meeste mensen kwamen daar specifiek op af, dat mag je gerust vragen aan eender wie hier een standje had. Voor de happening als zodanig is de opkomst uiteraard absoluut beneden alle verwachtingen. Volgens mij is dat te wijten aan het feit dat de culturele instellingen eigenlijk het opzet niet goed hebben begrepen. Ze komen hier met een standje en met papiertjes. Dat is totaal voorbijgestreefd. Bij cultuur moet er activiteit zijn. Kunst is passief, maar cultuur is actief. En vele standjes zijn veel te passief aangepakt. Als men een culturele happening organiseert, moet men in de schoot van bepaalde kringen naar een programma streven dat doorwerkt in het geheel van de manifestatie. En dat is niet gebeurd. Er was te veel leegte. Momenten dat er niets gebeurde.
— En is uw eigen museum hiermee nu een stapje dichterbij gekomen ?
Jan Hoet:
Dat geloof ik wel. Het is de eerste keer dat we dit hebben kunnen doen en dat was uiteraard enorm. Maar gelukkig dat het nu voorbij is, want de voorwaarden waren eigenlijk beneden alle peil. Ik denk b.v. aan de vochtigheidsgraad. Het is dus duidelijk dat we een tentoonstelling in deze omstandigheden niet langer dan anderhalve maand mogen laten staan. Maar precies dat heeft de besprekingen in gang gezet in het vooruitzicht van een nieuwbouw of de aanpassing van dit gebouw en we kunnen dat nu doen op grond van ervaringen. We hebben nu voor het eerst aan den lijve ondervonden wat deze ruimte aan mogelijkheden heeft. Ik weet nu wat mag en wat niet mag. En ik weet wat mogelijk is. Want ik wil ook de gemeenschap niet overladen met een raming van ik weet niet hoeveel, alleen omdat de omstandigheden niet goed zijn. Ik wil de gemeenschap niet taxeren met een overdreven budget. En ik ben dus op zoek naar een reële oplossing. En voor het museum, én voor wat de portemonnee betreft. Nu moeten dus de besprekingen met de politiekers gebeuren op een heel eerlijke manier.

Lees verder “Jan Hoet (1936-2014)”

Liliane Vertessen wordt 65…

Liliane Vertessen wordt 65…

Morgen wordt de plastische kunstenares Liliane Vertessen 65 jaar. Het is nu al jaren geleden dat ik nog eens iets heb gehoord van haar en, als ze dit toevallig zou lezen, dan moet ik zeggen dat ik haar kaartjes mis. Vroeger stuurde ze me immers steeds kaartjes met werk van haar hand, maar soms ook gewoon van Judy Garland in “The Wizard of Oz”. Tegelijk hield ze me zo op de hoogte waar ze nu weer exposeerde. Tot in Los Angeles toe! Gelukkige verjaardag, Lilianeke! (*)
Lees verder “Liliane Vertessen wordt 65…”

Ponton Temse, van de brug af gezien

Ponton Temse, van de brug af gezien

Het is vandaag 25 jaar geleden dat Ponton Temse van start ging, een kunstmanifestatie georganiseerd door de nog niet zo lang geleden overleden Gentse kunstpaus Jan Hoet. Ik maakte daarover destijds een reportage voor De Rode Vaan (als losse medewerker, dus niet meer als vaste redacteur, want mijn De Batselier-avontuur was daartussen gekomen), maar die is nooit verschenen. Ik stuurde het toen alsnog naar Luc De Ryck, maar deze was daarover allerminst tevreden. Het voordeel van de briefwisseling die daarop is gevolgd is echter dat de vriendschap die wij hadden uit onze jeugd en vooral uit mijn Masereelfonds-tijd opnieuw aangeknoopt werd, zodat Luc op dit moment een fervente medewerker is aan mijn blog. Maar for old times’ sake hou ik het hier zoveel mogelijk op de oorspronkelijke tekst…

