Het hoekje van Opa Adhemar (8)

Het hoekje van Opa Adhemar (8)

Over hoogtijdagen als kerst en nieuwjaar sprak ik al maar Pasen liet ik nog onvermeld. Nochtans, ik kan u bezweren – onder ede desnoods – dat ik ooit uit het venster van mijn kinderkamer, boven de bomen, terwijl het klokgeluid naar hartenlust boven de stad beierde, ik een tiental klokken majestueus zag overvliegen. Blikkerend in het aprilse zonlicht! Prachtig.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (8)”

Het hoekje van Opa Adhemar (7)

Het hoekje van Opa Adhemar (7)

Schoolreizen, toen waren daaraan nog geen uitstapjes naar pretparken aan verbonden. Die waren trouwens ook niet bepaald dikgezaaid. Nee, veel meer dan een educatieve wandeling en een ecologisch verantwoorde verpozing in een bos of aan een meer zat er niet in. En toch was er een pretpark dat in mijn hoofd gebeiteld zit: het Melipark (foto Eliedion via Wikipedia).
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (7)”

Het hoekje van Opa Adhemar (6)

Het hoekje van Opa Adhemar (6)

Herinneringen. Er zijn goede en minder goede, of ronduit slechte herinneringen. Verdrongen ook. En hoe ouder men wordt… het blijkt dat er vaak een aantal naar de oppervlakte komen. Het zijn dikwijls banale gebeurtenissen die om welke bizarre reden ook beklijven. Zo kan iets een gans leven bepalen. Dat overkwam mij. Hoe oud was ik? Drie jaar, vier misschien? Mijn ouders hadden in de loop van mijn eerste levensjaren inwonende ‘dienstmeisjes’, drie opeenvolgende. Veel weet ik over hen niet meer tenzij uit verhalen achteraf. Eén verdween omdat zij huwde. Een andere werd verwijderd omdat zij op diefstal betrapt werd: een drama want zij moet geliefd geweest zijn maar ja… Enfin wie van de drie het was weet ik niet maar op een avond diepte zij uit de kelder een rammenas op, verscheen ermee uit het donkere keldergat het vreemde ding voor zich uit houdend – de witte kronkelende wortels schuddend en zelf quasi onzichtbaar voor mijn kleuteroogjes. Paniek, het leek een reuzespin. Die fobie voor spinnen heeft zich sindsdien diep in mij genesteld: een televisiebeeld, een foto, een tekening zelfs…, ik sidder en beef, alles wegens een rammenas. Ja herinneringen.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (6)”

Het hoekje van Opa Adhemar (5)

Het hoekje van Opa Adhemar (5)

