Het hoekje van Opa Adhemar (32)

Het hoekje van Opa Adhemar (32)

Een klasfoto, zwart-wit, stevig karton, formaat prentkaart. Drie rijen knapen, enfin jongens, of zijn het jongeheren… afgeborsteld en duidelijk toch ietwat mooier in het pak dan hun doordeweekse outfit, hun kloffie vermoedelijk. De eerste rij zittend, daarna staand, de derde blijkt zich, verheven, op een uit de turnzaal aangesleepte bank in evenwicht te houden.

In het midden van de eerste rij bemerken we twee oudere, nog net niet bejaarde, heren. In priesterdracht. Ik herken de klastitularis en de superior, deze laatste dus het opperhoofd van de school. Centraal uiteraard. Je leest het van hun ernstig gespannen gelaat: zij zijn het die de groep om hen heen naar de volwassenheid moest leiden, dat was hun taak, hun hoop, hun verwachting, hun nachtmerrie. Zo zitten zij hier, plechtstatig, schuldbewust, en voor hen staat een groot bord (zwart) met witte letters. We lezen: AMAT VICTORIA AC VINCIT DIFFICILIA. Een aantal letters zijn groter gecalligraffeerd: wanneer je hen omzet in onze meer gebruikelijke rekentaal kun je het jaartal ontcijferen. Zo weet je meteen in welk jaar deze bengels hopelijk afstuderen en hun zitvlak verheffen uit de schoolbanken, hun humaniora achter zich zullen laten. Een Latijnse tekst… ja het betreft de afdeling Grieks-Latijnse, het laatste jaar, de retorica genaamd. Maar ergens moet een onverlaat toch ook kunnen cijferen, een jaartal dus, laat eens zien, hemel zowat vijftig jaren geleden… 
Daar zitten, of staan, ze dan. Negentien individuen. Wat is er van hen geworden. Waarheen heeft het pad des levens hen gevoerd. En op welke wijze? De ene met een ossenwagen, de andere per fiets, of pendelend, de trein, de auto, een enkeling schopte het mogelijk tot de limousine. Geen idee. Velen verloor ik uit het oog, ze verdwenen in de nevelen van de tijd, opgeslokt door de mist der jaren. Met mijn toestemming. Wat heb je er aan om al die individuen jaren later te ontmoeten, hen in de veelal uitgedoofde ogen te blikken, te ontdekken dat al die verwachtingen en dromen en toekomstbeelden inmiddels berusten op de vuilnisbelt van langzaam vergleden dagen, maanden, jaren. Om enkele woorden te wisselen, nadat je moeizaam in de uitgezakte wangen, tussen de rimpels, onder dat kale schedeldak een vroegere klasgenoot herkende, om tenslotte hopelijk ook nog uit je geheugen zijn naam op te diepen (veel kans dat je Peter zegt tegen Achiel, terwijl er nooit een Achiel in de klas zat) en jij weet dat “jij bent x” terwijl hij y is, maar wacht, “je bent dokter geworden”. Welnee, totaal niet. En nee ik heb geen zes kinderen, dat moet Fred zijn… en ga zo maar door tot je allebei depressief afscheid neemt. Ontmoetingen met oud-klasgenoten, bespaar hen mij.
Die foto, kijk daar vooraan zittend dat is Luc. Een heel kleine jongen, nietig figuur. Bescheiden ook. Maar slim, clever. Gelukkig zit hij in front, anders ware hij onzichtbaar, onderdeurtje als hij was. Maar wel mooi gelaat, Grieks profiel, tengere gestalte. Ik had niet veel contact met hem en toch, onverwacht, nodigde hij me uit hem te vergezellen naar zijn tennisclub. Zomaar. In die jaren was tennis een elitair iets. Ja Luc was de zoon van industriëlen, van een clan van industriëlen zeg maar. Dus ik op de fiets richting stadsrand alwaar zich bevond: de tennisclub. Ach ach, de uitgestalde auto’s konden reeds een waarschuwing zijn, het tenue waarin iedereen gewikkeld was een tweede. De elite. Ik voelde me dadelijk een vis aan de haak. Hoe joviaal de verwelkoming ook was. Eens maar nooit weer. Luc… hij drukte niet echt de voetsporen van zijn voorvaderen, kwam in het bankwezen terecht; dus toch geld. En misschien tennist hij nog, met krakende gewrichten. Naast hem, die met zijn stekelhaar, is Jan. Zoon van kleine middenstanders. Kruideniers. Herinner me één eigenaardigheid: bracht iedere middag onveranderd zijn boterhammen met boulogne mee, spie genaamd in ons dialect, vervaardigd uit vooral paardenvlees, vierkant en donker van kleur. Blijkbaar lustte hij verder niks. Dat voert me naar Karel, hij staat uiterst links boven op de bank. Stoere gast, haantje de voorste. Vader was eigenaar van vleesverwerkend bedrijf in onze stad, vlees uitsluitend van paarden afkomstig: beleg in meerdere soorten, het voornoemde waarvan Jan zo’n vurig en gretig consument was, en gerookt. Hij moet ongetwijfeld ondanks zijn kennis van de oude talen tenslotte in het paardenbedrijf gestapt zijn. Terwijl Jan met spie en al notaris geworden is.
Het mag u mogelijk verwonderen dat ik hier vlotjes de namen weet te noemen van mijn medeplichtigen van dat jaar uit het verre verleden. Misleiding! In een dwaze bui had ik blijkbaar de namen achteraan mooi, accorderend volgens de foto, genoteerd; misschien in het vooruitzicht dat ooit Alzheimer onverbiddelijk zou toeslaan. Ook dat er uitsluitend mannelijke creaturen op de klasfoto figureren mag u wellicht verbazen? Weet dan, in illo tempore waren de meeste scholen niet bepaald gesteld op een gezelschap van beide kunne. In ieder geval de christelijke zuil niet, en het merendeel der scholen in onze stad hing deze leer aan. De tijden zijn veranderd.