Als het waar is dat men zijn ouders niet kiest, dan is het zéker waar dat men zijn geboorteplaats niet zelf bepaalt. Dat ik Temse heb verlaten van zodra ik op eigen benen ben gaan staan, zal wel iets zeggen zowel over Temse als over mijzelf, maar het blijft een feit dat men met de gemeente waarin men pakweg de eerste twintig jaren van zijn leven heeft doorgebracht een onuitwisbare band heeft (*).
Met Ponton Temse in de zomer van 1990 wilde Jan Hoet, de man die ooit stelde: “De ironie is uit de kunst verdwenen en in de plaats kregen we het cynisme”, een brug slaan, een ponton dus, tussen zijn succesrijke “Chambres d’Amis” uit 1986 en de Documenta van Kassel die hij in 1992 organiseert. Maar misschien werd de benaming toch ook geïnspireerd door de majestueuze brug over de Schelde die Temse met Bornem verbindt. Wat volgt is dan ook “a view from the bridge” zoals Arthur Miller zou zeggen. “Van de brug af gezien” dus. Of is het “afgezien”…?
LUC DE RYCK
Je kan je afvragen waarom Hoet nu precies Temse heeft gekozen voor dit project. Het antwoord ligt misschien verscholen in het feit dat hij in 1994 kandidaat was voor de Europese verkiezingen op de CVP-lijst, ondanks het feit dat hij naar eigen zeggen ooit nog voor Jef Turf heeft gestemd (DM 7/5/1999)! Hij werd daarover in het CVP-blad “Keerpunt” uitgebreid geïnterviewd door Jef Lambrecht, die overigens de adjunct-hoofdredacteur is van dat blad, waarin in hetzelfde nummer Tars Lootens en Roger de Neef worden geïnterviewd over het statuut van de artiest… Hoe dan ook, op die manier ligt de binding met iemand als Luc De Ryck, de huidige burgemeester en toenmalige cultuurschepen, misschien iets meer voor de hand.
De oorspronkelijke initiatiefnemers waren de mensen van de vzw TEK (Temse Expo Komitee) die aan Jan Hoet oorspronkelijk zijn verzameling Cobra-kunst te leen hadden gevraagd. Dit ging TEK blijkbaar het petje te boven en de hulp van het gemeentebestuur werd ingeroepen, vooral ook om financiële redenen. Van dan af wordt de inbreng van TEK steeds kleiner tot ze, op eigen aanvraag, van mede-organisatoren tot medewerkers worden gedegradeerd. Stichter Hugo Meersman leverde in de lezersrubriek van “De Standaard” nog een achterhoedegevecht dat, al zal dat voor gewone lezers niet duidelijk zijn, eigenlijk een politieke afrekening is.
Meersman was toen namelijk ook de fractieleider van GEMBEL, een vreemd allegaartje dat de verdienste mag claimen om de jarenlange alleenheerschappij van de CVP te hebben gebroken (evenwel niet tot hun eigen eer en glorie, want de CVP heeft sindsdien een coalitie aangegaan met de PVV). Naast ex-profwielrenner Jan Bogaert bestaat GEMBEL (Gemeentebelangen) nog uit diverse malcontenten vooral uit CVP en Volksunie. De “malcontenten” van deze laatste partij zijn elders in het Vlaamse land vooral bekend onder de benaming Vlaams Blok. Zonder GEMBEL nu maar meteen op hetzelfde niveau te plaatsen is het toch opmerkelijk dat het Blok in Temse niet is opgekomen bij de verkiezingen tot GEMBEL verdwenen is… Het is anderzijds zeker ook niet onze bedoeling om TEK zelf in die hoek onder te brengen. Bij de adviesraad treffen we immers b.v. ook Raoul Bauer aan, die reeds een aantal publicaties op zijn naam heeft staan die eerder in de progressieve hoek thuishoren.
MOET ER NOG ZAND ZIJN?
Temse als locatie voor de grootste tentoonstelling van hedendaagse kunst van 1990: moet er nog zand zijn (van Van Riet)? In Temse gebeurde namelijk tot dan toe nooit iets, alle glorie ligt in een ver verleden. Het is overigens de verdienste van Jan Hoet dat hij dit wel heeft ingezien en dat hij “zijn” kunstenaars heel doelbewust met dat verleden (de kerk vooral, met de kunstenaarsfamilie Nijs) laat dialogeren. (Er is ook nog Karel Aubroeck natuurlijk, maar dat ligt toch nog enigszins anders.)
