Dusty Springfield (1939-1999)

Dusty Springfield (1939-1999)

Vandaag is het ook al twintig jaar geleden dat de Britse zangeres Dusty Springfield is overleden.

Dusty Springfield werd geboren als Mary O’Brien in Hampstead (Londen). In 1960 vormde ze met haar broer Dionysius, die zich wijselijk Tom Springfield liet noemen, en buurjongen Tim Feild (later vervangen door Mike Hurst) het trio The Springfields. Hun grootste hit was “Island of Dreams”, geschreven door Tom Springfield, dat o.m. werd gecovered door Johnny Tillotson, Mary Hopkin en natuurlijk de Australische Seekers, want toen The Springfields in 1964 uit elkaar gingen, zou Tom Springfield zich vooral om The Seekers gaan bekommeren. Hij schreef voor hen o.a. “I’ll Never Find Another You”, “A World of Our Own”, “The Carnival is Over” (the melody was based on a Russian folk song, while Tom Springfield wrote the remaining music and lyrics for the song) en “Georgy Girl” (samen met Jim Dale), wat werd genomineerd for an Academy Award for Best Original Song of 1966.
Niet slecht dus, maar zijn zus Dusty zou het nog veel beter doen. Her solo career began in 1963 with the upbeat pop hit, “I Only Want to Be with You”. Among the hits that followed were “Wishin’ and Hopin'” (1964), “I Just Don’t Know What to Do with Myself” (1964). In 1966 scoorde ze in het Verenigd Koninkrijk een nummer één-hit met You Don’t Have To Say You Love Me. Dit had ze overgehouden van haar deelname aan het San Remo Festival een jaar eerder, waarbij het de bedoeling is dat de oorspronkelijke Italiaanse versie (in dit geval “Io Chen No Viva Senza Te”) ook in een vreemde taal wordt uitgevoerd. Zelfs The Yardbirds zouden op die manier ooit eens aan het festival deelnemen en bekend is ook de tragische liefdeshistorie die er gegroeid is tussen Dalida en Luigi Tenco.
In 1967 nam Springfield The Look Of Love op voor de James Bond-parodie Casino Royale, maar het was vooral het in Memphis opgenomen album Dusty in Memphis uit maart 1969 dat hoge ogen gooide zowel bij de recensenten als bij het grote publiek. Son Of A Preacher Man werd een hit. In 2004 plaatste het muziekblad Rolling Stone het album op de 89ste plaats in een lijst van de vijfhonderd beste albums.
In de jaren zeventig ging het bergafwaarts met de carrière van Springfield. Haar beide ouders stierven en op relationeel gebied was haar leven een puinhoop. Lange tijd woonde ze samen met zangeres Norma Tanega in september 1970 verklaarde ze aan Ray Connolly van the Evening Standard: “Many other people say I’m bent, and I’ve heard it so many times that I’ve almost learned to accept it … I know I’m perfectly as capable of being swayed by a girl as by a boy. More and more people feel that way and I don’t see why I shouldn’t.”
By the standards of 1970, that was a very bold statement. Maar haar verhouding liep op de klippen en de albums A Brand New Me (From Dusty… With Love) en Cameo leverden ondanks lovende kritieken geen succes op, zodat ze vluchtte in drank, drugs en zelfs soms zelfverminking. Ook haar (lesbische) relaties volgden elkaar in sneltreinvaart op en vaak was er ook sprake van huiselijk geweld (de Californische actrice Teda Bracci, waarmee ze twee jaar officieus gehuwd was, sloeg haar op een bepaald moment met een koekenpan in het gezicht, zodat ze verscheidene tanden verloor en er plastische chirurgie aan te pas kwam). Haar nieuwe plaat (Longing) die gepland stond voor najaar 1974 werd dan ook nooit afgemaakt. Pas in 2001 verschenen de opnamen op de verzamelaar Beautiful Soul.
In januari 1974 werd het tien jaar oude Summer Is Over een bescheiden hit doordat Radio Veronica hem gebruikte bij acties voor het behoud van deze zeezender. Springfield was inmiddels ondergedoken in Los Angeles (ver weg van de Britse roddelpers) waar ze veertien jaar bleef wonen. Haar enige wapenfeiten in het midden van de jaren 70 waren gastbijdragen aan albums van Elton John en Anne Murray onder het pseudoniem Gladys Thong.
Pas in 1978 kwam er weer nieuw materiaal; It Begins Again was opgenomen met de van Queen bekende producer Roy Thomas Baker en werd in Engeland een top 50-notering. Opvolger Living Without Your Love uit 1979 deed het weer minder. Pas in 1987 had Springfield eindelijk weer een hit, What Have I Done To Deserve This ?, een duet met de Pet Shop Boys.
Begin 1994, tijdens de opnamen van haar laatste album (A Very Fine Love) in Nashville, werd Springfield ziek en vloog ze terug naar Engeland. Ze bleek borstkanker te hebben en er zou een langzame doodstrijd volgen tot ze in 1999 zou overlijden.
Springfields muziek was ook na haar overlijden nog van grote invloed op blanke soulzangeressen, zoals Duffy en wijlen Amy Winehouse.

