Etienne Vermeersch (1934-2019)

Etienne Vermeersch (1934-2019)

Ik verneem zopas dat vorige week vrijdag professor emeritus Etienne Vermeersch (foto YouTube) is overleden…

In mijn tekst over Miel Swillens heb ik het over een “top tien” van mensen die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven. Etienne Vermeersch hoort daar zeker ook bij.
Ik heb professor Vermeersch leren kennen toen ik aan de universiteit voor het keuzevak “hedendaagse wijsbegeerte” opteerde. Maar dan enkel “ex cathedra”, ik heb zelfs geen mondeling examen bij hem afgelegd. Vermeersch gaf namelijk eerst een schriftelijk examen met meerkeuzevragen en nadien kon je dan, als je dat wou, nog een mondeling examen gaan afleggen om je punten wat bij te schaven.
Nu, uit mijn verhaal over zijn collega prof.Boehm moet wel duidelijk zijn dat filosofie aan mij helemaal niet besteed was. Maar dankzij die “multiple choice” vond ik mijn schriftelijk examen toch nog tamelijk geslaagd (ik zou gelijk krijgen: ik behaalde 14) en ik was dus niet van plan om dat cijfer naar de filistijnen te helpen door mij aan een mondeling examen te wagen.
Toch heb ik professor Vermeersch wel ooit persoonlijk ontmoet. Dat was op een treinrit van Brussel naar Gent en toevallig dan ook nog op een “omnibus”, zodat we een hele tijd hebben kunnen praten. Ik stelde mij voor als een vroegere student en voegde er voor alle zekerheid ook mijn hoedanigheid als journalist van De Rode Vaan aan toe. Dat moet zijn belangstelling hebben gewekt, want we hebben zoals gezegd heel lang samen gepraat. Maar sla me dood, ik zou begot niet meer weten waarover.
Zeker niet over popmuziek, want wat zegt de brave man hierover? “Je moet popmuziek zeker niet gaan vergelijken met de werken van Bach of Beethoven. Strikt muzikaal gezien betekenen The Beatles mijns inziens weinig: de kans dat men er over honderd jaar nog naar luistert, is gering. Toch heb ik ooit een plaat van The Beatles gekocht, ‘Sergeant Pepper’s lonely heartsclub band’, omdat ik dat een historisch monument vond.”
En ook niet over het hoofddoekenverbod, want dat was toen nog niet aan de orde. Nochtans had het een interessant gesprek kunnen opleveren, want terwijl heel het pseudo-progressieve wereldje op z’n achterste poten gaat staan omwille van het hoofddoekenverbod voor ambtenaren in steden zoals Antwerpen en Gent, verklaarde professor Vermeersch in de Gazet van Antwerpen van 1/3/2008 juist dat hij nog veel strengere maatregelen gewenst acht. “Zo’n belangrijk onderwerp moet worden behandeld op het niveau van de Vlaamse regering. De huidige situatie, waarin politici van dezelfde partij tegenstrijdige standpunten innemen in verschillende gemeenten, is belachelijk. En het VB grijpt dankbaar de kans om de zaak overal op de agenda te zetten. In Frankrijk is op het hoogste niveau een speciale commissie aangesteld, die na rijp beraad heeft besloten dat de hoofddoek in de scholen niet wordt aanvaard. In de openbare besturen en instellingen moet absolute neutraliteit heersen. De ambtenaren moeten een dresscode dus aanvaarden. Ik ga daarin zelfs nog verder dan Patrick Janssens: ik vind dat die code moet worden uitgebreid naar alle ambtenaren met enig gezag. Ook in het onderwijs. Ik wil alleen een uitzondering maken voor leerkrachten die religieuze of levensbeschouwelijke vakken geven.”
Dat laatste is inderdaad iets wat vaak door katholieken wordt vergeten, die nu de kant van de hoofddoek kiezen omdat ze met heimwee terugdenken aan hun nonnenkappetjes. Maar dat waren dus wel nónnen, hé, die waren “gewijd” (wat men daarover ook mag denken), terwijl het nu gaat over gewone “gelovigen”.
GRAVENSTEENMANIFEST
En al evenmin hadden we het over het zogenaamde Gravensteen-manifest, waaraan professor Vermeersch mede ten grondslag ligt, want dat zou ook pas een vijftiental jaren later opduiken. In Humo van 8/7/2008 legt prof.Vermeersch uit waarom dat hem zo nauw aan het hart ligt: “Omdat een Belgische natie niet meer bestaat. Een natie is, naar een theorie van Benedict Anderson die ik volleidg volg, een imagined community. Mensen stellen zich voor tot dezelfde gemeenschap te horen, een gemeenschap waarin ze een zekere broederlijkheid ervaren, waarvoor ze ook bereid zijn te sterven én te doden. Zo’n natie komt tot stand door feitelijke netwerken: administratief, sociaaleconomisch, verkeerswegen enzovoort. Maar ook de communicatiemedia, die de gedachten en gevoelens sturen, spelen een fundamentele rol. Welnu, the imagined community België bestaat niet meer in de geesten. Je hebt nog wel het historisch gegroeide administratieve netwerk, maar de imparct daarvan brokkelt af door de overheveling van bevoegdheden naar de regio’s en naar Europa. (…) Zo’n imagined community bestaat wel in Vlaanderen: je hebt daar geen Bekende Belgen maar wel Bekende Vlamingen, en die BV’s staan dan symbool voor een hele reeks zaken uit de populaire cutluur die mensen delen. Van Oostende tot Maaseik kunnen mensen met elkaar spreken over ‘Familie’ en Ann Van Elsen. Misschien zijn er nog wel mensen die zich Belg voelen, maar in feite zijn ze dat niet: ze wéten dat ze in Wallonië niet over Jan Leyers of Rik Torfs moeten beginnen. (…) Het Vlaams Blok heeft het separatisme telkens weer op de voorgrond gebracht; dat is belangrijk. Hun extreme Vlaams-nationalisme sprak aanvankelijk weinig mensen aan, maar het Blok heeft dat gekoppeld aan hun migrantenstandpunten, die wél succes hadden. Zo hebben ze stilaan ook hun nationalistische programma bij een veel bredere groep ingang doen vinden. (…) Ik geloof niet dat in Vlaanderen de solidariteitsgedachte op zich in het geding is – niemand heeft er problemen mee dat we solidair zijn met Portugal of Ierland, of Ethiopië. Maar de solidariteit wordt wél een probleem als de Vlamingen merken dat de Franstaligen de politieke solidariteit niet opbrengen om de grondwet te respecteren. Want dat is de kern van deze impasse: de Franstaligen respecteren de taalgrens niet, ze denken dat ze daarover heen mogen lopen, dat ze hun grondgebied onbeperkt kunnen uitbreiden. En dan tegelijk zeggen: ‘En nu moeten jullie ook nog solidair zijn met ons!’, dat is steeds moeilijker te aanvaarden, hé?”
“Bovendien hebben ze sociaal-economisch zwaar geknoeid. 25 jaar geleden was Ierland een arm land, vandaag is het met Europese steun een succesverhaal geworden. Wallonië heeft die Europese steun óók gehad, en bovendien nog eens steun vanuit België, en het is een rampverhaal geworden. Zij moeten toch ook kunnen wat Ierland kan? Solidair zijn met een bodemloze put is heel ontmoedigend. (…) En als Van Hecke en Dewinter dan in de volgende verkiezingscampagne tegen de mensen zeggen: ‘Met de miljarden die we vandaag aan Wallonië geven kunnen we morgen uw financiële problemen oplossen,’ dan zullen de mensen eieren voor hun geld kiezen, wees daar maar zeker van.”
THOMAS VAN AQUINO