De “natuurlijke vijand” van Temse is steeds Sint-Niklaas geweest, maar in deze “hoofdstad van het Land van Waas” gebeurt ook al sinds mensenheugnis niks spectaculairs meer op cultureel vlak. Daarom was het de cultuurminnende Temsenaars veel meer een doorn in het oog dat het dorp op de andere oever van de Schelde, Bornem dus, met het Cultureel Centrum Ter Dilft op kop, een bloeiend cultureel bestaan leidde. Dat moet ook de jonge CVP’er Luc De Ryck dwarsgezeten hebben toen hij nu al vele jaren geleden het oubollige ambt van cultuurschepen in de schoot geworpen kreeg.
De Ryck, waarvan men toen al zonder omwegen kon stellen dat hij de toekomstige burgemeester van Temse zou worden, houdt er een heel eigen stijl op na, die zeker niet gespeend is van een aantal populistische trekjes, maar als eminent kenner van sixties-muziek en fanatiek wielerliefhebber had hij alvast het voordeel om niet dezelfde kleurloze figuur te worden als zijn voorgangers. In tegenstelling tot de meeste van zijn partijgenoten heeft hij immers lak aan het bewandelen van platgetreden paden. De Ryck schuwt met andere woorden de controverse niet en dat is altijd een goed uitgangspunt.
Een en ander wordt perfect geïllustreerd door de ontstaansgeschiedenis van deze tentoonstelling. Het is immers niet De Ryck die naar Jan Hoet is gestapt, maar hij is wel diegene die zijn schouders onder het risicovolle project heeft gestoken, als de oorspronkelijke initiatiefnemers door Jan Hoet uit de wielen werden gereden. Alhoewel Hoet toen nog altijd met het probleem van een permanente tentoonstellingszaal worstelde (wat later zou uitmonden in het SMAK) en in het kader van Ponton uiteindelijk toch ook een gedeeltelijke tentoonstelling van het Museum voor Hedendaagse Kunst zou opzetten, vond hij dit toch maar een gemakkelijkheidsoplossing en wenste hij een ambitieuzer project. Op een wandeling door Temse ontstond dan de idee om een soort van “Chambres d’Amis” in openlucht – kunstenaars inspelend op de omgeving – te organiseren.
Maar we hadden het over de spot die bepaalde confraters met mijn geboortedorp drijven. De immer fijngeestige Laurens De Keyzer geeft in “De Standaard” al bij het verslag van de persconferentie de toon aan. “Aan (de ondertussen overleden, RDS) Désiré Van Riet hebben de Temsenaars ongetwijfeld een eerlijk burgemeester,” schrijft hij. “Want toen hij vrijdagavond na zijn bondige inleiding van een soort maxi-persconferentie in het gemeentehuis al meteen opstapte, gaf hij ruiterlijk toe dat hij drie etablissementen verder verwacht werd op een biljartkampioenschap. Alwaar hij ongetwijfeld opnieuw een voorwoord zou geven, zoniet ook even de keu ter hand zou nemen. Een leuk voorval, dat de hele atmosfeer rond de Ponton-gebeurtenis in Temse niet eens zo slecht typeert.”
Maar Laurens is duidelijk niet van Temse als hij Van Riet (zij het met een knipoog) een riem onder het hart steekt. “Het Laatste Nieuws” vond het immers eveneens gepast om een ex-Temsenaar verslag te laten uitbrengen over Ponton en (de ook al overleden) Mon Devoghelaere weet dan ook wel beter.
“Zelfs burgemeester Désiré Van Riet, de man die de prachtige Scheldekaaien verminkt met hopen zand en grint, stond fier op de pui om Ponton in te leiden,” schrijft hij.
Al kan ik deze opmerking volmondig beamen, dan ben ik het toch niet helemaal eens met de ondertitel die Devoghelaere zijn stuk meegeeft (“Zandhopen bederven sfeer”), want de route is zo uitgestippeld dat je nergens met de aanstootgevende hopen wordt geconfronteerd. Het dient trouwens te worden gezegd dat sinds De Ryck burgemeester is – en Van Riet dus overleden – er pogingen worden gedaan om de zandbergen achter de brug terug te dringen, waar ze thuishoren.