Lees verder “Dusty Springfield (1939-1999)”

Gertrude Rainey (1886-1939)

Gertrude Rainey (1886-1939)

Het is vandaag precies 115 jaar geleden dat Gertrude Malissa Nix Pridgett huwde met William “Pa” Rainey, de komiek en directeur van een (zwarte) vaudevilleshow. Het huwelijk hield slechts enkele jaren stand, maar Gertrude hield er wel haar “nickname” Ma Rainey aan over…

Ma Rainey tourde daarna met “The Rabbit Foot Minstrels” en “Tolliver’s Circus”. Ze was één van de eerste professionele Amerikaanse blueszangeressen en wordt daarom wel ‘moeder van de blues’ genoemd. In december 1923 maakte zij in Chicago haar platendebuut met “Southern blues”. In the next five years, she made over 100 recordings, including “Bo-Weevil Blues” (1923), “Moonshine Blues” (1923), “See See Rider Blues” (1924), “Titanic blues” (1926), “Black Bottom” (1927), and “Soon This Morning” (1927). Rainey was known for her powerful vocal abilities, energetic disposition, majestic phrasing, and a “moaning” style of singing. Her powerful voice was never adequately captured on her records, because she recorded exclusively for Paramount, which was known for its below-average recording techniques and poor shellac quality. However, her other qualities are present and most evident in her early recordings “Bo-Weevil Blues” and “Moonshine Blues”. Rainey recorded with Louis Armstrong, and she toured and recorded with the Georgia Jazz Band. She continued to tour until 1935, toen haar populariteit begon te dalen. Ze leidde tot haar dood wel twee theaters in haar geboortestadje Columbus in Georgia. (Wikipedia)

Tien jaar geleden: Tina Turner in het Sportpaleis

Tien jaar geleden: Tina Turner in het Sportpaleis

Op 22 en 23 januari 2009 kwam Tina Turner (foto YouTube) voor de laatste keer naar het Antwerpse Sportpaleis. Ze was op dat moment precies 69 jaar en twee maanden en we konden dus alleen maar hopen dat ze geen heup zou breken of dat Alzheimer niet al te drastisch in haar songteksten ging rommelen. Ach, ik ben nu natuurlijk veel te onbeleefd tegen een monument van een vrouw voor wie ik veel bewondering koester.

