Anne Marie Musschoot wordt 75…

Anne Marie Musschoot wordt 75…

KANTL-lid Anne Marie Musschoot, erehoogleraar moderne Nederlandse literatuur en algemene literatuurwetenschap (Universiteit Gent), viert vandaag haar 75ste verjaardag. Ik heb haar destijds geïnterviewd n.a.v. haar voorzitterschap van het Cyriel Buysse Genootschap.

A.M.Musschoot: Op dit ogenblik mag de belangstelling voor Buysse wel groot lijken (ze is b.v. groter dan voor Stijn Streuvels om maar iets te zeggen), maar dat is dan het gevolg van een heel recente revival. “Recent” moet je in dat geval zien in literair-historisch perspectief, want ik spreek nu over de jaren zeventig. Vóór die tijd werd Buysse zo goed als verwaarloosd. De katholieken b.v. móchten hem gewoonweg niet lezen: in de bibliotheken mocht hij niet aangekocht worden, een paar boeken waren helemààl verboden…
Slechts één voorbeeld uit de velen: de bijdrage over Buysse in “Beknopte Literatuurgeschiedenis II” van M.Lieven, uitgeverij Plantijn, bedraagt in de tweede druk uit 1968 precies vijf lijnen. En in die vijf lijnen slaagt men er dan nog in de volgende kenmerken samen te brengen: antiklerikaal, franskiljon, ruw, brutaal, cynisch, instinctief. De conclusie luidt: hij “blijft de werkelijkheid verwringen en zijn karakters zijn eerder typen. Hij is bovendien een slecht stilist.” (*)
Het is dus pas in de jaren zeventig dat er op dat vlak een soort van doorbraak is gekomen, vandaar dat er een hele inhaalbeweging nodig is. Die revival heeft ongetwijfeld ook te maken met het feit dat hij van de auteurs van zijn generatie in Vlaanderen de meest leesbare is. De reden hiervoor is dat hij een realist is, ook in zijn stijl, wat b.v. bij Streuvels niet het geval is. Daarmee wil ik niet afdingen op de waarde van Streuvels, integendeel, maar Buysse heeft niet die “écriture artiste” en daarmee bedoel ik dan die louter stilistische ornamenteringen die nu in de weg staan voor de moderne lezer. Lees een paar kleine novelletjes van Streuvels van rond 1900 en je zal meteen zien dat de taal in de weg staat, dat je uitleg nodig hebt, dat hij woorden gebruikt die niet meer gekend zijn. Buysse heeft dat niet en hij wordt dan ook graag gelezen. Dat Streuvels destijds beter werd ontvangen dan Buysse, heeft volgens mij dan ook veel meer te maken met extra-literaire omstandigheden.
– Maar die “inhaalbeweging” wordt dus nu gemaakt via een Genootschap. Maar wat houdt dat precies in?
A.M.Musschoot
: Het Cyriel Buysse Genootschap is gesticht na de herdenkingstentoonstelling in 1982. Buysse is gestorven in 1932 en vijftig jaar later is er dan, nog op verzoek van zijn zoon, een grote herdenkingstentoonstelling gekomen in Antwerpen en in Gent. Van daaruit is nadien bij barones Buysse, de schoondochter dus (Mathilde Nerincx, 1908-2000, RDS), de behoefte ontstaan om daar iets blijvends van te maken, om dat niet zo maar opnieuw in het niets te laten verdwijnen. Vandaar de oprichting van dit Genootschap dat zich wil bezighouden met het verder bekend maken van het werk van Buysse en het verbreden en verdiepen van de studie van zijn oeuvre. Er is immers nog heel wat werk op de plank, als je nagaat dat hij zijn Verzameld Werk maar heeft gekregen tussen 1974 en 1982!
– Waarvoor u trouwens heeft gezorgd…
A.M.Musschoot
: Samen met mijn voorganger, Prof.Van Elslander, ja.
– Hoe functioneert dat Genootschap dan?
A.M.Musschoot
: Er zijn een kleine driehonderd leden. Aanvankelijk kwamen die niet samen tot ik enkele jaren geleden een eerste colloquium heb georganiseerd, wat eigenlijk bedoeld was als een soort van ledenvergadering, maar aangezien het een wetenschappelijk colloquium was, zijn niet alle leden daarop afgekomen, omdat ze niet allemààl uit die hoek komen. Op die manier bereiken we dus maar een beperkt aantal leden, vandaar dat we sindsdien ook andere initiatieven organiseren, zoals literaire wandelingen en zelfs culinaire bijeenkomsten, die dan wel altijd van ver of van nabij met Buysse te maken hebben.
– Elk jaar is er ook een jaarboek…
A.M.Musschoot
: Tot grote tevredenheid van de leden inderdaad. Maar het is wél een wetenschappelijk werk, wat alweer misschien een beperking is in vergelijking met soortgelijke Genootschappen of Stichtingen, zoals men ze in Nederland noemt. Ons jaarboek is geïnspireerd door de Achterberg Stichting, waarvan echter eerder een jaarboekje verschijnt. Maar de andere Genootschappen in Vlaanderen, waarvan de grootste die van Felix Timmermans en Ernest Claes zijn, die hebben véél meer leden dan wij. Ik probeer daaraan iets te doen natuurlijk, maar Buysse is een ander soort schrijver dan Timmermans en Claes, we zullen dus hoe dan ook een ander publiek hebben.
– Dat “ander soort schrijver” zijn, geldt dan op de eerste plaats zijn sociaal engagement, waardoor hij o.m. in socialistische middens “aantikte”, maar toch zet ik die uitdrukking tussen aanhalingstekens, want hij was tevens een uitgesproken liberaal!
A.M.Musschoot
