Veertig jaar geleden: "Daens" in het NTG

Veertig jaar geleden: "Daens" in het NTG

Toen tien jaar geleden “Daens, de musical” in première ging, heeft niemand, maar dan ook niemand (dus in eerste instantie ook ikzelf niet) er ook maar eventjes op gewezen dat er dertig jaar eerder in Vlaanderen reeds een stuk (met zang) over Daens was te zien, met name in het NTG (bovenstaande foto komt uit hun archief). Zelf ben ik er in februari 2009 heel toevallig over gestruikeld bij het opkuisen van mijn archief en Frans Redant was zo vriendelijk om mij meer tekst en uitleg te verschaffen.

Lees verder “Veertig jaar geleden: "Daens" in het NTG”

75 jaar geleden: Maarten Thijs begint op De Rode Vaan

75 jaar geleden: Maarten Thijs begint op De Rode Vaan

“In afwachting van iedereen te tonen dat ze niet zomaar het eerste het beste kleine meisje was, speelde ze als alle kleine meisjes met haar poppen, droomde van succes en applaus en pronkte voorlopig met het beroep van haar vader. Het woord ‘journalist’ ontlokte bij meningeen bewonderende blikken, die omsloegen in verschrikking als ze bij de volgende onvermijdelijke vraag ‘Rode Vaan’ of ‘Drapeau Rouge’ antwoordde. Eerlijk duurt dan wel het langst had ze op zedenleer geleerd, maar soms was liegen leuker en ‘Laatste Nieuws’ of ‘Le Soir’ maakte een veel gunstigere indruk, ‘haha, zozo’, zodat Lena regelmatig het fijne gevoel smaakte om dankzij een leugentje voor vol genomen te worden omwille van een vader, van wie ze had gewild dat hij zijn beroep elders zou hebben uitgevoerd”.

Aldus Dolores Thijs in “Drüben is het gras groener” (Antwerpen/Amsterdam, Manteau, p.23). Deze romancière is inderdaad de dochter van Maarten Thijs (in het boek Marc genoemd) en de hoofdbrok van het boek (p.29-133) wordt gevormd door het verblijf in Oost-Berlijn, waar Maarten te werk was gesteld als correspondent voor De Rode Vaan, betaald door “Neues Deutschland”. Als wij Maarten zelf aan het woord laten, gaat hij veel verder terug, naar het allerprilste begin en dat is ook bij hem de oorlogsperiode.
Lees verder “75 jaar geleden: Maarten Thijs begint op De Rode Vaan”

Lode Zielens (1901-1944)

Op 28 november 1944 stierf Lode Zielens als slachtoffer van de inslag van een Duitse V-bom op de hoek van de Plantin-Moretuslei en de Mercatorstraat in Antwerpen. Lode Zielens was op weg naar de “Volksgazet” aan de Somersstraat waar hij als journalist werkzaam was. Met deze voortijdige dood was plots een einde gekomen aan de veelbelovende carrière van een man die als geen ander een beeld kon schetsen van de ruwe werker, van het rauwe leven in de armtierige huizen, ingedeeld in vele “kwartieren” waar de armoezaaiers met velen opeen zaten. De bewoners van de mansardes, zoals Wannes Van de Velde zo poëtisch beschreef.
Lees verder “Lode Zielens (1901-1944)”

Vijftig jaar geleden: “Actie Tomaat” (deel twee)

Vijftig jaar geleden: “Actie Tomaat” (deel twee)

In 1968 had Hugo Claus nog samen met Alex van Royen en Carlos Tindemans “T 68 of de toekomst van het theater in Zuid-Nederland” geschreven, waarin hij experimentele theaterstandpunten verdedigde. Later zal dat veranderen. Zo lokt hij reeds in 1969, middenin de Actie Tomaat, een incident uit. Toen ging in de Amsterdamse schouwburg zijn stuk “Vrijdag” door de Nederlandse Comedie in première.