Op dat moment was de man die haar ontdekte al bijna twee jaar dood: Ike Turner is inderdaad op 12/12/2007 op 76-jarige leeftijd in zijn slaap overleden in zijn huis in het plaatsje San Marcos in de buurt van San Diego. Rond 1950 richtte Turner de band ‘The Kings of Rhythm’ op die met “Rocket 88” volgens kenners de eerste rock & roll-plaat afleverden. Met The Kings of Rhythm gaf hij ook optredens in het R&B-circuit. Een van de zangeressen die werd aangetrokken was Anna Mae Bullock, later bekend als Tina Turner. De twee trouwden in 1958. Samen zorgde ze voor één van de knapste popproducties aller tijden: “River deep mountain high”. Alhoewel, dit was eerder een productie van Tina Turner samen met Phil Spector, want Ike mocht zelfs de studio niet betreden van Spector.
Voor het overige waren de twee wel aan elkaar gewaagd: Spector staat op dit moment terecht voor moord en ook Ike kon zijn handjes niet thuishouden, vooral als het Tina betrof (*). “A love like yours won’t come knockin’ everyday,” zong ze destijds terecht in navolging van Martha Reeves and the Vandellas. Inderdaad, misschien niet “everyday”, maar dan toch dikwijls. Niet regelmatig, maar geregeld!
Haar biografische film “What’s love got to do with it”, waarin wordt uiteengezet hoe Ike haar met geweld onder de knoet trachtte te houden, kreeg in 1993 dan ook lovende kritieken (**), maar sommige fans waren toch ontgoocheld.
Aangezien de film vooral over de jonge Tina ging, kregen we immers niet La Turner zelf te zien maar een jongere actrice, Angela Bassett, die merkwaardig genoeg soms erg goed is en soms slechts gewoon de zoveelste playbackster, waarbij je verwacht dat alle momenten Henny Huisman uit de coulissen zal komen opduiken. En die opdeling heeft niets te maken met het feit of ze al dan niet moet zingen.
Aangezien Tina gelukkig de zangnummers voor haar rekening neemt, moet Bassett zich inderdaad tot playbacken beperken, maar dat doet ze net als acteren soms héél goed en soms heel slecht. Enfin, het minste wat je dus kan zeggen is dat het geen “grijze”, geen “anonieme” vertolking is. Nu ja, voor Bassett was het de eerste keer dat ze dergelijke rol speelde. In “Malcolm X” en “The Jacksons: an American dream” speelde ze eerder moederrollen! Maar de Australische producer van Tina, Roger Davies (***), wilde per se een echte actrice als Tina en geen “playbackshow”. Het gekke was dat een actrice die Tina wél had nagebootst, geparodieerd zelfs in “The diva is dismissed”, Jenifer Lewis, de rol van haar moeder toegewezen kreeg!
Ike van zijn kant (die toch sowieso al niet veel zingt) heeft natuurlijk niet zijn medewerking verleend aan deze verfilming van het geruchtmakende boek “I, Tina” dat Tina in 1986 aan rockjournalist Kurt Loder heeft gedicteerd, maar toch heeft hij zich eventjes op de set vertoond. Hij was poeslief en heeft enkele raadgevingen gegeven aan acteur Laurence Fishburne, die zijn rol vertolkt. Deze doet dat overigens uitstekend. Niet voor niks ontving hij net vóór de film een Tony (een toneel-Oscar) voor zijn rol in “Two trains running”.
Alhoewel hij graag nog eens met Bassett wilde samenwerken (ze zaten samen reeds in “Boyz ’n the hood”) aanvaardde Fishburne de rol toch maar pas nadat Ike toch enige “psychologisering” voor zijn gedrag kreeg toegedicht. Men kan zich afvragen hoe die eerste versie van het scenario er dan moet hebben uitgezien want zelfs in de huidige versie is Fishburne werkelijk onuitstaanbaar! Maar dat is dus (hopelijk) enkel aan zijn inlevingstalent te danken.
De “catharsis” van de film ligt dan ook op zowat een kwartier voor het einde wanneer Anna Mae Bullock eindelijk terugslaat: Bullock kicks him in the bollocks! (****) De rest is nog uitbollen en dàn is de jonge Bassett b.v. wel ongeloofwaardig als de oudere Tina. Het is dan ook een verademing als La Tina op het einde toch maar zélf de titelsong komt vertolken. Dik in de vijftig en still going strong!
Anna Mae Bullock wordt op 26 november 1939 geboren in Nutbush, Tennessee (ze zal er later een nummer over schrijven, jawel). Al erg jong wordt ze door haar moeder in de steek gelaten, omdat die het leven met haar vader niet meer aankan. Althans, zo zegt ze, want die vader is in geen velden of wegen te bekennen en als we mama Bullock later (in 1958) met Anna’s oudere zus Alline in Saint Louis terugvinden, dan schijnt ze vooral een liggend beroep uit te oefenen.
