45° à l’ombre (Georges Simenon)

45° à l’ombre (Georges Simenon)

’45° in de schaduw’ (45° à l’ombre; 1936) is een atypische Simenon. Hier geen gaslampen die hun licht spreiden op de door de regen glimmende straatstenen van Montmartre of doorheen de dwarrelende sneeuwvlokken tussen de naargeestige steegjes en de mistroostige gevels. Niks van dat alles. Deze roman speelt aan boord van het passagiersschip De Aquitaine op zijn reis van Matadi naar Bordeaux. Onder een tropenzon, grotendeels dan toch in deze hitte.
Lees verder “45° à l’ombre (Georges Simenon)”

Het hoekje van Opa Adhemar (3)

Het hoekje van Opa Adhemar (3)

Over lezen had ik het, eerst de strips, dan de pulpboekjes van Lord Lister. Maar dan kwamen de echte boeken. En het begon, er was geen houden aan, ik verslond hen, bladzijde na bladzijde, boek na boek, massa’s. Daar was bijvoorbeeld de reeks over Pietje Bell, de kwajongen uit Rotterdam, heerlijke boeken van Chris van Abkoude. Pietje met zijn kompanen Peentje en Engeltje, en zijn Bende van de Zwarte Hand. En de stuurse buurman drogist Geelman met zijn achterbakse zoon Jozef. Ik heb hen stukgelezen, tot en met ‘De zonen van Pietje Bell’. De films heb ik nooit gezien, ik denk dat die de magie van de letters niet hadden kunnen wegtoveren. Maar ik las dus, stapels boeken. In dat verband bestaat er een leuke anekdote. Maar misschien moet ik die situeren. Al vrees ik dat het schetsen lang zou kunnen uitvallen. Hopelijk herinner ik me straks nog waar het me om te doen was…