Maar daarover hebben we het dus allemaal niet gehad, dus om die “top tien”-plaats te rechtvaardigen moet ik dan toch maar terug naar zijn cursus. Daarin vertelde Vermeersch namelijk iets wat mij op slag ongelovig maakte. Hij zei dat de meeste mensen de zin van hun bestaan zochten in het feit dat ze door god waren geschapen. Met andere woorden: ze trachtten te leven conform het verwachtingspatroon dat die god dan in hen had gesteld. “Maar,” zo voegde Vermeersch eraan toe, “wie heeft in dat geval dan die god geschapen?”
Ik was als door de hand gods geslagen, om nu eens een heel ontoepasselijke beeldspraak te gebruiken. Ook ik had tot dan toe immers steeds volgens die stelregel gehandeld en nu viel die ineens weg. Op het college hadden we in de lessen Frans reeds uitgebreid gesproken over de existentialisten (Sartre, Camus, Malraux) en ik had daar wel veel belangstelling voor gehad, maar ik had die “sprong in het duister” altijd zo vreemd gevonden. Je weet wel: het humanisme dat voortvloeit uit het existentialisme. Ze geloven in niets, maar juist daardoor gaan ze “humaan” handelen. Ik vond dat absurd. Maar nu, met die uitspraak van Vermeersch, kon ik die sprong ineens wél maken: niet god, maar “de mens is de maat van alle dingen”.
Ik weet nog goed dat ik daardoor zo van de kaart was, dat ik daarover met iedereen ging discussiëren. Zo ook met mijn toenmalig lief, die niet eens haar humaniora had uitgedaan. “Dat wist ik al lang,” antwoordde ze me droog. Dat vond ik toen zó verwaand: niet eens de humaniora gehaald en dan iets poneren waarvoor ik de hulp van een superintelligente professor nodig had gehad.
Toen vond ik dat dus, maar nu niet meer. Misschien is het inderdaad iets waar je met een eenvoudige geest vanzelf op komt. Ikzelf lig echter altijd zozeer met mezelf in de knoop dat ik dergelijke voor de hand liggende zaken niet zie.
Maar goed, hoe kom ik nu daarbij om daar uitgerekend vandààg zo lang bij stil te staan. Omdat ik nu lees dat Thomas van Aquino in datzelfde principe juist het godsbewijs ziet! Akkoord, Thomas van Aquino spreekt niet over “scheppen” maar over “bewegen”. Maar het principe is hetzelfde: “Alles wat bewogen wordt, moet bijgevolg door iets anders bewogen worden. Maar wanneer nu datgene, waardoor iets bewogen wordt, zelf ook weer bewogen wordt, dan moet het ook door iets anders bewogen worden, en dat ook weer door iets anders. Maar zo kan men niet opklimmen tot in het oneindige, want dan zou er geen eerste beweger zijn, en zelfs geen enkele andere, want de ondergeschikte bewegers kunnen alleen iets bewegen, in zover ze door een eerste beweger zelf bewogen worden: zo brengt een stok alleen dan iets in beweging, wanneer hij zelf door de hand bewogen wordt. We moeten dus tot een eerste beweger komen, die door geen ander wordt bewogen, en hierdoor verstaat iedereen God.”
Ben ik dan ook opnieuw gelovig geworden? Uiteraard niet, alleen wordt de impact, die de uitspraak van Vermeersch op mij had, serieus ondergraven. Overigens, sinds wanneer lees ik Thomas van Aquino? Niet, uiteraard! Het fragment staat in “Bidden wij voor Owen Meany” van John Irving (p.542), ook wel een zeer “religieus” boek, maar evenmin van aard om mijn niet-geloof (ongeloof?) aan het wankelen te brengen.
AND NOW FOR SOMETHING COMPLETELY DIFFERENT
“De aarde telt sinds maandag officieel 7 miljard mensen. Geen reden om te feesten, want de grote populatie bedreigt de natuur en de toegang tot gezondheidszorg,” aldus Glynis Procureur in Het Nieuwsblad van 2/11/2011. Daarom komt ethicus Etienne Vermeersch met een drastische stelling. ‘De meeste mensen denken dat de keuze van het aantal kinderen een fundamenteel mensenrecht is. Hoewel de universele verklaring van de rechten van de mens dat suggereert, is die stelling op termijn niet houdbaar. Want als iedereen zelf mag bepalen hoeveel kinderen hij neemt, wordt de situatie onhoudbaar.’ In 1950 waren we met 3 miljard, tegen 2040 zal dat al 9 miljard zijn. En dat terwijl het tot 1800 duurde vooraleer er één miljard mensen op de aarde rondliepen. ‘Er is duidelijk nood aan begrenzing. In landen als Niger, Somalië en Ethiopië sterven dagelijks honderden kinderen door honger. We hadden die vrouwen vroeger moeten aansporen hun kinderaantal te beperken, door sterilisatie te belonen met een geldsom bijvoorbeeld. Dat was veel beter geweest. Nu moeten we lijdzaam toezien hoe hun kinderen sterven.’
Dan maar overal de éénkindpolitiek zoals in China?
‘Dat was niet prettig, maar onvermijdelijk op dat moment. Daardoor zijn 300 miljoen Chinezen niet geboren. Een opluchting, want anders zouden de Chinezen van vandaag zelfs geen kans op onderwijs gekregen hebben.
Geboortebeperking is ook bij ons nodig. ‘De ecologische voetafdruk van een kind uit de westerse landen is ongeveer twintig keer zo groot is als die van een Afrikaans kind. In België moet er op dit moment niets gebeuren: we hebben voldoende gezond verstand om niet allemaal vijf kinderen te nemen. Maar wat men zeker niet mag doen, is zeggen dat onze vrouwen te weinig kinderen baren. Geboortes aanmoedigen is het laatste wat moet gebeuren. Migranten in ons land hebben vaak nog te veel kinderen.
Nochtans berekenden Duitse wetenschappers dat er op onze aardbol plaats is voor minstens 75 miljard mensen. ‘Die wetenschappers zijn onnozelaars. Natuurlijk is er plaats voor zo’n massa. Net zoals er plaats is voor één miljard kippen in België, op voorwaarde dat ze allemaal op 25 vierkante centimeter leven.
Onnodig te zeggen dat Vermeersch de toekomst somber inziet. ‘Behalve de explosie van de wereldbevolking, groeit ook het consumptieniveau. Als ze in China en India evenveel auto’s kopen als wij in België, gaat de natuur eraan kapot.‘”
In 2016 ging hij zelfs nog een stapje verder in een interview met de internetsite Doorbraak.be: “Ik vind al zeer lang dat men ontwikkelingshulp zou moeten koppelen aan eisen voor geboorteregeling. In Haïti hebben we eerst die aardbeving en vervolgens die storm gehad en dan zouden we mensen moeten steunen. Maar die steun zou erin moeten bestaan dat iedereen die je laat steriliseren 500 dollar krijgt. Dat zou een efficiënte steun zijn. Wat baat het dat we ze steunen en ze vervolgens met een reeks kinderen afkomen die ze toch niet kunnen opvoeden? In de oorlog bij ons indertijd hielden de mensen zich in. Na de oorlog heeft dat dan tot de babyboom geleid. Maar nu zie je in Syrië, ze zijn daar al jaren in oorlog, dat die vluchtelingen allemaal met kleine kinderen afkomen. Alleen al het beeld dat je in oorlogstijd kinderen verwekt, dat is toch krankzinnig? Die mensen zijn onvoldoende voorgelicht en de officiële instanties zouden nooit mogen spreken over problemen zonder het probleem van de contraceptie en de geboorteregeling erbij te noemen. En als er geld wordt uitgedeeld moeten het in de eerste plaats gaan naar vrouwen die zich laten steriliseren. (…) De komende 30 jaar zal er fundamenteel veel veranderen. Maar dan zitten we met het onnoemelijke probleem dat tussen nu en 2050 de bevolking van Afrika met een miljard zal aangroeien. Zelfs als er 100 miljoen Afrikanen naar Europa komen, kunnen wij dat gewoon niet aan als we ook aan hen een basisinkomen moeten uitbetalen. Men schijnt onvoldoende te beseffen wat er op ons afkomt. De asielcrisis die we nu meemaken is maar een fractie van wat er op ons afkomt.”