Daarom dus: zie ons daar, negentien knulletjes, in de waan volwassen te zijn. Waarheen hebben de vergissingen van onze jeugd ons allen geleid. Waar kwamen we terecht. Daar staat Fred, die is tandarts geworden. Met mijn panische angst voor dat soort mensen die ik catalogiseer in de rij van slagers en veekooplui, kwam ik nooit bij hem terecht. Dat zou werkelijk het einde betekend hebben: een bekende die zich op dergelijk intiem niveau met mij zou bemoeien, mijn privacy schenden.

(Bovendien, tandartsen… Je hebt ergens in die lelijke holte midden je gezicht een plekje dat al wekenlang schrijnt en lastig doet. Of soms ronduit pijn – wat je met alle middelen tracht te bestrijden: de apotheker stopt je een verdovend mondwatertje in de handen, helpt uiteraard geen zier; pijnstillers, na vier gewone merk je geen verschil, de zwaardere dan heb je een voorschrift van de huisarts nodig, dat je dan maar met reeds gezwollen kaak gaat halen: “dit is toch iets waarmee u naar de tandarts zal moeten hoor!”, alsof ik dat niet weet, idioot. Twee, drie painkillers gecombineerd met een scheut jenever: als een zombie dwaal je door een nachtelijk huis, als een zombie mét tandpijn. Om tenslotte, inderdaad, de nachtmerrie: oh die moet er uit, prikje, krakkrak, spoelen, wat een slager, fout beroep gekozen zeker? Bedankt. Tot volgende keer. Volgende keer!!!). 

