Louis Paul Boon, wegbereider van Hugo Claus

Louis Paul Boon, wegbereider van Hugo Claus

Op 15 mei 1979 was Hugo Claus een van de velen die de voortijdig gestorven Louis Paul Boon ten grave hielpen dragen (foto van Cobra.be). ‘Nu ben ik de grootste’, zo fluisterde de Meester, terwijl hij een witte fresia op de kist legde. Het klonk wat raar, een tikje arrogant zelfs, maar de geciteerde uitspraak betekende wel degelijk de hoogste lof die de aflijvige uit de mond van zijn jonge concurrent ten deel kon vallen. Uiteindelijk gaf Claus immers toe dat de Nobelprijskandidaat Boon tot dan toe Vlaanderens grootste schrijver was geweest.

Film “De Bom” met Louis Paul Boon

Film “De Bom” met Louis Paul Boon

Ter gelegenheid van de voorjaarsbijeenkomst van het Louis Paul Boon Genootschap kan men op zaterdag 11 mei om 18 uur in Aalst in gebouw Utopia de vertoning bewonen van de film “De Bom” van Robbe de Hert. Voorafgaand wordt om 16 uur de Algemene Ledenvergadering gehouden in zaal Geuzen van gebouw Utopia, gelegen aan het plein Utopia 1, nabij de Graanmarkt in Aalst. Entree is € 5,00 maar leden hebben gratis toegang. Aanmelden via info@utopia-aalst.be en ook via mail@lpboon.net.
Lees verder “Film “De Bom” met Louis Paul Boon”

Nand Buyl (1923-2009)

Nand Buyl (1923-2009)

Vandaag is het al tien jaar geleden dat Nand Buyl op 86-jarige leeftijd is overleden aan een hersenbloeding. Helaas kan ik geen stuk brengen over de man zelf. Ik zou uiteraard kunnen vertellen over hoe hij mijn jeugd heeft gekleurd, eerst als de schipper naast Mathilde en daarna als Axel Nort, maar daarover kunt u elders al uitgebreid lezen, ik heb daar niets speciaals aan toe te voegen. Toen ik daarna voor De Rode Vaan toneelrecensies verzorgde, was dit vooral in het Gentse en had ik dus weinig met Nand Buyl te maken. Die was immers op dat moment de leider van de Brusselse KVS. En hier zaten we met een probleem…
Lees verder “Nand Buyl (1923-2009)”

Veertig jaar geleden: brief aan Walter…

Veertig jaar geleden: brief aan Walter…

Het is vandaag veertig jaar geleden dat ik op het koninklijk paleis moest zijn ter gelegenheid van het Jaar van het Kind. Het werd een hilarische belevenis die ik destijds in De Rode Vaan heb verwerkt in mijn recensie van “Brief aan Boudewijn” van Walter Van den Broeck. Dat werd dan een “Brief aan Walter”…

