Herwig De Weerdt wordt 65…

Herwig De Weerdt wordt 65…

Herwig De Weerdt ken ik reeds sedert mijn studententijd en dan vooral in de tijd dat ik mijn burgerdienst deed bij prof.Bolckmans. Toen had Herwig zich zowat opgeworpen als de studentenleider van de Germaanse. Herwig zelf deed zijn burgerdienst bij Vuile Mong (foto), maar had daarvóór reeds een eigen theater gesticht, Stekelbees, waarbij ik ook Daan Hugaert en Laurette Muylaert (later vervangen door Katrien Devos) terugvond, net als een aantal muzikanten, waaronder ook Jef Lefève, die als “Zwozze” nog met mij op kot had gezeten in de Brugsepoortstraat.
Ik heb Herwig dan ook herhaalde keren “geïnterviewd”, maar dat was meestal informeel. De meest “officiële” keer (en daardoor de ruggengraat van onderstaande tekst) was in een periode toen zijn toenmalige eega Helga Demeyere in een stuk in Arca iets met slangen deed en opdat die beesten aan haar zouden kunnen wennen, had ze die bij haar in huis genomen. Aangezien ik een vreselijke slangenfobie heb, deed ik hem dan ook zweren op het hoofd van al zijn echte en onechte kinderen dat de slangen in geen geval in mijn buurt zouden komen. Hij heeft woord gehouden. Brave jongen. (*)
Lees verder “Herwig De Weerdt wordt 65…”

Veertig jaar geleden: “Handen af van de vrouw”

Veertig jaar geleden: “Handen af van de vrouw”

Veertig jaar geleden kreeg ik van De Rode Vaan de opdracht om een zogenaamd “omslagverhaal” te schrijven over vrouwenmishandeling. Een “omslagverhaal” houdt uiteraard in dat het verhaal zelf ook op de omslag komt te staan. Maar hoe illustreer je een artikel dat “Handen af van de vrouw” heet? Wij vonden bovenstaande foto wel leuk. Een vrouwelijke dokter die liefdevol haar hand op die van een patiënte legt en dan die titel daarbij. Waar wij echter niet hadden bij stilgestaan, was dat dit een foto was die ons uit de DDR was toegestuurd. En De Rode Vaan werd natuurlijk ook in de DDR gelezen. En daar herkende men die foto! Nou, toen hebben we een pijpke mogen smoren, hoor!
Lees verder “Veertig jaar geleden: “Handen af van de vrouw””

Het hoekje van Opa Adhemar (20)

Het hoekje van Opa Adhemar (20)

Dat ik met een schop onder mijn edele derrière uit de bibliotheek verwijderd werd, vermeldde ik laatst. Zo werd ik gekatapulteerd richting stadhuis. Dat was gelukkig over geen al te grote afstand, nauwelijks enkele honderden meters. Dus gezwind, enfin met bezwaard gemoed naar het hoofdkwartier, naar de plaats waar de lakens werden uitgedeeld. Onder het mom dat men daar op een dienst zeer dringend behoefte had aan een bekwame administratieve kracht. “Mijn oor!” zeggen ze dan… Fraai excuus. Welke dienst mocht dat dan wel zijn?

Ik arriveerde. Hemeltje. Of liever: hel! De boekhouding. Wat wel bleek te kloppen, ze hadden iemand nodig. Maar of ik nu net die gegadigde diende te zijn? Na 7u en 45 minuten had ik het wel bekeken. Cijfers. Ik die gehuwd was met letters, bij voorkeur letters in een bepaalde volgorde geplaatst, tot zinnen geordend, in boeken terechtgekomen. No way. De volgende dag meldde ik me ziek. Indien ze dan toch zo om iemand verlegen zaten, zochten ze maar een ander slachtoffer. 

Twee weken later was ik opnieuw paraat, kiplekker zeg maar. Wat hadden ze nu in petto? Niets natuurlijk. Maar och, bij de dienst bevolking kan er altijd eentje bij. We zullen hem daar al stoppen. Zodoende kwam ik onder de hoede van de al bijna stokoude Marcel. Taak: identiteitsgegevens van alle nieuwe ‘burgers’ (inwijkelingen en borelingen) op metalen plaatjes printen. Deze konden afgedrukt worden waar nodig, op grote fiches van gezinssamenstellingen en andere volgens woning. Eventueel dienden deze gegevens op het plaatje aangepast, burgerlijke staat enz.