Dat houdt natuurlijk in dat de dochters vaak het huis uit moeten en zo ontmoet Anna in de club waar Alline werkt de acht jaar oudere Ike Turner. Deze is al zo’n tien jaar aan de weg aan het timmeren, maar alle zangtalent dat hij tot nu toe heeft ontdekt, glipt hem telkens weer door de vingers, zodat hij met zijn Kings of Rhythm maar wat blijft aanmodderen. De King van St.Louis dat wel, met alle meisjes aan zijn voeten (en vaak ook in zijn bed), maar Ike wil méér, Ike wil hogerop, Ike wil aan de top.
Daarom ziet hij wel iets in “Little Ann”, zoals Tina aanvankelijk door hem gedoopt wordt. Hij kneedt ze naar zijn beeld, of beter het beeld dat hij heeft zoals een vedette er zou moeten uitzien, maar hij leert ze ook alle knepen van het vak, dat moet je hem toegeven. Hij versiert een platencontract bij het Sue-label en via de hit “A fool in love” mag hij zelfs vijf elpees maken (je moet je die niet gaan aanschaffen, alhoewel het natuurlijk wel pareltjes zijn voor verzamelaars, maar de gewone liefhebber kan het stellen met de compilatie “Tough enough”), maar de grote doorbraak blijft uit. Dat ligt op de eerste plaats aan het weinig gediversifieerde songmateriaal van Ike (en misschien nog meer aan zijn drugverslaving die steeds ergere vormen zal aannemen), maar de gefrustreerde Ike reageert dat af op Tina, die zowel verbaal als fysiek geweld moet incasseren.
Toch is hij tegelijk bang dat ze hem zal verlaten, omdat zijn paranoia over vroegere ervaringen hem parten blijft spelen. Oorspronkelijk moet hij zich nochtans niet veel zorgen maken, want Tina is al even gecomplexeerd als hij: omdat haar moeder haar in de steek heeft gelaten, wil zij haar twee kinderen én de twee kinderen uit een vorig huwelijk van Ike niet achterlaten en blijft ze alles slikken, meer zelfs ze zoekt de fout telkens bij zichzelf. Tina: “Ik vind niet dat ik een domme vrouw was omdat ik bij Ike bleef. Ik vind juist dat daar een slimme vrouw voor nodig was, want we hadden een bedrijf en daar ging veel geld in om. Ike was een heel goed zakenman en hij had ervoor gezorgd dat ik tonnen had verdiend. Ook als artieste heb ik trouwens veel van hem geleerd.”
Ondertussen maakt de Ike and Tina Turner Revue furore met het fameuze meisjestrio The Ikettes (*****). De live-plaat “The Ike and Tina Turner Show” uit 1965 geeft hiervan een goede weerspiegeling. Onder andere de beroemde (blanke) producer Phil Spector is van het aandeel van Tina zo onder de indruk dat hij Ike 20.000 dollar biedt om met Tina te mogen werken. Het fenomenale resultaat, “River deep mountain high”, wordt wel uitgebracht onder de benaming “Ike and Tina Turner”, wat contractueel zo werd vastgelegd en wat zelfs ook nog voor deze film zo is. Dat komt ook omdat dit het enige nummer is dat niet heropgenomen werd, omdat – en dat is toch wel een compliment voor Spector – het gewoon niet na te maken is!
Ike verdient er dus nog altijd geld aan, want bij de echtscheiding wilde Tina zozeer van hem af zijn, dat ze om het vlug te doen gaan nog liever alles opgaf (“Behalve mijn naam, ik heb er hard genoeg moeten voor werken!”) en hem alle inkomsten van vroeger (toegegeven, die waren al eerder schulden geworden, alweer wegens het druggebruik van Ike) en de toekomstige rechten op die platen aan Ike afstond.
Dat laatste gebeurt echter pas in 1976 en dan nog via de omweg van het boeddhisme. Dat laatste komt in de film een beetje naief over, maar als dat nu eenmaal de realiteit was, dan moet het maar (alhoewel men er ook vragen bij kan stellen, want is het nu echt toeval dat regisseur Brian Gibson ook boeddhist is?). Die “bekering” tot het boeddhisme dankt Tina aan Jackie (Vanessa Bell Calloway), één van de Ikettes, die ook eens klappen moest inkasseren van Ike, toen ze ten voordele van Tina wou opkomen. In tegenstelling tot Tina kapte Jackie er meteen mee, want die pikte zoiets niet. En die kracht had ze uit het boeddhisme, vandaar.
In een interview heb ik ook gehoord dat het delen van haar ervaringen met Cher ook een rol heeft gespeeld, maar dat komt in de film niet aan bod (wellicht omdat ze ook in het interview er meteen aan toevoegt dat Sonny weliswaar Cher evenzeer kneedde als zangeres als Ike met haar had gedaan, maar dat Sonny Cher nooit klappen had gegeven). ’t Zou d’r nog aan mankeren, aangezien de republikein Sonny Bono van 1988 tot 1992 burgemeester van Palm Springs werd en in 1994 zelfs een zitje in het huis van afgevaardigden kon versieren, vooraleer hij op 6 januari 1998 tijdens het skiën onzacht in aanraking kwam met een boom die niet uit de weg wou gaan.