: Laten we ervan uitgaan dat je hem niet onder één hoedje kon vatten. Je kan zijn opvattingen niet identificeren met een bepaalde partij of zelfs niet met een bepaalde ideologie. Hij is voor de socialisten heel interessant geweest, maar dat was ook voor de liberalen het geval. En dat wou hij ook zo. Zelf verklaarde hij immers dat hij niet ging stemmen bij de verkiezingen. Hij komt uiteraard wel uit een liberale familie: zijn broer Arthur is zelfs liberaal volksvertegenwoordiger geweest. De socialisten hebben echter veel voor het werk van Buysse gedaan en zijn sympathie ging dan ook naar hen uit (hij had zelfs vrienden die links van de BWP stonden, zoals Frans Masereel en de Franse auteur Léon Bazalgette, o.m. correspondent van “L’Humanité”, RDS). Maar daarnaast had hij b.v. ook veel sympathie voor de Daensistische beweging. Hij was van oordeel dat zij op het platteland de functie hadden van wat de socialisten deden in de stad, namelijk ingaan tegen de sociale onrechtvaardigheid. Want dààr ging het om bij Buysse: een meevoelen met de verdrukte mens, met de mens die wordt verdrukt door de mens. Je moet dat niet politiek verklaren, je moet dat menselijk verklaren. En daarom ook dat hij een belangrijk schrijver was én is.
– In de tijd dat Buysse actief was als schrijver, was ook de taal een middel tot onderdrukking. Hoe was zijn houding dààrtegenover?
A.M.Musschoot
: Dat is een belangrijke vraag omdat ze een hele discussie heeft doen ontstaan. Hij is daarin immers niet steeds rechtlijnig geweest. Om te beginnen was hij van huis uit Franstalig, maar ook Nederlandstalig: beide talen werden gesproken. Zijn opvoeding geschiedde oorspronkelijk in het Vlaams maar later werd hij naar “de stad” (Gent) gestuurd om zijn Frans, dat hij al heel goed kende, nog wat bij te spijkeren. Hij heeft trouwens geprobeerd om in het Frans door te dringen. Zo heeft hij een aantal novellen in het Frans geschreven. Ook zijn “Biezenstekker” heeft hij vertaald en zelfs getracht om het in Parijs te laten opvoeren via Maurice Maeterlinck die hij zeer goed kende. Dat is hem niet gelukt. De klacht van Buysse dat hij hem zou verhinderd hebben carrière te maken in Frankrijk, was echter ongegrond, want hij deed wél zijn best om publiciteit te maken voor Buysse. Het is echter wél waar dat hij hem afraadde om in het Frans te schrijven. Niet echter uit vrees voor concurrentie, zoals Buysse veronderstelt, maar omdat het Frans van Buysse abominabel was, al was Buysse lid van een franskiljonse lobby, de “Association flamande pour la vulgarisation de la langue française”, waarvan ook de Gentse bisschop Stillemans en… Edward Anseele lid waren.
(Op die manier kreeg Buysse trouwens informatie uit de eerste hand voor de roman die hij later, in 1900, over Anseele zou schrijven, onder de titel ’n Leeuw van Vlaanderen. Overigens was dit boek eigenlijk nogal kritisch t.o.v. de socialistische leiders. Het werd dan ook pas in 1911 – in het kader van een Buysse-viering – in afleveringen gepubliceerd in Vooruit. Het toeval, of misschien zelfs de Wet van Murphy, wou dat precies op 1 mei de passage verscheen, die aan de oorsprong zou liggen van de term biefstukkensocialisme. Op een partijvergadering van 10 mei kan men in de verslagen dan ook terugvinden dat sommige bestuursleden zich hieraan hadden geërgerd, RDS.)
A.M.Musschoot: Daarbij moeten we ook rekening houden met het feit dat Buysse op een bepaald moment trouwt met een Nederlandse, waarna hij voor het grootste deel van het jaar in Den Haag gaat wonen. Hij wordt dus tot op zekere hoogte een “Nederlands” auteur. Tot in de jaren twintig zijn al zijn uitgevers trouwens Nederlanders. Wat verder een zeer belangrijke rol heeft gespeeld is een incident in 1897, dus in de periode dat hij in het Frans probeerde te schrijven, toen hij n.a.v. een persoonlijke kwestie de flaminganten heeft aangevallen.
– Kunt u dat niet iets meer specifiëren?
A.M.Musschoot
: Nee. Dat ontaardt te gemakkelijk in roddel, waaraan ik me niet wil begeven (**). Maar het is in ieder geval zo dat hij de flaminganten heeft aangevallen, waarbij hij het vooral gemunt had op een aantal van hen die hem in zijn persoonlijke leven hadden getroffen. Dat artikel in “De Amsterdammer” is hem erg kwalijk genomen en hij heeft daar achteraf ook veel spijt over gehad. In een paar open brieven heeft hij er zich zelfs van gedistantieerd. Uit later werk zoals zijn toneelstuk “Jan Bron” en zijn novelle “Uleken” blijkt dat hij integendeel erg veel sympathie had voor de flaminganten. Wat sterk tot die ommekeer heeft bijgedragen is dat het bewuste artikel in de strijd rond de gelijkheidswet werd misbruikt door Bara in de senaat, zodat het op die manier grotere gevolgen had dan Buysse bedoelde.
– Bovendien ontwikkelt Buysse tijdens de Eerste Wereldoorlog als reactie op het activisme opnieuw een Belgicistische reflex…
A.M.Musschoot
: Dat is zijn liberale achtergrond natuurlijk.
– Maar het activisme is toch helemaal niet te vergelijken met de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog! Hoe is het mogelijk dat een man als Buysse de sociale dimensie daarvan niet heeft gezien?
