Het hoekje van Opa Adhemar (25)

Het hoekje van Opa Adhemar (25)

Naar een soap als ‘Thuis’ kijken is al sedert lang niet meer betiteld als guilty pleasure. Wie ‘Familie’ dagelijks volgt daarentegen, die moet opletten, dat is toch een klasse lager. Hoewel de overacting grimassen van Jan Van den Bossche wel altijd garant staan voor een minuutje onvervalst amusement. Daarentegen, dan toch nog liever de opzettelijke humor van ‘F.C. De Kampioenen’; dat is dan weliswaar geen soap. Edoch, het heruitzenden jaar na jaar tot in der eeuwigheid amen, dat an sich heeft de allure van een zeepopera aangenomen! En daar verschijn ik dan plots. Met het schaamrood op mijn bebaarde wangen: iedere weekdag gedurende twintig minuten aan het scherm gekluisterd voor een zeepproduct getiteld ‘Home and away’. Jaja, thuis en wegwezen, inderdaad. Schande over mij. Mocht ik dan nog bijvoorbeeld zoals mijn echtgenote de vier afleveringen per week van Eastenders op BBC1 volgen, maar nee, daartoe wist zij mij niet te verleiden. Maar ‘Home and away’… ooit, enkele jaren geleden – zij en mijn zoon volgden het onding reeds een hele tijd – schaarde ik mij aan hun zijde. En haakte in bij de ongetwijfeld moeiteloos te volgen intriges. Die zich afspelen in Summer Bay, niet ver van Sydney, New South Wales; een fictief plaatsje. Zodat alles opgenomen wordt in studio’s te Redfern en men zich voor de talrijke buitenopnamen verplaatst naar Palm Beach. Het kon slechter voor de crew me dunkt.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (25)”

Het hoekje van Opa Adhemar (23)

Het hoekje van Opa Adhemar (23)

“Niet dat ik iets heb tegen een kerkhof; volstrekt niet. Maar… er zijn die stenen! Die te vele stenen, die wanstaltige, gestolde zee van zerken, die nachtmerrie van vloekende formaten en tinten, dat volledige gemis van architectuur, die bandeloosheid, gelaten aan de lelijke ijdelheid der overlevenden – al zij deze, op zichzelf beschouwd, gewis ook aandoenlijk.” Aan het woord is professor G.M. in het verhaal ‘Shalimar’ (1943) van Johan Daisne. Hoewel: even later staat de man samen met een oude collega te mijmeren bij een oud grafmonument waar een hen onbekende ligt; de inscriptie is inmiddels vervaagd, onleesbaar. Het zet aan tot filosofische, zelfs poëtische beschouwingen. Zo’n nachtmerrie is het dus al bij al niet.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (23)”

Het hoekje van Opa Adhemar (21)

Het hoekje van Opa Adhemar (21)

Er bestaat al zoveel kommer en kwel in deze wereld, laten we opteren voor een ietwat luchtiger onderwerp deze keer. Maar wat? Ach ja, zelfmoord, excusez le mot, zelfdoding bijvoorbeeld. Daar mag geen mens toch aan voorbijgaan. Drie per dag in Vlaanderen, gemiddeld. En 28 pogingen.

Een fenomeen zo oud als de straat. Enfin, of de neanderthaler het al kende is niet geweten maar in de jaren voor Christus was het in ieder geval al populair. Meest bekende is uiteraard Socrates hoewel dit een beetje een gedwongen zelfmoord was: veroordeeld tot de gifbeker. Maar gezien hij gemakkelijk had kon ontsnappen en dit weigerde, de dollekervel prefereerde… Dat geschiedde in 399 voor Christus.

Maar in 492 reeds was er die andere filosoof. Empedocles. Zijn zelfgekozen dood werd het mikpunt van heel wat grappen die verband hielden met zijn filosofie over de vier elementen. Het vuur liet hem in de krater van de Etna springen; het water… hij sprong overboord en verdronk; de lucht liet hem zich verhangen, en de aarde zorgde er voor dat hij uit een wagen donderde in de Peloponnesos, aldus weer andere moppentappers. Hölderlin vereeuwigde hem wel in een toneelstuk, toch een waardig einde tegenover al wie spotte met zijn theorie en dood.