Had ik niet beloofd het over mijn nogal vreemde peter te hebben? Wel zo vreemd was hij in feite ook weer niet, zijn beroep ja dat fascineerde mij wel. Wat hij dan wel deed? Brandweerman was hij niet, bergbeklimmer evenmin. En garnaalvisser te paard evenmin. Nee, hij stond op de markt. Niet met sjakossen zoals Eddy Wally, gelukkig; en zingen deed hij evenmin – hij was niet zo’n oom die op ieder familiefeest in wild gezang losbarstte of mopjes vertelde. Nee hij verkocht roomijs ofte krimglas (in mijn dialect ook wel pillekekoud); maar dat was voor de warme maanden – werd het kouder dan veranderde zijn wagen in een wafelkraam. En ja het legde hem geen windeieren! Bovendien had hij thuis een ijssalon dat werd opengehouden door zijn echtgenote en de inwonende dienstbode. Nog een gat in de markt: hij maakte ijstaarten voor ‘le tout Boom’. In een tijd dat de mensen geen diepvries hadden leverde hij bij een feest à la minute wanneer men aan het dessert toe was een fraaie zelfgemaakte ijstaart; men diende maar te verwittigen. Zeer gegeerd, het werd de grote chique om dit aan de gasten te serveren. Kassa!
Dit was dus nonkel – voor mij peter – Jozef, Jef, gehuwd met Louisa, zijnde tante Wies. Het gezin werd vervolledigd met Gerda, een weesmeisje – toen ik er verscheen in mijn ogen al behoorlijk wat vrouw – dat bij hen inwoonde en behandeld werd als een dochter. Ik denk dat zij vijftig was eer zij trouwde en hen verliet. Hoe peter Jef mijn peter werd is ook een bizarre geschiedenis.
Mijn meter was de moeder van mijn vader. Volgens traditie zou de vader van mijn moeder mijn peter zijn maar de brave man was er al lang niet meer, overleden aan loodwitziekte zoals veel schilders in die tijd. Hij had een bloeiende zaak met veel arbeiders, vooral dankzij connecties in het christelijk milieu, het bisdom… opdrachten in kerken en katholieke scholen, lucratieve opdrachten waarbij veel geld aan de vingers bleef plakken. Helaas, langdurige ziekte van een zelfstandige betekende toen een ramp. Maar goed, als opvolger voor het peterschap was daar een broer van moeder: Adhemar, een bolleboos, maar ook iemand met een nogal moeilijk karakter. En een vreemde snuiter. Toen het gezin uit elkaar viel, hij was een mopperaar en zeurkous, bleef hij alleen in zijn grote huis en ging middagmalen in een restaurant; ontbijt en avondboterham nuttigde hij thuis jarenlang met bord, bestek en tas die hij telkens netjes bedekte met een krant: afwassen, dat was toch een zinloze bezigheid! En ik moet zo’n acht jaar geweest zijn toen hij mijn ouders een onverwacht bezoek bracht om hen in mijn bijzijn op het hart te drukken mij te leren mij goed te leren mijn privaat deel te wassen, uit schrik voor infecties! Het gevraagde peterschap? Zijn commentaar: “Indien ik peter word krijgt die kleine iedere nieuwjaar hooguit een album van Suske en Wiske, ge weet toch hoe gierig mijn vrouw is! Is het niet beter een andere peter te zoeken, die Jef bijvoorbeeld, ze kunnen geen kinderen krijgen terwijl ze er dol op zijn, en ze zijn rijk, dat zou een goede peter zijn!” Dat zijn vrouw gierig was bleek ooit wel toen ik er ging spelen met hun twee kinderen, als vieruurtje kregen ze elk een halve tomaat met een beetje zout er op; en toen was het nog geen hype om fruit aan te bieden als toetje! Zo werd ik enthousiast als petekind verwelkomd door peter Jef en startte voor mij een nieuwe en lucratieve carrière.
Mijn peter kwam ons dus afhalen bij mijn grootouders en tante. Inmiddels hadden we daar – en bij de andere tantes – met de rest van de uitgebreide familie al nieuwjaarswensen gewisseld. Uitgebreid, zeg dat wel want het was een heel kroostrijk gezin waarin mijn vader de voorlaatste telg was. Alle ooms en tantes waren de revue gepasseerd. Richting de ruime woning annex ijssalon waar steeds een zoete vanillegeur hing die nu langzaam overheerst werd door de keukendampen: daar was de Boomse kokkin Ferdine aan de slag. Die verzorgde alle feesten in de zaal bij tante Rosa en ging ook bij particulieren koken. Voor Gerda was dit een feestdag, zij kon rusten en aanschuiven… wij ook, met nog maar eens kroketten, het onvolprezen recept deze keer bereid door de meesteres herself. Het hoogtepunt van de dag moest dan nog komen voor mij: het nieuwjaarsgeschenk.
En die cadeaus waren niet mis. Het eerste dat ik me herinner is een ‘trottinette’, een autoped – en hij gaf die niet zomaar… de gangdeur ging open en een onzichtbare hand duwde haar snel rijdend naar binnen waar zij gelukkig door mijn vader werd opgevangen eer zij brokken kon maken; fascinerend in mijn kleine ogen. Een fiets. Een heuse elektrische trein van Märklin met drie goederenwagons, verlichte koplampen, om hem achteruit te laten rijden diende je de knop op de transformator in te drukken. Hij staat hier nog op zolder en doet het nog steeds en betekende de start van mijn liefde voor miniatuurtreinen en -spoorbanen (op papier, te onhandig om er daadwerkelijk mee aan de slag te gaan). Bij mijn plechtige communie kreeg ik een gouden horloge dat het vijftig jaren uithield eer het begon te kwakkelen; in tegenstelling tot het obligate missaal dat meter mij schonk!
Ja het was als voorzien, ik werd zijn troetelkind. Dat bleek ook uit het feit dat hij mij telkens het een familiefeest was – en er waren er vele met zo’n familie die bovendien iedere gelegenheid aangreep – meenam naar huis toen hij voor het dessert de ijstaarten moest gaan halen. Samen in de auto, en samen wat keuvelen in huis, en… telkens schonk hij mij een glaasje Marie Brizard in. Jongens wat raakte ik verlekkerd op die drank! Of mijn ouders dat ooit geweten hebben? Vermoedelijk niet. Toch ben ik nog tamelijk goed terecht gekomen, zonder verslaving.
Een toffe peer die peter Jef. Reizen deed hij ook graag: eenmaal per jaar met tante en met Gerda in de auto (niet deze van het ijs en de wafels, ze bezaten een personenauto ook) naar Zwitserland. En ook naar Sint-Niklaas, één dag, de jaarmarkt. Misschien heb ik het er ooit nog over.