A.M.Musschoot
: Omdat hij heel sterk anti-Duits was. En zijn hevige anti-Duitse houding maakte hem tot een “echte Belg” in liberale zin. Hij heeft zich trouwens verzet tegen het feit dat men een aantal van zijn boeken in het Duits heeft vertaald.
– Eigenlijk waren het zelfs eerder “bewerkingen”, heb ik begrepen, want ze werden aangepast zodat ze beter thuishoorden binnen de “Heimatliteratur”…
A.M.Musschoot
: Zo is het. En hij was daar doodongelukkig om.
– Buysse was ook een naturalist, dat was Gefundenes Fressen voor wie hem wilde verbieden…
A.M.Musschoot
: Het naturalisme bij Cyriel Buysse moet niet overschat worden: het is maar een klein gedeelte van een uitgebreid oeuvre, dat bijwijlen ook hyperromantisch is, in de traditie van zijn tantes Loveling. De naturalistische episode zou zich volgens sommige kenners uitstrekken van 1890 (de publicatie van “De Biezenstekker” in het avantgarde-tijdschrift “De Nieuwe Gids”) tot 1900. In dat geval zou “Het Gezin van Paemel” (1903) dus echter niet naturalistisch zijn! Maar zelfs als men ervan uitgaat dat men het voornamelijk over het prozawerk van Buysse heeft, dan nog kan misschien beter de datum 1905 (publicatie van “Het leven van Rozeken van Dale”) naar voren worden geschoven. Anderzijds moet worden toegegeven dat ook in Buysses romantische werk maatschappijkritiek zit. Bij hem gaat het immers zoals gezegd altijd over het kwaad dat de ene mens de andere aandoet. Bij Streuvels b.v. is het thema eerder hoe klein de mens wel is in de kosmos, in de natuur.
– Als ik dit alles op een rijtje zet, dan kom ik tot de conclusie dat de Buysse-studie niet mag worden beschouwd als een vorm van “literaire archeologie”?
A.M.Musschoot
: Zeker niet! Met Buysse wordt een lijn ingezet die men kan doortrekken tot op de dag van vandaag. Die gaat via Gerard Walschap en Louis Paul Boon over Walter van den Broeck en Monica Van Paemel naar Guido Van Heulendonk…
Volgens Marc Reynebeau (Knack) refereren de drie tantes van Katrien Deschryver in “Het Goddelijke Monster” van Tom Lanoye aan “Tantes” van Cyriel Buysse. Trouwens, toen in een vorige aflevering van de Mededelingen Yvan de Maesschalck op overeenkomsten wees tussen Buysses “Biezenstekker” en “Vrijdag” van Hugo Claus, dan vertelde hij weliswaar niet nieuws, maar als hij “De geruchten” met “’t Bolleken” gaat vergelijken, blijf je toch wel met rode oortjes lezen…
Over de bemiddelende rol die Buysse heeft gespeeld om andere Vlaamse auteurs in Nederlandse tijdschriften te laten publiceren vertelt biograaf Joris van Parys de volgende leuke anekdote. Hoofdredacteur Frans Coenen heeft niet altijd oren naar Buysses suggesties omdat hij liever werk van vrouwen uit zijn onmiddellijke omgeving publiceert. Hij doet dit zo opvallend dat Jan Greshoff spreekt van zijn “haremvrouwen”, terwijl Menno ter Braak uitbraakt: “Wat een degradatie, om van een Forum op een blad vol wijven terecht te komen!” En let wel, hij heeft het dus niet over Menzo, Ché of Cover, hé!
Dat soort bladen zouden we zeker in de Fenomenale Feminatheek van Boontje aantreffen. In verband met deze schrijver kunnen we tot slot de bekende anekdote aanhalen die Hugo Van den Berghe o.m. tegen Pascal Verbeken vertelde in De Standaard der Letteren van 27/2/97: “Toen ik in Aalst voor een socialistische kring Het gezin van Paemel regisseerde, kwam op een avond Boon langs. Hij bood zich aan om het rolletje van de facteur te spelen die aan het eind de brief uit Amerika brengt. Hij zei toen: ik heb zo veel bewondering voor Buysse, eigenlijk zou ik een boek over hem moeten schrijven; maar door mee te spelen bewijs ik hem veel meer eer.”
In 2014, bij de presentatie van de 30ste aflevering van de Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap en in het boek zelf, werd al duidelijk gemaakt dat de publicatie verder in een andere vorm zou verschijnen. De bedoeling was een jaarboek uit te geven met een bredere blik op de context waarin Buysse leefde en werkte. Het is echter gebleken dat voor een dergelijke jaarlijkse publicatie over de literatuur van het interbellum onvoldoende belangstelling bestond. Daarom heeft het bestuur besloten om contact op te nemen met een uitgever die zich zou willen engageren om jaarlijks een boek met één of meer titels van Buysse op de markt te brengen. Zij hebben Rudy Vanschoonbeek (uitgeverij Vrijdag) bereid gevonden deze publicatie, met de financiële steun van het Cyriel Buysse Genootschap, op zich te nemen en we hebben om te beginnen een afspraak voor de eerstkomende vijf jaar. Het eerstvolgende boek zal in 2016 verschijnen. Omdat er geen publicatie komt in 2015 hoopt men ook het tweede boek nog in 2016 te laten verschijnen. De Mededelingen verschijnen dus niet meer en er wordt ook geen lidgeld opgevraagd, maar iedereen die deel uitmaakt van het huidige ledenbestand zal een reductiebon ontvangen van de uitgever waarmee hij of zij zich de geplande nieuwe Buysse-druk in de boekhandel kan aanschaffen tegen verminderde prijs.