Al even tragisch verging het Marcus Antonius die, onterecht vermoedend dat Cleopatra door zijn schuld dood was, zich op zijn zwaard stortte. Of hij tenslotte nog lang genoeg leefde om zijn allerlaatste adem aan haar fraaie boezem uit te blazen, wie zal het zeggen.Wel heel erg, vooral bloederig, is de dood van Cato de jongere. Ook hij probeerde het met zijn zwaard maar de toegesnelde zoon, bedienden en arts vingen hem op. De wonde werd geheeld, genaaid… Helaas, vastbesloten scheurde hij haar opnieuw open en rukte zijn ingewanden uit zijn buik. Wat een spektakel. Maar wat een eer: hij kreeg een plaatsje in het werk van Plutarchus (‘Parallelle levens’) en bij Dante werd hij de hoeder van het voorgeborgte. Bovendien verschijnt hij nog in enkele romantische toneelstukken.

En dan is er nog Diogenes, die van de ton. Hij zou zelfmoord gepleegd hebben door te stoppen met ademen. Dat lijkt me wel een moeilijke klus, en eventueel te getuigen van uiterste zelfbeheersing. Ik heb mijn twijfels. Zoals ik ook niet dadelijk naar Verona zal reizen op bedevaart voor Julia en Romeo.

Is zelfmoord zondig? Het is nog niet lang geleden dat zelfmoordenaars niet op gewijde grond mochten begraven worden. Nog erger, hun bezittingen werden verbeurd verklaard; en hun lichaam mocht de woning niet uitgedragen worden via de deur, er werd een gat in de muur geklopt en niet mensenhanden zouden hun buiten helpen maar honden of liever nog een ezel dienden het lijk met touwen uit het huis trekken. Ja de Kerk!

Gelukkig lijkt het alles ietwat soepeler te zijn nu. Hand in hand met de ideeën over euthanasie. Maar zelfs Thomas Morus in ‘Utopia’ (1535) kantte zich reeds fel tegen de idee dat zelfdoding zondig zou zijn. Net als de theoloog John Donne in zijn werk ‘Biothanatos’ uit 1646. En de Zweed Johannes Robeck in een tweedelig boek ‘De morte voluntaria’, verschenen in 1736 en 1753. Voorvechters dus, en geen geringe. 

“Er bestaat slechts één waarachtig filosofisch probleem: dat is de zelfmoord. Oordelen of het leven ja dan neen de moeite loont geleefd te worden, is antwoorden op de meest fundamentele vraag van de wijsbegeerte.” Aldus Albert Camus (in ‘Le mythe de Sisyphe’). Hoe beleeft de persoon die tot de zelfdoding besluit het leven… Voor hem is het bestaan zinloos geworden. Hij heeft geen interesses meer. Hij voelt, weet zich alleen (“Pour lui tout autre n’est qu’absence” noemt Paul Valéry het). Hij sluit zich definitief af van de maatschappij. Er is de zelfmoord met kort motief: een plotse trigger, een aanleiding, een vonk. Daarnaast is er deze van de lange strijd, met voorgaande depressies, culminerend in een teveel, een opeenhoping. Maar een verdere ontleding… ik keer terug naar de feiten.

Mathematici kunnen we ook op het fenomeen loslaten. Om vast te stellen dat er iets bestaat als collectieve zelfmoord. We moeten niet denken aan deze van de lemmingen; dat die schattige diertjes zich soms en masse van de kliffen storten bij wijze van afscheid van het banale aards bestaan is een fabel, het zou heel anders zijn. Nee, we moeten verwijzen naar b.v. de 73 Joodse verdedigers van het fort te Massada tegen de Romeinen in 73 na Christus die collectief ten onder gingen. Of de 900 godsdienstige fanatici van Jonestown, Guyana, die samen het loodje legden. En wat er gebeurde bij de beurscrash van 1929 toen de aandelen een forse duik maakten en zoveel gedupeerden hun waardeloos geworden papieren vanaf een hoge verdieping achterna doken. In Japan verloren veel militairen maar ook burgers het hoofd toen de wereldoorlog verloren werd. Iets minder collectief gebeurde dat in Duitsland, Hitler en enkele van zijn vrienden zagen het ook niet meer zitten; hadden ze het maar twee decennia eerder gedaan. Dan konden een aantal mensen hier ongetwijfeld onvermeld blijven. Nu komen die straks aan bod, helaas.