Naast tandarts in spe Fred, een beetje weggedoken vind je Yvo, tamelijk bescheiden figuur. Verrassend dat hij blijkbaar naar het buitenland trok, ontwikkelingssamenwerking. Hij zag er uit of hij nooit op eigen houtje de bus zou durven nemen. Hoe mensen zich vreemd weten te ontpoppen.
Dat mag zeker gezegd worden over Ludo, de bolleboos van de klas. Ging pol en soc studeren, politieke en sociale wetenschappen; zoiets waarmee je alle richtingen uit kan om tenslotte nergens te arriveren. Edoch, die slimme Ludo kwam wel ergens aan tenslotte. Het laatste wat ik over hem vernam was dat hij fungeerde als cafébaas in een kroegje in de Antwerpse rosse buurt. Dus toch nog goed terecht gekomen. Een ontmoeting met hem zou beslist enige stof opleveren, meer dan de voorspelbare clichéwoorden. Helaas, kan ik met goed fatsoen mijn dasje strikken en mijn schreden derwaarts richten? En indien mijn aanwezigheid langs de rode vitrines gesignaleerd zou worden, hoe geloofwaardig klinkt het dan “ik ging net een vroegere schoolvriend opzoeken”? Nee…

Dat ik regelmatig de drempel overschrijd bij John – hij staat achteraan in het midden – is geen probleem voor mijn reputatie, daar kijkt niemand van op, ik heb er de leeftijd voor, spijtig. Hij ook natuurlijk maar toch blijft hij af en toe kuchend en zuchtend de supervisie in zijn apotheek waarnemen. Leek me steeds een droogstoppel. Het absolute tegendeel van Marc. Het moet wel een ongeschreven wet zijn dat in iedere klas een clowneske figuur aanwezig is, iemand die de boel af en toe wat opvrolijkt, op stelten zet. Marc dus. Buitenbeentje. Een jaar ouder dan de rest: hij dubbelde ergens een jaar van de humaniora, hoewel lang niet dommer dan wij (misschien iets teveel buitenissige interesses). Zijn entree in onze klas was dadelijk opmerkelijk. Dat jaar zaten we niet in de klassieke banken maar aan tafels met losse stoelen. Iedereen zat braafjes neer toen hij, ons nog onbekend, die ochtend gezwind binnenstapte en naar de achterste tafel verwezen werd. Waarna prompt gedruis opsteeg: hij was er in geslaagd een poot onder de tafel uit weg te schoppen met de logische gevolgen, reputatie gevestigd. Hij zou op het eind van dit beruchte laatste jaar – op het dansfeestje dat we organiseerden – als dj fungeren. En slaagde erin de dag voordien zijn arm te breken; dat weerhield hem niet, al moest zijn trouwe kompaan en sidekick Ron wel de plaatjes opleggen, hij nam het (soms wat scabreuze) gebabbel voor zijn rekening. Tja, hij is vroedman geworden, zal de bevallende dames wel met een kwinkslag begeleiden vermoed ik. Die twee, toen platenruiters bij de genade van een plaasteren arm, zouden een leven lang vrienden blijven – terwijl we de anderen grotendeels uit het oog verloren, soms heel definitief vermits er inmiddels twee ons reeds ontvielen (statistisch gezien valt dat nog mee denk ik). 
Die tafels, dat laat me er aan denken dat we dat jaar heel ongebonden waren in de klas: de structuur van netjes op rijen werd doorbroken, de tafels werden in een halve cirkel geschikt, en bij de klastitularis mocht zelfs in de klas soms gerookt worden. Het waren nog eens tijden… Er dient gezegd dat jaren later, toen diezelfde revolutionaire leraar een echelon hoger steeg (hij werd de grote baas, superior dus), hij zich ontplooide (sic) tot een reactionair eerste klas, een tiran, onverdraagzaam, niks kon, niks mocht, alles was verboden. Het kan verkeren, Bredero wist het al en die kende de man nog niet eens.