Beste Walter,
Van hogerhand werd mij opgedragen een recensie te schrijven over jouw nieuwste boek, « Brief aan Boudewijn ». Daar dit werk inderdaad als een brief aan onze vorst is gesteld, leek het mij leuk om deze recensie dan ook in briefvorm aan jou te richten.
Waarom werd precies ik, die mij toch ten hoogste over teksten van Raymond van het Groenewoud pleeg te buigen, aangezocht om dit klusje op te knappen ? Heel eenvoudig. Zelfs een blad als De Rode Vaan moet een correspondent hebben aan het Hof en dat ben ik dus. Aan deze taak zit niets oneervols : kd. Van Keerbergen doet hetzelfde voor Le Drapeau Rouge, al staat die misschien in hoger aanzien omdat zijn prestigieuze baard hem iets van Leopold II geeft,
In die hoedanigheid, Walter, is mij zelfs een persoonlijk onderhoud met onze vorst te beurt gevallen, iets wat jou nog niet is overkomen en waar je blijkbaar een beetje zuur over doet, maar troost je : met dit boek liggen de kansen beter dan ooit !
De omstandigheden waaronder deze historische ontmoeting plaatsvond zijn echt te mooi om je te onthouden. Ja voorwaar, zij verdienen een plaatsje in je werk !
Het was ter gelegenheid van het jaar van het kind. Ten paleize zou onze vorst daarover ook, een woordje zeggen dat via de hand- en spandiensten van de BRT ook bij de Gewone Man zou worden gebracht. Om de juiste sfeer op te roepen waren zelfs volkomen lukraak een paar Gewone Mannen en Vrouwen uitgeloot om tussen ministers, kardinalen en natuurlijk persmensen te flaneren. Alhoewel het voor mij ook mijn eerste bezoek aan het koninklijk paleis gold, bracht ik de journalistieke stelregel in praktijk : doe altijd zeer zelfverzekerd. Dat kon o.m. omdat ik het mij ondertussen wel mag veroorloven Johan Struye een schalkse por in de ribben te geven en Gui Polspoel op de rug te slaan en te begroeten met : « Dag Walter ! » (want ik nam hem voor Walter Demeyere : Polspoel verongelijkt af).
Op die manier hadden zich een West-Vlaams lid van de Boerenbond en een kleuteronderwijzeres van een katholieke dorpsschool rond mij geschaard. De zoals steeds nonchalante Struye zou deze twee brave mensen later trouwens van kleur doen verschieten, toen hij als het ware langs zijn neus weg vroeg: “En hoe is het verder op De Rode Vaan?”
Ongeveer op dat ogenblik maakte zich een stijlvol geklede man uit de massa los, greep Struye bij de mouw en zei dat de koning wenste te worden voorgesteld aan de pers. Ondergetekende werd hierbij zeer ten onrechte over het hoofd gezien.
Ik maakte Struye daarop trouwens attent, toen hij klaar was met het zoenen van Rika De Backer. Onmiddellijk riep hij de man met het 19de eeuwse pak (hofmaarschalk ?) terug. Deze kreeg dadelijk de kleur van ons blad en vreesde reeds een politiek incident. Ik nam echter genoegdoening met de verontschuldiging dat hij rne niet had herkend. In gestrekte draf werd ik tot voor onze vorst gebracht en voorgesteld als redacteur van het blad met die naam…
Op p.19 van je werk, Walter, geef je zelf een mogelijk gesprek tussen onze vorst en jou weer en heel terecht zou dit
een briljante dialoog kunnen zijn uit een stuk van lonesco. Wat zegt een vorst nou immers tegen zo’n gewone sterveling ? Maar wat blijkt ? Onze vorst is zelf ook maar een mens. Want net als de eerste de beste huisvrouw die haar nieuwe woning toont aan een oude hartsvriendin zegt hij legen mij : “Wat vind je van mijn kroonluchters ?”
Nu, daar had ik niet van terug. Ik weet zelfs niet meer wat ik heb geantwoord. Alleszins niet het meest voor de hand liggende: “Ja, sire, als ik zo’n kristalgedoe in mijn woonkamer had hangen dan kon je er gewoon niet meer binnen!”.