Japan, bij het verlies van de oorlog was de vertwijfeling van veel burgers zo groot dat het hun levenseinde betekende. Nu, zelfdoding is een begrip in de Japanse cultuur. Harakiri, wie ertoe besluit stort zich op zijn zwaard. En mocht de daad mislukken: een assistent staat achter hem klaar om met een gerichte slag het hoofd vakkundig van de romp te scheiden. Het kan niet misgaan. Desnoods, zoals bij de schrijver Yukio Mishima, stond achter de assistent nog iemand die deze op zijn beurt naar de Japanse jachtvelden stuurde. Nobelprijswinnaar Kawabata verging het in 1981 gelijkaardig. Net als de auteur Asamu Dazai in 1930; precies een jaar later pleegde op zijn graf zijn adept Hidamitsu harakiri. Woorden wekken, voorbeelden strekken… dat wist Goethe al toen zijn lijdende jonge Werther voor zovelen als fatale leidsman diende. Ook Akutagawa ging die weg op, schrijver van de Rashomon-verhalen, in 1951 verfilmd door Kurosawa. Zijn laatste verhaal eindigde hij met de woorden: “Is er niet iemand die de goedheid heeft mij tijdens mijn slaap te wurgen?” Een andere nobele Japanse traditie is de kamikaze, de militaire zelfmoord, deze voor keizer en vaderland. Soldaten die zich met hun tot bom getransformeerd vliegtuig te pletter storten op de vijand. Een soort legale zelfmoordterroristen dus. Over de extralegale wil ik liever niet uitweiden.

Nu het toch over geweld en oorlog gaat: gerelateerd aan de WO legden in Europa ook heel wat mensen er het bijltje bij neer. Wetenschappers, kunstenaars, schrijvers… Kurt Tucholsky in 1935, Ernst Toller (1939), Pierre Drieu de la Rochelle (1945), Walter Benjamin (1940)… het is een willekeurige maar pijnlijke greep. Schrijvers zijn toch al goede mikpunten van mijn onderwerp. Denk maar aan Virginia Woolf, in 1941 de jaszakken vol stenen het water instappend. Of Sergei Jesenin die zich ophing in december 1925 nadat hij met eigen bloed een gedicht schreef: “In dit leven is sterven niets nieuws/maar leven is natuurlijk ook niets nieuws”. En Ernest Hemingway (1961), Klaus Mann (1949), de Zweedse auteur Stig Dagerman (1954), vooral bekend van de roman ‘Het verbrande kind’. Deze omschreef de depressie: “Maar de depressie heeft zeven laden en in de zevende liggen een mes, een scheermes, een vergif, een diep water en een sprong van grote hoogte. Ik houd ermee op een slaaf te zijn van al dit gereedschap van de dood”. Uit zijn beroemde roman nog deze regels: “Het leven is één uitgestelde zelfmoord… Leven betekent strikt genomen niets anders dan dag voor dag de zelfmoord opschuiven.” Er is ook Cesar Pavese (1950), Thomas Chatterton die nauwelijks 17 jaar was (schilderij van Henry Wallis). En Marina Tsvetajeva (1941) die zo’n prachtige gedichten naliet. Net als Vladimir Majakovski (1930). De dichter Hart Crane sprong in 1932 overboord in de Golf van Mexico. Henry de Montherlant (1972) en Jean Améry (1978) die een boek over zelfdoding schreef ‘Hand an sich legen’: “De zelfgekozen dood is een privilege van de mens” noteert hij daar. In het rijtje past ongetwijfeld Gérard de Nerval (1855), troosteloos bengelend aan een gaslantaarn in mistig Parijs, het lijkt een Simenon-Maigret-verhaal.  Natuurlijk mag ik Vincent Van Gogh niet vergeten, hoewel het licht omstreden is of zijn dood in 1890 wel zelfmoord was dan wel te wijten aan een ruzie met enkele jongeren. 