Marcel, een nukkige man. Maar indien je deed wat hij vroeg en hard werkte (dat laatste vrij ongewoon, sorry voor het cliché maar het gold voor de meesten toen) was je zijn vriend. Dat werd ik. Een vreemde vogel wel. Hoewel hij vast niet arm was, met zijn echtgenote betrok hij een kleine villa in een buitenwijk van de stad, kinderen hadden ze niet, was hij zo gierig als… tja “als de pest” zegt men al weet ik niet waar die uitdrukking op slaat. Zo ging hij steeds op het einde van de donderdagse markt zijn fruit en groenten kopen op het ogenblik dat de handelaars inpakten: het onverkochte werd dan aan dumpingprijs van de hand gedaan. Hij aarzelde ook niet om wat op de grond getuimeld was, gekneusd en als onverkoopbaar bleef liggen, op te rapen en in zijn tas te verzamelen. De dagelijkse rit per fiets was een bron van inkomsten: wat hij al niet aantrof op zijn weg! Alles verzamelde hij, alles was bruikbaar. Ooit vroeg ik hem wat hij zou aanvangen met de drie gedeukte thermosflessen die hij net veroverd had. “Die kunnen nog wel eens voor iets dienen” was het vage antwoord.

Zo’n zes maanden zij aan zij en toen was het voorbij. De bureauchef ging met pensioen. Zo’n job stelde niet veel voor, de boel in de gaten houden, verveling troef. En dus had hij zich een extraatje toegeëigend: de dienst vreemdelingen, wat ongeveer telkens een halve dag beslag op hem legde. Zijn plaatsvervanger zag dit evenwel niet zitten en schoof deze taak door naar de bevorderde onderbureauchef.

Ocharme. De brave man sloeg tilt bij de idee. Telkens iemand met een andere tint zijn loket naderde kreeg hij zowat alle kleuren van de regenboog. En de druppels transpiratievocht die zijn lichaam verlieten iedere werkdag! Niet dat hij xenofoob was, hij rilde en trilde van angst: hij had geen inzicht in de materie. En hij kon zich niet uit de slag trekken met enige vreemde taal wat weliswaar geen must was (in feite zelfs wettelijk verboden) maar bijzonder onhandig. Zodoende deed hij vrijwel onmiddellijk wat dat betrof een beroep op mij. En reeds de eerste week zond hij steeds vaker radeloze blikken mijn richting uit. Zelfs het eenvoudig verlengen van een verblijfsvergunning liet hem doodsangsten uitstaan.

Ik diende meer en meer ter hulp te snellen. Na twee weken was de zaak beklonken, ik kwam op de vreemdelingenstoel terecht en de resterende tijd kluste ik bij voor de bevolkingsdienst – wat niet lang zou duren. De administratie. Niet bepaald mijn droom. Geen idee of ik het had volgehouden zonder het tegengewicht van de nevenactiviteiten. Het recenseren, het regisseren. Ik stond ’s ochtends zelfs een uur vroeger op om te kunnen lezen, zonder dat uurtje lectuur had mijn dagtaak me onoverkomelijk geleken.

Maar het werk zelf hielp ook. Dit was niet louter administratie. Dit was omgaan met mensen, me verdiepen in dossiers waar vaak een problematiek achter verscholen was. Dit was dikwijls helpen, een gevecht tegen regels. En dus boeiend en dankbaar. Bovendien, niet onbelangrijk voor de eenzaat die ik was, hier had ik een plaatsje voor mezelf veroverd. Geen rekening houden met collega’s, geen rekenschap afleggen; behalve aan… ja aan wie, aan het grote opperhoofd, de Manitou, de burgemeester. Dat was inmiddels de alom bekende Freddy Willockx. In de stad ook wel de Turkenvriend genoemd. Of hij werkelijk een voorkeur had voor de getinte medemens heb ik nooit gemerkt, wel dat hij opkwam voor minderbedeelden en streed tegen onrecht.