Mijn vader werkte bij de RTT, Regie van Telegrafie en Telefonie (in de volksmond Rap Terug Thuis: wat waar was want met dat ploegenstelsel op het kantoor in een provinciestad konden ze afspraken maken; en zo moesten ze er alleen voor zorgen dat de dienst tijdig open was en pas op het vaste uur gesloten werd. Niet zelden arriveerde hij dus bij een dienst tot 17u reeds om 14u of 15u terug thuis!
Mijn moeder werkte eveneens bij de RTT, later op de personeelsdienst, oorspronkelijk als telefoniste. Ja in die tijd beschikte alleen de happy few over een telefoon, telefooncellen zag je niet in het straatbeeld, en mobiel telefoneren kon uitsluitend bestaan in het brein van Jules Verne. Wie verbinding wou met een andere telefoon diende dus de telefoniste op te roepen; deze zat voor een schakelbord, manipuleerde enkele stekkertjes en legde zo contact tussen de twee toestellen. Bijkomend voordeel voor haar: via haar hoofdtelefoon kon zij het gesprek blijven volgen. Mocht niet, uiteraard, maar ja. Zo kenden ze de geheimen, roddels… Leuk. Soms gevaarlijk; bijvoorbeeld tijdens de Duitse bezetting want toen kon dit afluisteren nuttig zijn. En zo belandde zij plots in een auto op weg naar Gent, de gevangenis De Nieuwe Wandeling, geflankeerd door twee SS-ers, pistool op haar gericht. Nog een geluk dat hun collaborerende buurman haar had gewaarschuwd zodat hun pistool net op tijd verdween in de beerput, onvindbaar voor de huiszoeking. En ander geluk: dat diezelfde buur iets luider kon roepen en op tafel slaan dan de SS zodat hij twee dagen later mijn moeder wist huiswaarts te krijgen uit de doodskist waarin zij al vierentwintig uren opgesloten zat…, bewijzen waren er ook niet, alleen zeer sterke terechte vermoedens.
Enfin de RTT dus. Die mijn vader in staat stelde ieder jaar van Pasen tot eind september ‘het seizoen’ te doen, dat betekende een kantoor te bemannen aan onze kust. Voor hem in Heist aan Zee. Bijna zes maanden. Meer dan twintig jaren heeft hij dat gedaan. Hij hield er van. De sfeer, het geld (extra betaald, verblijf in appartement vergoed, fooien van tevreden vakantiegangers). Het was wel druk. Wat te doen: vooral zorgen dat telefoongesprekken tot stand kwamen, niemand had telefoon in zijn appartement dus waren ze aangewezen op het kantoor waar ze het gevraagde nummer gaven, en dan doorverwezen werden naar één der beschikbare toestellen: praten maar. En telegrammen, nog iets dat inmiddels zowat van de aardbodem verdwenen lijkt: de boodschap aannemen, via telex ofte linttelegraaf doorsturen; of omgekeerd, binnenkomende telegrammen laten bezorgen door de bode die fietsgewijs het stadje doorkruiste. Zes maanden, af en toe een dagje verlof. En wij?
Wel gedurende mijn eerste levensjaren, nog niet leerplichtig, trokken wij drie maanden mee naar zee: verblijf betaald door RTT, en eten moet je overal. Van de eerste jaren herinner ik me niet zoveel, logisch. Wel dat we een huisje huurden van een schippersfamilie die voor de duur van ons verblijf verbannen werd naar een soort achterbouw terwijl wij hun living, keuken, slaapkamers in bezit namen. Minder prettig voor hen misschien, maar lucratief en rijk zal zo’n schipper niet geweest zijn. Veel weet ik niet meer, mijn souvenir is vooral culinair: de in de zon en zeewind gedroogde harde visjes waar je heerlijk op kon kauwen; beter dan de chocolade Koetjesrepen waar ik nochtans ook dol op was. Enkele jaren later verhuisden we van dat kleine huis in het dorp naar een appartement in een