Lees verder “Etienne Vermeersch (1934-2019)”

Herwig Leus (1940-2003)

Herwig Leus (1940-2003)

Ik heb me al vaker druk gemaakt over hoe mensen zo maar in de vergetelheid kunnen belanden. Vandaag is het b.v. vijftien jaar geleden dat polemist Herwig Leus is overleden en het enige wat ik aan “beeltenis” van hem kan terugvinden, is dit boek over Paul Snoek. Nu heb ik op mijn blog wel een stuk over Snoek, zelfs meer bepaald over dit boek, maar ik geef toch de voorkeur aan een ander artikel, met name over het boek “Niets gaat ten onder” van Louis Paul Boon, omdat ik daar Herwig rechtstreeks aan het woord laat.
Lees verder “Herwig Leus (1940-2003)”

Paul Rodenko (1920-1976)

Paul Rodenko (1920-1976)

Het is vandaag al veertig jaar geleden dat de Haagse dichter Paul Rodenko is overleden. Hij was de zoon van een Russische vader en een Engelse moeder en bracht meteen na de oorlog enkele jaren in Parijs door, waar hij zich intensief met het surrealisme en het existentialisme bezighield, zodat zijn poëzie één van de vroegste voorbeelden van de Vijftigers werd. Zelf ken ik hem (helaas?) enkel maar van een bundel “Erotische verhalen”, waarover op Wikipedia niet eens wordt gesproken, maar ikzelf schreef er wel een recensie over voor De Rode Vaan. (Wellicht betrof het een heruitgave want de dichter was toen al enkele jaren dood, ofwel was het een postume uitgave. Ik heb destijds nagelaten dat na te gaan.)
Lees verder “Paul Rodenko (1920-1976)”

Leo Vroman (1915-2014)

Leo Vroman (1915-2014)

Het is ook alweer vijf jaar geleden dat de Nederlandse dichter Leo Vroman is overleden. In 2008 pakte hij nog uit met een dichtbundel die hij de toepasselijke titel “Nee, nog niet dood” meegaf. Een jaar later werd hij zelfs wat overmoedig en noemde hij een nieuwe bundel “Soms is alles eeuwig”. Nou, eeuwig is hij niet meegegaan, zoveel is zeker, maar anderzijds doet het mij plezier dat de man, althans geestelijk, in goede gezondheid net geen honderd jaar geworden is.

