Het hoekje van Opa Adhemar (32)

Het hoekje van Opa Adhemar (32)

Een klasfoto, zwart-wit, stevig karton, formaat prentkaart. Drie rijen knapen, enfin jongens, of zijn het jongeheren… afgeborsteld en duidelijk toch ietwat mooier in het pak dan hun doordeweekse outfit, hun kloffie vermoedelijk. De eerste rij zittend, daarna staand, de derde blijkt zich, verheven, op een uit de turnzaal aangesleepte bank in evenwicht te houden.

In het midden van de eerste rij bemerken we twee oudere, nog net niet bejaarde, heren. In priesterdracht. Ik herken de klastitularis en de superior, deze laatste dus het opperhoofd van de school. Centraal uiteraard. Je leest het van hun ernstig gespannen gelaat: zij zijn het die de groep om hen heen naar de volwassenheid moest leiden, dat was hun taak, hun hoop, hun verwachting, hun nachtmerrie. Zo zitten zij hier, plechtstatig, schuldbewust, en voor hen staat een groot bord (zwart) met witte letters. We lezen: AMAT VICTORIA AC VINCIT DIFFICILIA. Een aantal letters zijn groter gecalligraffeerd: wanneer je hen omzet in onze meer gebruikelijke rekentaal kun je het jaartal ontcijferen. Zo weet je meteen in welk jaar deze bengels hopelijk afstuderen en hun zitvlak verheffen uit de schoolbanken, hun humaniora achter zich zullen laten. Een Latijnse tekst… ja het betreft de afdeling Grieks-Latijnse, het laatste jaar, de retorica genaamd. Maar ergens moet een onverlaat toch ook kunnen cijferen, een jaartal dus, laat eens zien, hemel zowat vijftig jaren geleden… 
Daar zitten, of staan, ze dan. Negentien individuen. Wat is er van hen geworden. Waarheen heeft het pad des levens hen gevoerd. En op welke wijze? De ene met een ossenwagen, de andere per fiets, of pendelend, de trein, de auto, een enkeling schopte het mogelijk tot de limousine. Geen idee. Velen verloor ik uit het oog, ze verdwenen in de nevelen van de tijd, opgeslokt door de mist der jaren. Met mijn toestemming. Wat heb je er aan om al die individuen jaren later te ontmoeten, hen in de veelal uitgedoofde ogen te blikken, te ontdekken dat al die verwachtingen en dromen en toekomstbeelden inmiddels berusten op de vuilnisbelt van langzaam vergleden dagen, maanden, jaren. Om enkele woorden te wisselen, nadat je moeizaam in de uitgezakte wangen, tussen de rimpels, onder dat kale schedeldak een vroegere klasgenoot herkende, om tenslotte hopelijk ook nog uit je geheugen zijn naam op te diepen (veel kans dat je Peter zegt tegen Achiel, terwijl er nooit een Achiel in de klas zat) en jij weet dat “jij bent x” terwijl hij y is, maar wacht, “je bent dokter geworden”. Welnee, totaal niet. En nee ik heb geen zes kinderen, dat moet Fred zijn… en ga zo maar door tot je allebei depressief afscheid neemt. Ontmoetingen met oud-klasgenoten, bespaar hen mij.
Die foto, kijk daar vooraan zittend dat is Luc. Een heel kleine jongen, nietig figuur. Bescheiden ook. Maar slim, clever. Gelukkig zit hij in front, anders ware hij onzichtbaar, onderdeurtje als hij was. Maar wel mooi gelaat, Grieks profiel, tengere gestalte. Ik had niet veel contact met hem en toch, onverwacht, nodigde hij me uit hem te vergezellen naar zijn tennisclub. Zomaar. In die jaren was tennis een elitair iets. Ja Luc was de zoon van industriëlen, van een clan van industriëlen zeg maar. Dus ik op de fiets richting stadsrand alwaar zich bevond: de tennisclub. Ach ach, de uitgestalde auto’s konden reeds een waarschuwing zijn, het tenue waarin iedereen gewikkeld was een tweede. De elite. Ik voelde me dadelijk een vis aan de haak. Hoe joviaal de verwelkoming ook was. Eens maar nooit weer. Luc… hij drukte niet echt de voetsporen van zijn voorvaderen, kwam in het bankwezen terecht; dus toch geld. En misschien tennist hij nog, met krakende gewrichten. Naast hem, die met zijn stekelhaar, is Jan. Zoon van kleine middenstanders. Kruideniers. Herinner me één eigenaardigheid: bracht iedere middag onveranderd zijn boterhammen met boulogne mee, spie genaamd in ons dialect, vervaardigd uit vooral paardenvlees, vierkant en donker van kleur. Blijkbaar lustte hij verder niks. Dat voert me naar Karel, hij staat uiterst links boven op de bank. Stoere gast, haantje de voorste. Vader was eigenaar van vleesverwerkend bedrijf in onze stad, vlees uitsluitend van paarden afkomstig: beleg in meerdere soorten, het voornoemde waarvan Jan zo’n vurig en gretig consument was, en gerookt. Hij moet ongetwijfeld ondanks zijn kennis van de oude talen tenslotte in het paardenbedrijf gestapt zijn. Terwijl Jan met spie en al notaris geworden is.
Het mag u mogelijk verwonderen dat ik hier vlotjes de namen weet te noemen van mijn medeplichtigen van dat jaar uit het verre verleden. Misleiding! In een dwaze bui had ik blijkbaar de namen achteraan mooi, accorderend volgens de foto, genoteerd; misschien in het vooruitzicht dat ooit Alzheimer onverbiddelijk zou toeslaan. Ook dat er uitsluitend mannelijke creaturen op de klasfoto figureren mag u wellicht verbazen? Weet dan, in illo tempore waren de meeste scholen niet bepaald gesteld op een gezelschap van beide kunne. In ieder geval de christelijke zuil niet, en het merendeel der scholen in onze stad hing deze leer aan. De tijden zijn veranderd.