zijstraat van de dijk, zijzicht op zee, genaamd Christel, door ons genaamd ‘het Christelleke’. Uren doorgebracht daar. Vooral bij regenweer. En het regende vààk. Daar zat ik dan; met mijn moeder. Te lezen. Allebei. Soms te kaarten, steeds hetzelfde spel, wippen (what’s in a name?): ieder vier kaarten, vier kaarten in het midden, en verder… ik zou het niet meer weten. We speelden niet om iets te winnen. Al wachtte er op zo’n miezerige dag altijd wel een taartje, als troost. Scheen de zon dan kon die de bakker vervangen.
De zon, tijd om naar het strand te trekken. Wat had mijn moeder daar een hekel aan, zij haatte het zand en als er nu iets veel voorradig was op het strand dan was het wel zand, veel zand, heel veel zand. Om een kuil te graven, om met mijn emmertje, schopje, plastic figuurtjes allerlei te fabriceren. Onze leesmomenten verplaatsten zich nu ook naar de open lucht. En mama maakte papieren bloemen die ik daar ‘verkocht’ of ruilde voor schelpen, een handel die overal bloeide op de tamelijk weidse vlakte. Af en toe bewoog ik me zelfs in het water, de golfjes kabbelend tegen kuiten en billen. Er was meer: de strandspelen!!! Georganiseerd door o.m. Le Soir en Het Rijk der Vrouw. Competitie tussen de jeugd: forten bouwen (wiens fort houdt langst stand tegen de oprukkende golven?), zaklopen, racen in trapautootjes, lopen met een ei in een lepel in de mond… je kon het zo gek niet bedenken. En nee, ik heb nooit iets gewonnen, ik stond steevast deemoedig met een troostprijs in de handen te kijken naar de stoere binken die met alle fraais aan de haal gingen; ik met een papieren vlaggetje van Le Soir, een zak waarin oude nummers van een damestijdschrift en een breicatalogus en twee nummers van Robbedoes, of (een hoogdag) een opblaasbare strandbal die na een week definitief lek was. Zalige zomervakanties…
Hoe dan ook, ik las er veel, ik las me te pletter. En daarom was ik dan ook ingeschreven in de Katholieke Boekerij van Heist aan Zee. Kwestie van me van dagelijks leesvoer te voorzien. Wat gebeurde er tot mijn grote ontsteltenis: de pastoor die instond voor het uitlenen van de boeken oordeelde na enkele weken dat ik teveel las. Teveel lezen! Hoe is dat mogelijk… Hoe dan ook, in zijn opvoedkundigheid oordeelde hij het nuttig en noodzakelijk mij op boekenrantsoen te zetten; ik moest maar “wat meer spelen”. Ik jammerend appartementswaarts met nog twee armzalige boeken, mijn oogst voor een ganse week! Dat was buiten mama gerekend die als een (beschaafde) furie naar de pastoor trok en hem zijn vet gaf. De maatregel werd prompt ingetrokken, ik kon zoveel boeken naar mijn hol slepen als ik wou…
Dat was dus de anekdote in verband met het vele lezen. Eind goed al goed. Van iets dergelijks heb ik in mijn thuisstad trouwens nooit hinder ondervonden. Misschien omdat ik daar om boeken te ontlenen steeds voorbij een leesadept als Hein Persyn moest, een wat wereldvreemde figuur voor wie literatuur en alle kunst heilig was. Later zou ik nog gedurende enkele jaren zijn collega worden, en groeide daaruit een vriendschap voor het leven. Helaas, de tijd dat we ergens een ijsje gingen eten – hij was inmiddels, gepensioneerd, in zijn heimat Brussel gaan wonen – is onherroepelijk voorbij. Tja, papieren bloemen op het strand, de smaak van gedroogde visjes, de strandspelen met hun forten, Hein… de dingen, de mensen die voorbijgaan. Maar boeken, Pietje Bell kun je nog steeds lezen, gelukkig… hopelijk staat er geen sikkeneurige pastoor op wacht.