Johan de Belie

Het hoekje van Opa Adhemar (4)

Het hoekje van Opa Adhemar (4)

Vorige keer had ik het over die zomers aan zee. Maar er waren ook winters in die jaren. De winter dat was vooral de periode van kerstmis. En later, heel wat jaren later, raakte die tijd verbonden met één boek dat ik dan telkens herlas: ‘Eline Vere’ van Couperus. Die sfeer, dat dromerige, dat zoet-zwoele, dat verdovend-zwangere, ach die betoverende Eline. En Vincent, en Otto van Erlevoort, ik zie al die figuren telkens voor mij verschijnen, in het salon, of op hun uitstapjes naar zee.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (4)”

Het hoekje van Opa Adhemar (3)

Het hoekje van Opa Adhemar (3)

Over lezen had ik het, eerst de strips, dan de pulpboekjes van Lord Lister. Maar dan kwamen de echte boeken. En het begon, er was geen houden aan, ik verslond hen, bladzijde na bladzijde, boek na boek, massa’s. Daar was bijvoorbeeld de reeks over Pietje Bell, de kwajongen uit Rotterdam, heerlijke boeken van Chris van Abkoude. Pietje met zijn kompanen Peentje en Engeltje, en zijn Bende van de Zwarte Hand. En de stuurse buurman drogist Geelman met zijn achterbakse zoon Jozef. Ik heb hen stukgelezen, tot en met ‘De zonen van Pietje Bell’. De films heb ik nooit gezien, ik denk dat die de magie van de letters niet hadden kunnen wegtoveren. Maar ik las dus, stapels boeken. In dat verband bestaat er een leuke anekdote. Maar misschien moet ik die situeren. Al vrees ik dat het schetsen lang zou kunnen uitvallen. Hopelijk herinner ik me straks nog waar het me om te doen was…