Alhoewel het in de film anders wordt voorgesteld, is de solocarrière van Tina niet metéén een succes, o.a. omdat ze zich uit “wraak” niet alleen afkeert van Ike maar ook van diens muziek, de rhythm and blues. Nochtans als er één dame geschikt is om R&B te zingen, dan is het wel La Tina. Pas in 1983, als Martyn Ware van Heaven 17 als wederdienst voor haar vocals op hun elpee “Music of Quality and Distinction” voor haar “Let’s stay together” van Al Green produceert, dan begint het opnieuw goed te lopen voor de ondertussen 44-jarige Tina.
De film eindigt met een (terechte) publiciteitsspot voor de elpee “Private dancer” uit 1984 (waaruit o.m. de titelsong afkomstig is), die niet enkel met Grammy’s (het equivalent van de Oscars) werd overladen, maar waarvan er zo maar eventjes elf miljoen exemplaren werden verkocht. De titelsong van de elpee werd overigens geschreven door Mark Knopfler.
Het vervolg is dus niet in de film te zien. En dat is o.a. dat ze in 1985 in de film “Mad Max beyond Thunderdome” is te zien, waaruit alweer een hit voortkomt, “We don’t need another hero”. En wat men ook schromelijk over het hoofd heeft gezien dat is dat ikzelf in het najaar van 1986 haar ontmoet in een BRT-studio tijdens de opname van “Bingo”. Interviewen mocht niet, maar ik herinner me wel hoe ik ademloos naar die prachtige dame van 47 stond te kijken, die als de eerste de beste Isabelle A op aangeven van de regisseur steeds maar opnieuw de playback haar toenmalige hit (“Two people”, geloof ik, uit “Break every rule”) moest herbeginnen. Ik had al lang één van die ontzettend hoge hakken die ze droeg in zijn bakkes geramd, maar Tina bleef ijzig kalm. Dat boeddhisme moet toch érgens goed voor zijn!
Het verhaal in de film is volledig gebouwd rond songs van Tina, wat niet zo moeilijk was, omdat ze inderdaad vaak “op haar lijf” geschreven waren (misschien zelfs zo letterlijk als de manier waarop de Comte de Valmont een brief schrijft “op het lijf” van een van zijn minnaressen in de operaversie van “Dangerous liaisons”). Maar daarmee heb je nog geen scenario natuurlijk. Dààrvoor deed men een beroep op een vrouw, Kate Lanier, die zich tot hiertoe gespecialiseerd had in portretten van “sterke vrouwen”, scenario’s die echter tot nu toe in de lade bleven liggen…
Dat betekent ook dat ze zich nu heel wat heeft moeten intomen, want Tina wordt pas “onafhankelijk” op een moment dat tal van andere vrouwen dat al lang zouden hebben gedaan. Toegegeven, door haar jeugd was ze bijzonder getraumatiseerd in die zin, maar toch is het een beetje teleurstellend te zien hoe een vrouw, die op het podium zo’n geweldige uitstraling heeft, zich in het gewone leven lange tijd laat behandelen als een sloerie. Vooral de passages waarin ze op de koop toe nog de schuld op zich neemt, zijn hard om te slikken.
Regisseur Brian Gibson van zijn kant had reeds ervaring opgedaan in dergelijke verfilmingen met het Britse “Breaking glass” en vooral de mini-serie “The Josephine Baker Story”. Deze Engelsman kreeg een opleiding als dokter en is pas in contact gekomen met film via medische documentaires voor “Horizon” of “Nova”. Krijgen we dan binnenkort misschien een verfilming van het leven van Margriet Hermans door Chriet Titulaer? Maar goed, beter geen grapjes want begin 2004 stierf Gibson op 59-jarige leeftijd aan de gevolgen van botkanker…
En Tina Turner? Die neemt nog “Addicted to love” van Robert Palmer en “Steamy windows” van Tony Joe White op nadat ze voor de zoveelste keer afscheid had genomen van de scène. Onzin natuurlijk. Tina Turner kon de mikro nog altijd recht doen komen zonder haar handen te gebruiken en dus bleef ze maar doorgaan!
Met Ike ging het bergafwaarts. Uiteindelijk zou hij zelfs worden veroordeeld voor illegaal drugsbezit. In de jaren negentig pakte de Ike Turner echter de draad weer op. Hij bracht een autobiografie uit, die de terechte titel “Takin’ Back My Name” meekreeg. Een jaar voor zijn dood was hij nog te zien bij ons op de Proms en daarna won hij zowaar nog een Grammy voor het beste traditionele bluesalbum, “Risin’ with the blues”.
Tina Turner wou geen commentaar geven op de dood van haar ex-man Ike Turner. “Tina heeft al meer dan dertig jaar geen contact gehad met Ike. Er worden verder geen uitspraken over gedaan,” aldus een woordvoerder van de zangeres tegen het Amerikaanse tv-programma Access Hollywood.