Op die wijze kwam ik vaak met hem in aanraking. Het was bekend dat zijn deur openstond voor mensen met problemen. Dus klopten al die mensen van vreemde nationaliteit die met een dossier in de knoei zaten bij hem aan. Meermaals per week overlegde ik dan ook hoe een probleem kon opgelost worden. Al vlug had hij door dat we op dezelfde golflengte opereerden. Onoprechte vragen werden geklasseerd. Voor de andere, de meeste, liepen we het vuur uit onze sloffen. Een visumaanvraag voor iemand die twee maanden naar België wou komen, een ‘gezinshereniging’ waarvan de documenten niet in orde bleken wegens een administratieve fout… noem maar op.

Het hielp dat ‘Freddy’ tot de hoogste regionen kon doordringen om vriendelijke verzoeken te doen. Indien we de vraag humaan konden rechtvaardigen. De dankbaarheid was groot. En duurt, nu ik al tien jaar met pensioen ben, nog steeds verder: telkens ik me buiten begeef in de stad word ik aangesproken door ex-cliënten, inmiddels uiteraard meestal genaturaliseerd. Die eenzame job bleef trouwens niet lang duren. De komst van familieleden en vooral de vluchtelingen… Al vlug werkte ik een ganse dag aan het ‘vreemdelingenloket’, diende daarna een collega om bijstand te vragen. Tot die kleine cel tenslotte uitbreidde tot vijf personen en ik eindigde zonder contact aan het loket, nog louter de ingewikkelder wordende wetgeving lezend en de probleemdossiers behandelend.

Dit en het toenemende politieke gezeur: blij dat het pensioen tenslotte wenkte hoe prettig het ook al die jaren was. De collega’s. Suggereerde ik dat er weinig gewerkt werd, daarmee het cliché bevestigend. Sorry, natuurlijk waren er zeer plichtsgetrouwe bedienden, en er was de middenmoot. En een enkeling deed ronduit niks. Zo ging dat nu eenmaal, het weddezakje was voor iedereen even vol. Er waren de amusante ogenblikken. De verjaardagen, de jarige vergastte de bende dan op – naar zijn zin of beurs – op koffiekoeken, taartjes of, later jaren, ook belegde broodjes. Uiteraard werd er tijdens de diensturen heel wat gepraat, officieuze minuten, en tweemaal per dag tien minuten officieel als koffiepauze terwijl er in feite de ganse dag sloten koffie gezwolgen werden. Toen roken op kantoor verboden werd trokken de geviseerden als een meute naar de binnenplaats om aan een saffie te lurken. Tot de gezonde lammeren concludeerden dat de bokken wel flink in het voordeel waren: voor hen betekende dit dus per dag 2x tien minuten extra pauze om lekker longkanker op te lopen! Het licht in andermans ogen… Dus dienden de rokers de koffiepauze te benutten voor hun duivelse gewoonte.

Er was wel vaker zo’n akkefietje. Velen hadden de gewoonte om op donderdag de middagpauze te benutten voor hun aankopen op de markt, donderdag marktdag! Soms werd er een vers gebraden kip meegebracht die nog heet en geurend in de zak lag te lonken naar de hongerige magen. Maar die geur, de ganse namiddag leek het kantoor wel een kippenkraam. Na maanden kwam er protest en werden de malse kippenboutjes verbannen naar het archief. De oude dossiers wisten niet wat hen overkwam met de nabijheid van die uitdagende blote hete billen.

Vaak, één avond per week, werd er ook na werktijd een stapje in de wereld, enfin in een of andere kroeg gezet. Dat was heel goed merkbaar aan de trieste blikken de volgende ochtend, de wallen, het werktempo. Het hoeft geen uitleg dat ik mij van dergelijke uitspattingen onthield. Zoals ik bijna steeds ontsnapte aan de massale verplichte nieuwjaarsreceptie – deze jongen dook weg en huiswaarts. Zoals hij zich evenmin meldde voor het dinertje der collega’s achteraf. Me nooit beklaagd telkens ik de verhalen hoorde, het eindigde steevast in teveel drank, geroddel en soms zelfs herrie.