En daarom, Walter, is het inderdaad maar best dat je een brief van 237 blz. hebt gekozen boven een onderhoud met onze vorst, want anders hadden wij niet over zijn schouder kunnen meelezen en had hij niet op onze schouders kunnen uithuilen bij de vaststelling dat zijn volk, helaas, niet gelukkig is (p.227). Niet dramatisch, nee, daarvoor is de lucht hier veel te laag zoals Jacques Brel het ons al heeft voorgezegd. Wel een soort van nostalgisch terugblikken (p.234) op een verleden dat door de komst van de televisie (p.79) definitief achter de rug ligt.
Tijdens je concentrische beschrijving toon je onze vorst weliswaar letterlijk de stront (p.191), Walter, maar toch kan je je niet ontdoen van deze relatief irrationele oplossing, namelijk een vlucht in het verleden. Hierbij verlies je uit het oog dat het al dan niet reële geluk van “de goede oude tijd” eigenlijk gebaseerd is op een gebrek aan inzicht in de causaliteit, b.v. “tussen slechte werkomstandigheden en een verontreinigd milieu enerzijds, en gezondheid en levensduur anderzijds” zoals je zelf schrijft op p.189.
Maar ik neem aan dat je emotionele betrokkenheid, die erg in het oog springt in je stijl, je hierbij heeft meegesleept, want in je slot is ook weinig plaats voor optimisme.
Je weet dat je niet meer terug kan, je ideaal is eigenlijk een nirwana. « waar werkelijkheid en voorstelling zich tot een onontwarbaar kluwen zullen verstrengelen. » (p.237).
Je hebt vooral naam gemaakt, Walter, in zgn. « geëngageerde » milieus en die zullen je dergelijke reflex wel kwalijk nemen.
Vandaar dat het goed uitkomt dat je in een interview in De Nieuwe van 18 juli jezelf a.h.w. verdedigt : “Volgens mij zit iedereen — ook de ergst geëngageerde arbeider — wel eens op zo’n wolk als ik beschrijf, waardoor je tot in het dromenrijk wordt meegevoerd. Niemand kan zonder dagdromen leven, ook de arbeider niet. Als zo’n arbeider de klassenstrijd zou doorzien, dan was de hele problematiek opgelost. Maar dat is nu eenmaal niet zo. De arbeider dagdroomt even intens als de koning. We mogen dus de fout niet overdoen van de vroege socialisten, die dachten dat het algemene kiesrecht direct tot een arbeidersontvoogding zou leiden ; ze vergaten dat vele arbeiders ook voor reactionaire partijen zouden stemmen, indien ze dat begeerde algemene stemrecht eenmaal zouden hebben. En dat hebben vele arbeiders inderdaad gedaan.”
Dergelijke harde, maar rake typeringen van de arbeidersbeweging vinden we ook terug in je boek. Op p.108 b.v. waar je komaf maakt met de christelijke klassensolidariteit en met het biefstukkensocialisme, maar ook op p.235 waar je het gewijzigde gedragspatroon beschrijft waardoor vele arbeiders « zich als kleinburgers (begonnen) te gedragen. »
Even daarvóór (p.233) vinden we nog zo’n staaltje van opmerkingsgave gekoppeld aan een pregnante formulering: “Wij zijn wel degelijk patriotten, maar dan van een huis, een straat, een wijk, een dorp of een stad.”
Je merkt het al, Walter, ik vind het een erg knap boek dat ook de r.v.-lezers ten zeerste zullen appreciëren (en niet enkel wegens je vlijmscherpe reactie op de moord op Julien Lahaut, p.42). Dat de ontdubbeling van Walter (kind) en ik-persoon (volwassene) soms wel eens stroef verloopt, dat eens het boek goed op gang is de briefvorm er nogal met de haren wordt bij gesleurd, dat de taal af en toe te wensen overlaat (“ik houd eraan”, “laat ons” e.d.), zullen zij er met de glimlach bijnemen.
Sommigen hebben je werk vergeleken met Boon, anderen met Claes. Zoals gewoonlijk ligt de waarheid ergens in het midden. Het is een zeer persoonlijk boek, dat weliswaar vele identificatiepunten biedt, maar die worden door de lezers ook weer zeer individueel verwerkt. Het grote samenhorigheidsgevoel waar je zelf zo naar streeft, het universum dat een Boon in de Kapellekesbaan kon opbouwen ontbreekt. Het anecdotisme van Claes is je vreemd, maar je hebt opzettelijk de pijndrempel erg laag gehouden om een groot aantal lezers te bereiken. Het weze je van harte gegund.