Daarom dus: zie ons daar, negentien knulletjes, in de waan volwassen te zijn. Waarheen hebben de vergissingen van onze jeugd ons allen geleid. Waar kwamen we terecht. Daar staat Fred, die is tandarts geworden. Met mijn panische angst voor dat soort mensen die ik catalogiseer in de rij van slagers en veekooplui, kwam ik nooit bij hem terecht. Dat zou werkelijk het einde betekend hebben: een bekende die zich op dergelijk intiem niveau met mij zou bemoeien, mijn privacy schenden.

(Bovendien, tandartsen… Je hebt ergens in die lelijke holte midden je gezicht een plekje dat al wekenlang schrijnt en lastig doet. Of soms ronduit pijn – wat je met alle middelen tracht te bestrijden: de apotheker stopt je een verdovend mondwatertje in de handen, helpt uiteraard geen zier; pijnstillers, na vier gewone merk je geen verschil, de zwaardere dan heb je een voorschrift van de huisarts nodig, dat je dan maar met reeds gezwollen kaak gaat halen: “dit is toch iets waarmee u naar de tandarts zal moeten hoor!”, alsof ik dat niet weet, idioot. Twee, drie painkillers gecombineerd met een scheut jenever: als een zombie dwaal je door een nachtelijk huis, als een zombie mét tandpijn. Om tenslotte, inderdaad, de nachtmerrie: oh die moet er uit, prikje, krakkrak, spoelen, wat een slager, fout beroep gekozen zeker? Bedankt. Tot volgende keer. Volgende keer!!!). 

Naast tandarts in spe Fred, een beetje weggedoken vind je Yvo, tamelijk bescheiden figuur. Verrassend dat hij blijkbaar naar het buitenland trok, ontwikkelingssamenwerking. Hij zag er uit of hij nooit op eigen houtje de bus zou durven nemen. Hoe mensen zich vreemd weten te ontpoppen.
Dat mag zeker gezegd worden over Ludo, de bolleboos van de klas. Ging pol en soc studeren, politieke en sociale wetenschappen; zoiets waarmee je alle richtingen uit kan om tenslotte nergens te arriveren. Edoch, die slimme Ludo kwam wel ergens aan tenslotte. Het laatste wat ik over hem vernam was dat hij fungeerde als cafébaas in een kroegje in de Antwerpse rosse buurt. Dus toch nog goed terecht gekomen. Een ontmoeting met hem zou beslist enige stof opleveren, meer dan de voorspelbare clichéwoorden. Helaas, kan ik met goed fatsoen mijn dasje strikken en mijn schreden derwaarts richten? En indien mijn aanwezigheid langs de rode vitrines gesignaleerd zou worden, hoe geloofwaardig klinkt het dan “ik ging net een vroegere schoolvriend opzoeken”? Nee…