Er bestond trouwens iets als De Vriendenkring, voor al het stadspersoneel; de idee alleen al…! En een tijdschrift, De Belleman, dat was andere koek, daar wou ik dan mijn eenzaam steentje wel aan bijdragen in de vorm van een column. Wat ik zelfs gepensioneerd nog bleef doen. Tot – inmiddels was er een ander bestuur en een ander regime – men een passage wou censureren. Wat ik weigerde. Alles of niets. De twee partijen bleven koppig. Het werd dus niets, en meteen besloot ik geen letter meer in het blad te publiceren. Een opvolger-columnist vonden ze niet. Tot mijn afkeurenswaardig genoegen.

Allochtonen, jarenlang mijn leven en omgang. Of er ooit problemen waren? Eerlijk gezegd niet. Zelfs wanneer er een strikte ‘nee’ diende opgeworpen worden dan nog kon alles minzaam geregeld blijven. Agressie? Nee. Of toch, één keer. Met twee jongens. De enige keer dat ik zelfs de politie diende in te schakelen om hen van het loket en uit de gang te verwijderen. Wat ik me tenslotte nog beklaagde. Er was een ‘sluis’ die van uit de gang van het stadhuis via twee deuren naar buiten leidde, een kleine ruimte dus die onzichtbaar bleef voor ieders ogen. En daarin namen de twee ter assistentie geroepen pakkemannen de knapen mee. Ik zag niks maar hoorde des te meer. Het was de tijd van de harde aanpak. Heden ten dage zal dat hopelijk niet meer op die wijze gebeuren; hoe dan ook, ik was geschokt. 

Wat er nog wel gebeurde: in onze verder brave stad (toen) baatten twee broers een ‘dancing’ uit in het centrum. Waar ze Filipijnse jongedames lieten dansen. Die kwamen hierheen met een tijdelijke verblijfs- en werkvergunning. En moesten zich dus laten inschrijven. Dat veroorzaakte steevast heel wat opschudding, zo’n vier of vijf schaars geklede schoonheden aan het loket. En de procedure nam tijd in beslag: paspoorten controleren, visa, vergunningen, documenten typen… Beroering binnen het kantoor en in de gangen. Ik werd benijd. De toevoer van een nieuw contingent van al dat fraais liet nooit lang op zich wachten. Vooral omdat de broers nog een ‘bar’ in een deelgemeente bleken te bezitten. Was het dubieus? Alle papieren bleken steeds in orde. Tot ik op een avond door de politie naar hun bureau gehaald werd. Waar zich een aantal meisjes bevonden, geflankeerd door iemand van Payoke, de Antwerpse vereniging die zich inzette voor deze vrouwen. Tja, deze meisjes had ik dan niet gezien; papieren niet in orde stelde ik vast… Telefoon naar de permanentie in Brussel, uitwijzingen maken, en verder was het woord aan Payoke en de advocaat. En aan de broers die enkele maanden later hun actieterrein naar Nederland verplaatst hadden… Meteen het einde van de kleurrijke optocht in de gangen van het duffe stadhuis.

Pensioen. Goed, ik was en bleef een eenzaat. Maar toch had ik al die jaren lief en leed gedeeld met die mensen. Dus blij, om meerdere redenen, dat ik de werkzaamheden kon stopzetten, maar het afscheid… Dus bood ik iedereen toch maar een etentje aan. Waar kon dat beter gebeuren dan in restaurant ‘Het laatste avondmaal’! Daarna keerde ik definitief huiswaarts met onder de arm een reuzekalender waarop telkens foto’s van alle collega’s in diverse settings passend bij mij of bij het seizoen. Wat een herinnering… En een zwart gat? Er waren boeken, veel boeken, heel veel boeken…      

Johan de Belie          

Simon Yates wint in de Tour

Simon Yates wint in de Tour

De Brit Simon Yates (foto’s Erik Westerlinck) heeft de eerste Pyreneeënrit in de Ronde van Frankrijk gewonnen. De renner was in een sprint met drie sneller dan Pello Bilbao en Gregor Mühlberger. De favorieten hielden vandaag nog een wapenstilstand met oog op de tijdrit morgen. 