Lees verder “Veertig jaar geleden: brief aan Walter…”

Dertig jaar geleden: interview met Dr.Michel Vanhoorne

Dertig jaar geleden: interview met Dr.Michel Vanhoorne

In de loop van de maand december 1988 kreeg Dr.Michel Vanhoorne, werkleider in de Dienst voor Hygiëne en Sociale Geneeskunde van de Gentse Rijksuniversiteit, één van de drie prijzen « Gezondheid en Onderneming », die worden toegekend door de « Europese Club voor de Gezondheidszorg ». De prijs werd hem toegekend voor « een epidemiologisch onderzoek in de viscose-nijverheid door middel van studie van de blootstelling aan CS2 en H2S via atmosfeermetingen en biologische monitoring en door grondig medisch onderzoek ». Een heel mondje vol, waarvan we net zoveel begrepen als u en daarom gingen we de gelauwerde in Gent zelf opzoeken, waar we hem overigens reeds sinds jaren kenden als een ernstig en actief militant van de Communistische Partij.

Nadat we een klein uurtje vruchteloos op onze patiënt hadden zitten wachten, komt Michel (het formele Dr. Vanhoorne kunnen we hier wel achterwege laten) zich uitgebreid verontschuldigen : « Glad vergeten en ik was net aan een artikel aan het werken. » « Hij is zo verstrooid, hij werkt zich te pletter, » had lieve echtgenote Carla reeds tevoren verklaard, terwijl zij ons wachten zo aangenaam mogelijk maakte. « Weet je overigens wie me gisteren is komen interviewen? » gaat Michel met pretoogjes verder, maar helaas, we weten het inderdaad al, Carla heeft haar mond voorbijgepraat. Ik vraag echter niet of hij Jef Turf ook een uur heeft laten wachten…
Aangezien ik van mijn kant die avond ook nog verplichtingen heb, wordt er maar meteen aan tafel gegaan en krijgt de cassetterecorder een ereplaatsje tussen een heerlijke gezonde groentesoep en een kalkoen « met uitzonderlijke borsten », zoals Michel hem (haar?) noemt. Is het dus niet tussen de soep en de patatten, dan is het toch tussen de soep en de kalkoen dat hij om te beginnen enige uitleg verstrekt bij de Club die hem deze prijs heeft toegekend. Daar de uitreiking in Rome geschiedde, denk ik uiteraard onmiddellijk aan « de Club van Rome » maar daarmee blijkt ze geen uitstaans te hebben.
« Welke Club het dan wel is, is mij ook niet volkomen duidelijk. Ze bestaat uit een aantal EEG-landen en de prijs wordt dan ook ieder jaar ergens anders uitgereikt. Ik ben overigens niet naar Rome geweest, want ik moest mijn eigen reis-en verblijfskosten betalen, zodanig dat er van het bedrag dat aan de prijs verbonden is (125.000fr) niet veel meer zou overgebleven zijn. In verhouding tot andere prijzen is dat nochtans een behoorlijk bedrag, maar het spreekt vanzelf dat men er op zich uiteraard weinig mee kan aanvangen. » Vooraleer u moord en brand begint te schreeuwen, moet u weten dat Michel zich hier niet als een « big spender » ontpopt, maar dat hij het heeft over het wetenschappelijk onderzoek waaraan hij het geld heeft overgemaakt, aangezien hij zijn collega’s in de internationale waardering wenste te betrekken. Voorwaar een nobele geste, maar wat houdt dat onderzoek nu precies in?
« Het is dus een epidemiologisch onderzoek, dat wil dus zeggen de studie van gezondheidsveranderingen bij groepen mensen en de factoren die daarmee in verband staan. Vroeger werd die term uitsluitend voor infectieziekten (« epidemies ») gebruikt, maar sinds enkele tientallen jaren heeft men dat uitgebreid tot alle ziekten die bij bepaalde bevolkingsgroepen voorkomen. Men bestudeert uiteraard ieder individu, maar het belang van de studie is het globaliseren, het statistisch in kaart brengen van de gezondheidstoestand van bepaalde groepen van mensen, b.v. in mijn geval dus arbeiders in de viscose-nijverheid. »
« Viscose wordt op basis van cellulose gemaakt, die meestal afkomstig is uit hout. Dat wordt opgelost, waarbij de zeer grote moleculen van die cellulose worden afgebroken. Door een herschikking krijgt men dan allerlei nieuwe materialen, meestal textielproducten, zoals kunstzijde die in de voering van vesten e.d. wordt gebruikt, kunstwol, cellofaan, kunstsponsen, dweilen, zelfs wegwerpbare damesslipjes. Maar wij zijn niet geïnteresseerd in de effecten van het eindproduct, want dat is niet giftig, maar die cellulose wordt opgelost met CS2 (koolstofdissulfide) en dat is de grote boosdoener. Dat is een oplosmiddel, dus een vluchtige stof die reeds verdampt bij ongeveer veertig graden en die dampen zijn zeer giftig. De eerste intoxicaties zijn gebeurd en beschreven in het midden van de vorige eeuw, toen men dit ook als oplosmiddel gebruikte bij de natuurlijke rubber, dus bij het maken van ballonnen en condomen enz. op basis van latex. Aangezien men toen de gevaren ervan nog niet kende, werd er gewoon open en bloot mee gewerkt zodat de mensen werkelijk gek werden. Door de opkomst van de kunstrubber is die natuurlijke rubberindustrie fel achteruitgegaan en is ook de enorme epidemie van dat soort intoxicaties in feite op een natuurlijke wijze uitgestorven, »
