Herwig Leus (1940-2003)

Herwig Leus (1940-2003)

Ik heb me al vaker druk gemaakt over hoe mensen zo maar in de vergetelheid kunnen belanden. Vandaag is het b.v. vijftien jaar geleden dat polemist Herwig Leus is overleden en het enige wat ik aan “beeltenis” van hem kan terugvinden, is dit boek over Paul Snoek. Nu heb ik op mijn blog wel een stuk over Snoek, zelfs meer bepaald over dit boek, maar ik geef toch de voorkeur aan een ander artikel, met name over het boek “Niets gaat ten onder” van Louis Paul Boon, omdat ik daar Herwig rechtstreeks aan het woord laat.
Lees verder “Herwig Leus (1940-2003)”

Jef Geeraerts, “de man met de zweep”

14 jef geeraertsHet is vandaag 45 jaar geleden dat Jef Geeraerts de staatsprijs kreeg voor “Black Venus”. Merkwaardig genoeg werd het boek haast tegelijk uit de handel genomen door Alfons Vranckx, toenmalig minister van justitie. In de jury was de socialist Piet Van Aken uit verontwaardiging opgestapt, dit in tegenstelling tot de katholieke professor Marcel Janssens. Ook andere katholieken zoals André Demedts en Albert Westerlinck verdedigden het boek, maar de grootste supporter was Marnix Gijsen die in Humo liet optekenen: “Mensen lief, daar zijn wij allemaal kleine mannetjes tegen, zowel in Nederland als in Vlaanderen.”
Lees verder “Jef Geeraerts, “de man met de zweep””

Boon en erotiek

In 2008 besliste het provinciebestuur van Antwerpen dat er géén tentoonstelling mocht plaatshebben van de “Fenomenale Feminatheek” van Louis Paul Boon. Gedeputeerde Ludo Helsen (CD&V) vond dat vele van de uitgeknipte prentjes geen artistieke waarde hadden en dat een aantal ervan wel heel jonge meisjes toonde. Uiteraard heeft hij gelijk: Boon verzamelde prentjes die hem op een of andere manier opwonden of op z’n minst toch z’n aandacht trokken. De artistieke kwaliteit van de foto’s was daarbij zeker van nul en generlei waarde. Maar of ze daarom niet ten toon mogen worden gesteld, dat is een heel andere vraag. Ikzelf bijvoorbeeld ben zeer benieuwd naar de manier waarop Boon de prentjes heeft gerangschikt en welke criteria hij daarvoor heeft gebruikt. Ik zou dus zeker zijn gaan kijken. Zeker omdat ik verdomme al eens de kans heb gehad ze te bekijken, mét commentaar van de meester erbij, maar dat ik die kans heb verkeken door met kleinzoon David in de tuin te gaan “sjotten”.
De tweede reden van Helsen is iets ingewikkelder. Het is zonder meer duidelijk dat Boon een meer dan gewone belangstelling had voor het Lolita-motief. De beroemdste briefschrijver van Vlaanderen, Staf De Wilde, heeft daarover zelfs zijn licentiaatsverhandeling geschreven. Dat was in de gelukzalige tijd vóór Marc Dutroux, toen auteurs nog zonder enig probleem en zelfs met een zekere onschuld over jonge meisjes konden schrijven. Die man heeft uiteindelijk meer kapot gemaakt dan we ooit zullen beseffen. Het zal allicht nog decennia duren vooraleer we tot dat stadium van ongedwongen erotiek zullen kunnen terugkeren. Ik denk alleszins niet dat ikzelf het nog zal meemaken. Dus in die context begrijp ik de reserve van Ludo Helsen wel.
Lees verder “Boon en erotiek”

De Kapellekensbaan

Van zijn uitgeefster Angèle Manteau kreeg Louis Paul Boon te horen dat zijn boeken bijzonder moeilijk verkochten in Vlaanderen. Toch dreef Boon zijn wil door en begon hij aan het “onmogelijke” boek dat hij De Kapellekensbaan noemde. “Ik dacht: het gaat toch niet uitgegeven worden, waarom zou ik dan niet eens mijn goesting doen? U alle miseries en uiteindelijk alle glorie van dat boek in kleuren en geuren beschrijven, kan ik onmogelijk. Vier jaar lang heeft het daar gelegen. En omdat het toch niet kon verschijnen, schreef ik ook maar het tweede deel, Zomer te Ter-Muren” (Memoires, blz. 92).
Lees verder “De Kapellekensbaan”