De Ponton Temse-route begon in de Watermolen, die op de Wilfordkaai net iets verder ligt, en via een hele omweg door het centrum komt men uiteindelijk op die manier in “het bos van Janssens” terecht, terwijl ik als kind nog via de kaai over de spoorlijn het bos kon inrennen, nadat ik met zoon Van Riet (Didier) in de zandhopen had gespeeld.
Als tiener kon ik echter al niet meer onder de Scheldebrug gaan vrijen als ik tenminste niet als een mijnwerker terug thuis wilde arriveren!
Nee, als je de zandhopen van Van Riet als reuzegrote Beuys-kunstwerken (?) wil zien, dan zal je dat effectief “van de brug af” moeten doen…
De weg gewezen door de homunculus van Patrick Van Caeckenbergh, bereik ik wat wij als kinderen “den bos van Janssens” noemden. Wie overigens die Janssens is of was, weet ik niet en ik weet dan ook niet wat hij zou vinden van het feit dat voor Ponton Temse David Hammons pisbakken aan de bomen heeft vastgemaakt. Een milieuvriendelijk “kunstwerk” zou je denken, maar aangezien er geen afvoer is voorzien, loopt de urine onderaan toch tegen de boomstronken. Een symbool dat kunst uiteindelijk tot niets dient? Voor zover ik kon nagaan, waren de pisbakken alleszins nog niet gebruikt…
Daarover gesproken, Pierre Pinocelli is een kunstenaar die in 1998 op 69-jarige leeftijd in Tarascon veroordeeld werd omdat hij in de beroemde pissijnen van Marcel Duchamp urineerde. Ter zijner verdediging voerde hij aan dat hij bij leven en welzijn aan Duchamp beloofd had dit te doen en dat deze zich bij voorbaat al een kriek had gelachen. Waar of niet waar? Is deze schalkse ruiter een nieuwe Tartarin de Tarascon?
BOELWERF
Een beetje verder lag toen nog de Boelwerf. Iederéén in Temse heeft wel iets met deze scheepswerf te maken. In iedere familie was er immers wel tenminste één werknemer van dit bedrijf. We spreken dan wel in de verleden tijd, want sedert de “herstructurering” (zo heet dat dan) in 1986 gingen circa veertig procent van de arbeidsplaatsen verloren, zodat er op het moment van Ponton Temse nog slechts 1800 overbleven. Ondertussen staan er nu dure lofts te koop in straten die terecht de naam dragen van de lassers en de nagelheetmakers die er ooit werkten. Toch is en blijft de Boelwerf voor Temse het meest (het enige?) mondialiserende punt. Zo zag ook Norbert Radermacher het, die in de schutting die de werf aan het oog moet onttrekken een wereldkaart heeft uitgezaagd. Eerder een “vondst” dan echte “kunst”, maar als blikvanger toch meegenomen. Net zoals zijn tien bootjes die over het parcours verspreid werden en op een paar na nog altijd te zien zijn.
Mario Merz van zijn kant vond Ponton Temse naar verluidt zo boeiend dat hij zelf vroeg om erbij te mogen zijn. Zijn neon-installatie “Wij kijken door de vensters/U kijkt door de vensters/Naar ons die U bekijken” op de gevel van de Bloemmolens hangt er nu nog steeds.
ONZE-LIEVE-VROUWEKERK
De meeste commentatoren waren het erover eens dat deze tentoonstelling de kracht miste van “Chambres d’Amis”.
Blijkbaar werden de kunstenaars minder geïnspireerd door de wijde omgeving dan door de beperkingen die een kamer nu eenmaal opleggen. Bovendien is dit project minder uniek dan de “Chambres”. Wandeltentoonstellingen zijn er immers ook nog in Watou, in Tielt…
Misschien daarom dat Jan Hoet zelf geoordeeld heeft dat de bekende namen reeds voldoende aan bod kwamen en dat hij vooral jonge kunstenaars een kans heeft willen geven.