In 2013 verscheen van Mieke Verschuivingen en ontgrenzingen waarin enkele momenten die de geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur hebben veranderd worden belicht: scharniermomenten die accentverschuivingen laten zien, op breuklijnen tussen traditie en vernieuwing. De auteurs die een rol hebben gespeeld in dit onvoorspelbare mechanisme dat de motor is van de literaire geschiedenis, blijken allen hun inspiratie te hebben gevonden in de brede internationale, West-Europese stromingen.
De lijnen van de ontwikkeling lopen van de late negentiende eeuw, met de overgang van romantiek naar naturalisme en symbolisme in het fin de siècle (met Cyriel Buysse, Karel van de Woestijne, Guido Gezelle en Paul van Ostaijen), naar het modernisme in het begin van de twintigste eeuw (met Willem Elsschot en Maurice Gilliams). De overgang van modernisme naar postmodernisme wordt voorbereid door Johan Daisne en Louis Paul Boon, en manifesteert zich bij zo diverse auteurs als Leon de Winter en Peter Handke, Louis Ferron en Paul de Wispelaere. In het sluitstuk van de bundel staat het werk van Stefan Hertmans centraal.
Een overzicht van de inhoud:
Deel 1. Rondom Buysse en Van de Woestijne
1. De sociaal-kritische traditie in Vlaanderen
Eugeen Zetternam en Cyriel Buysse
2. Tussen twee eeuwen
Enkele beschouwingen over de verstrengeling van twee culturen in het fin de siècle
3. Karel van de Woestijne als chroniqueur van de Frans-Belgische letteren
4. Gezelle – Van de Woestijne – Van Ostaijen en de traditie van de poésie pure
Deel 2. Rondom Elsschot en Gilliams
5. Op zoek naar Willem Elsschot in Villa des Roses
6. Maurice Gilliams
Schrijven als zelfondervraging
7. Eerherstel voor het ‘tweede cahier’ van Gilliams’ Elias?
Deel 3. Van modernisme naar postmodernisme
8. Johan Daisne als romanvernieuwer
9. Louis Paul Boon: Abel Gholaerts
Een omstreden boek?
10. Leon de Winter en Peter Handke
Vormen van postmodernisme
11. Louis Ferron: gefascineerd door het kwade
Meerduidigheid en omkeerbaarheid in Hoor mijn lied, Violetta (1982)
12. Het gekoesterde ego
Autobiografisch schrijven en het einde van het millennium
13. Schrijven als een vorm van literaire archeologie
Over Paul de Wispelaeres Het verkoolde alfabet
Deel 4. Over Stefan Hertmans
14. Stefan Hertmans: van fascinatie naar reflectie
15. Stefan Hertmans en Wallace Stevens
Een postmodernistische dialoog met de modernistische traditie
16. Creatief zwerven zonder kompas
Stefan Hertmans als essayist
Anne Marie Musschoot is erehoogleraar moderne Nederlandse literatuur en algemene literatuurwetenschap (Universiteit Gent) en redacteur van de Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap. Zij publiceerde verschillende kleinere studies over Karel van de Woestijne. Samen met Arie Gelderblom vormt ze de hoofdredactie van de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur.
De bundel kost € 23.50 en kan worden besteld bij uitgeverij Academia Press, Eekhout 2, 9000 Gent, Tel. 09 233 80 88, Fax 09 233 14 09, info@academiapress.be, http://www.academiapress.be