Dat ik regelmatig de drempel overschrijd bij John – hij staat achteraan in het midden – is geen probleem voor mijn reputatie, daar kijkt niemand van op, ik heb er de leeftijd voor, spijtig. Hij ook natuurlijk maar toch blijft hij af en toe kuchend en zuchtend de supervisie in zijn apotheek waarnemen. Leek me steeds een droogstoppel. Het absolute tegendeel van Marc. Het moet wel een ongeschreven wet zijn dat in iedere klas een clowneske figuur aanwezig is, iemand die de boel af en toe wat opvrolijkt, op stelten zet. Marc dus. Buitenbeentje. Een jaar ouder dan de rest: hij dubbelde ergens een jaar van de humaniora, hoewel lang niet dommer dan wij (misschien iets teveel buitenissige interesses). Zijn entree in onze klas was dadelijk opmerkelijk. Dat jaar zaten we niet in de klassieke banken maar aan tafels met losse stoelen. Iedereen zat braafjes neer toen hij, ons nog onbekend, die ochtend gezwind binnenstapte en naar de achterste tafel verwezen werd. Waarna prompt gedruis opsteeg: hij was er in geslaagd een poot onder de tafel uit weg te schoppen met de logische gevolgen, reputatie gevestigd. Hij zou op het eind van dit beruchte laatste jaar – op het dansfeestje dat we organiseerden – als dj fungeren. En slaagde erin de dag voordien zijn arm te breken; dat weerhield hem niet, al moest zijn trouwe kompaan en sidekick Ron wel de plaatjes opleggen, hij nam het (soms wat scabreuze) gebabbel voor zijn rekening. Tja, hij is vroedman geworden, zal de bevallende dames wel met een kwinkslag begeleiden vermoed ik. Die twee, toen platenruiters bij de genade van een plaasteren arm, zouden een leven lang vrienden blijven – terwijl we de anderen grotendeels uit het oog verloren, soms heel definitief vermits er inmiddels twee ons reeds ontvielen (statistisch gezien valt dat nog mee denk ik). 
Die tafels, dat laat me er aan denken dat we dat jaar heel ongebonden waren in de klas: de structuur van netjes op rijen werd doorbroken, de tafels werden in een halve cirkel geschikt, en bij de klastitularis mocht zelfs in de klas soms gerookt worden. Het waren nog eens tijden… Er dient gezegd dat jaren later, toen diezelfde revolutionaire leraar een echelon hoger steeg (hij werd de grote baas, superior dus), hij zich ontplooide (sic) tot een reactionair eerste klas, een tiran, onverdraagzaam, niks kon, niks mocht, alles was verboden. Het kan verkeren, Bredero wist het al en die kende de man nog niet eens.

Daar valt me Roland op. Werd ambtenaar bij het ministerie van financiën. Hij was één van de twee internen uit onze klas: je kon in onze school ook inslapend leerling zijn. Roland woonde in een dorp, tamelijk ver van onze stad. Wellicht daarom, of omdat hij liever niet iedere avond nog eens de koeien diende te melken – ja een boerenzoon. Wij de externen bekeken die wereld van de inslapers met enig medelijden. Terecht? Uitsluitend op woensdagmiddag waren we licht jaloers, dan geurden de gangen in het oude gebouw naar frieten. En dan mochten de internen ons nog verzekeren dat het maar slappe frietjes waren, die geur bleef ons lokken: het water sijpelde ons de mondhoeken uit.

Misschien heerste er ook wel een samenhorigheidsgevoel tussen die internen. Een sentiment dat wij kort mochten ervaren gedurende de jaarlijkse retraite. Er was nog geen sprake van bos- of zeeklassen, oh nee: wij werden nog veilig weggemoffeld in een klooster of abdij. Vijf dagen binnen de dikke muren, een aureool van heiligheid boven het hoofd, een wolk van wierook om ons heen en dagelijks naar de mis. Op school waren er trouwens ook twee misvieringen per week voorzien, ingecalculeerd tussen de lessen, wij hebben onze hemel wel verdiend. Er werd wat afgebeden die dagen, en er werd ons heel wat geïnstrueerd. Maar we hadden er ook veel plezier. En leerden er elkaar beter, en vooral anders kennen.
Mijn oog valt op de bladzijde in het album naast deze van de klasfoto: twee kleinere prenten, herinneringen aan de schoolreis die we datzelfde jaar maakten. De ene laat ons een reeks opgetogen, lachende en opgewonden gezichten zien in de autobus – een totaal ander beeld dan de uitgestreken smoelwerken op de officiële afscheidsfoto. De andere is een momentopname van Ivo, spring in ’t veld, die hier als een waaghals hoog in een boom zit. Wat wou hij bewijzen? Hij is in de politiek gegaan, beroeps! Eén figuur springt nog naar voren in mijn herinnering. Lieven. Hij begon in zijn eentje een schoolkrant uit te geven. Gelukkig met dadelijk enkele medewerkers zoals Ron die voor een muziekrubriek zou instaan. Ach de muziek van onze jaren, the Beatles, the Stones, al die Britse groepen en de piraatzenders. De onderwerpen van gesprek. Veel meer dan de meisjes, vreemd genoeg. Al waren ook zij wel – soms obstinaat – in ons privéleven aanwezig. Maar binnen het jongensbastion bleef hun aandeel veeleer beperkt. Of werd dit onderwerp op zo’n fluistertoon behandeld dat de klank vervluchtigt in mijn herinnering.
Zie ons daar zitten. Negentien individuen. Allen wachten ze op iets, dat hebben ze gemeen. Verwachtingen. Een toekomst, carrière, huwelijk, geboorte, echtscheiding, een griepje, kerstmis, een minnares, het winnend lot, kanker, eb of vloed, weduwnaar worden… En nu, het kapitaal lijkt opgebruikt. Laten we uit de foto stappen en veilig aansluiten bij de begrafenisstoet van een onbekende.     