Lees verder “Tien jaar geleden: Tina Turner in het Sportpaleis”

Billy Tipton (1914-1989)

Billy Tipton (1914-1989)

Het zal morgen ook al dertig jaar geleden zijn dat Billy Tipton is overleden. Who the fuck is Billy Tipton? denk je nu en niet ten onrechte, het is één van de grote mysteries uit de muziek. Uit de jazzmuziek om precies te zijn…

Jazz is lange tijd bijna uitsluitend een mannenzaak geweest. Gezien de ontstaansgeschiedenis zaten vrouwen zoals de pianiste Mamie Desdoumes in de oertijden zelfs ergens in de schemerzone tussen entertainment en prostitutie. Iedereen weet stilaan wel wat “jazz” eigenlijk betekent en dat het een activiteit is die in de bordelen van New Orleans ontstond en later in de nightclubs ging het er niet veel anders aan toe, zoals de film “Lady sings the blues” (over het leven van Billie Holiday) ons leert.
De eerste jazzvrouw met een zekere reputatie was Lil Hardin, pianiste bij King Oliver en in die tijd ook getrouwd met Louis Armstrong. Niet zelden was het trouwens een huwelijk dat de deur van de jazz voor vrouwen opende, b.v. ook voor de legendarische pianiste en arrangeur Mary Lou Williams. Typisch is trouwens dat de inbreng van de vrouwen zich meestal beperkte tot zang of piano, wat – in tegenstelling tot de tuba – als een “vrouwelijk” instrument werd beschouwd.
In de jaren twintig ontstonden er ook zuiver vrouwelijke jazzgroepen, maar die konden zelden een alternatief zijn: promotoren en publiek zagen er algauw niet meer in dan een curiosum, niets om muzikaal echt ernstig te nemen. Denken we maar aan de manier waarop het vrouwenorkest in de film Some like it hot wordt voorgesteld. Het was zelfs zo erg dat Dorothy Lucille Tipton uit Oklahoma een mannelijke identiteit aannam (Billy Tipton) om sax te kunnen spelen in de big bands in het midden van de jaren dertig (b.v. Jack Teagarden). Later vormde hij ook nog een trio onder zijn eigen naam, waarbij hij ook piano speelde. Toen hij overleed op 21 januari 1989, wisten zelfs zijn drie vrouwen en drie (geadopteerde) zonen niet dat hij eigenlijk een vrouw was.
In de jaren veertig werd de trompettiste Tiny Davis de vrouwelijke Louis Armstrong genoemd, maar ze werd niet naar waarde geschat. Evenmin trouwens als haar vriendin, de slagwerkster Ruby Lucas, waarmee ze meer dan veertig jaar samenleefde. In 1988 draaide Andrea Weiss de documentaire “Tiny and Ruby: Hell Divin’ Women” over hen.
Over het algemeen waren de swingbands uiteraard een mannenaangelegenheid. Sommige orkesten hadden wel zangeressen (Peggy Lee, Sarah Vaughan, Dinah Washington, Dinah Shore, zelfs Dorothy Lamour bij Herbie Kay, tevens haar eerste echtgenoot), maar deze wogen niet op tegen het succes van crooners als Bing Crosby of Frank Sinatra. Bovendien werden ze aangetrokken als “kanarie” (Didier Wijnants in “De Morgen) om de commerciële aantrekkingskracht van de band te vergroten.
In de marge van de populariteit van de swing kende ook de classic blues enige bijval. Charles Keil merkt op dat de vrouwen (Billie Holiday, Bessie Smith, Ma Rainey) hier “bevoordeeld” waren, maar dan toch op een zeer dubieuze basis: een blanke mocht wel “heet lopen” van een zwarte zangeres, een blanke vrouw mocht echter niet opgewonden raken door een zwarte zanger. Later kregen we dan toch een aantal vertolksters die hun roem louter aan hun vocale capaciteiten dankten: Ella Fitzgerald, Anita O’Day, Carmen McRae…
Wat componisten betreft, moet Carla Bley zowat de enige zijn. In eigen land is er de pianiste Claudine Simon met haar groep Lilith, die evenwel buiten haarzelf uit negen mannen bestaat!

Lees verder “Billy Tipton (1914-1989)”