Simon Yates (Bury, 7 augustus 1992) is een Engels wielrenner die zowel op de baan als op de weg actief is. In 2013 werd hij wereldkampioen puntenkoers op de baan. In 2010 werd hij samen met Daniel McLay wereldkampioen op de koppelkoers bij de junioren en won hij met McLay, Sam Harrison en Owain Doull een zilveren medaille op de ploegenachtervolging.
Yates werd op 12 maart 2016, na de zesde etappe van de rittenkoers Parijs-Nice, betrapt op het verboden middel terbutaline. Volgens zijn teamleiding zat het in een middel tegen astma dat Yates op advies van zijn arts innam. De arts zou verzaakt hebben dispensatie aan te vragen voor het gebruik ervan.
In de Ronde van Frankrijk 2017 won hij de jongerentrui, net zoals Adam een jaar eerder. In 2018 reed Adam de Tirreno-Adriatico. Hij werd er in een rit tweede achter Primoz Roglic, terwijl Simon Yates de koninginnerit van Parijs-Nice won en zich meteen ook in de leiderstrui hulde. In de laatste rit moest hij door de bonificaties echter de duimen leggen voor Marc Soler die met de eindoverwinning ging lopen.
Ik had het dan nog altijd moeilijk om Adam en Simon Yates uit elkaar te houden. Dat is ook normaal want het zijn tweelingbroers. Misschien dat hun ploeg Mitchelton-Scott (het vroegere Orica-GreenEdge) dat ook vindt, want vaak worden ze in verschillende wedstrijden uitgespeeld. In de Ronde van Catalonië 2018 waren ze evenwel allebei van de partij. Adam viel echter uit met een bekkenbreuk, terwijl Simon de laatste rit op zijn naam schreef. Door de tijd te nemen om te juichen verloor hij de derde plaats aan Pierre Latour, nadat de jonge Colombiaan Egan Bernal, die tweede stond achter “l’imbattido” Valverde, zwaar ten val kwam.
Nadat hij op de Etna in Sicilië nog ploegmaat Esteban Chaves had laten voorgaan, heeft Simon Yates daarna nog drie ritten met aankomst bovenop een klim gewonnen in de Ronde van Italië. Hij leek goed op weg naar de eindoverwinning, maar in de laatste week stortte hij helaas in elkaar.
Daarna was hij er bijna in geslaagd in de laatste rit de Ronde van Polen nog uit handen te nemen van Michal Kwiatkowski. Met een verrassingsuitval veroverde hij even virtueel de gele leiderstrui, maar op de slotklim kon Kwiatkowski de achterstand voldoende terugbrengen zodat hij uiteindelijk toch nog vijftien seconden voorsprong behield op ritwinnaar Yates.
Maar nadat hij bovenop de steile Alto les Praeres de ritzege behaalde én daar de rode leiderstrui heroverde, heeft hij die uiteindelijk wél tot in Madrid behouden. Op die manier zijn voor het eerst alle grote Rondes door drie renners uit hetzelfde land gewonnen (Chris Froome de Giro, Geraint Thomas de Tour en nu dus Simon Yates de Vuelta). Dat renners uit hetzelfde land alle drie de grote Rondes wonnen is reeds eerder voorgekomen, maar daar was dan altijd iemand bij die twee Rondes voor zijn rekening had genomen. Zijn Vuelta-overwinning heeft Simon Yates ook de koppositie in de WorldTour-ranking opgeleverd. Hij sprong in een klap van plaats 10 naar plaats 1.
In 2018 heeft hij de vierde etappe gewonnen in de Ruta del Sol. De Colombiaan Higuita won de sprint van de achtervolgende groep om de tweede plaats. In het algemeen klassement heeft Jakob Fuglsang de trui overgenomen van Tim Wellens. Die stond er helemaal alleen voor en moest tijdens een geaccidenteerde etappe uiteindelijk de rol lossen en finishte meer drie minuten na Yates. De Brit zelf deed niet meer mee voor het algemene klassement en kon er op die manier op 30 kilometer van de streep vandoor gaan ten nadele van de alomtegenwoordige Astana-ploeg. Zo haalde hij de ritwinst in de koninginnenrit binnen.

Daarna heeft hij verrassend de tijdrit van 25,5 kilometer in Parijs-Nice gewonnen, want het was de eerste maal dat hij überhaupt een tijdrit won. Michal Kwiatkowski (Team Sky) werd in Barbentane derde en blijft ook na de vijfde etappe leider. (Wikipedia)

Lees verder “Simon Yates wint in de Tour”

Dion DiMucci wordt tachtig…

Dion DiMucci wordt tachtig…

De Amerikaanse zanger en componist Dion (DiMucci) wordt vandaag ook tachtig jaar. Hij had een nummer 1-hit had in 1961 met “Runaround Sue”.