Johan de Belie

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (3)”

Het hoekje van Opa Adhemar (2)

Het hoekje van Opa Adhemar (2)

Lezen. Ah, het échte lezen! Strips eerst. Nero, mijn favoriet. Petoetje en Petatje, Mijnheer en Madam Pheip, Jan Spier, Tuizentfloot en natuurlijk Adhemar. Weet dat ik hier nog een briefje heb van Marc Sleen, een antwoord op de vraag die ik als achtjarige hem stelde hoe een verhaal eindigde; hij antwoordde dat ik om dat te weten zijn volgende album maar moest kopen, de verdomde commerçant… Nero dus.

En ook Suske en Wiske. Het album ‘De zwarte madam’. Zij imponeerde mij meer dan de heks van Sneeuwwitje, de eerste film die ik in de bioscoop zou zien. Strips als eerste, beperkte, leesvoer.
Maar wie herinnert zich nog ‘Lord Lister’? Geen strip, heuse boekjes, telkens 32 bladzijden, gedrukt op krantenpapier, ze verschenen wekelijks. Steeds met een rode voorplat, in het midden een zwart-witte tekening: een overval of gruwelijke misdaad, en linksboven het gemaskerde gelaat van Lord Lister alias John Raffles alias lord William Aberdeen zoals hij gekend was in de Londense society. Met zijn trouwe helper Charles Brand en zijn chauffeur James Henderson. Hij was arts, beschikte over een fenomenale kracht, was een meester in vermommingen (wat sprak dat tot de verbeelding), verplaatste zich met zijn duikboot Bruinvis of in zijn vliegtuig (Duivel der Lucht). Om het op te nemen tegen zijn vijanden Moloch, Mad Pete en de bende van het Kwade Oog; of tegen inspecteur Baxter van Scotland Yard die hem steeds op de hielen zat, en met wiens nicht Ellen hij een relatie heeft.
Maar vooral: Lord Lister is een gentleman-inbreker die geld en juwelen haalt bij de rijken, uitzuigers, zwendelaars; hij strijdt tegen onrecht. En hij geeft de opbrengst van zijn strooptochten aan behoeftigen en gedupeerden. Wat een heerlijke 2derangs lectuur was dat. ‘De radjah van Indragora’, ‘Het gestolen staatsstuk’, ‘Onrust op Marlebone Castle’, ‘Flitslicht in de nacht’… hoeveel uurtjes heb ik niet met rode oortjes doorgebracht met Raffles.
Rode oortjes, geen ‘Rooie oortjes’, dat erotisch stripverhaal zou pas vele jaren later opduiken en was niet aan mij besteed. Net zo min als wat toen wél bestond, het fotoblad ‘De Lach’, een soort Playboy van den Aldi! Nog vermelden dat Lord Lister in Duitsland ontstond in 1909, geschreven door twee auteurs; het werd vrij snel opgepikt in Frankrijk en waaide zo over naar Nederland en Vlaanderen. En… je kreeg er wekelijks achteraan de horoscoop bij!
Nu zijn herinneringen grillig, vaak te grillig. Kijk, van het misdadig (hoewel goedbedoeld) leven van Lord Lister flitste mij plots (bestond ergens een aanleiding?) een heel ander beeld door de geest. Het moet in diezelfde tijd geweest zijn dat ik mijn ouders vergezelde naar een optreden van de Wiener Sängerknaben in onze parochiekerk. Ach dat heerlijke jongenskoor uit Wenen, die hemelse stemmen, die muziek, en – laat ik het bekennen – dat betoverend uitzicht, die engelachtige knaapjes in matrozenpak; een geheel om bij weg te smelten. Neergedaald uit de hemel. Daar en toen moet mijn liefde voor de klassieke en religieuze muziek geboren zijn, niet zozeer het gregoriaans maar o.m. Bach, Buxtehude, en latere ontdekkingen als Hildegard von Bingen en de liederen uit de abdij van Montserrat. Helaas, enkele decennia erna las ik dat een schandaal was losgebarsten: seksueel misbruik bij en met de Wiener Sängerknaben. Achteraf moet het me niet verwonderen natuurlijk, ze leken te mooi, te zuiver, te puur; te gemakkelijk om bezoedeld te worden. En in die sfeer en omgeving… Nee, dan was het ‘misdadig’ brein van Raffles eerlijker en oprechter in zijn eenvoud…

Johan de Belie

Het hoekje van Opa Adhemar (1)

Het hoekje van Opa Adhemar (1)

Zullen we het eens over gezonde voeding hebben? Immers, we moeten niet alleen denken aan dierenleed maar ook in dit geval aan het belang van het milieu, meer bepaald de opwarming van de aarde. Immers: het kweken van dieren kost zoveel plantaardig voedsel dat het in verhouding heel weinig vlees opbrengt; het is geen win-win situatie. We moeten niet allemaal volledige vegetariërs worden maar afwisselen kan geen kwaad. Daarom hier enkele suggesties…