Eiste de val van de beurs slachtoffers, ook iemand op het toppunt van roem en rijkdom kon er wel de brui aan geven, zoals George Eastman, stichter van de Eastman Kodak Company; hij liet een briefje achter voor zijn vrienden: “My work is done, why wait?”. Nuchter en zakelijk! Hoewel hij tenslotte geen zelfmoord pleegde maar stierf ten gevolge van alzheimer wil ik toch Emil Cioran vermelden, voorvechter van (collectieve) zelfmoord, en schrijver van zinnen als (uit ‘Bittere syllogismen’): “Ik geloof in het heil van de mensheid, in de toekomst van de cyaankali…”. Cynischer kan nauwelijks.

De mathematici… collectieve zelfmoord, maar er bestaat ook deze met twee, de dubbelzelfmoord, in het jargon ‘suicide à deux’. Meestal betreft het liefdesparen die samen voor de trip naar het zwarte gat, of naar het licht (al naargelang van hun opvatting) kozen. Al was de liefde niet bepaald steeds de oorzakelijke factor. Soms wel, indien de realiteit hun band in de weg stond. Beroemde casussen zijn o.m. de schrijvers Stefan Zweig en Lotte in 1942 (in Petropolis, Brazilië), Arthur Koestler en zijn echtgenote in 1983. Op 12 november 1811 waren het Heinrich van Kleist en Henriette Vogel. Kleist motiveerde de daad in een brief: “Voeg daarbij dat ik nu een vriendin heb gevonden wier ziel vliegt als een jonge adelaar, een vriendin zoals ik nog geen in mijn leven heb gevonden: die mijn droefheid als een hogere, diep gewortelde en ongeneeslijke begrijpt, en die daarom, alhoewel ze middelen genoeg ter hand heeft om mij hier gelukkig te maken, met mij wil sterven, die mij de ongehoorde lust verschaft, zich om deze reden uit een onbekommerd bestaan, zoals een viooltje uit de velden, te laten wegrukken, (…) dan zult ge begrijpen dat heel mijn juichende zorg slechts kan zijn een afgrond te vinden, diep genoeg om me er met haar naar beneden te storten. Nogmaals adieu.”

Het was Sartre die zijn toneelstuk ‘Les séquestrés d’Altona’ liet eindigen met de dubbelzelfmoord van de hoofdpersonages, vader von Gerlach en zijn zoon Franz: oorzaak, de onmogelijke verstandverhouding en gebrek aan liefde. Bij Herman Teirlinck in diens stuk ‘De vertraagde film’, mislukt de daad, beide worden ze gered van de verdrinkingsdood – maar niet voor hun relatie want net op het cruciale ogenblik kwamen ze tot inzicht “tot op de bodem is onze ziel omgespoeld”.

Teirlinck… Het lijkt tijd om het even dichter bij huis te zoeken en kort te grasduinen in de Nederlandse letteren. Ja daar zijn ook heel wat zelfmoordenaars aan te treffen, vooral onbekende. En het feit dat zij tot zelfdoding overgingen lijkt mij onvoldoende reden om hen aan de vergetelheid te ontrukken; dat ze in vrede rusten. Dus beperking! Vreemd natuurlijk dat ik start met André Baillon vermits hij, geboren in 1875 te Antwerpen, in het Frans schreef; en toch tot onze literatuur blijkt te behoren. Hij ‘deed het’ in 1932 nadat hij de tafel gedekt had voor één persoon, en dan bloemen strooide tot de trap, op de trap en zo verder tot zijn slaapkamer… een geurig kleurrijk dodelijk spoor. Anders dan Dirk De Witte die zich opsloot in zijn witte Anglia in 1970. Hij schreef twee bundels breekbare verhalen en één roman. Loekie Zvonik memoreerde een reis met hem in haar uitstekend boek ‘Hoe heette de hoedenmaker?’. Er was Daniel Robberechts (1992), Menno ter Braak (1940) die het met Veronal deed, de dichter Nico Slothouwer (1987) en Joost Zwagerman (2015). En grapjas Adriaan Venema die in 1973 overal voor een publicatie over zijn verzonnen zelfmoord zorgde en de literaire wereld daarmee een schok bezorgde; om tenslotte pas in 1993 werkelijk tot de daad over te gaan! Er is ook Jan-Emiel Daele (1978) die vier dagen voor zijn zelfmoord zijn echtgenote reeds over de kling gejaagd had, om zijn pad te effenen. Zijn nagelaten brief begon: “Ik ben nooit bestand geweest tegen de maatschappij, de wereld, het leven, de mensen. Soms heb ik proberen te strijden, veel vaker heb ik de nederlaag geleden.” Ik mag niet voorbijgaan aan die excentrieke kerel Jan Arends, wat een leven – en wat een te beperkt oeuvre van gedichten en teksten als ‘Keefman’: hij sprong finaal in 1974. Ik besluit met dat icoon Annie M.G. Schmidt dat verkoos minder eeuwig te zijn dan haar creaties zoals Jip en Janneke of Mien Dobbelsteen uit de tv-serie ‘Ja zuster, nee zuster’; zij ging haar beroemde ‘spin Sebastiaan’ achterna. Of nee laat ik toch Jotie T’Hooft niet vergeten, de Vlaamse ‘poète maudit’ (nu ja?) die in 1977, hij was 21, iets teveel cocaïne gebruikte. Hij liet o.m. dit na: “Dit gedicht: zelfmoord/bestaande uit: ik, ik heb geen ogen meer/ik heb geen oren meer/ik heb geen handen meer/ik heb geen woorden meer, ik,/ik ben niet meer.”