Johan de Belie

Het hoekje van Opa Adhemar (31)

Het hoekje van Opa Adhemar (31)

De tijd schrijdt met reuzenstappen. Zo ben je onverhoeds grootvader van enkele beginnende tieners, dat zet toch even tot nadenken aan, tot een terugblik, tot enige hilarische wanhoop… Waar beland ik dan? In de tijd dat mijn kinderen diezelfde leeftijd bereikten. Een periode waarop zich enige onrust van ons, ouders, meester maakte. Het waren voor hen zo niet de jaren van verstand dan toch de jaren des onderscheids. Ik bedoel, deze van het onderscheid tussen de geslachten. En meteen deze van de opkomende geslachtsrijpheid en dito drift. Lach niet, het was een heel ander tijdperk, een andere eeuw, de prehistorie. De seksgoeroe Goedele Liekens schitterde nog niet aan het firmament, tinder diende nog uitgevonden te worden, je kon zelfs nog geen filmpjes bekijken op iets als een tablet vermits een tablet nog niet in de winkelrekken lag. ‘De Lach’ en ‘Playboy’, ja die bestonden wel al, maar onze onschuldige bloeikens van kinderen hadden daarvan vast nooit gehoord… of wel? Voorlichting dus!

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (31)”

Het hoekje van Opa Adhemar (30)

Het hoekje van Opa Adhemar (30)

Over een fenomeen uit de oertijd wou ik het vandaag hebben, de thé-dansant. Dan bedoel ik niet wat het waagt heden ten dage nog steeds onder die benaming her en der de kop op te steken, dat zijn of studentikoze afkooksels of evenementen die met die benaming goede sier wensen te maken. Nee, het gaat over de enige, echte TD zoals hij afgekort genoemd werd.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (30)”

Verhalen van Johan de Belie (7)

Verhalen van Johan de Belie (7)

Een vader… Het is een wat dubbel iets. Enerzijds betrokken, anderzijds toch toekijkend van de zijlijn. Een ietwat aarzelend fenomeen. Of ik het zelf zo sterk ervaren heb, niet bepaald. Al zal ik, vooral in de prille jaren van de kinderen wel toch vooral met enige afstand het zich ontrollend tafereel aanschouwd hebben. Niet dat ik geen pamper ververste of een flesje warmde en de speen tussen hun lippen wrong, dat wel. Maar de essentie? En ja, wat was die essentie, dat vraag ik me nu nog af. Het bleek met kleinkinderen makkelijker en logischer te zijn, vreemd toch. Maar goed, een vader, mijn vader, over hem wou ik het hebben. En bij hem speelde het wel sterk vermoed ik. Wat mij betreft, over zijn relatie met mijn negen jaar oudere broer kan ik me niet uitlaten. Naar mij evenwel is hij steeds blijven kijken vanop een veilige afstand, zo leek het; terwijl hij zich allicht – zonder dit te kunnen of te mogen uiten – ten zeerste bekommerde om mijn zieleheil en materiële welbevinden. Dat had zijn oorzaak. Besefte ik later, langzaam, steeds beter.