Daar valt me Roland op. Werd ambtenaar bij het ministerie van financiën. Hij was één van de twee internen uit onze klas: je kon in onze school ook inslapend leerling zijn. Roland woonde in een dorp, tamelijk ver van onze stad. Wellicht daarom, of omdat hij liever niet iedere avond nog eens de koeien diende te melken – ja een boerenzoon. Wij de externen bekeken die wereld van de inslapers met enig medelijden. Terecht? Uitsluitend op woensdagmiddag waren we licht jaloers, dan geurden de gangen in het oude gebouw naar frieten. En dan mochten de internen ons nog verzekeren dat het maar slappe frietjes waren, die geur bleef ons lokken: het water sijpelde ons de mondhoeken uit.

Misschien heerste er ook wel een samenhorigheidsgevoel tussen die internen. Een sentiment dat wij kort mochten ervaren gedurende de jaarlijkse retraite. Er was nog geen sprake van bos- of zeeklassen, oh nee: wij werden nog veilig weggemoffeld in een klooster of abdij. Vijf dagen binnen de dikke muren, een aureool van heiligheid boven het hoofd, een wolk van wierook om ons heen en dagelijks naar de mis. Op school waren er trouwens ook twee misvieringen per week voorzien, ingecalculeerd tussen de lessen, wij hebben onze hemel wel verdiend. Er werd wat afgebeden die dagen, en er werd ons heel wat geïnstrueerd. Maar we hadden er ook veel plezier. En leerden er elkaar beter, en vooral anders kennen.
Mijn oog valt op de bladzijde in het album naast deze van de klasfoto: twee kleinere prenten, herinneringen aan de schoolreis die we datzelfde jaar maakten. De ene laat ons een reeks opgetogen, lachende en opgewonden gezichten zien in de autobus – een totaal ander beeld dan de uitgestreken smoelwerken op de officiële afscheidsfoto. De andere is een momentopname van Ivo, spring in ’t veld, die hier als een waaghals hoog in een boom zit. Wat wou hij bewijzen? Hij is in de politiek gegaan, beroeps! Eén figuur springt nog naar voren in mijn herinnering. Lieven. Hij begon in zijn eentje een schoolkrant uit te geven. Gelukkig met dadelijk enkele medewerkers zoals Ron die voor een muziekrubriek zou instaan. Ach de muziek van onze jaren, the Beatles, the Stones, al die Britse groepen en de piraatzenders. De onderwerpen van gesprek. Veel meer dan de meisjes, vreemd genoeg. Al waren ook zij wel – soms obstinaat – in ons privéleven aanwezig. Maar binnen het jongensbastion bleef hun aandeel veeleer beperkt. Of werd dit onderwerp op zo’n fluistertoon behandeld dat de klank vervluchtigt in mijn herinnering.
Zie ons daar zitten. Negentien individuen. Allen wachten ze op iets, dat hebben ze gemeen. Verwachtingen. Een toekomst, carrière, huwelijk, geboorte, echtscheiding, een griepje, kerstmis, een minnares, het winnend lot, kanker, eb of vloed, weduwnaar worden… En nu, het kapitaal lijkt opgebruikt. Laten we uit de foto stappen en veilig aansluiten bij de begrafenisstoet van een onbekende.     

Johan de Belie

Veertig jaar geleden: concert door de Bluebirds Big Band

Veertig jaar geleden: concert door de Bluebirds Big Band

Bijna 43 jaar geleden schreef Ronny De Schepper (27 jaar, Sint-Niklazenaar en medewerker aan verscheidene weekbladen en tijdschriften) een volledige tekst voor een rock-musical: « The Cat ». Samen met een mede-pengenoot Mark De Decker (als schrijver, voordrachtkunstenaar en regisseur geen onbekende bij het Sint-Niklase toneelpubliek) werd reeds een groot gedeelte van de regie uitgedacht. Op dat ogenblik (er is dan op verre na nog geen sprake van de Blue Birds Big Band) komen twee muzikanten op het voorplan als muziekschrijvers voor de musical: Jean-Pierre Goossens en Walter Vercruyssen.