« Maar in het begin van de twintigste eeuw is dan de viscose-nijverheid opgekomen en zijn er dus nieuwe gezondheidsproblemen opgedoken. België was trouwens één van de eerste landen om dergelijke bedrijven op te richten. O.a. in Aalst was er een viscose-bedrijf dat nu niet meer bestaat, waar rond 1903 een zeer harde staking heeft plaatsgevonden. Die staking heeft maanden geduurd, waardoor de stakers uiteraard geen inkomen hadden en om geld in te zamelen zijn ze dan heel België rondgetrokken, o.m. met de verkoop van een pamflet met het lied van de stakende viscose-arbeiders. Dat lied is trouwens opgenomen in het boek « Pieter Daens » van Louis Paul Boon. »
« Een andere tragische anekdote is dat zeer hoge blootstellingen ook beschreven zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen was in Europa de toevoer van katoen afgesneden en werd de productie van viscose dus geweldig opgedreven. Ik heb een werkelijk vreselijke studie gelezen over zo’n voorval in bezet Polen. De arbeiders werden daar ook volkomen gek, en werden dan naar psychiatrische instellingen afgevoerd. De Duitse politiek ten opzichte van psychiatrische patiënten is echter maar al te goed gekend: afvoeren naar de gaskamer. Op die manier zijn massaal arbeiders uit de viscose-nijverheid om zeep gegaan. »
« Zo erg is het nu uiteraard niet meer, maar door de lagere concentratie heeft men meer « sluipende » effecten. Deze zijn op de koop toe niet zeer typisch, die kunnen dus met andere woorden ook aan andere oorzaken worden gewijd, b.v. stress of vermoeidheid. Zo heeft men in sommige landen een effect vastgesteld op coronair hartlijder (hartinfarct), maar daar spelen natuurlijk ook andere factoren een rol, zodat men niet uit één specifiek geval kan afleiden dat dit speciaal aan die giftige stof te wijten is. Dat kan men alleen als men statistieken gaat maken en men de frequentie van die ziekte gaat nagaan in vergelijking met groepen arbeiders die met dat product niét werken. »
« Naast de reeds genoemde effecten op het zenuwstelsel en het hart en de bloedvaten, is er ook nog invloed op de hormonen, op het sperma, kortom een hele reeks effecten die dienen te worden bestudeerd, ook voor de andere chemische factor, H2S, het zogenaamde putjesgas, dat niet gebruikt wordt als grondstof maar vrij komt wanneer die opgeloste cellulose weer wordt omgezet in het eindproduct. Dit is ook een zeer giftig gas, waarvan men plots bewusteloos kan vallen bij hoge concentraties. Het is dus zeer verraderlijk, b.v. in putten. Maar dergelijke concentraties vindt men niet in de industrie, wel kleinere hoeveelheden die o.m. aanleiding geven tot prikkeling van de ogen. »
« Wij wetenschappers moeten ons er echter wel voor hoeden om normen voor die concentraties vast te leggen. Want eigenlijk is dat zeggen: kijk, dat risico is aanvaardbaar. Er is praktisch niets dat zonder risico is in het leven, maar de vraag is: welk risico is men bereid te aanvaarden? Het is de taak van de wetenschapper om het risico te bestuderen en informatie daarover te geven. Van b.v. te zeggen: als je werkt met een bepaalde giftige stof tegen die hoeveelheid en gedurende zoveel jaar, dan is de kans op het ontstaan van die of die ziekte zoveel procent. Maar de vraag of dat risico aanvaardbaar is, is een maatschappelijke beslissing. En dat is de fout die veel wetenschappers begaan als ze b.v. op televisie worden geraadpleegd over milieuproblemen. De maatschappij moet de wetenschap natuurlijk wel in staat stellen om de relatie tussen dosis en effect te bestuderen. »
« En dat is wat wij in ons geval dus onderzoeken zowel door het meten van bepaalde toxische stoffen in de lucht, als door « biologische monitoring » wat wil zeggen: door de blootstelling te meten in bepaalde biologische media, zoals het bloed of de urine. Een belangrijk aspect van ons werk is juist het perfectioneren van deze methode. »