Nu zou ik het nog over de musici moeten hebben vermits het fenomeen ook daar blijkbaar tamelijk populair is. Evenwel… het koord tussen zelfdoding en overdosis blijkt vaak zo klein dat er nogal dikwijls al dan niet gerede twijfel opduikt. Jimi Hendrix, Janis Joplin, Amy Winehouse, Whitney Houston, Jim Morrison… Herman Brood, die zorgde tenminste voor duidelijkheid. Net als het Belgisch echtpaar, de pianisten Patrick Crommelynck  en zijn echtgenote van Japanse origine Taeko Kuwata die in 1994 te Auderghem door verhanging dubbelzelfmoord begingen. Maar zelfs Tsjaikovsky’s zelfmoord werd, uit opportunisme, in twijfel getrokken. 

Zo, wie nog meer wenst hale ‘Madame Bovary’ van Flaubert uit de boekenkast. Of verdiept zich in de wederwaardigheden van ‘Hedda Gabler’ van Ibsen. Tenzij hij zich meer aangesproken weet door het sprookje van Grimm ‘Repelsteeltje’, maar dan wel de originele versie, niet de kindvriendelijke waar het lelijke ventje stampvoetend in de aarde verdwijnt – nee, hij scheurt zichzelf vertwijfeld en woedend in twee, een bloederige zelfmoord. Het is niet àl kommer en kwel: dominee François Haverschmidt (pseudoniem Piet Paaltjens) schreef het gedicht ‘De zelfmoordenaar’ waarin: “…en intussen hing maar steeds aan zijn tak, op zijn dode gemak, die mijnheer, tot verbazing der mussen.” Veel later, de mijnheer is dan al een geraamte, zal hij een minnend koppeltje de schrik van hun leven bezorgen… Detail: de auteur zelf zou zich inderdaad in 1894 ophangen.

Het ga u goed lezer… RIP              

Johan de Belie

Het hoekje van Opa Adhemar (20)

Het hoekje van Opa Adhemar (20)

Dat ik met een schop onder mijn edele derrière uit de bibliotheek verwijderd werd, vermeldde ik laatst. Zo werd ik gekatapulteerd richting stadhuis. Dat was gelukkig over geen al te grote afstand, nauwelijks enkele honderden meters. Dus gezwind, enfin met bezwaard gemoed naar het hoofdkwartier, naar de plaats waar de lakens werden uitgedeeld. Onder het mom dat men daar op een dienst zeer dringend behoefte had aan een bekwame administratieve kracht. “Mijn oor!” zeggen ze dan… Fraai excuus. Welke dienst mocht dat dan wel zijn?

Ik arriveerde. Hemeltje. Of liever: hel! De boekhouding. Wat wel bleek te kloppen, ze hadden iemand nodig. Maar of ik nu net die gegadigde diende te zijn? Na 7u en 45 minuten had ik het wel bekeken. Cijfers. Ik die gehuwd was met letters, bij voorkeur letters in een bepaalde volgorde geplaatst, tot zinnen geordend, in boeken terechtgekomen. No way. De volgende dag meldde ik me ziek. Indien ze dan toch zo om iemand verlegen zaten, zochten ze maar een ander slachtoffer. 