Lees verder “Veertig jaar geleden: concert door de Bluebirds Big Band”

Veertig jaar geleden: “Er zijn geen happenings meer”

Veertig jaar geleden: “Er zijn geen happenings meer”

Eilaas, bovenstaande gevleugelde woorden zijn niet van mij, maar van de gekende miskende dichter Van Bieskul, die op de “poëziehappening” van Vers in de Sint-Niklase Normaalschool op 12 oktober 1979 achteraan in de zaal alweer miskend zat te wezen (dus dat zat weer snor, zoals de foto uit de beeldbank van de stad Sint-Niklaas – zelfs van veertig jaar later – bewijst). Inderdaad bezorgde het ook mij gekrulde tenen toen de “happening” werd ingezet door drie heren in witte kiel (waarvan één op de fiets) die uit een ijskast een exemplaar van de eerste aflevering van “Vers” haalden onder het motto “Vers houdt het hoofd koel”.
Lees verder “Veertig jaar geleden: “Er zijn geen happenings meer””

Het hoekje van Opa Adhemar (20)

Het hoekje van Opa Adhemar (20)

Dat ik met een schop onder mijn edele derrière uit de bibliotheek verwijderd werd, vermeldde ik laatst. Zo werd ik gekatapulteerd richting stadhuis. Dat was gelukkig over geen al te grote afstand, nauwelijks enkele honderden meters. Dus gezwind, enfin met bezwaard gemoed naar het hoofdkwartier, naar de plaats waar de lakens werden uitgedeeld. Onder het mom dat men daar op een dienst zeer dringend behoefte had aan een bekwame administratieve kracht. “Mijn oor!” zeggen ze dan… Fraai excuus. Welke dienst mocht dat dan wel zijn?

Ik arriveerde. Hemeltje. Of liever: hel! De boekhouding. Wat wel bleek te kloppen, ze hadden iemand nodig. Maar of ik nu net die gegadigde diende te zijn? Na 7u en 45 minuten had ik het wel bekeken. Cijfers. Ik die gehuwd was met letters, bij voorkeur letters in een bepaalde volgorde geplaatst, tot zinnen geordend, in boeken terechtgekomen. No way. De volgende dag meldde ik me ziek. Indien ze dan toch zo om iemand verlegen zaten, zochten ze maar een ander slachtoffer. 

Twee weken later was ik opnieuw paraat, kiplekker zeg maar. Wat hadden ze nu in petto? Niets natuurlijk. Maar och, bij de dienst bevolking kan er altijd eentje bij. We zullen hem daar al stoppen. Zodoende kwam ik onder de hoede van de al bijna stokoude Marcel. Taak: identiteitsgegevens van alle nieuwe ‘burgers’ (inwijkelingen en borelingen) op metalen plaatjes printen. Deze konden afgedrukt worden waar nodig, op grote fiches van gezinssamenstellingen en andere volgens woning. Eventueel dienden deze gegevens op het plaatje aangepast, burgerlijke staat enz.

Marcel, een nukkige man. Maar indien je deed wat hij vroeg en hard werkte (dat laatste vrij ongewoon, sorry voor het cliché maar het gold voor de meesten toen) was je zijn vriend. Dat werd ik. Een vreemde vogel wel. Hoewel hij vast niet arm was, met zijn echtgenote betrok hij een kleine villa in een buitenwijk van de stad, kinderen hadden ze niet, was hij zo gierig als… tja “als de pest” zegt men al weet ik niet waar die uitdrukking op slaat. Zo ging hij steeds op het einde van de donderdagse markt zijn fruit en groenten kopen op het ogenblik dat de handelaars inpakten: het onverkochte werd dan aan dumpingprijs van de hand gedaan. Hij aarzelde ook niet om wat op de grond getuimeld was, gekneusd en als onverkoopbaar bleef liggen, op te rapen en in zijn tas te verzamelen. De dagelijkse rit per fiets was een bron van inkomsten: wat hij al niet aantrof op zijn weg! Alles verzamelde hij, alles was bruikbaar. Ooit vroeg ik hem wat hij zou aanvangen met de drie gedeukte thermosflessen die hij net veroverd had. “Die kunnen nog wel eens voor iets dienen” was het vage antwoord.