In enkele Hoekjes schreef ik reeds over hem. Vooral over zijn escapades in het theater. Eerst in de woonplaats van zijn jeugd Boom, daar vandaan sleepte hij voor de rest van zijn (en ons) leven de oneliner “Hij komt, hij komt, Blaak de goddelijke” mee. Daarna in de stad waar hij zich sedert zijn huwelijk vestigde bij de toneelvereniging Sint-Genesius om er de secretaris van te worden. Maar om er ook nog enkele podiumprestaties neer te zetten zoals de opmerkelijke rechter in ‘Tien kleine negertjes’ of zelfs onder mijn regie in het wagenspel ‘Het esbattement van den appelboom’. Ook onze reizen naar Dover vermeldde ik reeds, en de legale smokkeltochten naar Aken. En uiteraard kwam hij aan bod toen ik het had over de familiebijeenkomsten, zeg maar feesten, in de zaal van mijn tante Rosa. Of bij onze jaarlijkse verblijven aan zee waar hij als RTT-bediende aan de slag was. Nee, hij was dus niet uit mijn leven weg te denken. Toch speelde hij een zeer geringe rol. Hij had geen invloed op wat rondom mij of met mij gebeurde. Een toeschouwer, bijwijlen geïnteresseerd, veel meer leek hij niet te zijn. Die sociale, goedlachse, rondbuikige man, die binnenshuis vooral een stille aanwezigheid was en nooit liet peilen wat hem beroerde, wat diep in hem omging, een binnenvetter. Hoezeer hij zich om mij bekommerde en wat hem verontrustte. Pas later besef je waar zijn kwetsuren waren, welke wonden hem waren toegebracht, hoe diep ze waren. Dat de gelijkmoedigheid van zijn karakter dit alles jaar na jaar verdroeg, het leven zoals het was meesleepte. Dat de lach, het sociale, de uren na de vergaderingen in het café, dat dit alles het schild was om de realiteit van een innerlijke pijn te verdragen.
Hij bezat dus wel dat sociale maar een voorvechter was hij allerminst. Dat bleek overduidelijk, voor mij en in de loop der jaren steeds duidelijker omdat ik er meer oog voor kreeg én omdat het helaas ook manifester werd, binnen het gezin. Tussen ons drie dan want de oudere broer verdween geleidelijk van het toneel, meer uithuizig en tenslotte vroeg gehuwd. Vader onderging de dominantie, evoluerend tot subtiele tirannie van zijn echtgenote lijdzaam. Met de glimlach. Het was trouwens een psychisch spel, ik vraag me nu nog af in hoeverre hij het zelf besefte en eronder leed. Meestal trachtte hij zelfs haar buitensporigheden te verdedigen, gedrag te vergoelijken, daarbij zichzelf wegcijferend. Zij was de dominante, steeds geweest. Zoals zij ten tonele verscheen tijdens de oorlog in het verzet. Hij bleef aan de zijlijn, bevend toen de SS haar uit de woning weghaalde en naar de gevangenis in Gent bracht. Hij was op dat ogenblik, opgeëist als ‘controleur’; moest in het Waasland bij de landbouwers onderzoeken of ze niet meer dieren bezaten dan ze officieel hadden gemeld, bezit van gewassen e.d. Geen geliefd persoon tenzij… ja hij kneep blijkbaar veel oogjes dicht, wat hem talrijke vrienden in de streek bezorgde, en er voor zorgde dat zijn gezin geen honger had die jaren. Dat kan dus niet de oorzaak geweest zijn van zijn hamsterwoede: het lokaaltje op de eerste verdieping van het huis dat volgestouwd werd met blikjes, glazen potten, tabletten chocola, suiker, alle niet aan bederf onderhevige voedingswaren. Voldoende om een kleine kruidenierszaak te starten. Of een derde wereldoorlog te overleven. Maar een held was hij niet. Wel op zijn wijze sociaal. En hij had de streek leren kennen. Onder lichte, of sterke, aandrang van zijn echtgenote, en gestimuleerd door het feit dat zijn betrekking bij de RTT soepele werkuren en veel vrije tijd bood, heeft hij jarenlang een tweede job uitgeoefend: vertegenwoordiger. Rondrijden in de Wase polders, dat moet hem wel zeer gezind hebben. Ook later kon hij ons nooit ergens heen brengen of hij maakte talloze omwegen, met daarbij vaak tot onze ergernis, ellenlange uitweidingen over familiale toestanden van boer zus en boerin zo, en molenaar x en veldwachter y telkens we een herkenningspunt uit zijn verleden – en ze waren talrijk! – voorbijreden. Het andere aspect, al die kleine winkeltjes in de dorpen binnenstappen om daar zijn goederen uit te stallen (een tijdje waren het salonpoppen, geschikt om als pronkstuk in de zetel in de ‘mooie kamer’ te fungeren; daarna trachtte hij dekens, truien, sjaals van de firma Mantra te slijten) dat moet hem minder gezind hebben vrees ik. Hij was er de man niet naar om te overtuigen, en al helemaal niet om – beseffend dat de twee poppen die hij zou kwijtraken in dat kleine dorpswinkeltje over acht jaren nog bestoft op de plank zouden liggen – aan te dringen op de koop. Zo harteloos of geldbelust, nee… Dus denk ik dat hij vaak met klamme handen zo’n drempel overschreed en dat het geklingel van het belletje pijnlijk was voor zijn oren. De idylle dat was het rondtoeren. En rijk is hij niet geworden. Toeren, beperkt, grote reizen hebben mijn ouders samen niet gemaakt. Hij wel, en tamelijk avontuurlijk, wat ik niet zo dadelijk zie accorderen met zijn aard. Er getuigen een aantal foto’s: meerdere trips per fiets met collega’s, naar Duitsland, de Moezel en de Rijn, slapen in de tent, kamperen, buiten kokkerellen. Het waren de eerste huwelijksjaren. Ik heb hem nooit meer zo sportief gekend, zelfs niet meer in het bezit