Quinoa
Dit kun je vergelijken met rijst of couscous en bevat veel essentiële voedingstoffen. Is gemakkelijk verteerbaar, bevat veel vezels en mineralen. Bovendien groeit quinoa gemakkelijk in alle temperaturen, heeft weinig water of meststof nodig, en wordt nu ook in België geteeld. Het smaakt naar noten, je kookt het best in groentebouillon of licht gezouten water.
Tofu
Tofu of tahoe wordt reeds meer dan 2000 jaren gegeten in Azië. Hier wordt het steeds populairder bij vegetariërs. Het wordt gewonnen uit sojabonen (denk ook aan de sojamelk) en bevat veel vitaminen B, calcium, proteïnen. Tofu is neutraal van smaak, je moet er zelf een smaak aan toevoegen die het wel gemakkelijk opneemt. Het is verkrijgbaar in blokjes (hard en zacht) en kan gebakken worden in olie of je kan het grillen.
Zeewier
Dit noemt men wel eens ‘spinazie van de zee’! Zeewier zit vol eiwitten, ijzer, omega 3, jodium, calcium… Uiteraard groeit het in water en palmt het geen landbouwgrond in, een pluspunt. Gedroogd en verkruimeld kan het als zout gebruikt worden maar als groente is het lekker bij vis. En… voor wie geen vis eet suggereert het de smaak van vis.
Noten
Een aperitiefhapje? Vergeet het! Noten zijn veel meer dan dat. Ze passen bij het hoofdgerecht. Ze zijn rijk aan eiwitten, ijzer en vezels. Maar hier: overdaad schaadt; want ze bevatten onverzadigde vetten die weliswaar gezond zijn maar toch, dus een handvol daags volstaat. Walnoten, pompoenpitten (geroosterd)… kies voor lokale noten en liefst niet voor bvb. pecannoten die moeten overgevlogen worden. In een stoofpotje, salade, bij de havermout, een goede aanvulling.
Peulvruchten
Bonen allerhande, ze zijn populair geworden. Kidneybonen in chili con (of liever natuurlijk: sin) carne, linzencurry… Eiwitten, vezels, mineralen; weinig vetten. Ze zijn lang houdbaar en er is relatief weinig water en bemesting nodig. Spijtig genoeg moeten we hen veelal buiten Europa halen, een ecologisch minpunt. Qua smaak: nogal neutraal, dus moeten ze het hebben van de aangepaste kruiden.
Falafel en Humus
Deze worden allebei gemaakt op basis van kikkererwten en zijn als nevenproduct (afgeleide dus) zeer in trek.
Om falafel te bekomen voegt men aan de kikkererwten raapolie toe, (tarwe)bloem, vaak spinazie, kruiden, knoflook, peper en zout. Het is rijk aan eiwitten, vitamine B 12, ijzer en vezels.
Humus bestaat uit ongeveer dezelfde ingrediënten. Hier wordt vaak sesampasta bijgevoegd, olijfolie en citroensap. Zo is humus rijk aan calcium, vitamine B 11, ijzer en vezels.
Beide zijn zeer geschikt om te verwerken in allerlei gerechten. Denken we aan vegetarisch gehakt dat bruikbaar is in talloze menu’s!
Insecten
Je hebt eerst en vooral – en reeds hier en daar verkrijgbaar in restaurant en supermarkt – de insectenburger. Die wordt vervaardigd op basis van de meelworm of van de buffaloworm, met toevoeging van planten. Ook krekels worden gemalen tot meel en zo verwerkt in koekjes bijvoorbeeld. Maar wormen, sprinkhanen, krekels laten zich ook anders eten: gebakken. Krekels smaken naar noten! Ook wormen en andere insecten komen in aanmerking. Een aperitiefhapje, nu nog alternatief maar over enkele jaren misschien ingeburgerd? Ze worden trouwens reeds verwerkt en verkocht als snoepgoed. Ze zijn rijk aan vezels, ijzer, vitaminen, calcium en magnesium. En zitten vol eiwitten, 25 keer meer dan rundsvlees. Dat het milieuvriendelijk is hoeft niet gezegd… Er worden reeds, ook hier, insecten gekweekt voor de consumptie. De opmars is bezig. Wie meer wil weten moet eens snuffelen online op entowarehouse, dan zie je wat er allemaal te vinden is!
Zo, hopelijk hebben jullie hiermee een beetje inspiratie opgedaan. En natuurlijk: vergeet de groenten niet, een slaatje, of bij het hoofdgerecht of eventueel een groenteburger. Smakelijk!

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (1)”

Marc De decker alias Johan de Belie wordt zeventig…

Marc De decker alias Johan de Belie wordt zeventig…

Vandaag viert één van mijn oudste en trouwste vrienden, Marc De decker, in literaire middens beter gekend als Johan de Belie, z’n zeventigste verjaardag. Hij is nog altijd de meest productieve medewerker aan mijn blog, waarvoor zeker vandaag nog eens mijn oprechte dank.
Lees verder “Marc De decker alias Johan de Belie wordt zeventig…”