Zo’n zes maanden zij aan zij en toen was het voorbij. De bureauchef ging met pensioen. Zo’n job stelde niet veel voor, de boel in de gaten houden, verveling troef. En dus had hij zich een extraatje toegeëigend: de dienst vreemdelingen, wat ongeveer telkens een halve dag beslag op hem legde. Zijn plaatsvervanger zag dit evenwel niet zitten en schoof deze taak door naar de bevorderde onderbureauchef.

Ocharme. De brave man sloeg tilt bij de idee. Telkens iemand met een andere tint zijn loket naderde kreeg hij zowat alle kleuren van de regenboog. En de druppels transpiratievocht die zijn lichaam verlieten iedere werkdag! Niet dat hij xenofoob was, hij rilde en trilde van angst: hij had geen inzicht in de materie. En hij kon zich niet uit de slag trekken met enige vreemde taal wat weliswaar geen must was (in feite zelfs wettelijk verboden) maar bijzonder onhandig. Zodoende deed hij vrijwel onmiddellijk wat dat betrof een beroep op mij. En reeds de eerste week zond hij steeds vaker radeloze blikken mijn richting uit. Zelfs het eenvoudig verlengen van een verblijfsvergunning liet hem doodsangsten uitstaan.

Ik diende meer en meer ter hulp te snellen. Na twee weken was de zaak beklonken, ik kwam op de vreemdelingenstoel terecht en de resterende tijd kluste ik bij voor de bevolkingsdienst – wat niet lang zou duren. De administratie. Niet bepaald mijn droom. Geen idee of ik het had volgehouden zonder het tegengewicht van de nevenactiviteiten. Het recenseren, het regisseren. Ik stond ’s ochtends zelfs een uur vroeger op om te kunnen lezen, zonder dat uurtje lectuur had mijn dagtaak me onoverkomelijk geleken.

Maar het werk zelf hielp ook. Dit was niet louter administratie. Dit was omgaan met mensen, me verdiepen in dossiers waar vaak een problematiek achter verscholen was. Dit was dikwijls helpen, een gevecht tegen regels. En dus boeiend en dankbaar. Bovendien, niet onbelangrijk voor de eenzaat die ik was, hier had ik een plaatsje voor mezelf veroverd. Geen rekening houden met collega’s, geen rekenschap afleggen; behalve aan… ja aan wie, aan het grote opperhoofd, de Manitou, de burgemeester. Dat was inmiddels de alom bekende Freddy Willockx. In de stad ook wel de Turkenvriend genoemd. Of hij werkelijk een voorkeur had voor de getinte medemens heb ik nooit gemerkt, wel dat hij opkwam voor minderbedeelden en streed tegen onrecht.

Op die wijze kwam ik vaak met hem in aanraking. Het was bekend dat zijn deur openstond voor mensen met problemen. Dus klopten al die mensen van vreemde nationaliteit die met een dossier in de knoei zaten bij hem aan. Meermaals per week overlegde ik dan ook hoe een probleem kon opgelost worden. Al vlug had hij door dat we op dezelfde golflengte opereerden. Onoprechte vragen werden geklasseerd. Voor de andere, de meeste, liepen we het vuur uit onze sloffen. Een visumaanvraag voor iemand die twee maanden naar België wou komen, een ‘gezinshereniging’ waarvan de documenten niet in orde bleken wegens een administratieve fout… noem maar op.