Gewoonlijk leg ik er de nadruk op dat ik absoluut niet geschikt ben voor het onderwijs. Maar dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat dit altijd het geval is. Zo moest ik op donderdag 20 mei 1976 (van 8.05 uur tot 8.30 uur staat er zelfs bij) een examenles geven in de 1ste LWT-WB van het Koninklijk Atheneum Gent-Centrum (Ottogracht, lokaal 23). En die les ging over het gedicht “Nacht” van Leo Vroman (in het handboek De Gouden Poort VI, p.311). En blijkbaar heb ik dat goed gedaan, want de dame die mij moest quoteren, werd zowaar lyrisch. Zij nodigde mij bij haar thuis uit en vroeg mij om samen met haar een handboek voor het gebruik in de lessen Nederlands te schrijven. Uiteraard is daar nooit iets van gekomen, aangezien ik me zelfs de naam van die mevrouw niet eens meer herinner. Achteraf gezien denk ik trouwens dat zij een crush had op mij. Een oude schuur, weet je wel… Zij was immers een al wat oudere dame, die ik op dat moment als jonge blaag gewoon als “te oud” kwalificeerde en ik zag de erotische mogelijkheden van een dergelijke situatie helemaal niet zitten. Bovendien was ik in die tijd te monogaam voor woorden.
Enfin, ik ben mezelf nu weer aan ’t afbreken, want ik heb hier mijn lesvoorbereiding voor mij liggen en daar sta ik toch wel zelf een beetje van te kijken. Vele jaren later zou ik eens een negatief inspectierapport krijgen omdat ik gewoonweg geen lesvoorbereiding hàd. Dan was dit toch andere koek. Dus daarom tot lering en instructie, hier gaan we:
Leerdoelstellingen
Leerattitude: verwondering
Tweeledig: vorm vs. inhoud
– vorm: esthetisch (dit gedicht, maar ook – en vooral misschien – de parabel uit “De Kleine Johannes” die eraan ten grondslag ligt);
– inhoud: metafysisch (vragen oproepen).
Expressieve lectuur (aangezien het een ernstig, beschouwend en ontroerend gedicht betreft, houdt dit meteen ook een bijdrage tot affectieve of emotionele vorming in)
Bouw en gang van de les
1.Inleiding: motivering van de leerlingen
Aanknopen bij hun belangstellingssfeer: op de lp “Tussen Hemel en Aarde” van Dimitri Van Toren (zijn tweede, dus rond 1969) staat een nummer op tekst van Leo Vroman, “Vrede”. Hierin komt de slagzin “Vrede, godverdomme, vrede!” voor, waarvan een poster in omloop is. Even verwijzen naar het feit dat Leo Vroman tijdens W.O.II in een Japans krijgsgevangenenkamp heeft gezeten.
2.Lectuur van het gedicht door mezelf. Leerlingen volgen met boek open of gesloten naar keuze.
(Heel) korte woordverklaring: talrijke (gedachten) keren niet
Even informeren of voor het overige alles duidelijk is in lexico-grammaticaal opzicht.
Oppervlakkige vragen: rijm of niet? prosodie (versmaat, scandering, regelmatig aantal lettergrepen, regelmatige afwisseling beklemtoond/onbeklemtoond) of niet? even kijken naar geboortedatum en jaar van publicatie; slotsom: tracht het gedicht te situeren.
Oplossing: voorloper van de vijfitgers (derde vernieuwing in de Nederlandse Literatuur: eerste was Nieuwe Gids/Van Nu en Straks; tweede na W.O. I, het expressionisme)
Een paar namen: Paul Rodenko, Lucebert, Simon Vinkenoog, Jan Walravens, Louis Paul Boon, Hugo Claus
Vroman zelf is niet volledig onder te brengen bij de een of andere richting; zoals bijna alle auteurs na de Tweede Wereldoorlog heeft hij wel de invloed van het existentialisme ondergaan (Sartre, Camus, absurditeit, humanisme)
3.Karakterisering van Vromans poëzie aan de hand van dit gedicht.
Titel: letterlijk of niet?
Daar hij als beeld voor God een lamp gebruikt, die schijnt in de duisternis, is het in tweede instantie natuurlijk wel “letterlijk”, maar in feite is het natuurlijk figuurlijk, meer bepaald zijn negatieve ervaringen bij het herhaaldelijk zoeken naar een bewijs voor het bestaan van God en meteen ook naar een bestaansreden voor deze wereld, dit leven, zijn eigen leven.
Haal dit “negatieve” uit de tekst: dieper, niet buigen, wereldrand (roept beeld van afgrond op), spaarzaam, blinde duisternis, niet overtuigen, verste nadering, hol gebied, keren niet, verlies, pijn, verminkte, wreed, blindelings, stilste, zieke, te pletter
Toch haalt hij juist uit al dit negatieve ook iets positiefs: waar zit de omslag? (v.9; geaccentueerd door de break midden in een zin)
Is dit niet paradoxaal? (schijnbare tegenstelling) cfr. pijn = lust; wreed en zeker
Verklaring? (Hij vindt geen verklaring voor Zijn bestaan, maar ook niet voor zijn bestaan, hij wéét dat hij bestaat, analoog zou Hij dus ook kunnen bestaan. M.a.w. hij klampt zich vast aan dit geloof (koppig spelen; pijn die tot een lust verdooft) omdat hij een reden zoekt voor zijn eigen bestaan en er anders geen kan vinden. Als een dia projecteert hij zijn leven op een wand, vóór en dank zij een goddelijke lamp/lichtbron.
Is hij dus een existentialist? Neen.
Is hij beïnvloed door het existentialisme? Ja. De twijfel + moderne strekking in de theologie (Paul Tillich): God is dood, de communicatie met God (net als die tussen de mensen onderling) is uitgevallen. We staan er alleen voor, we tasten blindelings rond in de nacht.
Tegenstelling tussen de eerste twee en laatste drie verzen:
v.1-2: cfr. Leo Vroman is bioloog, wis- en natuurkundige (werkzaam in de VS); bios = leven, in essentie zoekt hij dus naar de oorsprong van het leven; hij vindt die niet in de fysica (dieper naar voren … wereldrand) maar misschien wel omdat het onderzoek nog niet ver genoeg gevorderd is (spaarzaam verlicht). Hij zoekt het dus “boven” de fysica en komt zo op het meta-fysische plan terecht.
V.14-16: de mens kan niet meer in contact treden met God maar “wellicht hoort” God wel onze “gedachten” (pogingen). Uitgaande van het gegeven dat God al-machtig is, dus alleszins machtiger dan de mens, veronderstelt Vroman dat Hij de kloof wél kan overbruggen.
4.Vergelijk met een passage uit “De Kleine Johannes” die bewust of onbewust aan de oorsprong ligt van dit gedicht.
Ik ga zeker niet beweren dat Vroman dit gedicht geschrevenheeft met het boek van Frederik van Eeden op zijn schrijftafel, maar het is wel bijna ondenkbaar dat een literator als hij op 34-jarige leeftijd het boek nog niet zou hebben gelezen en dan kan het best zijn dat hij zonder zich ervan bewust te zijn bijna een identiek beeld heeft gebruikt. De gelijkenis is op z’n minst frappant en het bestuderen waard. Overigens is de parabel uit “De Kleine Johannes” en het boek zelf een pareltje uit onze literatuur en mogen we niets onverloet laten om deze “stof” steeds opnieuw te laten actualiseren (p.34).
Terzijde: wat is een parabel? “gefantaseerd verhaal met moraliserende strekking, dat zijn werking uitoefent door analogie”. Cfr. bijbel, Japanse Steenhouwer (Multatuli).
Verschil met fabel: meer verheven toon; religieuze of morele strekking; geen dieren.
Dus hier fabel? Ik vind van niet…
C.Oefeningen en toepassingen
Expressieve lectuur
D.Gebruik van het bord
Eventueel voor moeilijke woorden. Normaal zou ik ook een leerling het gedicht op het bord kunnen laten schrijven (ikzelf heb een afschuwelijk geschrift, sic) om dan de belangrijke woorden met verschillende kleurkrijtjes te laten onderstrepen; wegens tijdsgebrek vervalt dit echter.
E.Welk ander didactisch materiaal werd gebruikt?
Frederik van Eeden, De Kleine Johannes, Manteau.

Lees verder “Leo Vroman (1915-2014)”

William Somerset Maugham (1874-1965)

William Somerset Maugham (1874-1965)

Vandaag is het vijftig jaar geleden dat één van mijn favoriete auteurs, namelijk de Brit William Somerset Maugham, is overleden.