Twee weken later was ik opnieuw paraat, kiplekker zeg maar. Wat hadden ze nu in petto? Niets natuurlijk. Maar och, bij de dienst bevolking kan er altijd eentje bij. We zullen hem daar al stoppen. Zodoende kwam ik onder de hoede van de al bijna stokoude Marcel. Taak: identiteitsgegevens van alle nieuwe ‘burgers’ (inwijkelingen en borelingen) op metalen plaatjes printen. Deze konden afgedrukt worden waar nodig, op grote fiches van gezinssamenstellingen en andere volgens woning. Eventueel dienden deze gegevens op het plaatje aangepast, burgerlijke staat enz.

Marcel, een nukkige man. Maar indien je deed wat hij vroeg en hard werkte (dat laatste vrij ongewoon, sorry voor het cliché maar het gold voor de meesten toen) was je zijn vriend. Dat werd ik. Een vreemde vogel wel. Hoewel hij vast niet arm was, met zijn echtgenote betrok hij een kleine villa in een buitenwijk van de stad, kinderen hadden ze niet, was hij zo gierig als… tja “als de pest” zegt men al weet ik niet waar die uitdrukking op slaat. Zo ging hij steeds op het einde van de donderdagse markt zijn fruit en groenten kopen op het ogenblik dat de handelaars inpakten: het onverkochte werd dan aan dumpingprijs van de hand gedaan. Hij aarzelde ook niet om wat op de grond getuimeld was, gekneusd en als onverkoopbaar bleef liggen, op te rapen en in zijn tas te verzamelen. De dagelijkse rit per fiets was een bron van inkomsten: wat hij al niet aantrof op zijn weg! Alles verzamelde hij, alles was bruikbaar. Ooit vroeg ik hem wat hij zou aanvangen met de drie gedeukte thermosflessen die hij net veroverd had. “Die kunnen nog wel eens voor iets dienen” was het vage antwoord.

Zo’n zes maanden zij aan zij en toen was het voorbij. De bureauchef ging met pensioen. Zo’n job stelde niet veel voor, de boel in de gaten houden, verveling troef. En dus had hij zich een extraatje toegeëigend: de dienst vreemdelingen, wat ongeveer telkens een halve dag beslag op hem legde. Zijn plaatsvervanger zag dit evenwel niet zitten en schoof deze taak door naar de bevorderde onderbureauchef.

Ocharme. De brave man sloeg tilt bij de idee. Telkens iemand met een andere tint zijn loket naderde kreeg hij zowat alle kleuren van de regenboog. En de druppels transpiratievocht die zijn lichaam verlieten iedere werkdag! Niet dat hij xenofoob was, hij rilde en trilde van angst: hij had geen inzicht in de materie. En hij kon zich niet uit de slag trekken met enige vreemde taal wat weliswaar geen must was (in feite zelfs wettelijk verboden) maar bijzonder onhandig. Zodoende deed hij vrijwel onmiddellijk wat dat betrof een beroep op mij. En reeds de eerste week zond hij steeds vaker radeloze blikken mijn richting uit. Zelfs het eenvoudig verlengen van een verblijfsvergunning liet hem doodsangsten uitstaan.

Ik diende meer en meer ter hulp te snellen. Na twee weken was de zaak beklonken, ik kwam op de vreemdelingenstoel terecht en de resterende tijd kluste ik bij voor de bevolkingsdienst – wat niet lang zou duren. De administratie. Niet bepaald mijn droom. Geen idee of ik het had volgehouden zonder het tegengewicht van de nevenactiviteiten. Het recenseren, het regisseren. Ik stond ’s ochtends zelfs een uur vroeger op om te kunnen lezen, zonder dat uurtje lectuur had mijn dagtaak me onoverkomelijk geleken.