Mijn vader werkte bij de RTT, Regie van Telegrafie en Telefonie (in de volksmond Rap Terug Thuis: wat waar was want met dat ploegenstelsel op het kantoor in een provinciestad konden ze afspraken maken; en zo moesten ze er alleen voor zorgen dat de dienst tijdig open was en pas op het vaste uur gesloten werd. Niet zelden arriveerde hij dus bij een dienst tot 17u reeds om 14u of 15u terug thuis!
Mijn moeder werkte eveneens bij de RTT, later op de personeelsdienst, oorspronkelijk als telefoniste. Ja in die tijd beschikte alleen de happy few over een telefoon, telefooncellen zag je niet in het straatbeeld, en mobiel telefoneren kon uitsluitend bestaan in het brein van Jules Verne. Wie verbinding wou met een andere telefoon diende dus de telefoniste op te roepen; deze zat voor een schakelbord, manipuleerde enkele stekkertjes en legde zo contact tussen de twee toestellen. Bijkomend voordeel voor haar: via haar hoofdtelefoon kon zij het gesprek blijven volgen. Mocht niet, uiteraard, maar ja. Zo kenden ze de geheimen, roddels… Leuk. Soms gevaarlijk; bijvoorbeeld tijdens de Duitse bezetting want toen kon dit afluisteren nuttig zijn. En zo belandde zij plots in een auto op weg naar Gent, de gevangenis De Nieuwe Wandeling, geflankeerd door twee SS-ers, pistool op haar gericht. Nog een geluk dat hun collaborerende buurman haar had gewaarschuwd zodat hun pistool net op tijd verdween in de beerput, onvindbaar voor de huiszoeking. En ander geluk: dat diezelfde buur iets luider kon roepen en op tafel slaan dan de SS zodat hij twee dagen later mijn moeder wist huiswaarts te krijgen uit de doodskist waarin zij al vierentwintig uren opgesloten zat…, bewijzen waren er ook niet, alleen zeer sterke terechte vermoedens.
Enfin de RTT dus. Die mijn vader in staat stelde ieder jaar van Pasen tot eind september ‘het seizoen’ te doen, dat betekende een kantoor te bemannen aan onze kust. Voor hem in Heist aan Zee. Bijna zes maanden. Meer dan twintig jaren heeft hij dat gedaan. Hij hield er van. De sfeer, het geld (extra betaald, verblijf in appartement vergoed, fooien van tevreden vakantiegangers). Het was wel druk. Wat te doen: vooral zorgen dat telefoongesprekken tot stand kwamen, niemand had telefoon in zijn appartement dus waren ze aangewezen op het kantoor waar ze het gevraagde nummer gaven, en dan doorverwezen werden naar één der beschikbare toestellen: praten maar. En telegrammen, nog iets dat inmiddels zowat van de aardbodem verdwenen lijkt: de boodschap aannemen, via telex ofte linttelegraaf doorsturen; of omgekeerd, binnenkomende telegrammen laten bezorgen door de bode die fietsgewijs het stadje doorkruiste. Zes maanden, af en toe een dagje verlof. En wij?
Wel gedurende mijn eerste levensjaren, nog niet leerplichtig, trokken wij drie maanden mee naar zee: verblijf betaald door RTT, en eten moet je overal. Van de eerste jaren herinner ik me niet zoveel, logisch. Wel dat we een huisje huurden van een schippersfamilie die voor de duur van ons verblijf verbannen werd naar een soort achterbouw terwijl wij hun living, keuken, slaapkamers in bezit namen. Minder prettig voor hen misschien, maar lucratief en rijk zal zo’n schipper niet geweest zijn. Veel weet ik niet meer, mijn souvenir is vooral culinair: de in de zon en zeewind gedroogde harde visjes waar je heerlijk op kon kauwen; beter dan de chocolade Koetjesrepen waar ik nochtans ook dol op was. Enkele jaren later verhuisden we van dat kleine huis in het dorp naar een appartement in een