Het hoekje van Opa Adhemar (8)

Het hoekje van Opa Adhemar (8)

Over hoogtijdagen als kerst en nieuwjaar sprak ik al maar Pasen liet ik nog onvermeld. Nochtans, ik kan u bezweren – onder ede desnoods – dat ik ooit uit het venster van mijn kinderkamer, boven de bomen, terwijl het klokgeluid naar hartenlust boven de stad beierde, ik een tiental klokken majestueus zag overvliegen. Blikkerend in het aprilse zonlicht! Prachtig.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (8)”

45 jaar geleden: benefietavond voor Chileense vluchtelingen

45 jaar geleden: benefietavond voor Chileense vluchtelingen

Het is alweer meer dan 45 jaar geleden dat de democratisch verkozen socialistische president van Chili, Salvador Allende, door een militaire putsch onder leiding van generaal Augusto Pinochet werd aan de dijk gezet. Daarbij kwam Salvador Allende om het leven. Volgens de putschisten had hij zelfmoord gepleegd, maar sympathisanten van het regime hebben altijd beweerd dat hij werd vermoord. Op Wikipedia wordt nu beweerd dat op 19 juli 2011 door zijn dochter Isabel Allende Bussi (niet te verwarren met de drie jaar oudere gelijknamige schrijfster) werd bekendgemaakt dat het inderdaad om zelfmoord ging. Maar uit de rest van de tekst van Wikipedia blijkt dat de schrijver ook op voorhand al de versie van de putschisten genegen is, zodat ik mijn twijfels blijf hebben. Hoe dan ook, in die tijd stond heel progressief Vlaanderen op z’n kop en wilden wij op diverse manieren de Chileense vluchtelingen ter hulp komen. Wij van Jongerengroep De Veldstraat deden dit met een benefietavond. Maar die draaide op iets heel anders uit…
Lees verder “45 jaar geleden: benefietavond voor Chileense vluchtelingen”

Het hoekje van Opa Adhemar (6)

Het hoekje van Opa Adhemar (6)

Herinneringen. Er zijn goede en minder goede, of ronduit slechte herinneringen. Verdrongen ook. En hoe ouder men wordt… het blijkt dat er vaak een aantal naar de oppervlakte komen. Het zijn dikwijls banale gebeurtenissen die om welke bizarre reden ook beklijven. Zo kan iets een gans leven bepalen. Dat overkwam mij. Hoe oud was ik? Drie jaar, vier misschien? Mijn ouders hadden in de loop van mijn eerste levensjaren inwonende ‘dienstmeisjes’, drie opeenvolgende. Veel weet ik over hen niet meer tenzij uit verhalen achteraf. Eén verdween omdat zij huwde. Een andere werd verwijderd omdat zij op diefstal betrapt werd: een drama want zij moet geliefd geweest zijn maar ja… Enfin wie van de drie het was weet ik niet maar op een avond diepte zij uit de kelder een rammenas op, verscheen ermee uit het donkere keldergat het vreemde ding voor zich uit houdend – de witte kronkelende wortels schuddend en zelf quasi onzichtbaar voor mijn kleuteroogjes. Paniek, het leek een reuzespin. Die fobie voor spinnen heeft zich sindsdien diep in mij genesteld: een televisiebeeld, een foto, een tekening zelfs…, ik sidder en beef, alles wegens een rammenas. Ja herinneringen.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (6)”

Montesquieu (1689-1755)

Montesquieu (1689-1755)

Charles Louis de Seconbet, baron de la Brède et de Montesquieu, werd geboren op 18 januari 1689 op het domein van La Brède (nabij Bordeaux) en overleed te Parijs op 10 februari 1755. Hij was een filosoof, de grondlegger van de sociologie (samen met John Locke) en is een symbool van de Verlichting. Hij ligt aan de basis van het westers idee van de democratie en van de scheiding der machten. Hij fulmineerde sterk tegen het koninklijk despotisme. En tegen de slavernij. Schreef ook over het strafrecht. Dit alles is o.m. terug te vinden in zijn werk ‘L’esprit des lois’ uit 1748. Maar ook in wat ongetwijfeld zijn meest leesbare werk is: ‘Lettres persanes’, een brievenroman gepubliceerd in 1721.
Lees verder “Montesquieu (1689-1755)”

