35 jaar geleden: ontmoeting met Tina Turner

35 jaar geleden: ontmoeting met Tina Turner

Het is vandaag 35 jaar geleden dat Tina Turner een liedje kwam lippen in de BRT-studio. Ik was daarbij aanwezig, maar net als de andere journalisten mocht ik haar helaas niet interviewen. Ik hield het dan maar bij presentator Bart Peeters. Fotograaf Jo Clauwaert moet daar dus ook bij geweest zijn, want die heeft toen foto’s genomen van dit interview. Maar foto’s van Tina kan ik me niet herinneren. Dat zal dus ook weer verboden geweest zijn. Toch was de opname met Tina Turner een hele belevenis. Die studio was immers zo klein dat ik ze als het ware bijna kon aanraken. Ook was ik stomverbaasd hoe zo’n grote vedette netjes de instructies van de opnameleider opvolgde en zonder morren de opname zoveel keren overdeed als hij noodzakelijk achtte. Nee, Tina had in geen enkel opzicht diva-kuren!

Lees verder “35 jaar geleden: ontmoeting met Tina Turner”

Antonia Brico (1902-1989)

Antonia Brico (1902-1989)

Vandaag is het al dertig jaar geleden dat Antonia Brico (foto Brustige via Wikipedia) is overleden. Zij was de eerste vrouw die in New York het orkest van de Metropolitan Opera dirigeerde. Maar na twee voorstellingen werd ze ontslagen omdat de bariton John Charles Thomas weigerde onder haar leiding te zingen.

Brico werd geboren als kind van Agnes Margaretha Brico, een 22-jarige ongehuwde moeder. Ze groeide op bij pleegouders, het echtpaar Wolthuis, waar ze de naam Wilhelmina Wolthuis had. Ze emigreerde met hen in 1907 of 1908 naar Oakland (Californië). Ze kreeg al jong pianoles en toen ze in 1919 van de Oakland Technical High School afkwam, was ze al een ervaren pianiste en had ze ervaring in het dirigeren. Aan de Universiteit van Californië – Berkeley werkte Brico als assistente van de directeur van de San Francisco Opera. Na haar afstuderen in 1923 studeerde ze piano bij verschillende leraren, met name de Poolse musicus Zygmunt Stojowski.

In 1927 ging Brico naar de Universiteit voor de Kunsten in Berlijn. Ze studeerde in 1929 af in orkestdirectie, als eerste Amerikaan. In die periode was ze ook een leerling van Karl Muck, dirigent van het Philharmonisch Orkest van Hamburg, bij wie ze na haar afstuderen nog drie jaar studeerde. Na haar debuut als professioneel dirigente bij de Berliner Philharmoniker in februari 1930, werkte Brico met de San Francisco Symphony Orchestra en de Philharmonische Gesellschaft van Hamburg. Ze kreeg lovende kritieken van critici en van het publiek. Optredens als gastdirigente bij orkesten in DetroitWashington D.C. en andere steden volgden al snel. In 1934 werd zij benoemd tot dirigente van het nieuw opgerichte Women’s Symphony Orchestra dat in januari 1939 (na de toelating van mannen) het Brico Symfonieorkest werd.

In juli 1938 was Brico de eerste vrouw die de New York Philharmonic leidde, maar na twee voorstellingen werd ze ontslagen omdat de bariton John Charles Thomas weigerde onder haar leiding te zingen. In 1939 trad ze op met het symfonieorkest van het Federal Music Project tijdens de New York World’s Fair. Tijdens een Europese tournee, waarin ze zowel als pianiste en als dirigente optrad, werd Brico door de Finse componist Jean Sibelius uitgenodigd om het Filharmonisch Orkest van Helsinki te leiden.

Brico verhuisde in 1942 naar Denver waar ze de Denver Philharmonic Orchestra oprichtte, een semi-professioneel orkest. Ze was van 1958 tot 1963 ook dirigente van het Boulder Philharmonic Orchestra. Ze gaf tevens pianoles, onder meer aan folk-zangeres Judy Collins, die haar carrière begon als klassiek pianiste. Brico bleef optreden als gastdirigente bij orkesten over de hele wereld.

Ze woonde sinds 1988 in de Bella Vita Towers, een verpleeghuis in Denver, waar ze in 1989 na een langdurige ziekte op 87-jarige leeftijd stierf. (Wikipedia)

Billie Holiday (1915-1959)

Billie Holiday (1915-1959)

Morgen zal het al zestig jaar geleden zijn dat de Amerikaanse jazz- en blues-zangeres Billie Holiday is overleden aan levercirrose (foto YouTube).

Billie Holiday (werkelijke naam Eleanora Fagan Gough) was de dochter van gitarist Clarence Holiday (1898-1937) en Sadie Fagan (1895-1945). Haar vader was dus zestien en haar moeder negentien toen zij geboren werd. De artiestennaam Billie ontleende de zangeres later aan Billie Dove, een actrice die zij bewonderde. De kindertijd van Holiday is in nevelen gehuld en ook het moment waarop zij begon met zingen staat niet onomstotelijk vast. Wat wel vaststaat, is dat zij in 1933 voor het eerst in de publiciteit kwam door een column in het blad Melody Maker, geschreven door producent John Hammond. Deze bracht haar in contact met Benny Goodman, die haar een platendebuut bezorgde met het lied Your Mother’s Son in Law.
Opvallend, alhoewel Benny Goodman één van de eersten (zo niet dé eerste was) om de rassenscheiding te doorbreken door samen te spelen met zwarte muzikanten, liet hij Billie Holiday niet met zijn orkest optreden, maar met een eigen groep uitsluitend bestaande uit zwarten. (Later zou hij wél opnames met haar maken.)
Het jaar daarop reeds maakte Holiday al furore in de New Yorkse jazzclubs, wat resulteerde in een optreden in het vermaarde Apollo Theater. Later speelde zij samen met Louis Armstrong, Duke Ellington, Count Basie, Artie Shaw, Ben Webster en natuurlijk vooral tenorsaxofonist Lester Young die haar de bijnaam “Lady Day” heeft gegeven en die zij op haar beurt the Prez (afkorting van President) ging noemen. De twee hadden jarenlang een verhouding, maar volgens één van de vele legendes die over Billie de ronde doen (en die zij vaak zelf in het leven heeft geroepen), zou de verhouding enkel “platonisch” zijn geweest. Jazz & drugs, jawel, maar geen “rock’n’roll”…
In de loop van haar leven begon Billie Holiday inderdaad steeds meer drank en drugs te gebruiken. In 1947 werd zij zelfs gearresteerd voor overtreding van het verbod op drugs, waarna zij een jaar doorbracht in een rehabilitatiecentrum. Alhoewel zij geen licentie meer kon verkrijgen om in New York op te treden, ging Holiday door met concerten geven. Tien dagen na haar vrijlating zong zij in een overvolle concertzaal in Carnegie Hall. Haar blijvende verslaving aan heroïne tastte wel haar stem aan, maar niet haar gevoeligheid en techniek. Uiteindelijk kostte deze verslaving haar in 1959 wel het leven.

Selectieve bibliografie
John Chilton, Billie’s blues, 1975.
Donald Clarke, Wishing on the moon: the life and times of Billie Holiday, Viking, 1993, 468 blz.
Billie Holiday, Lady sings the blues, 1956 (te verkrijgen als Rainbow Pocket).
Stuart Nicholson, Billie Holiday, Londen, Victor Gollancz, 1995, 311 blz.
Robert O’Meally, Billie Holiday: les multiples facettes de Lady Day, Editions Denoël, 1992, 208 blz.