Het hielp dat ‘Freddy’ tot de hoogste regionen kon doordringen om vriendelijke verzoeken te doen. Indien we de vraag humaan konden rechtvaardigen. De dankbaarheid was groot. En duurt, nu ik al tien jaar met pensioen ben, nog steeds verder: telkens ik me buiten begeef in de stad word ik aangesproken door ex-cliënten, inmiddels uiteraard meestal genaturaliseerd. Die eenzame job bleef trouwens niet lang duren. De komst van familieleden en vooral de vluchtelingen… Al vlug werkte ik een ganse dag aan het ‘vreemdelingenloket’, diende daarna een collega om bijstand te vragen. Tot die kleine cel tenslotte uitbreidde tot vijf personen en ik eindigde zonder contact aan het loket, nog louter de ingewikkelder wordende wetgeving lezend en de probleemdossiers behandelend.

Dit en het toenemende politieke gezeur: blij dat het pensioen tenslotte wenkte hoe prettig het ook al die jaren was. De collega’s. Suggereerde ik dat er weinig gewerkt werd, daarmee het cliché bevestigend. Sorry, natuurlijk waren er zeer plichtsgetrouwe bedienden, en er was de middenmoot. En een enkeling deed ronduit niks. Zo ging dat nu eenmaal, het weddezakje was voor iedereen even vol. Er waren de amusante ogenblikken. De verjaardagen, de jarige vergastte de bende dan op – naar zijn zin of beurs – op koffiekoeken, taartjes of, later jaren, ook belegde broodjes. Uiteraard werd er tijdens de diensturen heel wat gepraat, officieuze minuten, en tweemaal per dag tien minuten officieel als koffiepauze terwijl er in feite de ganse dag sloten koffie gezwolgen werden. Toen roken op kantoor verboden werd trokken de geviseerden als een meute naar de binnenplaats om aan een saffie te lurken. Tot de gezonde lammeren concludeerden dat de bokken wel flink in het voordeel waren: voor hen betekende dit dus per dag 2x tien minuten extra pauze om lekker longkanker op te lopen! Het licht in andermans ogen… Dus dienden de rokers de koffiepauze te benutten voor hun duivelse gewoonte.

Er was wel vaker zo’n akkefietje. Velen hadden de gewoonte om op donderdag de middagpauze te benutten voor hun aankopen op de markt, donderdag marktdag! Soms werd er een vers gebraden kip meegebracht die nog heet en geurend in de zak lag te lonken naar de hongerige magen. Maar die geur, de ganse namiddag leek het kantoor wel een kippenkraam. Na maanden kwam er protest en werden de malse kippenboutjes verbannen naar het archief. De oude dossiers wisten niet wat hen overkwam met de nabijheid van die uitdagende blote hete billen.

Vaak, één avond per week, werd er ook na werktijd een stapje in de wereld, enfin in een of andere kroeg gezet. Dat was heel goed merkbaar aan de trieste blikken de volgende ochtend, de wallen, het werktempo. Het hoeft geen uitleg dat ik mij van dergelijke uitspattingen onthield. Zoals ik bijna steeds ontsnapte aan de massale verplichte nieuwjaarsreceptie – deze jongen dook weg en huiswaarts. Zoals hij zich evenmin meldde voor het dinertje der collega’s achteraf. Me nooit beklaagd telkens ik de verhalen hoorde, het eindigde steevast in teveel drank, geroddel en soms zelfs herrie.

Er bestond trouwens iets als De Vriendenkring, voor al het stadspersoneel; de idee alleen al…! En een tijdschrift, De Belleman, dat was andere koek, daar wou ik dan mijn eenzaam steentje wel aan bijdragen in de vorm van een column. Wat ik zelfs gepensioneerd nog bleef doen. Tot – inmiddels was er een ander bestuur en een ander regime – men een passage wou censureren. Wat ik weigerde. Alles of niets. De twee partijen bleven koppig. Het werd dus niets, en meteen besloot ik geen letter meer in het blad te publiceren. Een opvolger-columnist vonden ze niet. Tot mijn afkeurenswaardig genoegen.