Ronny De Schepper

(*) Ook Vic De Donder citeert in zijn boek “Kom eens naar mijn kamer, een halve eeuw collegeleven in Vlaanderen” (Elsevier, 1986) Cyriel Buysse als voornaamste auteur die door de katholieke scholen werd “doodgezwegen” (p.120).
(**) Eigenaardig dat ik daarover niet heb doorgevraagd, want twintig jaar eerder heeft prof.Musschoot in haar lessen over Buysse daar wél meer over verteld. Dit zijn de nota’s die ik daarover toen heb genomen: in 1897 schrijft Buysse in “De Amsterdammer” een polemisch artikel over het flamingantisme, waardoor het tot een breuk komt met zijn Vlaams lezerspubliek en dan vooral met de redactie van het tijdschrift “Van nu en straks”. Wellicht heeft hij het artikel geschreven n.a.v. een verslag van een lezing van Jan van Rijswijck, de burgemeester van Antwerpen, over de Nederlandse taal. Daarbij moet men wel weten dat Jan Van Rijswijck bevriend was met Max Rooses, met wiens dochter Rosa Buysse graag een relatie had gehad, maar vader Rooses verzette zich daartegen, vooral na insinuaties van Paul Frédérique (Rooses zal trouwens op een prachtige ironische wijze reageren op het artikel). In het artikel verwijt Buysse de flaminganten dat ze onder elkaar Frans spreken, enerzijds omdat er geen beschaafde omgangstaal is en anderzijds uit arrivisme. Als datzelfde jaar in de senaat de gelijkheidswet wordt besproken (bedoeld wordt: de gelijkheid van taal, meer concreet dat de wetten voortaan ook in het Nederlands zouden worden uitgevaardigd), zijn de liberalen daartegen en hun woordvoerder Bara haalt op dat moment het artikel van Buysse aan ter staving van hun argumenten. Jules Bara (1835-1900) was weliswaar een Franstalige Brusselaar, maar het artikel was na amper een paar dagen al vertaald door een Gentse advocaat. In het liberale blad “Etoile belge” verklaart Buysse zich nogmaals solidair, waarop August Vermeylen in “Van nu en straks” reageert met het artikel “Onze taal voor de senaat en voor Buysse”. In eerste instantie wordt de gelijkheidswet afgeschoten, maar een jaar later zal ze toch goedgekeurd worden. Voor Buysse zelf zal het nog tot 1903 duren vooraleer hij in het tijdschrift “Groot-Nederland” terugkrabbelt, maar van dan af is het hek dan ook van de dam en keert hij zijn kar 180°. In een interview afgenomen door de Gazette van Detroit op 16 september 1931 (enige maanden voor zijn dood) toont hij zich zelfs een visionair: “Wij gaan naar het Federalisme! (…) Vlaanderen krijgt ongetwijfeld zelfbestuur. Wallonië eveneens. De twee Staten in een Federale Staat België.” (Mededelingen XXVI, p.186) Als Groot-Nederlander in woord (het tijdschrift) en in daad (hij woonde afwisselend in Vlaanderen en in Nederland) betreurt hij wel dat dit samengaan in de praktijk nooit zal worden verwezenlijkt: “Het is een onmogelijk uit te voeren droom. Het meent de verbrokkeling, de vernietiging van België als ’n Staat, iets wat de mogendheden, vooral Engeland, niet zouden dulden. In Holland verlangt men niet naar die aanhechting. Een der redenen, om er maar eene te noemen, is de overwegende meerderheid der protestanten in Holland. Neemt men Vlaanderen daarbij dan verandert die meerderheid in eene minderheid en worden de katholieken baas. Ook het Hollandsch vorstenhuis is Protestantsch. Er zijn nog andere redenen, maar deze eene zoude moeten voldoende zijn. En Vlaanderen heeft er alles bij te winnen, die droom te vergeten.” (idem, p.187)

Referenties
Cyriel Buysse, Zoals het was… Manteau, Antwerpen, 1983, 221 blz., 395 fr.
Johan & Jan de Belie-Segers, Omzien naar Cyriel Buysse: het ontwakend bewustzijn van de arbeidersklasse, De Rode Vaan nr.18 van 1984
Ronny De Schepper, “Meevoelen met de verdrukte mens, daar ging het om bij Buysse”, De Rode Vaan nr.15 van 12 april 1991
Ronny De Schepper, Jaarboek Buysse Genootschap, Het Laatste Nieuws, 19 april 1994
Ronny De Schepper, In de voetsporen van schrijver Cyriel Buysse, Het Laatste Nieuws, 16 september 1994
Ronny De Schepper, Opstellen van prof.Musschoot, Het Laatste Nieuws 27 september 1994
Ronny De Schepper, Het land van Cyriel Buysse, Het Laatste Nieuws, 6 april 1995
Ronny De Schepper, Het engagement van Cyriel Buysse, De Hoogste Tijd, juni 1997
Ronny De Schepper, Het engagement van Cyriel Buysse, Nitro, september 1997

Lees verder “Anne Marie Musschoot wordt 75…”

KANTeLing 2019: ‘Kun je misschien wat harder fluisteren?’ – over engagement in de letteren

KANTeLing 2019: ‘Kun je misschien wat harder fluisteren?’ – over engagement in de letteren