Maar het werk zelf hielp ook. Dit was niet louter administratie. Dit was omgaan met mensen, me verdiepen in dossiers waar vaak een problematiek achter verscholen was. Dit was dikwijls helpen, een gevecht tegen regels. En dus boeiend en dankbaar. Bovendien, niet onbelangrijk voor de eenzaat die ik was, hier had ik een plaatsje voor mezelf veroverd. Geen rekening houden met collega’s, geen rekenschap afleggen; behalve aan… ja aan wie, aan het grote opperhoofd, de Manitou, de burgemeester. Dat was inmiddels de alom bekende Freddy Willockx. In de stad ook wel de Turkenvriend genoemd. Of hij werkelijk een voorkeur had voor de getinte medemens heb ik nooit gemerkt, wel dat hij opkwam voor minderbedeelden en streed tegen onrecht.

Op die wijze kwam ik vaak met hem in aanraking. Het was bekend dat zijn deur openstond voor mensen met problemen. Dus klopten al die mensen van vreemde nationaliteit die met een dossier in de knoei zaten bij hem aan. Meermaals per week overlegde ik dan ook hoe een probleem kon opgelost worden. Al vlug had hij door dat we op dezelfde golflengte opereerden. Onoprechte vragen werden geklasseerd. Voor de andere, de meeste, liepen we het vuur uit onze sloffen. Een visumaanvraag voor iemand die twee maanden naar België wou komen, een ‘gezinshereniging’ waarvan de documenten niet in orde bleken wegens een administratieve fout… noem maar op.

Het hielp dat ‘Freddy’ tot de hoogste regionen kon doordringen om vriendelijke verzoeken te doen. Indien we de vraag humaan konden rechtvaardigen. De dankbaarheid was groot. En duurt, nu ik al tien jaar met pensioen ben, nog steeds verder: telkens ik me buiten begeef in de stad word ik aangesproken door ex-cliënten, inmiddels uiteraard meestal genaturaliseerd. Die eenzame job bleef trouwens niet lang duren. De komst van familieleden en vooral de vluchtelingen… Al vlug werkte ik een ganse dag aan het ‘vreemdelingenloket’, diende daarna een collega om bijstand te vragen. Tot die kleine cel tenslotte uitbreidde tot vijf personen en ik eindigde zonder contact aan het loket, nog louter de ingewikkelder wordende wetgeving lezend en de probleemdossiers behandelend.

Dit en het toenemende politieke gezeur: blij dat het pensioen tenslotte wenkte hoe prettig het ook al die jaren was. De collega’s. Suggereerde ik dat er weinig gewerkt werd, daarmee het cliché bevestigend. Sorry, natuurlijk waren er zeer plichtsgetrouwe bedienden, en er was de middenmoot. En een enkeling deed ronduit niks. Zo ging dat nu eenmaal, het weddezakje was voor iedereen even vol. Er waren de amusante ogenblikken. De verjaardagen, de jarige vergastte de bende dan op – naar zijn zin of beurs – op koffiekoeken, taartjes of, later jaren, ook belegde broodjes. Uiteraard werd er tijdens de diensturen heel wat gepraat, officieuze minuten, en tweemaal per dag tien minuten officieel als koffiepauze terwijl er in feite de ganse dag sloten koffie gezwolgen werden. Toen roken op kantoor verboden werd trokken de geviseerden als een meute naar de binnenplaats om aan een saffie te lurken. Tot de gezonde lammeren concludeerden dat de bokken wel flink in het voordeel waren: voor hen betekende dit dus per dag 2x tien minuten extra pauze om lekker longkanker op te lopen! Het licht in andermans ogen… Dus dienden de rokers de koffiepauze te benutten voor hun duivelse gewoonte.

Er was wel vaker zo’n akkefietje. Velen hadden de gewoonte om op donderdag de middagpauze te benutten voor hun aankopen op de markt, donderdag marktdag! Soms werd er een vers gebraden kip meegebracht die nog heet en geurend in de zak lag te lonken naar de hongerige magen. Maar die geur, de ganse namiddag leek het kantoor wel een kippenkraam. Na maanden kwam er protest en werden de malse kippenboutjes verbannen naar het archief. De oude dossiers wisten niet wat hen overkwam met de nabijheid van die uitdagende blote hete billen.