Eigenlijk is het vooral daarom dat ik zijn verjaardag hier wil vieren: alhoewel hij dus even oud is als Brian Auger of (gisteren) Spencer Davis behoort hij in mijn ogen tot een andere muzikale generatie. De generatie van de Bobbies zoals ik ze altijd noem, al is Dion nu wel juist een uitzondering wat die voornaam betreft. Maar goed, het is een ander soort muziek dat aan de Engelse beat-invasie voorafgaat. Niet dat Dion toen gestopt is met zingen, verre van zelfs, maar hij (en zijn “soortgenoten”) hebben niet of nauwelijks nog succes gekend.

Dion werd geboren in de Bronx, een stadsdeel van New York. In zijn jeugd was hij lid van straatbendes in de Bronx. In 1957 nam hij zijn eerste plaat op, The Chosen Few, uitgebracht op Mohawk Records onder de naam “Dion and the Timberlanes”. Dion zong de zangpartij apart in, en heeft The Timberlanes nooit ontmoet. In 1958 vormde hij samen met drie vrienden uit de Bronx de doo-wopgroep Dion & the Belmonts. Ze hadden een hit met “I Wonder Why”, hun eerste single op Laurie Records die in de zomer van 1958 het nummer 22 op de Billboard Hot 100 bereikte. Ze volgden met “No One Knows” (nr. 19) en “Don’t Pity Me” (nr. 40). Hun grootste hit was “A Teenager In Love”, dat de vijfde plaats in de Hot 100 bereikte.

Ze traden op in American Bandstand en in 1959 namen ze deel aan de Winter Dance Party-toer, met onder meer Buddy HollyRitchie Valens en The Big Bopper. Toen Buddy Holly een vliegtuig charterde om vanuit Clear Lake (Iowa) naar een volgend optreden te vliegen, wees Dion een plaats in het vliegtuig af omdat hij de prijs van $36 te hoog vond.[1] Het toestel stortte neer en de vier inzittenden – de piloot, Buddy Holly, Ritchie Valens en J.P. Richardson (alias The Big Bopper) – stierven in de crash.

In 1960 gingen Dion and the Belmonts uit elkaar. Dion ging verder als solo-artiest. Hij liet de doo-wop achter zich en profileerde zich meer als een rock-‘n-roll– en rhythm-and-blueszanger. Hij scoorde nieuwe hits in 1961 met “Lonely Teenager” en “Runaround Sue“, dat hij samen met Ernie Maresca schreef. Laatstgenoemde single (Laurie Records 3110) bereikte de top van de Billboard Hot 100 in de week van 28 oktober 1961. Het bleef twee weken op nummer 1. Linda Laurie bracht in november 1961 een answer song uit, “Stay-at-home Sue”.

“Runaround Sue” werd opgevolgd door de single The Wanderer (Laurie 3115), die de tweede plaats in de Hot 100 bereikte. Lovers Who Wander (Laurie 3123) bereikte de derde plaats in 1962. [2]

In september 1962 ging Dion naar Columbia Records. Daar had hij een nieuwe hit met het Leiber & Stoller-nummer “Ruby Baby” (Billboard nr. 2). Hij was ook te zien in drie films: Ten Girls AgoTeenage Millionaire en Twist Around the Clock. Maar door een groeiend drank- en drugsprobleem verdween hij midden jaren 1960 een poos van het toneel.

In 1969 vond hij zijn geloof terug en keerde terug naar Laurie Records, ditmaal als folkzanger met eigen materiaal en covers als “From Both Sides Now” en “Purple Haze”. “Abraham, Martin & John” werd een top-5-hit in de Verenigde Staten.

Hij ging dan naar Warner Bros., waar hij vanaf 1970 vier albums uitbracht, waarop hij zich profileerde als klassieke singer-songwriter. De songs waren sober gearrangeerd en vaak was enkel Dion met zijn gitaar erop te horen. Commercieel waren deze albums geen groot succes.