“Vergis u niet, lieve lezer, geen schrijver die zichzelf respecteert, geeft ook maar een steek om u.” Aan het woord is William Somerset Maugham, meer bepaald in zijn roman “Mrs.Craddock” (Nederlandse Prisma-uitgave uit 1959, p.192). Het is het ietwat onverwachte slot van een lofzang op de ironie: “De ironie is een godsgeschenk, de meest verfijnde van alle menselijke uitingen. Ze is een pantser en een wapen, een levensbeschouwing en een voortdurend vermaak, voedsel voor hen die hongeren naar de humor en lafenis voor wie dorsten naar de lach. Hoeveel eleganter is het niet uw vijand te verslaan met de rozen der ironie, dan hem te verpletteren met de bijlen van het sarcasme of hem te bewerken met de knuppels van de smaad. (…) In deze ernstige wereld is de ironie het enige schild der luchthartigen. Voor de schrijver is ze een projectiel dat hij zijn lezer in het gelaat kan werpen, om daarmee de pestilente ketterij af te doen, als zou hij zijn boeken schrijven voor de abonnees op Mudie’s bibliotheek en niet voor zichzelf. Vergis u niet, lieve lezer, geen schrijver die zichzelf respecteert, geeft ook maar een steek om u.”
MRS.CRADDOCK
Somerset Maugham was reeds erg populair als toneelauteur, toen hij in augustus 1915 als romanschrijver doorbrak met het zeer autobiografische “Of human bondage”. “Mrs.Craddock” dateert van een dik decennium vroeger (1902) en verscheen oorspronkelijk in het Nederlands als “De triomf der liefde”. Dit is wel een zeer “ironische” titel, want het boek, dat helemaal in de lijn ligt van de Engelse familiesaga’s, zoals die van John Galsworthy, beschrijft hoe de onvolwassen verliefdheid van Bertha Ley voor haar pachter Edward Craddock in haat omslaat eens ze er goed en wel mee getrouwd is. “Edward is een modelman, de typische Engelsman, zoals hij op ons platteland bloeit, rechtschapen en eerlijk, gezond, dogmatisch, van hoge moraal en een beetje dom.” (op.cit. p.208) Zo beschrijft ze hem zelf tegenover haar kortstondige (bijna) minnaar, haar 19-jarige neef Gerald Vaudry (zijzelf is op dat moment 27). Het boek kan dus ook gelezen worden als een parodie op “Lady Chatterley’s Lover” (inclusief het naaktzwemmen op p.238), ware het niet dat dit boek van D.H.Lawrence pas 26 jaar later zou verschijnen…
Nadat Vaudry op zijn beurt “ohne Rücksicht” naar Florida is vertrokken, installeert ze zich opnieuw op haar landgoed, waar een immense onverschilligheid zich van haar meester maakt: “Men zegt dat het leven zo kort is, en misschien is dat ook wel zo voor hen die terugzien. Maar voor wie vooruitziet is het lang, afschuwelijk lang, eindeloos.” (p.231) Zelfs zodanig dat, wanneer haar man niet lang daarna (ze is amper 30) door zijn eigen stomme schuld en koppigheid zijn nek breekt, ze geen enkele energie meer over heeft om een nieuw leven te beginnen. De slotwoorden zijn: “Naast haar lag het boek dat ze had zitten lezen toen ze op Edward wachtte. Ze had het omgekeerd, met de opengeslagen bladzijden omlaag, neergelegd toen ze van de sofa was opgestaan om thee in te schenken. Zo was het blijven liggen. Ze was nu moe van het denken, nam het boek weer op en begon kalm te lezen.” (p.253)
ASHENDEN
Somerset Maugham was de best betaald auteur “world wide” in de jaren dertig. Hij was in 1897 afgestudeerd als dokter, maar zou zijn ambt nooit meer uitoefenen eens zijn literair werk succes begon te hebben. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte hij voor de British Secret Service in Zwitserland, wat een inspiratiebron zou zijn voor “Ashenden; or The British Agent” uit 1928 (een fragment hieruit vindt men als “De haarloze Mexicaan” terug in de verhalen die Cees Buddingh’ voor Prisma vertaalde). In datzelfde jaar vestigde hij zich in Cape Ferrat in Frankrijk, maar veel was hij niet thuis, want hij maakte voortdurend reizen naar alle mogelijk denkbare plaatsen in de wereld. Zijn verhalen spelen zich dan ook af op de meest diverse locaties. Ondanks zijn succes werd Maugham nooit geridderd, vermoedelijk omdat zijn levenslange verbintenis met zijn secretaris Gerald Haxton door het Hof niet werd geapprecieerd…
THE MAGICIAN
In 1907 schreef Somerset Maugham “The magician”, een sleutelroman over het leven van de fameuze Aleister Crowley. In het nawoord van de Nederlandse uitgave die ik heb gelezen (“De wraak van een magiër”, Utrecht/Antwerpen, A.W.Bruna & zoon, 1975) schrijft Maugham: “Toen mijn uitgever enige tijd geleden de wens uitte het boek opnieuw uit te brengen, vond ik dat ik het, voor ik mijn toestemming gaf, eigenlijk eerst nog eens moest lezen. Er waren bijna vijftig jaar voorbijgegaan sinds ik dat het laatst had gedaan en ik was het helemaal vergeten. Sommige schrijvers vinden het prettig hun vroegere werk te lezen; andere vinden het verschrikkelijk. Ik behoor tot de laatsten. Als ik de drukproeven van een boek heb gecorrigeerd, heb ik er voorgoed mee afgedaan. Ik word ongeduldig als mensen erop staan er met mij over te praten; ik ben blij als ze het goed vinden, maar het kan me weinig schelen als ze dat niet doen. Ik heb er even weinig belangstelling voor als voor een versleten pak dat ik heb afgedankt. Het was dus met tegenzin dat ik The Magician begon te lezen. Maar het boek boeide mij, in tegenstelling tot twee van mijn vroege romans die ik om dezelfde reden heb moeten lezen. Door een ervan kon ik eenvoudig niet heen komen. De andere bevatte, naar mijn gevoel, enkele goede dramatische passages, maar de humor vervulde mij met schaamte en ik zou me gegêneerd hebben als het opnieuw was uitgegeven. Tijdens het lezen van The Magician vroeg ik mij af hoe ik in ’s hemelsnaam aan al het materiaal over zwarte kunst was gekomen, waarover ik schreef. Ik moet dagen achtereen in de bibliotheek van het British Museum hebben zitten lezen. De stijl is weelderig en gezwollen, helemaal niet het soort stijl waar ik nu van houd, maar misschien paste dat wel bij het onderwerp; en er staan veel meer bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden in dan ik nu zou gebruiken. Waarschijnlijk was ik onder de indruk van de écriture artiste, die de Franse schrijvers van die tijd nog niet geheel en al uitgebannen hadden en was ik zo onverstandig geweest om te proberen ze te imiteren.
Hoewel Aleister Crowley, zoals ik al zei, model heeft gestaan voor Oliver Haddo, is het geenszins een portret van hem. Ik maakte mijn figuur opvallender van uiterlijk, meer sinister en onmeedogender dan Crowley ooit is geweest. Ik gaf hem magische vermogens die Crowley, ook al maakte hij er aanspraak op, zeker nooit heeft bezeten. Maar Crowley herkende zichzelf in de schepping van mijn verbeelding, want dat was het, en hij schreef in Vanity Fair een recensie van een hele pagina over het boek, die hij ondertekende met ‘Oliver Haddo’. Ik heb het artikel niet gelezen en daar heb ik nu spijt van. Het zal wel een prachtig stuk vuilspuiterij zijn geweest, maar waarschijnlijk, net als zijn poëzie, ondraaglijk breedsprakig.
Ik weet niet meer of mijn roman veel succes had of niet, toen hij uitkwam en ik heb me er ook het hoofd niet over gebroken, want tegen die tijd was er een grote verandering in mijn leven gekomen. De directeur van het Court Theatre, een zekere Otho Stuart, had een stuk uitgebracht dat geen succes had en hij kon niet onmiddellijk de acteurs krijgen die hij wilde hebben voor het volgende stuk dat hij van plan was op de planken te brengen. Hij had een van mijn stukken gelezen en er bijzonder weinig in gezien; maar hij zat in een lastig parket en dacht dat het stuk misschien net goed genoeg zou zijn om zijn schouwburg een paar weken open te houden, totdat de acteurs die hij nodig had voor het stuk dat hij had moeten uitstellen, vrij waren. Hij voerde het op. Het werd onmiddellijk een succes. Het resultaat was dat andere toneeldirecteuren binnen de kortste keren de stukken die zij eerst consequent hadden geweigerd, accepteerden en dat er vier van mijn stukken tegelijk in Londen gingen. Ik, die tien jaar lang gemiddeld ongeveer honderd pond per jaar had verdiend, verdiende nu verscheidene honderden ponden per week. Ik nam het besluit voor de rest van mijn leven op te houden met romans schrijven. Ik wist niet dat dit iets was dat ik niet in eigen hand had en dat ik, als de drang om een roman te schrijven mij overviel, er alleen maar aan zou kunnen toegeven. Vijf jaar later kwam die drang. Ik weigerde om voorlopig nog meer toneelstukken te schrijven en begon aan de langste van al mijn romans. Ik noemde die Of Human Bondage.”
(p.261-264)
OF HUMAN BONDAGE
“Of Human Bondage” las ik in een “ingekorte” Amerikaanse versie uit juli 1950, maar deze omschrijving mag zeker geen gefronste wenkbrauwen opleveren. Eerst en vooral is “ingekort” een relatief begrip. De roman telt nog altijd 373 bladzijden en pas na honderd bladzijden is er sprake van het feit dat het hoofdpersonage (Philip Carey) naar Parijs gaat. Nochtans is dit het vertrekpunt voor alle drie de verfilmingen die mij van dit werk bekend zijn (John Cromwell in 1934, Edmund Goulding in 1946 en Bryan Forbes en Henry Hathaway in 1964). De beroemde vrouwelijke hoofdrol van Mildred Rogers (gespeeld door achtereenvolgens Bette Davis, Eleanor Parker en Kim Novak) is op dat moment zelfs nog niet in het boek opgedoken (dat zal nog zo’n vijftig pagina’s duren).
Men mag er dus van uitgaan dat deze versie nog altijd zonder blozen naast het origineel mag liggen. Of misschien zelfs meer dan dat. Het inkorten is immers “without a minute’s hesitation” gedaan door Somerset Maugham zelf. “A novel,” aldus Maugham, is immers in tegenstelling tot een fuga of een schilderij “a very loose form of art”. Hij verwijst daarbij terecht naar schrijvers als Dickens of Balzac die in afleveringen werkten en per regel werden betaald, wat soms aanleiding kon geven tot hele stukken over Italiaanse kunst bijvoorbeeld, die helemaal niks met het verhaal te maken hadden. Dat alles heeft te maken met het feit dat de romanschrijver ook een kind is van zijn tijd, aldus Maugham, en dat hij dus ook toegevingen doet aan de heersende smaak. Ook hier geeft hij weer een pakkend voorbeeld over de natuurbeschrijvingen in romantische werken “which most of us now are content to skip. It took them a long time to discover that in this matter a line may give the reader a more vivid picture than a page.”
In zijn eigen geval, geeft Maugham zonder blikken of blozen toe, betreft het een geval van therapeutisch schrijven. “I retired from the theatre for a couple of years because I knew that by writing it I could rid myself of a great number of unhappy recollections that had not ceased to harrow me. This it did. But obviously there is a danger in writing a novel with this aim in view. The author writes to disembarrass himself of painful memories; he is not concerned with the reader, but only with his own liberation.” Alhoewel hij het niet expliciet zegt, kan men dus zelfs veronderstellen dat deze versie superieur is aan de oorspronkelijke. En in elk geval: “A writer is a fool if he thinks that every word he wrote is sacrosanct and that his work will be ruined if a comma is omitted or a semi-colon misplaced.”