van een fiets! Die was, toen ik tot de jaren van besef kwam, al vervangen door een gemotoriseerd vehikel. Aan de Moezel hield hij wel een verhaal over dat hij menigmaal in gezelschap graag vertelde. Het fietsen moe had hun kleine bende besloten een afstand tussen twee dorpen per plezierboot af te leggen. Laat zich nu op dat schip een gezelschap bevinden dat op de plaats van bestemming verwacht werd voor een officiële ontvangst. Men legt aan en – toeval – papa stapt als eerste aan wal, hij ziet er, joviaal glimlachend en rondbuikig uit als een geboren en gezworen Duitser. De burgemeester van het dorp wuift de dirigent het magische gebaar toe, de blaaskapel start het oorverdovend getoeter en de eerste burger stormt op mijn verwekker toe met de woorden “Herr Direktor, herzlich willkommen”. Het kostte vader zijn beste Duits om de brave man van de identiteitswissel te overtuigen. Maar de vrienden mochten dan wel aanschuiven voor een welkomdrank om alles weg te lachen.     
Mijn vader. Hij schonk mij zijn familienaam. Zoals dat gebruikelijk is. Hoewel de wet momenteel ook een andere mogelijkheid voorziet. Minder voorkomend is evenwel dat ik meteen zijn voornaam meekreeg. Marcel. Nee, de naam onder dit Hoekje is een pseudoniem, laat u niet misleiden. Marcel dus, maar nooit gebruikt: roepnaam Marc, want mijn ouders hadden voor het kleine mormel dat ik was een afkeer van die voornaam. Waarom dan? Het was de schuld, zo vertelt de geschiedenis, van mijn oma – moeder van mama, die een grenzeloze bewondering, verering bijna koesterde voor mijn vader, haar schoonzoon. En eiste, de tirannie zat in de familie, dat deze pasgeborene te zijner ere zijn voornaam zou dragen. Waarom ze niet weigerden? Geen idee. Een erfenis kan niet gespeeld hebben want het mens bezat geen sou. Hoe dan ook, ik zou en zal tot het einde van mijn dagen de identiteit van mijn vader met mij dragen. Op alle documenten. Wat toen ik in de familieschoot woonde nog wel eens verwarrend kon zijn.
Herinneringen aan hem? Tedere? Nauwelijks. Toen ik klein was moet hij me wel op schoot genomen hebben en nu borrelen flarden van liedjes of gedichtjes in mij op die over zijn lippen kwamen. “Naar bed naar bed zei Duimelot, eerst nog wat eten zei Likkepot…”. “Te Lourdes op de bergen stond er nen elektrieken tram, niemand wist hoe dat da kwam…” en “We rijen naar Mechelen toe om zeep, om zout, om suiker en om smout.” Hoeveel maal zou ik die zinnen van hem gehoord hebben. Later is de communicatie helaas verwaterd. Hij was hoofdzakelijk een stille, zwijgende aanwezigheid. Bakkend en kokend soms, want dat deed hij graag, met liefde en uitstekend. Op zaterdag geurde het huis steevast naar zijn soep. En eten, smullen, zijn grote liefde; merkbaar aan het volume buik dat hij torste. Gezellig dik, zonder ooit de grens van het overgewicht te bereiken. Maar veel contact bestond er niet meer tussen ons. Alles verliep blijkbaar via het hoofd van het gezin, zij moet hem, voor zover het haar behaagde, op de hoogte gehouden hebben van mijn doen en laten. En omgekeerd: van zijn ideeën mochten deze die betrekking hadden op mij en mij van nut waren – een zeldzaamheid, die informatie bedoel ik, sijpelde slechts zelden iets door. Alsof ik nauwelijks bestond voor hem. Wat, besefte ik veel te laat, nu net niet zo was. 
Er waren momenten… Een uitstapje, een dag, naar Frans-Vlaanderen. Hij genoot intens van dat ‘samen’ op stap zijn, zijn echtgenote, mijn moeder, was er niet bij. En de reeds vermelde reisjes naar Dover en Aken, ook wij twee. Eén zo’n trip, de terugkeer vanuit Oostende, bracht ons gedurende enkele uren nauw samen. Zijn manie tot rondreizen en de idee dat hij via Nederland sneller thuis was, liet hem besluiten zo de nachtelijke terugrit te plannen. Waar ons midden de Hollandse akkers een mist overviel, zo dicht dat hij zelfs het wegdek niet meer kon zien. Met een slakkengang van enkele kilometers hebben we gedurende enkele uren onze vier ogen gebundeld om niet in een sloot te belanden, of tegen een boom te… knallen kon je het niet noemen aan die snelheid. Spannende ervaring, intieme beleving. Hoe twee mensen woordeloos intens samen kunnen zijn. Och ja die auto, een sinaasappelkleurige R4, geen kussens maar de zitplaatsen waren een soort zeildoek, gespannen op metalen buizen. Ooit, tijdens een rondrit door zijn geliefde polders, botste papa tegen een losgebroken en de verkeersregels aan zijn of haar laars lappend varken. Gevolg van de schok (in combinatie met het gewicht van de chauffeur en de geringe draagkracht van het ondersteunend doek): het zeil scheurde en de eigenaar van de wagen belandde met zijn derrière op de bodem van de auto (die gelukkig standhield). Geholpen door de eigenaar van de booswicht krabbelde hij overeind en kon, met een plank waar je een zetel verwacht, zijn toeristische uitstap verderzetten. Het varken kwam er met de schrik en een suffe kop vanaf blijkbaar.