“Kun je misschien wat harder fluisteren?” schreef dichter en essayist Jeroen Mettes. We proberen het, tijdens het jaarlijkse zomerfestival van de KANTL in en om kasteel Beauvoorde op 3 juli. (Foto’s: Radna Fabias © Casper Kofi, Erik Vlaminck, Wiet van de Leest, Chokri Ben Chikha © Tom Verbruggen, Tom Theuns & Vera Coomans © Steven Vanderspoilden, Dominique De Groen © Brecht Van Maele, Geert Buelens, Soetkin Collier © Gentblogt)
Lees verder “KANTeLing 2019: ‘Kun je misschien wat harder fluisteren?’ – over engagement in de letteren”

Sandor Marai (1900-1989)

Sandor Marai (1900-1989)

Het is vandaag dertig jaar geleden dat de Hongaarse auteur Sandor Marai in San Diego (VS) zelfmoord pleegde.
Sandor Marai werd op 11 april 1900 geboren in het Hongaarse Kassa (nu Kosice in Slovakije) in een rijk burgerlijk milieu. Hij studeerde in Leipzig, Frankfurt en Berlijn, vertaalde Trakl en Kafka in het Hongaars en was van 1923 tot 1929 correspondent van de Frankfurter Zeitung in Parijs. Vanaf 1929 publiceerde hij romans, verhalen, gedichten, essays en toneelstukken. Gedurende de nazi-tijd leidde hij in Boedapest wat men heet “een teruggetrokken leven”. Men kan het natuurlijk ook anders zien: de nazi’s kon hij blijkbaar wel uitzweten, maar de communisten niet. Na de oorlog ging hij dan ook in vrijwillige ballingschap, eerst naar Italië en dan naar de Verenigde Staten, waar hij op 22 februari 1989 in San Diego zelfmoord pleegde. Hij liet een joodse echtgenote achter, waarmee hij vermoedelijk nog niet getrouwd was in de nazi-periode.
Aangezien zijn boeken in Hongarije verboden waren, verschenen ze slechts in beperkte oplage in het buitenland en duurde het tot 1999 vooraleer hij “ontdekt” werd.
Dat gebeurde dan niet door “De erfenis van Eszter”, wat door de meesten als zijn beste werk wordt beschouwd, maar wel door “Gloed”, een werk dat voor het eerst verscheen in 1942 als “A gyertàk csonkig égnek”. De Nederlandse vertaling door Mari Alföldi dateert van 2000. Wat de originele titel betekent, weet ik uiteraard niet, maar de oorsprong van de Nederlandse titel vinden we terug op p.97 van de uitgave in de reeks Wereldbibliotheek: “De werkelijkheid was dat jij mij tweeëntwintig jaar lang had gehaat, met een passie waarvan de hittegraad slechts te vergelijken is met de gloed van grote liefdesbetrekkingen. Jij haatte mij, en als een menselijke ziel helemaal vervuld is van een gevoel, een passie, dan is ergens in dat vuur naast het enthousiasme ook de rook en de gloed van wraaklust aanwezig… want hartstocht gebruikt niet de argumenten van het verstand. (…) Jij haatte me, en haat is een even sterke band als liefde.”
De flaptekst belooft een “spannend” boek over een groot, kwaadaardig geheim dat twee voormalige jeugdvrienden bindt en dat hen 41 jaar later tot een meedogenloos “duel zonder wapens” zal drijven. Net als bij Ward Hulselmans, die hier misschien wel de inspiratie haalde voor zijn “Stille waters”, wordt deze belofte niet helemaal waargemaakt. Tamelijk vlug heeft men immers door dat het hier “the eternal triangle” betreft. Een tamelijk banaal plot dus, dat de banaliteit echter overstijgt omwille van de overpeinzingen die ermee gepaard gaan. Zo is het boek – ondanks de passage waaruit (nochtans terecht) de Nederlandse titel werd geput – één grote lofzang op de “vriendschap tussen mannen”: “Maar achter vrouwen, achter de rol en achter de wereld lichtte vaag een gevoel op dat sterker was dan dit alles. Dit gevoel kennen alleen mannen. Het heet vriendschap.” (p.47) Een seksistisch standpunt dat (uiteraard) zo niet alleen dan toch voornamelijk in een militaristische omgeving kan “bloeien”. De beide protagonisten zijn dan ook opgeleid als soldaten. Dat dit idee naar fascisme ruikt, blijkt ook uit de panische angst die het met zich brengt om te worden verward met “de ziekelijke neigingen van mensen die een tegennatuurlijke bevrediging zoeken bij hetzelfde geslacht.” (p.79)
Toch heeft de hoofdpersoon zich even daarvoor nog afgevraagd: “Is er misschien een sprankje Eros in elke menselijke relatie?” En hij antwoordt zichzelf: “De Eros van vriendschap heeft het lichaam niet nodig… het staat hem eerder in de weg dan dat het hem opwindt. Maar het is toch Eros. Aan de basis van elke vorm van liefde, van elke menselijke relatie, staat Eros.” (p.79) En nog: “Evenmin als iemand die verliefd is, verwacht de vriend een beloning voor zijn gevoelens. Hij wil geen wederdienst en ziet degene die hij tot zijn vriend heeft uitverkoren niet als een onwerkelijk wezen, hij kent diens fouten, en accepteert hem zo, inclusief alle gevolgen.” (p.80) En tot slot: “Er is geen triester en hopelozer emotioneel proces dan de verkoeling van een vriendschap tussen twee mannen. Want tussen man en vrouw heeft alles een voorwaarde, zoals bij een zakelijke transactie. Maar de betekenis van vriendschap tussen mannen is juist die onbaatzuchtigheid, dat we geen offer van de ander willen, geen tederheid, niets, behalve dat we ons houden aan de afspraken van een bondgenootschap zonder woorden.” (p.100)
Weer die misogynie dus. Wat tevens een domper zet op het enthousiasme dat ik bij andere lezers kan vermoeden, maar waaraan ikzelf geen deel kan hebben. Niet omdat dit motief in het boek voorkomt uiteraard, maar wel omdat het verhaal verteld wordt vanuit het perspectief van het (in mijn ogen) onsympathieke personage. De auteur zelf vereenzelvigt zich daar echter maar al te graag mee. Terecht of niet, maar ik zie hierin ook een parallel met zijn privé-leven, met name zijn houding ten overstaan van respectievelijk het nazisme en het communisme.
Toch is er tegelijk een verlangen naar het “anders zijn”, dat aan de basis ligt van zijn nederlaag (die hij wel als een bitter soort overwinning ervaart): “Want we houden altijd van degene die ‘anders’ is, die zoeken we in elke situatie en variatie van het leven…” (p.126)
Een andere prachtige observatie is dat dit “anders zijn” wordt gedefinieerd in functie van de muziek: “Tussen mijn moeder, Krisztina en jou was er de muziek als bindmiddel. Waarschijnlijk zei de muziek jullie iets wat niet in woorden en daden verteld kon worden, en waarschijnlijk zeiden jullie elkaar ook iets met de muziek, en dat andere verhaal, dat voor jullie perfect uitgedrukt werd door de muziek, konden mensen van de andere soort, mijn vader en ik, niet begrijpen.” (p.129) Zijn conclusie kan dan ook niet anders zijn dan: “Ik haat muziek (…) Ik haat die melodieuze en onbegrijpelijke taal, waarin mensen van een bepaalde soort met elkaar kunnen converseren, ze zeggen elkaar iets buiten de normen en de regels om, ja, soms denk ik dat ze elkaar iets onbetamelijks en immoreels zeggen met de muziek. Kijk maar naar hun gezicht, hoe vreemd het verandert wanneer ze naar muziek luisteren.” (p.130)
Pas als hij oud is geworden, kan hij min of meer gelouterd terugkijken op wat er gebeurd is en vraagt hij zich af: “Is trouw niet een vorm van egoïsme, een verschrikkelijk egoïsme, en ijdelheid, zoals het merendeel van menselijke dingen en behoeften in het leven? Willen we, als we trouw eisen, dat de ander gelukkig wordt? En als de ander in de subtiele gevangenschap van trouw niet gelukkig kan zijn, houden we dan wel van degene van wie we trouw eisen? En als onze liefde de ander niet gelukkig maakt, hebben we dan wel het recht om iets te eisen, trouw of opoffering?” (p.137)
Door deze genuanceerde stellingname is het uiteindelijk toch een boek dat je zowel aan je beste vriend als aan je grootste vijand ten geschenke kunt geven…