zijstraat van de dijk, zijzicht op zee, genaamd Christel, door ons genaamd ‘het Christelleke’. Uren doorgebracht daar. Vooral bij regenweer. En het regende vààk. Daar zat ik dan; met mijn moeder. Te lezen. Allebei. Soms te kaarten, steeds hetzelfde spel, wippen (what’s in a name?): ieder vier kaarten, vier kaarten in het midden, en verder… ik zou het niet meer weten. We speelden niet om iets te winnen. Al wachtte er op zo’n miezerige dag altijd wel een taartje, als troost. Scheen de zon dan kon die de bakker vervangen.
De zon, tijd om naar het strand te trekken. Wat had mijn moeder daar een hekel aan, zij haatte het zand en als er nu iets veel voorradig was op het strand dan was het wel zand, veel zand, heel veel zand. Om een kuil te graven, om met mijn emmertje, schopje, plastic figuurtjes allerlei te fabriceren. Onze leesmomenten verplaatsten zich nu ook naar de open lucht. En mama maakte papieren bloemen die ik daar ‘verkocht’ of ruilde voor schelpen, een handel die overal bloeide op de tamelijk weidse vlakte. Af en toe bewoog ik me zelfs in het water, de golfjes kabbelend tegen kuiten en billen. Er was meer: de strandspelen!!! Georganiseerd door o.m. Le Soir en Het Rijk der Vrouw. Competitie tussen de jeugd: forten bouwen (wiens fort houdt langst stand tegen de oprukkende golven?), zaklopen, racen in trapautootjes, lopen met een ei in een lepel in de mond… je kon het zo gek niet bedenken. En nee, ik heb nooit iets gewonnen, ik stond steevast deemoedig met een troostprijs in de handen te kijken naar de stoere binken die met alle fraais aan de haal gingen; ik met een papieren vlaggetje van Le Soir, een zak waarin oude nummers van een damestijdschrift en een breicatalogus en twee nummers van Robbedoes, of (een hoogdag) een opblaasbare strandbal die na een week definitief lek was. Zalige zomervakanties…
Hoe dan ook, ik las er veel, ik las me te pletter. En daarom was ik dan ook ingeschreven in de Katholieke Boekerij van Heist aan Zee. Kwestie van me van dagelijks leesvoer te voorzien. Wat gebeurde er tot mijn grote ontsteltenis: de pastoor die instond voor het uitlenen van de boeken oordeelde na enkele weken dat ik teveel las. Teveel lezen! Hoe is dat mogelijk… Hoe dan ook, in zijn opvoedkundigheid oordeelde hij het nuttig en noodzakelijk mij op boekenrantsoen te zetten; ik moest maar “wat meer spelen”. Ik jammerend appartementswaarts met nog twee armzalige boeken, mijn oogst voor een ganse week! Dat was buiten mama gerekend die als een (beschaafde) furie naar de pastoor trok en hem zijn vet gaf. De maatregel werd prompt ingetrokken, ik kon zoveel boeken naar mijn hol slepen als ik wou…
Dat was dus de anekdote in verband met het vele lezen. Eind goed al goed. Van iets dergelijks heb ik in mijn thuisstad trouwens nooit hinder ondervonden. Misschien omdat ik daar om boeken te ontlenen steeds voorbij een leesadept als Hein Persyn moest, een wat wereldvreemde figuur voor wie literatuur en alle kunst heilig was. Later zou ik nog gedurende enkele jaren zijn collega worden, en groeide daaruit een vriendschap voor het leven. Helaas, de tijd dat we ergens een ijsje gingen eten – hij was inmiddels, gepensioneerd, in zijn heimat Brussel gaan wonen – is onherroepelijk voorbij. Tja, papieren bloemen op het strand, de smaak van gedroogde visjes, de strandspelen met hun forten, Hein… de dingen, de mensen die voorbijgaan. Maar boeken, Pietje Bell kun je nog steeds lezen, gelukkig… hopelijk staat er geen sikkeneurige pastoor op wacht.