THE MOON AND SIXPENCE
“The Moon and Sixpence” (geschreven in 1919) was het eerste boek dat ik van Maugham heb gelezen (het stond op onze literatuurlijst van de eerste kandidatuur) en ik was er meteen wég van. Het is een sleutelroman over de verhouding tussen de schilders Van Gogh en Gauguin en zoals ik dat in mijn studententijd gewoon was, heb ik het hoofdstuk voor hoofdstuk samengevat in slecht Engels, wat mij enerzijds mag worden vergeven, aangezien het nog maar mijn eerste jaar was, maar anderzijds zou ik dat nu toch wat moeten kunnen rechtzetten, maar dat is me niet helemaal gelukt, moet ik toegeven.
Ik gebruikte dit soort samenvattingen enkel als geheugensteun voor het examen. Het is dus zeker geen tekst met literaire aspiraties. En alhoewel het verhaal zeker geen thriller is, wil ik hier toch het van de Internet Movie Database bekende “spoiler alert” boven kleven. Met andere woorden: als u het boek nog niet gelezen heeft, slaat u dit beter over en gaat u verder bij het volgende boek.
Ch.1: The author introduces the person of Charles Strickland as being a great painter, whose greatness lies in his authenticity. He was not appreciated during his lifetime, but after his death nobody denied his genius.
Ch.2-4: Being a writer, I was invited to the parties of Miss Waterford where I met Mrs.Amy Strickland.
Ch.5-7: When I saw Charles Strickland for the first time, I thought he was a decent man, but not at all interesting. The Stricklands had a boy and a girl and they seemed to form a happy family.
Ch.8-10: I was informed that Strickland had run away from his wife, given up his job and left for Paris. It was completely uncomprehensible. Probably he had fled with another woman and that’s why Mrs.Strickland wanted me to go and see him and try to bring him back.
Ch.11-14: He lived in a very dirty hotel and was glad that I paid him a decent dinner, as he nearly had no money at all. But he didn’t care about that, nor about what people would say about his elopement. There was no other woman involved either, he only wanted to paint.
Ch.15-17: When I told this to Mrs.Strickland, she became very angry and didn’t want him back anymore (because he had left her for an IDEA, if it was for another WOMAN she would have forgiven him). On the other hand, she doesn’t want to divorce him either, because she won’t set him free.
Five years later I came to see her again to tell her that I was going to Paris. She said that I might give some money of hers to her husband if he needed any (she had a type-office now and was making enough money).
Ch.18-19: In Paris, I went to see Dirk Stroeve, a Dutch friend of mine, who was a bad painter, but a good critic as far as paintings are concerned. He told me he knew Strickland and called him a genius, who however had no success in selling any paintings at all. As a matter of fact, he didn’t even try to sell any. Stroeve’s English wife Blanche (married with him in Italy) hated Strickland, because he didn’t conceal to her or to Dirk himself that he thought the paintings of her husband were extremely bad.
Ch.20-21: Together we went to see Strickland, who looked as if he was starving, but on the other hand he was quite happy.
Ch.22-25: Dirk wanted me and Strickland to spend Christmas at his home, but in fact it was weeks ago that I saw Strickland for the last time (we used to play chess with each other) and Dirk himself had another quarrel with him. Finally we found out that he was very ill and lying in his room, with nothing to eat. Dirk asked his wife if it was possible to bring Strickland to their house to nurse him. She objected enormously, but consented when Dirk reminded her of the time when she was in trouble and how he had taken care of her.
Ch.26-33: Strickland was very ungrateful, although he was nursed like a baby. Three weeks later I saw Dirk, who was turned out of his studio by Strickland, because he wanted to paint on his own. Still a week later, Dirk told me desperately that Strickland had seduced his wife and they were now a couple. Dirk had left the house after innumerous humiliations by his wife, but he still loved her and he even had no grudge against Strickland, whom I myself despised by now.
Ch.34-37: I knew that Strickland wasn’t capable of love (he thought it was a waste of time and was only interested in sexual passion), so this romance wouldn’t last long. In fact, it lasted only a few months and then came to a horrible end: Blanche Stroeve had tried to commit suicide by taking acid after Strickland had left her. She continued to live for a few days, but wouldn’t allow Dirk to come and see her. Then she died.
Ch.38-39: A week later Dirk told me he left for Holland. He also went to see Strickland, who gave him a nude painting of Blanche. “I enjoyed painting it,” smiled Strickland, who was unmoved by her death. At first, Stroeve wanted to destroy the picture out of jealousy, but afterwards he recognized the enormous beauty of it. He even asked Strickland to accompany him to Holland, but the latter refused.
Ch.40-42: A month later I saw Strickland. He explained to me the circumstances of the marriage between Dirk and Blanche. Blanche had been seduced by a young nobleman, who had left her with a baby. Dirk had found her while she was on the edge of suicide and decided to marry her. But she never loved him, as “a woman can forgive a man his cruelty, but not his compassion”.
Afterwards Strickland asked me for the first time if I would like to see his pictures. They were however a disappointment to me.
Ch.43-45: A week later Strickland went to Marseille and I never saw him again, as I only went to Tahiti nine years after his death.
Ch.46-48: Interview with Captain Nichols, a poor adventurer, who was the companion of Strickland in Marseille. They had a terrible time there (financially) and after a fight with some other tramps, they had to flee to Tahiti.
Ch.49-52: Interview with Mrs.Tiaré Johnson. She proposed a native girl of seventeen, Ata, to Strickland. He “married” her unofficially and they went to live in a kind of Garden of Eden, five miles away from the town of Papeete, together with another young couple and an old woman, all of them natives. Strickland and Ata had two children, a boy and a girl, but the girl died at a very early age.
Ch.53-54: Interview with Captain Brunot. He seemed to know Strickland the best, by describing him as a restless searcher for beauty. It became clear to me that here on this island, Strickland wasn’t despised for his past and his way of living. Still, Cpt.Bruno was the only admirer of his paintings at that time. (In the meanwhile they had gone to very high prices.)
Ch.55-57: Interview with Dr.Coutras. He came to look after Strickland a couple of years before he died of leprosy. A few hours after his death he visited the house in which Ata and her son were still staying. He was overwhelmed by the fascinating paintings on the wall, representing nude natives in a tropical environment. It revealed unknown passions.
I was extremely disappointed, when I heard that Strickland had made Ata promise to burn them after his death and she had actually done it. On the other hand, I was convinced that at last he must have reached his ideal in which he had put all of his expression. So he probably had found peace after all.
Ch.58: I related all this (except the Ata episode) to Mrs.Strickland, who was now a true admirer of her husband’s work.
According to some sources, the title, the meaning of which is not explicitly revealed in the book, was taken from a review of Of Human Bondage in which the novel’s protagonist, Philip Carey, is described as “so busy yearning for the moon that he never saw the sixpence at his feet.” Presumably Strickland’s “moon” is the idealistic realm of Art and Beauty, while the “sixpence” represents human relationships and the ordinary pleasures of life.
THE LIFE OF PAUL GAUGUIN (1848-1903)
Gauguin was born in Peru, where his French father wanted to flee for political reasons. He died however during the crossing of the Atlantic and during seven years Gauguin was raised by his mother, who was half Creole.
They returned to France where he was brought up in strict religious surroundings. When his mother had died, he grew restless and as a seventeen-year-old he became a seaman. After the French-German war, he settles down to become a successful stockbroker. He married Mette Gad from Denmark and they had five children. He left his family and his job however when he was 35 (*).
Strickland was a also stockbroker. They are both the same age when they started to paint, when they went to Tahiti and also they died at nearly the same time.
The only remarkable difference is of course that Strickland is English, while Gauguin is French. This is obviously a literary trick to enable the writer himself (undoubtedly an autobiographical portrait of Maugham himself) to play a part in the story.
And of course the works of Stroeve aren’t in the least “worthless”, although during his lifetime this was obviously the case. On the other hand Maugham neglects to add the incident of Van Gogh cutting off his ear after a quarrel with Gaugain, probably because he thought that this would be “over the top”. It would show that Stroeve is also “a suffering soul” and this does not fit in Maugham’s tale. In fact, the reason to depict Stroeve as a bit of a “petit bourgeois” is deliberate in contrast to the vitalism of Strickland.
Gauguin’s work is described as having massive and simplified forms, strong contrasts in colour, which he uses in an abstract way. This corresponds exactly with the terms in which Maugham describes Strickland’s revolutionary way of painting.
Wat mij dus vooral bij is gebleven, is het slot, nog geaccentueerd door de verfilming door Albert Lewin in 1942. De film is immers eigenlijk in zwartwit, maar wanneer we de schilderijen van Gauguin op Tahiti te zien krijgen, schakelt men terecht over op uitbundige kleuren:
“It was strange and fantastic. It was a vision of the beginnings of the world, the Garden of Eden,
with Adam and Eve — it was a hymn to the beauty of the human form, male and female, and the praise of Nature, sublime, indifferent, lovely, and cruel. It gave you an awful sense of the infinity of space and of the endlessness of time. Because he painted the trees I see about me every day, the cocoa-nuts, the banyans, the flamboyants, the alligator-pears, I have seen them ever since differently, as though there were in them a spirit and a mystery which I am ever on the point of seizing and which forever escapes me. The colours were the colours familiar to me, and yet they were different. They had a significance which was all their own. And those nude men and women. They were of the earth, and yet apart from it. They seemed to possess something of the clay of which they were created, and at the same time something divine. You saw man in the nakedness of his primeval instincts, and you were afraid, for you saw yourself.”