In 1972 kwamen Dion en de Belmonts eenmalig opnieuw samen voor een reünie-concert in het New Yorkse Madison Square Garden.

In 1975 verscheen het studio-album Born to Be with You, in een productie van Phil Spector. In tegenstelling tot de vorige albums was dit overvloedig gearrangeerd. Het album zou uiteindelijk niet in de Verenigde Staten uitkomen, wel in Groot-Brittannië.

Op het einde van dat decennium werd Dion een born again Christian en wijdde zich aan de christelijke muziek, met albums als Only Jesus en I Put Away My Idols.

In 1989, het jaar dat hij in de Rock and Roll Hall of Fame werd opgenomen bracht Dion een comeback-album uit, Yo Frankie, geproduceerd door Dave Edmunds op Arista Records. In hetzelfde jaar leverde hij ook een bijdrage aan New York van Lou Reed. Het jaar nadien vormde hij de band The Little Kings, waarmee hij aan de oostkust van de Verenigde Staten toerde.

Einde van de jaren 1990 bekeerde hij zich opnieuw tot het katholieke geloof. Hij bracht in 2000 het album Déjà Nu uit, met nieuwe songs opgenomen met dezelfde techniek als die uit de jaren 1950 en 1960. Deze “back to the roots”-trends kreeg een vervolg met drie traditionele bluesalbumsBronx in Blue (2006), Son of Skip James (2007) en Tank Full of Blues (2012). Bronx in Blue werd zowaar genomineerd voor een Grammy Award in de categorie “Best Traditional Blues”. (Wikipedia)

(1) Wikipedia beroept zich hiervoor op Dions autobiografie “The wanderer talks truth”, maar of dit helemaal “the truth” is, dat weet ik nog niet zozeer want met de namen van al diegenen die beweren in aanmerking gekomen te zijn voor een plaatsje in het kleine vliegtuigje, zou ik al een hele Boeing kunnen afhuren!

(2) Wanderers who love werd uiteindelijk nooit uitgebracht.

Carlo Tonon (1955-1996)

Carlo Tonon (1955-1996)

Het is vandaag al 35 jaar geleden dat de Italiaanse wielrenner Carlo Tonon zwaar ten val kwam in de afdaling van de Joux-Plane.

Het “geval” van Carlo Tonon is zo één van die intriestige wielerverhalen over “un petit coureur“, zoals het bitter klinkt in de film “Le vélo de Ghislain Lambert” van Philippe Harel uit 2001.
In de Ronde van Frankrijk 1982 eindigde Tonon als ploegmaat van onder andere Giovanni Battaglin en Guido Bontempi vrij anoniem op een 116e plaats. Twee jaar later werd hij opnieuw door zijn ploeg naar de Tour gestuurd, zij het pas ter elfder ure, na het forfait van Bontempi. Op 18 juli 1984 kwam hij in de 19e etappe, een bergrit door de Alpen, in de afdaling van de Col du Joux-Plane echter in botsing met een overstekende toerist. Beiden moesten worden afgevoerd naar een ziekenhuis. Tonon zou maanden in coma liggen en blijvend gehandicapt raken. In 1996 maakte hij op 41-jarige leeftijd een einde aan zijn leven.
In Brugnera wordt sinds 2004 jaarlijks de wielerwedstrijd Memorial Carlo Tonon e Denis Zanette verreden, ter nagedachtenis aan Tonon en de in 2003 overleden wielrenner Denis Zanette.

Lees verder “Carlo Tonon (1955-1996)”

Tachtig jaar geleden: afschaffing van de afvalregel in de Tour

Tachtig jaar geleden: afschaffing van de afvalregel in de Tour

Aangezien nieuwe bezems altijd beter keren, had tachtig jaar geleden de nieuwe Tourbaas Jacques Goddet een nieuwe regel ingevoerd in de Tour de France: de laatste in het klassement (de Rode Lantaarn dus) zou na iedere rit moeten afvallen. Na de achtste rit die aankwam in Pau zou het echter de beurt geweest zijn aan de lokale vedette Amedée Fournier (1912-1999) en Goddet durfde niet in te gaan tegen de vox populi. Daarom schafte hij zijn eigen maatregel maar af. Hij zou nooit meer heringevoerd worden.