Het hoekje van Opa Adhemar (5)

Het hoekje van Opa Adhemar (5)

Had ik niet beloofd het over mijn nogal vreemde peter te hebben? Wel zo vreemd was hij in feite ook weer niet, zijn beroep ja dat fascineerde mij wel. Wat hij dan wel deed? Brandweerman was hij niet, bergbeklimmer evenmin. En garnaalvisser te paard evenmin. Nee, hij stond op de markt. Niet met sjakossen zoals Eddy Wally, gelukkig; en zingen deed hij evenmin – hij was niet zo’n oom die op ieder familiefeest in wild gezang losbarstte of mopjes vertelde. Nee hij verkocht roomijs ofte krimglas (in mijn dialect ook wel pillekekoud); maar dat was voor de warme maanden – werd het kouder dan veranderde zijn wagen in een wafelkraam. En ja het legde hem geen windeieren! Bovendien had hij thuis een ijssalon dat werd opengehouden door zijn echtgenote en de inwonende dienstbode. Nog een gat in de markt: hij maakte ijstaarten voor ‘le tout Boom’. In een tijd dat de mensen geen diepvries hadden leverde hij bij een feest à la minute wanneer men aan het dessert toe was een fraaie zelfgemaakte ijstaart; men diende maar te verwittigen. Zeer gegeerd, het werd de grote chique om dit aan de gasten te serveren. Kassa!
Dit was dus nonkel – voor mij peter – Jozef, Jef, gehuwd met Louisa, zijnde tante Wies. Het gezin werd vervolledigd met Gerda, een weesmeisje – toen ik er verscheen in mijn ogen al behoorlijk wat vrouw – dat bij hen inwoonde en behandeld werd als een dochter. Ik denk dat zij vijftig was eer zij trouwde en hen verliet. Hoe peter Jef mijn peter werd is ook een bizarre geschiedenis.
Mijn meter was de moeder van mijn vader. Volgens traditie zou de vader van mijn moeder mijn peter zijn maar de brave man was er al lang niet meer, overleden aan loodwitziekte zoals veel schilders in die tijd. Hij had een bloeiende zaak met veel arbeiders, vooral dankzij connecties in het christelijk milieu, het bisdom… opdrachten in kerken en katholieke scholen, lucratieve opdrachten waarbij veel geld aan de vingers bleef plakken. Helaas, langdurige ziekte van een zelfstandige betekende toen een ramp. Maar goed, als opvolger voor het peterschap was daar een broer van moeder: Adhemar, een bolleboos, maar ook iemand met een nogal moeilijk karakter. En een vreemde snuiter. Toen het gezin uit elkaar viel, hij was een mopperaar en zeurkous, bleef hij alleen in zijn grote huis en ging middagmalen in een restaurant; ontbijt en avondboterham nuttigde hij thuis jarenlang met bord, bestek en tas die hij telkens netjes bedekte met een krant: afwassen, dat was toch een zinloze bezigheid! En ik moet zo’n acht jaar geweest zijn toen hij mijn ouders een onverwacht bezoek bracht om hen in mijn bijzijn op het hart te drukken mij te leren mij goed te leren mijn privaat deel te wassen, uit schrik voor infecties! Het gevraagde peterschap? Zijn commentaar: “Indien ik peter word krijgt die kleine iedere nieuwjaar hooguit een album van Suske en Wiske, ge weet toch hoe gierig mijn vrouw is! Is het niet beter een andere peter te zoeken, die Jef bijvoorbeeld, ze kunnen geen kinderen krijgen terwijl ze er dol op zijn, en ze zijn rijk, dat zou een goede peter zijn!” Dat zijn vrouw gierig was bleek ooit wel toen ik er ging spelen met hun twee kinderen, als vieruurtje kregen ze elk een halve tomaat met een beetje zout er op; en toen was het nog geen hype om fruit aan te bieden als toetje! Zo werd ik enthousiast als petekind verwelkomd door peter Jef en startte voor mij een nieuwe en lucratieve carrière.