Aangezien Claus hier op het eerste gezicht teruggrijpt naar het naturalistische toneel (vgl. met “Driekoningenavond” van Cyriel Buysse b.v.) en in interviews vooraf nog wat olie op het vuur had gegoten door te stellen dat al die discussianten leuteraars zijn die niet weten waar ze over praten, dat met name het toneel niet dood is, maar dat er een tekort is aan echte persoonlijkheden, dreigde men in de pers reeds “die ouwe zak” (sic, Claus was toen 40) eens de les te spellen. Daarom posteerde Claus zijn boksende broers in de zaal om eventuele tomatengooiers tot andere inzichten te brengen. Maar het was niet nodig. Het werd een succes. Claus: “Theater bestaat voornamelijk uit een communicatie die tot nader order nog altijd verbaal moet zijn. (…) Wat men dan een beetje smalend ‘dichterlijk’ noemt, is de essentie van het theater: Haal je van Shakespeare de taal weg, dan krijg je alleen maar ridicule, nonsensicale verhalen die nergens op slaan, waarvan de psychologie niet klopt, enfin, alles is één ratjetoe. Is er iets belachelijker dan de plot van ‘Hamlet’? Is er iets idioter dan ‘Twelfth Night’, dan ‘A Midsummernight’s Dream’? Dat is pure kolder, niet eens goed voor een comic-strip. Het bestaat in functie van wat er daar met woorden gedaan wordt. (…) De laatste jaren krijgt de toneelschrijverij hier te lande echter een heel koddige dimensie: men neemt vier pagina’s Heidegger en een stuk of wat krantenknipsels en gaat die vervolgens, met z’n allen improviserend, op de planken brengen. We hebben momenteel een theaterlandschap van diepe treurnis. Men schijnt hier te vergeten dat toneel een onzuivere kunst is, die eist dat er rekening gehouden wordt met de tweehonderd mensen die zitten te kijken en van wie een aantal nauwelijks kan lezen of schrijven. (…) Ik geloof in elk geval niet in wat men met een gekke term aanduidt als het rituele theater, ’t schuimbekkend over de grond rollen en het gepiep en gekwijl en het collectief hysterische: wij hebben namelijk geen goden, dus waarom zouden we een rite opvoeren alsof we wel goden hadden? Da’s allemaal hocuspocus waar ik niet in geloof en in de zogenaamde diepverborgen persoonlijkheidslagen die je met zo’n toneel aanboort, geloof ik evenmin.”
Dat wil anderzijds niet zeggen dat met name “Vrijdag” vol verwijzingen zit, zowel naar de heidense (Germaanse), de Griekse en de christelijke mythologie. Claus zal zijn eigen stuk in 1981 verfilmen.
Alhoewel Hugo Claus soms (niet altijd, zie hier ) net als Louis Paul Boon mei ’68 eerder als een kleinburgerlijke revolte beschouwt (hij zat echter ironisch genoeg in de vermaarde brasserie Lipp te eten toen daar een traangasgranaat werd binnengegooid), schrijft hij rond die tijd toch “Reconstructie”, een operatekst samen met Harry Mulisch die een eerbetoon wil zijn aan Che Guevara. Ook in 1993 blijven beiden trouwens vasthouden aan hun geloof in Cuba. Als men het “ondemocratische” karakter van het regime aanhaalt, repliceert Claus in Humo: “Democratie is niet een pleistertje dat je overal kunt opplakken, op sommige plekken schiet zij te kort: in de kunst b.v.”
In 1970 volgt “De Spaanse hoer”, naar het 15e eeuwse “La Celestina” van F. de Rojas.
Van 1970 tot 1974 zetelt hij in de redactie van De Gids. Samen met Johan Daisne dus blijkbaar…
In het najaar van 1970 publiceert Claus twee omvangrijke poëziebundels : “Heer Everzwijn” (waarvoor hij de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie krijgt) en “Van horen zeggen”.