Allochtonen, jarenlang mijn leven en omgang. Of er ooit problemen waren? Eerlijk gezegd niet. Zelfs wanneer er een strikte ‘nee’ diende opgeworpen worden dan nog kon alles minzaam geregeld blijven. Agressie? Nee. Of toch, één keer. Met twee jongens. De enige keer dat ik zelfs de politie diende in te schakelen om hen van het loket en uit de gang te verwijderen. Wat ik me tenslotte nog beklaagde. Er was een ‘sluis’ die van uit de gang van het stadhuis via twee deuren naar buiten leidde, een kleine ruimte dus die onzichtbaar bleef voor ieders ogen. En daarin namen de twee ter assistentie geroepen pakkemannen de knapen mee. Ik zag niks maar hoorde des te meer. Het was de tijd van de harde aanpak. Heden ten dage zal dat hopelijk niet meer op die wijze gebeuren; hoe dan ook, ik was geschokt. 

Wat er nog wel gebeurde: in onze verder brave stad (toen) baatten twee broers een ‘dancing’ uit in het centrum. Waar ze Filipijnse jongedames lieten dansen. Die kwamen hierheen met een tijdelijke verblijfs- en werkvergunning. En moesten zich dus laten inschrijven. Dat veroorzaakte steevast heel wat opschudding, zo’n vier of vijf schaars geklede schoonheden aan het loket. En de procedure nam tijd in beslag: paspoorten controleren, visa, vergunningen, documenten typen… Beroering binnen het kantoor en in de gangen. Ik werd benijd. De toevoer van een nieuw contingent van al dat fraais liet nooit lang op zich wachten. Vooral omdat de broers nog een ‘bar’ in een deelgemeente bleken te bezitten. Was het dubieus? Alle papieren bleken steeds in orde. Tot ik op een avond door de politie naar hun bureau gehaald werd. Waar zich een aantal meisjes bevonden, geflankeerd door iemand van Payoke, de Antwerpse vereniging die zich inzette voor deze vrouwen. Tja, deze meisjes had ik dan niet gezien; papieren niet in orde stelde ik vast… Telefoon naar de permanentie in Brussel, uitwijzingen maken, en verder was het woord aan Payoke en de advocaat. En aan de broers die enkele maanden later hun actieterrein naar Nederland verplaatst hadden… Meteen het einde van de kleurrijke optocht in de gangen van het duffe stadhuis.

Pensioen. Goed, ik was en bleef een eenzaat. Maar toch had ik al die jaren lief en leed gedeeld met die mensen. Dus blij, om meerdere redenen, dat ik de werkzaamheden kon stopzetten, maar het afscheid… Dus bood ik iedereen toch maar een etentje aan. Waar kon dat beter gebeuren dan in restaurant ‘Het laatste avondmaal’! Daarna keerde ik definitief huiswaarts met onder de arm een reuzekalender waarop telkens foto’s van alle collega’s in diverse settings passend bij mij of bij het seizoen. Wat een herinnering… En een zwart gat? Er waren boeken, veel boeken, heel veel boeken…      

Johan de Belie          

Geslaagd 5de buurtfeest Brandstraat

Geslaagd 5de buurtfeest Brandstraat

Op de Velle houden verschillende straten met de regelmaat van een klok een buurtfeest: Beeldstraat, Heistraat, Steendonkstraat… Op zaterdag 8 juni was de Brandstraat voor de 5de maal aan de beurt. De hoeve van de familie Pauwels (‘Herdershof’) was de plaats van het gebeuren. 120 buurtbewoners waren present, afkomstig van Temse en Sint-Niklaas, want de ene kant van de Brandstraat is grondgebied Temse, de andere Sint-Niklaas.
Lees verder “Geslaagd 5de buurtfeest Brandstraat”