Johan de Belie

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (3)”

Het hoekje van Opa Adhemar (2)

Het hoekje van Opa Adhemar (2)

Lezen. Ah, het échte lezen! Strips eerst. Nero, mijn favoriet. Petoetje en Petatje, Mijnheer en Madam Pheip, Jan Spier, Tuizentfloot en natuurlijk Adhemar. Weet dat ik hier nog een briefje heb van Marc Sleen, een antwoord op de vraag die ik als achtjarige hem stelde hoe een verhaal eindigde; hij antwoordde dat ik om dat te weten zijn volgende album maar moest kopen, de verdomde commerçant… Nero dus.

En ook Suske en Wiske. Het album ‘De zwarte madam’. Zij imponeerde mij meer dan de heks van Sneeuwwitje, de eerste film die ik in de bioscoop zou zien. Strips als eerste, beperkte, leesvoer.
Maar wie herinnert zich nog ‘Lord Lister’? Geen strip, heuse boekjes, telkens 32 bladzijden, gedrukt op krantenpapier, ze verschenen wekelijks. Steeds met een rode voorplat, in het midden een zwart-witte tekening: een overval of gruwelijke misdaad, en linksboven het gemaskerde gelaat van Lord Lister alias John Raffles alias lord William Aberdeen zoals hij gekend was in de Londense society. Met zijn trouwe helper Charles Brand en zijn chauffeur James Henderson. Hij was arts, beschikte over een fenomenale kracht, was een meester in vermommingen (wat sprak dat tot de verbeelding), verplaatste zich met zijn duikboot Bruinvis of in zijn vliegtuig (Duivel der Lucht). Om het op te nemen tegen zijn vijanden Moloch, Mad Pete en de bende van het Kwade Oog; of tegen inspecteur Baxter van Scotland Yard die hem steeds op de hielen zat, en met wiens nicht Ellen hij een relatie heeft.
Maar vooral: Lord Lister is een gentleman-inbreker die geld en juwelen haalt bij de rijken, uitzuigers, zwendelaars; hij strijdt tegen onrecht. En hij geeft de opbrengst van zijn strooptochten aan behoeftigen en gedupeerden. Wat een heerlijke 2derangs lectuur was dat. ‘De radjah van Indragora’, ‘Het gestolen staatsstuk’, ‘Onrust op Marlebone Castle’, ‘Flitslicht in de nacht’… hoeveel uurtjes heb ik niet met rode oortjes doorgebracht met Raffles.
Rode oortjes, geen ‘Rooie oortjes’, dat erotisch stripverhaal zou pas vele jaren later opduiken en was niet aan mij besteed. Net zo min als wat toen wél bestond, het fotoblad ‘De Lach’, een soort Playboy van den Aldi! Nog vermelden dat Lord Lister in Duitsland ontstond in 1909, geschreven door twee auteurs; het werd vrij snel opgepikt in Frankrijk en waaide zo over naar Nederland en Vlaanderen. En… je kreeg er wekelijks achteraan de horoscoop bij!
Nu zijn herinneringen grillig, vaak te grillig. Kijk, van het misdadig (hoewel goedbedoeld) leven van Lord Lister flitste mij plots (bestond ergens een aanleiding?) een heel ander beeld door de geest. Het moet in diezelfde tijd geweest zijn dat ik mijn ouders vergezelde naar een optreden van de Wiener Sängerknaben in onze parochiekerk. Ach dat heerlijke jongenskoor uit Wenen, die hemelse stemmen, die muziek, en – laat ik het bekennen – dat betoverend uitzicht, die engelachtige knaapjes in matrozenpak; een geheel om bij weg te smelten. Neergedaald uit de hemel. Daar en toen moet mijn liefde voor de klassieke en religieuze muziek geboren zijn, niet zozeer het gregoriaans maar o.m. Bach, Buxtehude, en latere ontdekkingen als Hildegard von Bingen en de liederen uit de abdij van Montserrat. Helaas, enkele decennia erna las ik dat een schandaal was losgebarsten: seksueel misbruik bij en met de Wiener Sängerknaben. Achteraf moet het me niet verwonderen natuurlijk, ze leken te mooi, te zuiver, te puur; te gemakkelijk om bezoedeld te worden. En in die sfeer en omgeving… Nee, dan was het ‘misdadig’ brein van Raffles eerlijker en oprechter in zijn eenvoud…

Johan de Belie