Na wat zoeken (drie van de vier ingangen waren gesloten) geraakte ik dan eindelijk toch binnen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Deze “kathedraal van het Waasland”, zoals hij wat bombastisch wordt genoemd, is op de eerste plaats een soort van levend museum voor het werk van de kunstenaarsfamilie Nijs uit Temse. De “stamvader” was beeldhouwer Adriaan Nijs, geboren in 1683 in Antwerpen en uit liefde (voor een meisje welteverstaan) naar Temse komen wonen. Als manusje van alles was hij ook nog tekstielhandelaar en architect. Zo is ook de omstreden kerktoren van zijn hand.
In de kerk waren drie “minimalistische” kunstwerken aangebracht. Een daarvan is totaal wit (Philip Van Isacker), wat uiteraard de zuiverheid moet uitdrukken.
Zuiverheid is een thema dat we ook weervinden op een doek van Marc Maet boven het hoofdaltaar dat bij een oppervlakkige oogopslag ook helemaal wit is, maar dat bij nader toezien drie cirkels bevat en de inscriptie “trinitas”. De Heilige Drievuldigheid, jawel. Een beetje te expliciet, vinden de meeste confraters. Inderdaad, maar twee louter witte vlakken zou zéker van het goede (?) teveel geweest zijn.
De man die mij hierover uitleg geeft, schrikt zich rot als ik mijn naam bekend maak. Of beter: die van mijn vader, want in een dorp is men altijd “de zoon van”. Hij beweert dat hij me ooit nog eens het leven heeft gered, door me juist voor een aanstormende wagen weg te trekken. Als hij mij op zijn beurt zijn naam zegt, gaat er ergens wel een belletje rinkelen.
INSTALLATIES
De installaties van Ponton Temse zijn alweer niet erg indrukwekkend. De Cubaan Ricardo Brey, die bij het vertrekpunt in de Watermolen een soort van voodoo-tafereel oproept, is eigenlijk nog een student.
Het opgevouwen dollarbiljet van David Hammons (dat op die manier herinneringen oproept aan een atoomexplosie) is misschien nog het geestigste, maar daarvoor moet men over een heel stuk braakliggend terrein en de organisatoren mochten zich dan ook gelukkig prijzen dat deze zomer uitzonderlijk droog is geweest. Die David Hammons is iemand die later voor mijn lievelingsinstallatie in het SMAK zou zorgen, namelijk “Chasing the blue train”. Als zwarte drukt hij daarin tegelijk een aanklacht tegen de slavernij uit, maar de bijhorende jazzmuziek geeft er ook een hoopgevende tint aan.
Catherine Opie is een fotografe uit Los Angeles en dus “uiteraard” een product van de homo- en lesbiennebeweging aldaar.
Balorigheid is al evenzeer van alle leeftijden bij artiesten. Leo Copers sneed Vincent Van Gogh alleszins ook nog het tweede oor af (of is het dan toch de hele heisa rond de schilder die verantwoordelijk is?) en plaatste het schilderij midden in een zee van stof. Een “adembenemend” gebeuren, zeker tijdens een hittegolf. Vlug naar buiten dus.
Geef mij maar het zeer rudimentaire “beeldje” (een bolvormige steen geplaatst op een driehoekige) van Marisa Merz dat een “nederige vrouw” voorstelt en dat in een grafkelder uit het jaar 950 is neergezet.
Mag er dan niet gelachen worden met hedendaagse kunst? Jawel, vindt Bruce Nauman. Verkleed als clown vertelt hij in een videoinstallatie steeds maar het verhaaltje ” ’t Was nacht, zeven rovers zaten in de gracht, en de hoofdman zei: ’t was nacht, zeven rovers zaten in de gracht…” Enzovoort. Ik dus ook maar vlug voort.

Lees verder “Ponton Temse, van de brug af gezien”

Vijftien jaar geleden: opening van “Over the edges”

10 over the edgesUit het raam van een klein huis in het centrum van Gent komen luide stemmen. Vanuit ditzelfde raam vliegen witte porseleinen borden om je oren. Als toevallige voorbijganger krijg je het idee getuige te zijn van een vechtend echtpaar en geeft de stapel scherven op straat het gevoel dat deze ruzie al weken aan de gang is. In werkelijkheid gaat het hier echter om een werk van de Franse kunstenaar Patrick Lebret, één van de vijfenvijftig kunstenaars van de tentoonstelling “Over the Edges”…
Lees verder “Vijftien jaar geleden: opening van “Over the edges””