Men kan zich natuurlijk afvragen in hoeverre de bedrijven hun medewerking willen verlenen aan dergelijk onderzoek. « In dit geval is het een studie die is opgelegd door de arbeidsinspectie. Het bedrijf is dus wel verplicht zijn medewerking te verlenen, maar in het verleden heeft het reeds behoorlijk tegengewrongen, ja. Op een bepaald ogenblik heeft het bedrijf de studie twee jaar geblokkeerd door lobbying via Economische Zaken b.v. »
« De positie van de arbeidsgeneesheer is trouwens zeer variabel van bedrijf tot bedrijf. Vaak zit zo’n man tussen hamer en aambeeld. Maar dat hangt allemaal af van de houding van de directie, van de sterkte van de vakbeweging, enz. Vandaar dat de druk in KMO’s meestal groter is dan bij multinationals. In het ziekenhuis zie ik dikwijls mensen die gestuurd zijn door hun huisdokter en die uit kleine bedrijven komen, waar men op gebied van arbeidshygiëne zeer nalatig is en de adviezen van de arbeidsgeneesheer weinig opvolgt.
»
Hoe wordt iemand eigenlijk arbeidsgeneesheer? « Er zijn verschillende motiveringen, maar ik ken bijna niemand die het reeds bij de aanvang van zijn studies voor ogen staat. Alleszins, toen ik studeerde was dat praktisch nog onbekend (ik ben in 1961 afgestudeerd). Er waren op dat ogenblik wel reeds een aantal geneesheren werkzaam in grote bedrijven, maar die deden daar enkel aan curatieve geneeskunde. Dat was geen arbeidsgeneeskunde gericht op de collectiviteit. Een aantal multinationals waren tussen de beide wereldoorlogen wel met echte arbeidsgeneeskunde begonnen, uiteraard niet uit menslievendheid, maar omdat zij het belang daarvan inzagen. Arbeidsgeneeskunde op grote schaal — de dag van vandaag moet er een arbeidsgeneesheer zijn op alle bedrijven, zelfs als er maar één werknemer is — bestaat nog maar sinds 1968. »
« Ik heb dus algemene geneeskunde gedaan, waarna ik een paar maal huisartsen heb vervangen. Maar in die tijd was hoegenaamd nog geen sprake van groepspraktijken e.d. en de manier waarop die curatieve geneeskunde in het algemeen werd beoefend vond ik eigenlijk niet interessant. Bovendien wilde ik geen legerdienst doen. Ik verkoos een vervangende dienst in Afrika, waarvoor ik dan enkele maanden tropische geneeskunde en chirurgie heb gevolgd. Dat verblijf in Afrika is uiteindelijk vier jaar geworden. Op die manier heb ik meer en meer belangstelling gekregen voor het preventieve, voor het collectieve, al was dat ook daarvoor reeds het geval omwille van mijn politieke instelling (ik ben lid geworden van de partij in 1960). Maar toch stel je vaak vast, vooral bij oudere arbeidsgeneesheren of schoolgeneesheren of anderen die zich met preventieve geneeskunde bezighouden, dat deze mensen eerst in de tropen hebben gewerkt. Omdat men daar automatisch veel meer met de neus gedrukt wordt op de invloed van de maatschappelijke situatie op de gezondheid. Een « normale » opleiding is immers ten zeerste gericht op het individu. Aan het verband met de maatschappij wordt in de traditionele medische opleiding zeer weinig aandacht geschonken.
»
« Toen ik terugkeerde, was een vriend van mij als assistent benoemd in de sociale geneeskunde en toen men daar nog een andere assistent zocht, werd mij die plaats aangeboden. Ik heb dan de cursus arbeidsgeneeskunde gevolgd en zeer snel heeft mijn diensthoofd mij opgedragen om dat beroep ook te velde te gaan uitoefenen. Zo ben ik sedert 1968 twee halve dagen in de week arbeidsgeneesheer bij ACEC. »
« Sommige bedrijven trekken behoorlijk hoge bedragen uit voor intern onderzoek, maar als de resultaten hen niet aanstaan, mogen ze niet gepubliceerd worden. »
« Maar ook nu nog is de sociale geneeskunde een beetje een vreemde eend in de bijt op de universiteit. Aan de ene kant heeft men daar een blok mensen die aan laboratoriumonderzoek doen, de basiswetenschappen laten we zeggen, en aan de andere kant zijn er de mensen uit de kliniek die met zieken omgaan. Het spreekt vanzelf dat wij met deze twee disciplines moeten samenwerken, maar wij zijn vooral gericht op de buitenwereld (het bedrijf, de school, het milieu…) en dat is iets waar de meeste geneesheren over het algemeen weinig begrip van hebben. Bovendien wordt in de geneeskunde veel onderzoek gedaan in functie van en betaald door de farmaceutische nijverheid, dat is uiteraard een geldbron waarop wij hoegenaamd geen beroep kunnen doen. Sponsoring vanuit de bedrijfswereld in het algemeen komt haast even zelden voor. Wat er natuurlijk wel gebeurt, dat zijn bedrijven die zelf intern een onderzoek laten doen door hun eigen arbeidsgeneesheren en daarvoor soms behoorlijk grote bedragen uittrekken. De keerzijde van de medaille is echter dat als de resultaten hen niet aanstaan, deze niet gepubliceerd mogen worden. Ik ken collega’s die in bepaalde industrieën zeer interessant onderzoek doen en mij daarover berichten, maar die daar wel aan toevoegen dat dit niet gepubliceerd mag worden. De directie beschouwt dat als interne keuken… »
« Als je in België een tijdlang geld gekregen hebt voor een bepaald onderzoek, zegt men: ’t is genoeg geweest, nu moet je maar eens iets anders doen. »
Waarmee we rond zijn, want deze prijs kan voor de wetenschappelijke overheid dan misschien een aansporing zijn om er toch maar mee door te gaan. « Het grootste deel van ons onderzoek is kunnen gebeuren dankzij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Gedurende zes jaar hebben we daarvan geld gekregen. Maar het is een politiek probleem. Als je hier in België een tijdlang geld hebt gekregen voor een bepaald onderwerp, dan zegt men plotseling: ’t is genoeg geweest, nu moet je maar eens iets anders doen. Dat is volgens mij een verkeerde politiek, want meestal zijn nog niet alle problemen opgelost en heeft men op een bepaald terrein juist voldoende ervaring en know-how opgedaan om er nu tegenaan te gaan. Maar juist dan heeft men het moeilijk om aan fondsen te geraken. Bepaalde onderwerpen zijn natuurlijk « populair » (denk maar aan kanker of hartziekten) en als men dan van de ene instelling geen geld kan loskrijgen, dan staat er wel een andere klaar, de ASLK of de Lotto of weet ik veel. Maar dat is bij de sociale geneeskunde natuurlijk niet het geval… »