Lees verder “Sandor Marai (1900-1989)”

Bruce Chatwin (1940-1989)

Bruce Chatwin (1940-1989)

Morgen zal het al dertig jaar geleden zijn dat “de Engelse Boudewijn Büch” Bruce Chatwin is overleden. Ik las voor het eerst iets van hem in 2010 tijdens mijn derde vakantie in Tenerife, die – zoals gewoonlijk – weer een leesvakantie is geweest. In de jaren negentig (dus nog niet zo heel lang na zijn overlijden) werd hij mij aangeraden door een naamgenoot (van mij, niet van Chatwin), waar ik toen veel sympathie voor had en op wiens oordeel ik dus gerust wou afgaan. Helaas ondervond ik enige tijd later dat deze persoon me op professioneel vlak een dolk in de rug had geplant en daarom bleven ook de boeken van Chatwin in de kast (ik heb toch nog massa’s andere boeken die ik moet lezen). Maar nu achtte ik de tijd rijp en dus ben ik begonnen in “On the Black Hill”, zij het dat ik het heb gelezen in een vertaling van Peter van Oers (“De zwarte heuvel”, Ooievaarpockets, 4de druk, 1994). Trouwe lezers kennen het systeem al: voor de biografische gegevens wend ik me tot Wikipedia. Deze keer opteerde ik voor de Engelse versie, ook al is die m.i. een beetje te gedetailleerd (ik heb m.a.w. een en ander weggelaten), omdat de Nederlandse dan weer een te beknopte (en niet zo heel goede) vertaling van dit origineel was.