Mijn peter kwam ons dus afhalen bij mijn grootouders en tante. Inmiddels hadden we daar – en bij de andere tantes – met de rest van de uitgebreide familie al nieuwjaarswensen gewisseld. Uitgebreid, zeg dat wel want het was een heel kroostrijk gezin waarin mijn vader de voorlaatste telg was. Alle ooms en tantes waren de revue gepasseerd. Richting de ruime woning annex ijssalon waar steeds een zoete vanillegeur hing die nu langzaam overheerst werd door de keukendampen: daar was de Boomse kokkin Ferdine aan de slag. Die verzorgde alle feesten in de zaal bij tante Rosa en ging ook bij particulieren koken. Voor Gerda was dit een feestdag, zij kon rusten en aanschuiven… wij ook, met nog maar eens kroketten, het onvolprezen recept deze keer bereid door de meesteres herself. Het hoogtepunt van de dag moest dan nog komen voor mij: het nieuwjaarsgeschenk.
En die cadeaus waren niet mis. Het eerste dat ik me herinner is een ‘trottinette’, een autoped – en hij gaf die niet zomaar… de gangdeur ging open en een onzichtbare hand duwde haar snel rijdend naar binnen waar zij gelukkig door mijn vader werd opgevangen eer zij brokken kon maken; fascinerend in mijn kleine ogen. Een fiets. Een heuse elektrische trein van Märklin met drie goederenwagons, verlichte koplampen, om hem achteruit te laten rijden diende je de knop op de transformator in te drukken. Hij staat hier nog op zolder en doet het nog steeds en betekende de start van mijn liefde voor miniatuurtreinen en -spoorbanen (op papier, te onhandig om er daadwerkelijk mee aan de slag te gaan). Bij mijn plechtige communie kreeg ik een gouden horloge dat het vijftig jaren uithield eer het begon te kwakkelen; in tegenstelling tot het obligate missaal dat meter mij schonk!
Ja het was als voorzien, ik werd zijn troetelkind. Dat bleek ook uit het feit dat hij mij telkens het een familiefeest was – en er waren er vele met zo’n familie die bovendien iedere gelegenheid aangreep – meenam naar huis toen hij voor het dessert de ijstaarten moest gaan halen. Samen in de auto, en samen wat keuvelen in huis, en… telkens schonk hij mij een glaasje Marie Brizard in. Jongens wat raakte ik verlekkerd op die drank! Of mijn ouders dat ooit geweten hebben? Vermoedelijk niet. Toch ben ik nog tamelijk goed terecht gekomen, zonder verslaving.
Een toffe peer die peter Jef. Reizen deed hij ook graag: eenmaal per jaar met tante en met Gerda in de auto (niet deze van het ijs en de wafels, ze bezaten een personenauto ook) naar Zwitserland. En ook naar Sint-Niklaas, één dag, de jaarmarkt. Misschien heb ik het er ooit nog over.

Johan de Belie

Het hoekje van Opa Adhemar (4)

Het hoekje van Opa Adhemar (4)

Vorige keer had ik het over die zomers aan zee. Maar er waren ook winters in die jaren. De winter dat was vooral de periode van kerstmis. En later, heel wat jaren later, raakte die tijd verbonden met één boek dat ik dan telkens herlas: ‘Eline Vere’ van Couperus. Die sfeer, dat dromerige, dat zoet-zwoele, dat verdovend-zwangere, ach die betoverende Eline. En Vincent, en Otto van Erlevoort, ik zie al die figuren telkens voor mij verschijnen, in het salon, of op hun uitstapjes naar zee.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (4)”