Later heb ik dit fragment geselecteerd voor mijn leerlingen in het secundair onderwijs (met weglating van “the cocoa-nuts, the banyans, the flamboyants, the alligator-pears”) en ik gaf er dan ook een kleine woordenlijst bij, die ook nu nog voor sommige mensen misschien van pas kan komen:
human: menselijk
praise: lof
sublime: subliem
indifferent: onverschillig
cruel: wreed
infinity: oneindigheid
endlessness: eindeloosheid
as though: alsof
to be on the point: op het punt staan
to seize: grijpen
to escape: ontsnappen
familiar: vertrouwd
significance: betekenis
nude, naked: naakt
clay: klei
to create: scheppen
divine: goddelijk
primeval: oer-
THE FALL OF EDWARD BARNARD
De overweldigende indruk die Tahiti op Gauguin maakte, vinden we ook terug in het kortverhaal “The fall of Edward Barnard” uit de bundel “The trembling of a leaf”. In dit verhaal worden eveneens twee vrienden tegenover elkaar geplaatst (zij het hoegenaamd geen schilders, integendeel zelfs), maar de tegenstelling is hier veel pregnanter: Edward Barnard mag dan nog “gevallen” zijn in onze westerse ogen als gefaalde businessman, uit de tekst leer je eigenlijk precies het tegenovergestelde. Waarbij ik nog eens wil refereren aan de beschrijving van de natuur en de bewoners van Tahiti. Nochtans “vereenzelvigt” de schrijver zich met de verteller Bateman Hunter (ook al is het wel degelijk geschreven in de derde persoon), die ongegeneerd racistisch is. Een voorbeeld dus van de zeer ingewikkelde filosofie bij Maugham, die bijna het tegendeel is van de naturalisten. Zo ziet hij het goede in de boef en de schijn van braafheid bij de deugdzame. Of het voordeel dat deze laatste daaraan overhoudt. En ook zet hij zich heftig af tegen de “tranche de vie”-techniek. Hij wil een verhaal met een begin, een midden en een einde, een verhaal dat àf is en waarbij er als het ware geen “voor” en “na” is. Toch is hij bewust anti-sentimenteel, wat hij dan weer met de naturalisten gemeen heeft.
THE PAINTED VEIL
In “The painted veil” (1925) beschrijft Maugham de relativiteit van relatieproblemen in tijden van cholera. De vraag naar de zin van ons bestaan overheerst in zo’n geval alles, zoals Albert Camus later met “La peste” zou bevestigen. Als homo mag Maugham dan niet echt de vinger kunnen leggen op het feit waarom een “dom blondje” als Kitty Garstin van een nitwit als Charlie Townsend houdt, terwijl haar man Walter Fane zoveel briljanter is (maar een totale nul in tennis en aan de toog), toch slaagt hij erin deze relatie op te tillen dat eenieder er in zekere mate ook z’n eigen relatie in herkent. Een literaire en filosofische krachttoer, die ons naar het China van het begin van deze eeuw brengt, waar Walter Fane zich als vrijwilliger opgeeft om de cholera te gaan bestrijden, als “straf” voor wat hij zijn vrouw heeft aangedaan. Hij heeft ze namelijk gedwongen om mee te gaan, als haar minnaar niet bereid was om met haar te trouwen. En inderdààd, zo slim was hij wel dat hij wist dat Townsend de band met zijn vrouw, die hem vooruithielp op de sociale ladder, niet zou willen verbreken. Maar in die droeve omstandigheden kruipt Kitty uit haar Betty-cocon om o.a. in een katholiek klooster zich bezig te houden met Chinese weeskinderen: “After all they had gone through, when they were living amid these scenes of horror and desolation, it seemed inept to attach importance to the ridiculous act of fornication. When death stood around the corner, taking lives like a gardener digging up potatoes, it was foolishness to care what dirty things this person or that did with his body.” (p.155)
Een vlinder is ze nog niet geworden, want ze is nog zoekende. Ze vindt het niet bij de nonnen en wendt zich dan maar tot de gezellige drinkebroer Deputy Commissioner Waddington, die samenleeft met een Manchu-prinses. Volgens hem is zij op zoek naar “Tao. Some of us look for the Way in opium (de Manchu-prinses, RDS) and some in God (de nonnen), some of us in whisky (hijzelf) and some in love (Kitty). It is all the same Way and it leads nowhither.” (p.162)
The title is taken from Percy Byssche Shelley’s sonnet which begins “Lift Not The Painted Veil Which Those Who Live/Call Life”. Maar ondanks deze informatie, ondanks het lezen van het boek en het zien van twee verfilmingen ervan weet ik nog altijd niet waarop de titel slaat. Wie helpt? (Indien mogelijk met een citaat uit het werk van Maugham.)
“The painted veil” werd in 1934 reeds verfilmd door Richard Boleslawki met niemand minder dan Greta Garbo in de vrouwelijke hoofdrol. Walter Fane werd gespeeld door Herbert Marshall. In de versie van John Curran uit 2006 zijn het Naomi Watts en Edward Norton die de rollen voor hun rekening nemen. Het lijkt moeilijk om in dergelijke voetsporen te treden, maar volgens Humo (9/3/2007) doen ze dat uitstekend:The Painted Veil is bovenal een acteursfilm: Watts en Norton laten in magistrale vertolkingen zien hoe die de tentakels van de liefde – die droevige wals waaraan we allemaal deelnemen – en de wrok kunnen reiken. Onmetelijk diep, zo blijkt. Pakkende film.”
Volgens de mannelijke hoofdacteur Edward Norton mochten de makers een brief ontvangen van de kleinkinderen van Somerset Maugham, waarin zij stelden dat dit de beste Maugham-verfilming “ever” was!
Een surplus t.o.v. de eerste versie was alleszins dat scenarist Ron Nyswaner er de neergeslagen revolutie van 1925 heeft aan toegevoegd, waardoor de film in China zelf kon worden gedraaid. De Chinezen zijn immers nog steeds verontwaardigd over het feit dat in 1925 de Britse kolonialen in een groep protesterende Chinese arbeiders heeft gevuurd. Onrechtstreeks liggen hier zelfs de kiemen van de geslaagde revolutie van 1949.
CAKES AND ALE
In 1930, dus op het hoogtepunt van zijn roem, publiceerde Somerset Maugham alweer een andere sleutelroman: “Cakes and ale”. De titel is een uitdrukking: “Cakes and ale” is synoniem voor “the good life”. De origine van de uitdrukking gaat terug op Shakespeares “Twelfth Night”. Aan het woord is Sir Toby Belch: “Out o’ tune, sir: ye lie. Art any more than a steward? Dost thou think, because thou art virtuous, there shall be no more cakes and ale?”
Het boek maakt nogal wat ophef omdat Maugham hierin twee bekende schrijvers afzeikt. De eerste (Alroy Kier) is de klier die de aanzet vormt voor het verhaal en die twintig pagina’s lang zodanig wordt opgehemeld dat hij onuitstaanbaar wordt. Het is een tijdgenoot van Maugham, namelijk Hugh Walpole (ik moest voortdurend aan the major in “Fawlty Towers” denken als ik het las). De tweede (Edward Driffield) is diegene waarover het eigenlijke verhaal handelt en dat is met name Thomas Hardy. Die was toen nog niet zo lang geleden gestorven (11 januari 1928) en het is werkelijk heel gedurfd van Maugham om de literaire waarde van zo’n icoon, zo kort na zijn dood in twijfel te trekken. Slechts één voorbeeld: « We know of course that women are habitually constipated, but to represent them in fiction as being altogether devoid of a back passage seems to me really an excess of chivalry. » (p.82)
Het verhaal zelf gaat echter over zijn eerste vrouw, die “a woman of love” zou zijn geweest. De klier van hierboven doet nogal denigrerend over haar, maar Maugham zelf typeert ze als “sweet”. Hardy was inderdaad twee maal getrouwd en zijn eerste vrouw was Emma Lavinia Gifford. Merkwaardig is echter dat ze in “Cakes and ale” een “barmaid” wordt genoemd, terwijl de Giffords (vooral Hardy’s schoonvader) zich juist boven de Hardy’s verheven voelden (wat Hardy o.a. afreageert in “Tess d’Urbervilles”).
Maar ook dat eerste huwelijk van Hardy zelf is eigenaardig verlopen. Zo is zij het die, onmiddellijk na hun echtverbintenis, hem stimuleert om zijn baantje bij architect Crickmay op te geven (het was nochtans door een opdracht van Crickmay – de restauratie van de kerk van St.Juliot in Cornwall – dat hij met Emma in contact was gekomen) en fulltime-schrijver te worden. Na twintig jaar huwelijk (1894) zijn er wel wat troubles (die hun weerslag vinden in “Jude the Obscure”, 1896), maar dat lijkt over te gaan (in “Cakes and ale” niet: zij verlaat hem). Zij sterft in november 1912.
Maugham heeft altijd ontkend dat zijn boek over Hardy zou gaan. Hij zegt dat het een conglomeraat is van verschillende schrijvers. Nu, dat er een deel fictie bij is, dat staat vast. Zo zou de ik-persoon (alweer onder de naam Ashenden) ook een verhouding gehad hebben met Mrs.Driffield. En hij niet alleen. Als hij daarover zijn beklag doet tegen haar, klinkt het: “You must take me as I am” (p.139). En hoe is zij? Wat is m.a.w. haar levensvisie? “It’s so silly to be fussy and jealous. Why not be happy with what you can get? Enjoy yourself while you have the chance, I say; we shall all be dead in a hundred years and what will anything matter then? Let’s have a good time while we can.” (p.138-139)
In februari 1914 trouwt Hardy voor de tweede maal, deze keer met Florence Emily Dugdale. Hij is ondertussen al een gereputeerd schrijver met o.a. een eredoctoraat van Cambridge (Oxford zou in 1920 volgen). Deze Florence is zogezegd de auteur van de biografie “The early life of Thomas Hardy” (1928), maar over het algemeen wordt aangenomen dat het hier over een autobiografie gaat. Zij is ook verantwoordelijk voor het verbranden van oude brieven, notaboeken e.a. personalia die ons in staat zouden stellen een beter licht te werpen op het leven van de schrijver. Daar staat dan echter weer tegenover dat bij zijn overlijden zijn asse weliswaar in de fameuze Poets’ Corner van Westminster Abbey terechtkomt, maar zijn hart wordt begraven bij het lichaam van zijn eerste vrouw, die naast het graf van zijn ouders rust. (Mijn persoonlijke opinie: het kan hier misschien om een notariële vastlegging gaan waartegen zij geen verweer had.)
THE NARROW CORNER
The Narrow Corner was first published in 1932. A quote from Meditations, iii 10, by Marcus Aurelius, should illuminate the title: “Short therefore, is man’s life, and narrow is the corner of the earth wherein he dwells.”
In the story, set “a good many years ago” in what is now Indonesia, waardoor Somerset Maugham hier en daar ook een Nederlands woord in zijn roman laat glippen. Erg grappig daarbij is het woord “reistafel” (Penguin, p.97-98). Het gaat hier namelijk over de fameuze rijsttafels in Chinese restaurants. Maar Maugham heeft blijkbaar niet door dat de benaming slaat op de vele rijstgerechten die worden opgediend, maar hij legt wel een verband met het “reizen” van de personages aan de dis en daarom wordt dit dus een reistafel
In the preface to a collected edition, Maugham writes about the origin of two characters in the novel.
Dr.Saunders was based on “a medical student I had known when I was myself one and whom I continued to know till he died forty years later (…) He had (…) a great sense of humour, a pleasant cynicism and not a little unscrupulousness.” After originally including Dr. Saunders in the short story “The Stranger” in On a Chinese Screen, Maugham remained interested in the character. Maar als Maugham op p.202 Dr.Saunders als levensvisie laat debiteren: “I believe in nothing but myself and my experience. The world consists of me and my thoughts and my feelings; and everything else is mere fancy. Life is a dream in which I create the objects that come before me. Everything knowable, every object of experience, is an idea in my mind, and without my mind it does not exist. There is no possibility and no necessity to postulate anything outside myself. Dream and reality are one. Life is a connected and consistent dream, and when I cease to dream, the world, with its beauty, its pain and sorrow, its unimaginable variety, will cease to be,” dan denk ik dat we toch met vrij grote zekerheid mogen stellen dat hier Somerset Maugham zelf aan het woord is…
Captain Nichols originally appeared in The Moon and Sixpence (introduced in chapter 46); he was suggested by “a beachcomber I met in the South Seas…. He was a very pretty rascal, but he took my fancy. He had smuggled guns into South America and opium into China.” An incident related by Nichols in The Moon and Sixpence was cut out during proof reading, since Maugham realised it could be the basis of a new novel.
A Hollywood film version of The Narrow Corner was produced and released in 1933. Directed by Alfred E.Green, it features Douglas Fairbanks Jr. as Fred Blake, Patricia Ellis as Louise Frith and Ralph Bellamy as Eric Whittenson. [Wikipedia]
THEATRE
In 1937 schreef Somerset Maugham op basis van zijn ervaringen in het theater de gelijknamige roman, die in 2004 aan de oorsprong zou liggen van de film “Being Julia” van Istvan Szabo. “Ik heb de roman zelf helaas nog niet gelezen, maar ik ga dat zeker eens doen, want ik ben ervan overtuigd dat de filmversie in essentie afwijkt van de roman,” schreef ik destijds. Tussen haakjes: wie dat wenst, kan de roman online lezen. Zelf ga ik dat echter niet doen, ik heb liever een echt boek in de hand. En dat heb ik dus uiteindelijk ook gedaan.
Maar goed, waarom dacht ik dat? Wel, ik kon me niet voorstellen dat Maugham het eens is met het einde van de film, waarin iedereen de kant kiest van het hoofdpersonage, Julia dus, gespeeld door Annette Bening, als zij op een wrede manier wraak neemt op een jongere actrice (rol van Lucy Punch) die via het bed van Julia’s man (Jeremy Irons) én minnaar (Shaun Evans) in haar voetsporen wil treden (hierin herkent men natuurlijk ook de klassieke film “All about Eve” van Joe Mankiewicz uit 1950, maar wellicht is het dus precies omgekeerd en is deze film, geschreven door Mankiewicz zelf, min of meer geïnspireerd op het werk van Maugham). Als ik het zo formuleer, lijkt het misschien logisch dat ze op algemene instemming kan rekenen, maar dan heb ik natuurlijk nog niet vermeld dat zij als eerste met die jonge Amerikaanse minnaar is vreemd gegaan. Op het internet vind ik slechts één recensie (die wel op drie verschillende plaatsen weerkeert, telkens zonder bronvermelding uiteraard) die mij wel gelijk schijnt te geven: “In Theatre, W.Somerset Maugham – the author of the classic novels Of Human Bondage and Up at the Villa – introduces us to Julia Lambert, a woman of breathtaking poise and talent whose looks have stood by her forty-six years. She is one of the greatest actresses England – so good, in fact, that perhaps she never stops acting.
It seems that nothing can ruffle her satin feathers, until a quiet stranger who challenges Julia’s very sense of self. As a result, she will endure rejection for the first time, her capacity as a mother will be affronted, and her ability to put on whatever face she desired for her public will prove limited. In Theatre, Maugham subtly exposes the tensions and triumphs that occur when acting and reality blend together, and – for Julia – ultimately reverse.”