Vaak, één avond per week, werd er ook na werktijd een stapje in de wereld, enfin in een of andere kroeg gezet. Dat was heel goed merkbaar aan de trieste blikken de volgende ochtend, de wallen, het werktempo. Het hoeft geen uitleg dat ik mij van dergelijke uitspattingen onthield. Zoals ik bijna steeds ontsnapte aan de massale verplichte nieuwjaarsreceptie – deze jongen dook weg en huiswaarts. Zoals hij zich evenmin meldde voor het dinertje der collega’s achteraf. Me nooit beklaagd telkens ik de verhalen hoorde, het eindigde steevast in teveel drank, geroddel en soms zelfs herrie.

Er bestond trouwens iets als De Vriendenkring, voor al het stadspersoneel; de idee alleen al…! En een tijdschrift, De Belleman, dat was andere koek, daar wou ik dan mijn eenzaam steentje wel aan bijdragen in de vorm van een column. Wat ik zelfs gepensioneerd nog bleef doen. Tot – inmiddels was er een ander bestuur en een ander regime – men een passage wou censureren. Wat ik weigerde. Alles of niets. De twee partijen bleven koppig. Het werd dus niets, en meteen besloot ik geen letter meer in het blad te publiceren. Een opvolger-columnist vonden ze niet. Tot mijn afkeurenswaardig genoegen.

Allochtonen, jarenlang mijn leven en omgang. Of er ooit problemen waren? Eerlijk gezegd niet. Zelfs wanneer er een strikte ‘nee’ diende opgeworpen worden dan nog kon alles minzaam geregeld blijven. Agressie? Nee. Of toch, één keer. Met twee jongens. De enige keer dat ik zelfs de politie diende in te schakelen om hen van het loket en uit de gang te verwijderen. Wat ik me tenslotte nog beklaagde. Er was een ‘sluis’ die van uit de gang van het stadhuis via twee deuren naar buiten leidde, een kleine ruimte dus die onzichtbaar bleef voor ieders ogen. En daarin namen de twee ter assistentie geroepen pakkemannen de knapen mee. Ik zag niks maar hoorde des te meer. Het was de tijd van de harde aanpak. Heden ten dage zal dat hopelijk niet meer op die wijze gebeuren; hoe dan ook, ik was geschokt. 

Wat er nog wel gebeurde: in onze verder brave stad (toen) baatten twee broers een ‘dancing’ uit in het centrum. Waar ze Filipijnse jongedames lieten dansen. Die kwamen hierheen met een tijdelijke verblijfs- en werkvergunning. En moesten zich dus laten inschrijven. Dat veroorzaakte steevast heel wat opschudding, zo’n vier of vijf schaars geklede schoonheden aan het loket. En de procedure nam tijd in beslag: paspoorten controleren, visa, vergunningen, documenten typen… Beroering binnen het kantoor en in de gangen. Ik werd benijd. De toevoer van een nieuw contingent van al dat fraais liet nooit lang op zich wachten. Vooral omdat de broers nog een ‘bar’ in een deelgemeente bleken te bezitten. Was het dubieus? Alle papieren bleken steeds in orde. Tot ik op een avond door de politie naar hun bureau gehaald werd. Waar zich een aantal meisjes bevonden, geflankeerd door iemand van Payoke, de Antwerpse vereniging die zich inzette voor deze vrouwen. Tja, deze meisjes had ik dan niet gezien; papieren niet in orde stelde ik vast… Telefoon naar de permanentie in Brussel, uitwijzingen maken, en verder was het woord aan Payoke en de advocaat. En aan de broers die enkele maanden later hun actieterrein naar Nederland verplaatst hadden… Meteen het einde van de kleurrijke optocht in de gangen van het duffe stadhuis.

Pensioen. Goed, ik was en bleef een eenzaat. Maar toch had ik al die jaren lief en leed gedeeld met die mensen. Dus blij, om meerdere redenen, dat ik de werkzaamheden kon stopzetten, maar het afscheid… Dus bood ik iedereen toch maar een etentje aan. Waar kon dat beter gebeuren dan in restaurant ‘Het laatste avondmaal’! Daarna keerde ik definitief huiswaarts met onder de arm een reuzekalender waarop telkens foto’s van alle collega’s in diverse settings passend bij mij of bij het seizoen. Wat een herinnering… En een zwart gat? Er waren boeken, veel boeken, heel veel boeken…      

Johan de Belie