Lees verder “Dertig jaar geleden: interview met Dr.Michel Vanhoorne”

270 jaar geleden: Joannes de Schepper opgeknoopt in Aalst

270 jaar geleden: Joannes de Schepper opgeknoopt in Aalst

Het is vandaag 270 jaar geleden dat Joannes de Schepper werd opgeknoopt in Aalst, zoals binnenkort ook zal te zien zijn in de VTM-reeks over “De Bende van Jan De Lichte” (zie bovenstaande foto).

De moeder van Jan de Lichte was immers niemand minder dan Elizabeth de Schepper, geen idee echter of ze tot mijn voorouders behoort, al was een deel van de bende effectief aan de slag in de omgeving van Temse. Net als haar echtgenoot Joos de Lichte wordt ze in 1750 veroordeeld tot geseling en levenslange verbanning. Ze was toen zeventig jaar oud en het kranige besje loochende dat ze vroeger al eens een veroordeling had opgelopen. Maar twee jaar eerder was ze in Aalst zowaar reeds gegeseld en levenslang verbannen en nog twee jaar vroeger was ze gebrandmerkt (met de letter V) en verbannen voor vijftien jaar (wat ook wel op levenslang neerkwam op haar leeftijd).
Ook haar broer Salomon (de “kapitein” zoals hij door z’n bende werd genoemd) was als stelende oom een lichtend voorbeeld voor Jan De Lichte. Van hem is de uitspraak dat de familie De Schepper “befaemt, aensien en gereputeert geweest (is) voor dieven.” De veroordelingen waren inderdaad voornamelijk op basis van “diefstal”, maar de familie De Lichte-De Schepper was zo arm dat die mensen wel moesten stelen om te overleven. Dat “stelen” bestond dan ook in graan van een akker of fruit van de bomen. In het beste geval zocht ook al eens een “kieken” de weg naar hun schamele huisje op…
Maar dit laatste was eerder een specialiteit van Salomons zoon Joannes die de familie “een slechte naam” gaf. Hij heeft er dan ook zwaar voor moeten boeten in het Steen te Aalst. Omdat hij niet wilde bekennen, zelfs niet na herhaalde martelingen, kwam hij er met verbanning vanaf, maar daar stoorde hij zich niet aan, zodat hij bij een razzia werd opgepakt en op 3 december 1748 opgeknoopt in Aalst.

Lees verder “270 jaar geleden: Joannes de Schepper opgeknoopt in Aalst”