Dat dit in de film dus helemaal anders overkomt, is het werk van scenarist Ronald Harwood, ook de schrijver van het controversiële toneelstuk over Wilhelm Furtwängler, waarover ik het elders op mijn blog uitgebreid heb.
Ik moet zeggen dat ik helemaal niet meer wist dat ik deze verfilming had gezien, toen ik aan het boek van Maugham begon. In the preface to a collected edition (dus niet de mijne, ik heb het boek in een – erbarmelijke – Nederlandse vertaling gelezen), Maugham writes that during the thirty years between the productions of his first play and his last play, he knew “a great number of distinguished actresses. Julia Lambert, the heroine of Theatre, is a portrait of none of them. I have taken a trait here and a trait there and sought to create a living person. Because I was not much affected by the glamour of the brilliant creatures I had known in the flesh I drew the creature of my fancy, I dare say, with a certain coolness. I think Julia is true to life… I feel a great affection for her; I am not shocked by her naughtiness, nor scandalized by her absurdities…”
Natùùrlijk was Maugham “not much affected by the glamour of the brilliant creatures he had known in the flesh”, daar zorgde zijn homoseksualiteit wel voor. Daarom kan men zich afvragen waarom hij zich geroepen voelde om deze roman te gaan schrijven. En ik kan er niet aan doen, maar ik moet altijd maar denken aan haar oude aanbidder Charles Tamerley. Deze nevenfiguur lijkt mij geïnspireerd door Maugham zelf. En misschien is de volgende scène, die voor mijn part in aanmerking komt voor “beste seksscène”, misschien wel echt gebeurd: “Toen hij zich weer omdraaide stond ze dichtbij het bed met haar handen op de rug, een beetje in de houding van een Circassische slavin, die door de hoofd-eunuch ter inspectie aan de groot-vizier wordt voorgesteld, er was een vleugje van bescheiden terughouding in haar gedrag, een heerlijke verlegenheid, met tezelfder tijd het voorgevoel van de maagd, die weldra haar Koninkrijk zal binnentreden. Julia slaakte een zucht, die een heel klein beetje wellustig was.” (p.254-255)
Maar uiteraard was Tamerley nooit van plan zijn zogezegde droom te realiseren. En ook dit wordt door Maugham (via Julia) met een onverbiddelijk scalpel ontleed: “Wanneer de amoureuze avances van een vrouw door een man worden afgewezen, is zij geneigd een of twee gevolgtrekkingen te maken; de ene, dat hij homosexueel, de andere, dat hij impotent is. Julia stak nadenkend een sigaret op. Ze vroeg zich af, of Charles zijn toewijding voor haar gebruikt had als een afleidingsmanoeuvre voor zijn ware toeneigingen. Maar ze schudde het hoofd. Als hij homosexueel was geweest, zou ze daar stellig wel iets van hebben bemerkt; tenslotte werd er na de oorlog in de society over practisch niets anders gesproken. Maar het was heel goed mogelijk, dat hij impotent was. Ze rekende zijn leeftijd uit. Arme Charles.” (p.258)
En, oh ja, het boek van Maugham eindigt met wat bespiegelingen van Julia zelf. Een goedkeuring of afkeuring door haar omgeving komt dus niet ter sprake.
Besides “Being Julia” Theatre was adapted as a play of the same name by Guy Bolton; it was first seen at the Hudson Theatre in New York, and ran for 69 performances, from 12 November 1941 to 10 January 1942. It featured Cornelia Otis Skinner as Julia Lambert and Arthur Margetson as Michael Gosselyn.
Adorable Julia, a German-language film of 1962 (original title Julia, du bist zauberhaft), was based on the play by Guy Bolton. It was directed by Alfred Weidenmann, and featured Lilli Palmer as Julia and Charles Boyer as Michael. And Teatris (1978), a Latvian film based on the novel, was directed by Jānis Streičs. It featured Vija Artmane as Julia and Gunārs Cilinskis as Michael. [Wikipedia]
VIRTUE
De novelle ‘Virtue’ (1943) is even cynisch: de deugdzaamheid van Margery Hobson zal uiteindelijk leiden tot de zelfmoord van haar echtgenoot en tot haar ongeluk. Zij, veertig jaar, was zeer gelukkig gehuwd met de tien jaar oudere Charlie Bishop – een modelhuwelijk, partners die perfect op elkaar afgestemd waren. Tot de bijna twintig jaar jongere Gerry Morton op haar pad komt: het avontuur. Deze jongeman is gedurende enkele maanden met verlof in Londen (uit Borneo), verveelt zich, en laat zich gewillig op sleeptouw nemen door Margery naar theater, musea, restaurants, en naar een verliefdheid… Maar zij is deugdzaam en wil zich niet binden, haar echtgenoot niet ‘bedriegen’, tot seks komt het niet, en Morton keert naar Borneo terug terwijl op dit cruciale moment Margery aan Charlie (die tot dan al die uitstapjes als vriendschappelijk had beschouwd) bekent verliefd te zijn. Een fatale breuk in dit zo mooie huwelijk; en Charlie raakt aan de drank tot hij zelfmoord pleegt. Nu is Margery vrij… helaas, zij stuurt het overlijdensbericht naar Gerry – dit kruist zijn brief die met bedekte termen een afwijzing betekent: zijn verliefdheid in de sfeer van Londen betekende heel wat anders dan het gevoel dat hij ervaart in wat zijn echte biotoop en toekomst geworden is. Ware zij niet zo deugdzaam geweest, had zij zich reeds eerder aan hem gegeven en was zij met hem mee afgereisd, ja dan… nu rest haar slechts eenzaam ongeluk. “Als men zich over de menselijke dwaasheden zou opwinden, dan kon men zich wel voortdurend woedend maken” lezen we nog. En zo is het maar net…
THE RAZOR’S EDGE
In “The razor’s edge” (1943) wil Somerset Maugham in oorlogstijd nogmaals lucht geven aan zijn existentiële twijfels. Daarvoor voert hij een jonge Amerikaan ten tonele, Larry Darrell, die in zijn jeugd een gewone onbezorgde “typical American boy” was, tot hij in Frankrijk als oorlogsvliegenier met de dood van een vriend wordt geconfronteerd die hiermee zijn eigen leven redde. Het is voor Larry de aanleiding om over de zin van het leven te gaan nadenken. In eerste instantie uit zich dit door niet te willen gaan werken, maar liever nog wat te studeren, maar dan zonder echt doel voor ogen, wat voor Amerikanen natuurlijk “outrageous” is (**). Daarom raadt de conservatieve streber Elliott Templeton (weliswaar op een bepaalde manier een sympathiek personage, zo weggelopen uit een roman van Edith Warton, het soort Amerikaan dat nu niet meer bestaat) zijn zuster Louisa Bradley af haar dochter Isabel, waarmee Larry verloofd is, aan hem uit te huwelijken. De naar Europese adel vissende Elliott is ook de figuur waardoor de auteur, die zichzelf als zodanig en onder zijn eigen naam ook opvoert, in contact komt met die Amerikanen. Elliott is ook de perfecte tegenpool voor Larry omdat hij diens leven als nutteloos beschouwt, terwijl hijzelf een totaal futiel leven leidt. Vandaar dat de beschrijving van zijn dood één van de hoogtepunten van het boek is.
Isabel is vrijgevochten genoeg om haar eigen mening te vormen, maar die mening komt uiteindelijk wel overeen met die van haar familie, aangezien ze niet zonder enige maatschappelijke welstand kan leven. Daardoor huwt ze met Gray Maturin, een jeugdvriend van Larry, die wel degelijk een “typical American boy” is gebleven. Als hun fortuin er door de Wall Street Crash echter aan gaat, dan komen zij in Parijs terecht, waar ze op kosten van Elliott in diens woning mogen verblijven. Daar ontmoeten ze opnieuw Larry, die tussen de expatriates nog altijd op zoek is naar de zin van zijn bestaan. Hij doet dit o.a. door zware handenarbeid (met name in de mijnen in Noord-Frankrijk), waar hij een Poolse edelman ontmoet die blijkbaar een vergelijkbare crisis doormaakt (zwakste deel van het plot). Deze leert hem nota bene de weg naar de (voor het ogenblik nog katholieke) mystiek kennen. Maar tegelijk komt hij via de losse levenswandel van de Pool ook in contact met de fysieke liefde in de gedaante van een wilde boerendochter. Later zal hij tegenover seks altijd een voor die tijd zeer vooruitstrevende opinie koesteren, maar dan precies enkel omdat hij zo onthecht is dat hij er niet echt naar streeft, evenmin als naar materiële welstand b.v. (al leeft hij voorlopig nog wel voornamelijk van zijn erfenis). In Parijs ontmoeten ze ook Sophie Macdonald, eveneens een jeugdvriendin van Larry, Gray en Isabel, die evenwel “op het slechte pad” is nadat ze haar man en kind in een auto-ongeluk is verloren. Sophie leeft nu in de marge van de maatschappij. Via prostitutie verzamelt ze het geld dat ze nodig heeft voor drugs en alcohol. Als Isabel merkt dat Larry verliefd is op Sophie (zijn onweerstaanbare drang om “Verlosser” te spelen), zorgt zij ervoor dat dit mislukt door Sophie (die voor de gelegenheid de drank heeft afgezworen) opnieuw in verleiding te brengen. Sophie gaat eronder door en als ze later met de keel overgesneden wordt teruggevonden, stelt Maugham (als personage én als schrijver) heel terecht dat het eigenlijk Isabel is, die haar heeft vermoord. Maar hij neemt het haar niet kwalijk: “My dear, I’m a very immoral person. When I’m really fond of anyone, though I deplore his wrongdoing it doesn’t make me less fond of him. You’re not a bad woman in your way and you have every grace and every charm. I don’t enjoy your beauty any the less because I know how much it owes to the happy combination of perfect taste and ruthless determination.” (p.339) Eenzelfde openheid met betrekking tot zichzelf spreidt Maugham ten toon voor zover het zijn relatie met de “kunstenaarsgroepie” Suzanne Rouvier betreft. Een relatie die hij overigens deelt met Larry. Want eigenlijk is dit boek zijn verhaal. Met als voornaamste (maar nogal saaie) onderdeel zijn belevenissen in India, die er hem uiteindelijk toe brengen zijn fortuin weg te schenken en als anonieme taxichauffeur verder te leven in de VS, waar hij op die manier hoopt zijn landgenoten te bekeren. “Eigenlijk is dit een successtory,” besluit Maugham. “For all the persons with whom I have been concerned got what they wanted: Elliott social eminence, Isabel an assured position backed by a substantial fortune in an active and cultured community; Gray a steady and lucrative job, with an office to go to from nine till six every day; Suzanne Rouvier security; Sophie death; and Larry happiness. And however superciliously the highbrows carp, we the public in our heart of hearts all like a success story; so perhaps my ending is not so unsatisfactory after all.” (p.350)
“The razor’s edge” werd in 1946 verfilmd, opnieuw door Edmund Goulding, die volgens mij een totaal verkeerde toon aanslaat. Het is waar dat de zoektocht van Larry (én van Somerset Maugham) naar de zin van het bestaan op een bepaald moment de spirituele richting inslaat (dit is misschien wel onvermijdelijk), maar uiteindelijk blijft bij Maugham het existentialisme overheersen, meen ik me te herinneren, terwijl Goulding ongeremd de christelijke weg inslaat, bovendien gedrenkt in zo’n typische geëxalteerde Hollywoodsaus als het godsbestaan ter sprake komt. Tyrone Power is redelijk kleurloos als Larry en Anne Baxter ongeloofwaardig als Sophie. Gene Tierney is “gewoon mooi” als Isabel, maar dat is eigenlijk wat de rol ook inhoudt, vind ik. In de twee sleutelmomenten die ze heeft (de seksuele verleiding van Larry, waarvan ze op het laatste nippertje afziet, en de verdoemenis van Sophie) was ze wel overtuigend. De show wordt echter gestolen door Clifton Webb als Elliott en vooral Herbert Marshall als Somerset Maugham zelf. Buiten het feit dat er natuurlijk nergens wordt gealludeerd op zijn homoseksualiteit was het zo natuurgetrouw dat ik mij soms afvroeg of de schrijver zijn eigen rol niet vertolkte! (Dat kon natuurlijk niet wegens de leeftijd, maar kom…)
In 1984 werd het boek nogmaals verfilmd, deze keer door John Byrum met Bill Murray als Larry, Theresa Russell als Sophie, Catherine Hicks als Isabel en Denholm Elliott als Elliott Templeton. Bill Murray heeft zelf meegeschreven aan het script en heeft er nog meer een glamourrol van gemaakt dan er in potentie reeds in aanwezig was. Bovendien is het nog meer “veramerikaniseerd”. Nochtans gaat dit, net zoals “The Age of Innocence”, over een sectie (in tijd en plaats) van Amerika dat toch nog Europeser was dan men zou aannemen. Vandaar dat hij enerzijds de bal misslaat en dat anderzijds de film toch geen succes kende, aangezien hij voor het grote publiek niet “Amerikaans” genoeg was.

Lees verder “William Somerset Maugham (1874-1965)”