Auto’s, later bezat hij een luxueuzer model. Ik kreeg de oude wagen, niet de R4, die was reeds ter ziele. Het werd een nogal triest cadeau. Een weinig fraai slot. Hij had zich net een nieuwe auto aangeschaft die op een bewuste avond in onze garage stond te niksen toen hij naar een vergadering moest. De oude, inmiddels plechtig aan mij overgedragen, bevond zich voor het huis. “Of hij toch niet nog eventjes deze kon gebruiken om zich te verplaatsen?” Uiteraard. Helaas. Glaasje op… Midden in de nacht telefoon van de politie: hij had, behoorlijk in de wind, een geparkeerd vehikel geramd en bevond zich roes uitslapend in een cel, weliswaar met open deur want hij had claustrofobie. En de auto, sedert vier dagen dus mijn auto: tot schroot herleid. Dan – tekenend voor de relatie, daarom dit verhaal – hoe de communicatie verliep: via moeder vernam ik dat hij mij een andere tweedehands auto zou kopen. Ik liet weten dat ik daaraan geen behoefte had, overbodige luxe, ik had geen auto nodig… Antwoord alweer via moeder: tranen van opluchting en dankbaarheid. Tussen hem en mij werd over het gebeurde geen woord gewisseld…
Hij moet ook heel wat te verduren gehad hebben met mij. Mijn bizarre hippiekleding bijvoorbeeld, dat moet hem een doorn in het oog geweest zijn. Desondanks trotseerde hij omwille van mij veel stormen besef ik. Wat moet hij gevoeld hebben toen we met het toneelgezelschap optraden in een kazerne in Duitsland, ik daar uit de autobus stapte in mijn lange jas in (namaak)bont tot hilariteit van de verzamelde boefers. In onze stede was men mijn bizarre verschijning gewoon maar hier natuurlijk… En welke harde woorden zijn er gevallen binnen de toneelkring op het ogenblik dat zijn zoon besloot te regisseren bij het concurrerend genootschap – blijkbaar heeft hij, de zachtmoedige, mij toen met hand en tand verdedigd. En hoe zal hij geleden hebben onder mijn depressies – onbegrijpend, gedwongen tot toekijken aan de kant, uitgerangeerd, nauwelijks geïnformeerd door zijn echtgenote die reeds jarenlang hààr welp afschermde.
Communicatie tussen ons, ze ontbrak vrijwel volledig. Dat bleek nog eens des te dieper toen mijn broer, 25 jaar, verongelukte. Ik was op school toen het bericht over het fatale mijn ouders bereikte. Het werd de droeve plicht van mijn vader om mij het gebeuren te melden en naar huis te halen. Aan de prefect die mij uit het evenement waaraan ik op dat moment deelnam moest verwijderen had hij allicht de toedracht verklaard maar ik werd enkel op de hoogte gesteld van het feit dat mijn broer een ongeval had. Meer kreeg hij in de auto niet over zijn lippen. Zodat het definitieve mij pas plots nogal ongenuanceerd duidelijk werd bij aankomst in de living bij moeder en huisdokter wat hem een bitter verwijt opleverde “dat hij hét mij nog niet eens gezegd had”. Hij had het duidelijk niet gekund, de woorden niet kunnen, durven formuleren; de werkelijkheid niet in taal omzetten. Vooral niet tegenover mij, die andere zoon voor wie hij nooit taal ter beschikking had… En zo zou hij het verlies in stilte blijven verwerken. Tot zijn eigen te vroege overlijden. Jarenlang leefde hij met een pacemaker tot hij genoodzaakt was afhankelijk te worden van permanente zuurstof. Twee à drie jaren bleef hij, die zo genoot van het sociale, de vergaderingen met café-achterafjes en toneelrepetities, gedoemd tot huisarrest, geklonken aan de grote zuurstoffles en pendelend tussen een bed in de voorkamer en zijn zetel in de living. In die zetel zat hij te schaterlachen toen ik hem tijdens mijn middagpauze eventjes gedag ging zeggen; hij had een familievriendin op bezoek… Zij was het die mij een uur later kwam verwittigen: hij was lachend, vrolijk plots overleden. Moeder de tragédienne, zij wist er een theater van te maken: zij zou hem, de geliefde, het huis niet uitsturen. Hij werd op een elektrisch snorrend koelend element opgebaard in de woning. Dicht bij haar, de vrouw die – toen ik een kwartier na zijn overlijden in huis arriveerde – aan het telefoneren was naar de bank om de nodige regelingen te treffen betreffende het veilig stellen van rekeningen en spaarboekjes… Exit vader. In stilte, zwijgend wat mij betreft. 
Het vaderschap. Iets vreemd. Er is heel wat over te zeggen. Er is ook veel over gezongen blijkt: ooit stelde mijn zoon een cd samen, ter gelegenheid van Vaderdag 2005, met liedjes over vader. Papa Classics Compiled. Wel, niet alles was zijn noch mijn muzikale smaak, getuige de aanwezigheid van Bob Scholte (Vadertje lief). Natuurlijk was er ‘Papa was a rolling stone’, en van Fleetwood Mac ‘Oh Daddy’, ‘Sugardaddy’ van Billy Bragg, Madonna en George Michael (Father Figure). Nederlandse: Doe Maar met ‘Pa’ en Kinderen voor Kinderen met ‘Ha, ha, ha, je vader’. En dat vreemde met breekbare intro van Siouxsie and the Banshees ‘Mother/Oh mein papa’. Tenslotte de favorieten, Morrissey ‘Don’t make fun of daddy’s voice’ en Nick Cave ‘Papa won’t leave you, Henry’.
Mijn vader. Er prijkt een foto van hem – naast deze van mijn broer – in onze ongebruikte open haard. Alleen zijn gelaat is te zien. Hij toont zijn wat schuchtere, bescheiden, teruggetrokken glimlach. Veel mysterie gaat er niet achter schuil. Het is woordeloos. Maar liefde, ja liefde die moet er toch wel ergens in verstopt zitten, hoe moeilijk het ook was haar te uiten. Na zoveel jaren blijkt dat de grens van de dood misschien niet zo groot is, dat ik me pas nu dieper en echt bewust word van zijn echte gevoelens, van wat werkelijk in hem leefde maar waarin hij nooit slaagde het te communiceren. Noch ik om het te ontvangen.  

Johan de Belie

Het hoekje van Opa Adhemar (29)

Het hoekje van Opa Adhemar (29)

De stad. Mijn stad. Waar ik geboren en getogen ben. Een provincienest van zo’n 77.000 inwoners. Ik dus één ervan, al zo’n 70 jaren lang, tot mijn schade (en schande). Zij ligt er al sinds de 13de eeuw. Met drie deelgemeenten, twee landelijke en een inmiddels tamelijk verstedelijkte. En met het grootste marktplein van België, bij decreet uit de verre tijden (verordenend dat er geen miezer grond mag afgeknabbeld worden). Meteen ook het lelijkste, en dat tracht men te verdoezelen door er zoveel mogelijk evenementen op te organiseren zodat zij zo vaak als kan bedekt is met de gekste rariteiten, gaande van een vegetarische picknick tot een zangstonde voor bejaarden. Waarop de stad boogt? Twee pijlers: haar patroon, de heilige Nicolaas, en ballonnen. Sint-Nicolaas, een vent die 1.700 jaar geleden in een ver land leefde, een gekke hoed op zijn hoofd, gebukt onder een bizar ongeloofwaardig verhaal over drie kinderen in een kuip, nu vraag ik je… Voor zo iemand hebben ze dus een ganse woning ingericht (foto Ontdek Sint-Niklaas), organiseren ze een optocht, voorstellingen, fabriceren ze zelfs pralines. Draven ieder jaar talloze onder schoensmeer bedolven pieten en mieten op. Ballonnen, uit hun kracht gegroeide voetballen opgeblazen met lucht (of erger, met iets dat nog minder weegt dan lucht) en zo ten hemel gestuurd worden, met enkele personen (doodsverachting!) in een mandje bengelend eronder. Ballen, enfin de laatste jaren nemen ze ook andere bizarre vormen aan, ik zag al een varken en een mosterdpot voorbijvliegen indien mijn ogen me niet bedrogen.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (29)”

Het hoekje van Opa Adhemar (28)

Het hoekje van Opa Adhemar (28)

Cochem, een stadje met iets meer dan 5.000 inwoners aan de Moezel, der Mosel, in de Eifel. Als Benidorm het Spaanse Blankenberge is, dan is Cochem het Duitse equivalent. Je ontmoet er Vlamingen bij de vleet. Hoewel het de laatste jaren steeds minder toeristen lokt. Wat zijn de grote troeven van deze pleisterplaats: een historische burcht en het bezit van een Weinkönigin. Nee, natuurlijk is er veel meer: Bratwurst, Erdinger, een verlicht kruisbeeld in de bergen (ook Mariabeelden! met bijhorende verhalen over een herdersjongen verongelukt toen hij een schaapje wou redden, en een knaap die zijn zusje ter hulp kwam maar zelf neerstortte), campings… teveel om op te sommen. En daarheen richten wij onze schreden. Volgt u maar.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (28)”

Het hoekje van Opa Adhemar (27)

Het hoekje van Opa Adhemar (27)

Lap zie ik hem daar niet aan de einder verschijnen, de stratus… dat voorspelt een druilerige regen indien ik me niet vergis. Of is het een nimbus, dat belooft een reeks regenachtige dagen. Welnee het blijkt allicht een cirrus te zijn, windveren, gestage regen. Gelukkig geen cumulonimbus, met zijn zware regenval… Grrr… regens. Ze rukken onvervaard op. Waarom ik er een hekel aan heb? Mijn grootste bezwaar is dat ik er zo verduiveld nat van word! En een hekel hebben is nog wel heel zwak uitgedrukt, ik haat dat vervloekte hemelvocht. Ik steiger zohaast ik vermoed dat de lucht donker wordt – overdag -, dat er wolken dreigen, dat die weliswaar fraaie en tot dromen aanzettende constellaties boven mijn hoofd op het punt staan hun last te lossen in mijn buurt. Mooie grillige vormen bezitten ze soms, je kan er allerlei in lezen, fantaseren. Dat genoegen is evenwel vaak van korte duur. Haast je, rep je… daar komt hun dodelijke lading (nu ja) op uw onschuldig hoofd terecht. En op de rest van uw al even kwetsbare onderdelen.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (27)”