Charles Bruce Chatwin was born 13 May 1940 in Sheffield, where his first home was situated. This was his grandparents’ house, as his mother, Margharita (née Turnell), had moved back to her parents’ home when Chatwin’s father, Charles Chatwin, went away to serve with the Royal Naval Reserve.
Chatwin went living with his parents again in Birmingham, where his father had a law practice. After leaving Marlborough College in 1958, Chatwin reluctantly moved to London to work as a porter in the Works of Art department at the auction house Sotheby’s. Thanks to his sharp visual acuity, he quickly became Sotheby’s expert on Impressionist art. He later became a director of the company.
In late 1964 he began to suffer from problems with his sight, which he attributed to the close analysis of artwork entailed by his job. He consulted eye specialist Patrick Trevor-Roper, who diagnosed a latent squint and recommended that Chatwin take a six-month break from his work at Sotheby’s. Trevor-Roper had been involved in the design of an eye hospital in Addis Ababa and suggested Chatwin visit east Africa. In February 1965, Chatwin left for the Sudan.
Much to the surprise of many of his friends, Chatwin married Elizabeth Chanler on 26 August 1965. He had met Chanler at Sotheby’s, where she worked as a secretary. Chatwin was bisexual throughout his married life, a circumstance his wife knew and accepted.
On his return, Chatwin quickly became disenchanted with the art world, and turned his interest to archaeology. He resigned from his job at Sotheby’s in the early summer of 1966 and enrolled at the University of Edinburgh to study archaeology. Despite winning the Wardrop Prize for the best first year’s work, he found the rigour of academic archaeology tiresome. He spent only two years in the city and left without taking a degree.
In 1972, Chatwin was hired by the Sunday Times Magazine as an adviser on art and architecture. His association with the magazine cultivated his narrative skills. Chatwin travelled on many international assignments, writing on such subjects as Algerian migrant workers and the Great Wall of China, and interviewing such diverse people as André Malraux in France, and the poet Nadezhda Mandelstam in in the Soviet Union. When Chatwin interviewed the 93-year-old architect and designer Eileen Gray in her Paris salon, where he noticed a map of the area of South America called Patagonia, which she had painted. “I’ve always wanted to go there,” Bruce told her. “So have I,” she replied, “go there for me.”
Two years later in November 1974, Chatwin flew out to Lima in Peru, and reached Patagonia a month later. He spent six months in the area, a trip which resulted in the book “In Patagonia” (1977). This work established his reputation as a travel writer. Later, however, residents in the region contradicted the account of events depicted in Chatwin’s book. It was the first, but not the last time in his career, that conversations and characters which Chatwin presented as fact were alleged to have been fictionalised. Frequently, the people he wrote about recognised themselves and did not always appreciate his distortions of their culture and behaviour. In the same way as his Dutch counterpart Boudewijn Büch, Chatwin was philosophical about what he saw as an unavoidable dilemma, arguing that his portrayals were not intended to be faithful representations. As his biographer Nicholas Shakespeare argues: “He tells not a half truth, but a truth and a half.”
Around 1980, after fifteen years of marriage, his wife asked for a separation. According Nicholas Shakespeare, the Chatwins’ marriage seems to have been celibate. He describes Chatwin as homosexual rather than bisexual. About the same time Chatwin contracted HIV. Chatwin told different stories about how he contracted the virus, such as that he was gang-raped in Dahomey or that he believed he caught the disease from Sam Wagstaff, the patron and lover of photographer Robert Mapplethorpe. He was one of the first high-profile people in Britain to have the disease. Although he hid the illness – passing off his symptoms as fungal infections or the effects of the bite of a Chinese bat, a typically exotic cover story – it was a poorly kept secret.
Chatwin was known as a socialite in addition to being a recognised travel author. His circle of friends extended far and wide. He was renowned for accepting hospitality and patronage from a powerful set of friends and allies. Penelope Betjeman – wife of the poet laureate John Betjeman – showed him the border country of Wales. She helped contribute to the gestation of the book that would become “On the Black Hill” (1982). Tom Maschler, the publisher, was also a patron to Chatwin during this time, lending him his house in the area as a writing retreat. “On the Black Hill” focuses on the relationship between twin brothers, Lewis and Benjamin, who grow up isolated from the course of twentieth century history. Althans, zo formuleert men het op Wikipedia. Persoonlijk ben ik er niet van overtuigd dat het zo “isolated” is, integendeel, ik vind juist dat ze de diverse gebeurtenissen erg goed incorporeren, zoals de ontwikkeling van de luchtvaart b.v. en die verschrikkelijke Eerste Wereldoorlog, waaraan ze zich allebei – elk op zijn manier – weten te onttrekken, maar waardoor ze paria’s worden in de – inderdaad – afgelegen gemeenschap. De Tweede Wereldoorlog grijpt, gezien hun ondertussen gevorderde leeftijd, minder doorslaggevend in, maar toch is ook die aanwezig via een Amerikaans bataljon zwarten dat in de buurt wordt gekazerneerd en een Duitse krijgsgevangene die op hun erf wordt tewerkgesteld. Zelfs hippies en een haikoedichter komen later aan bod!
Dat anderzijds één van de tweeling (Benjamin met name) na een levensbedreigende ziekte vrouwelijke trekjes begint te vertonen is een merkwaardige stelling voor een ervaringsdeskundige! Al vlug wordt duidelijk dat Benjamin nooit zal huwen en hun moeder laat Lewis beloven dat ook hij niet zal huwen zolang Benjamin single blijft. Op een bepaald moment lijkt het allemaal toch nog in orde te komen als een excentriek kunstenaarspaar opduikt, waarbij Benjamin het uitstekend kan vinden met de man en Lewis met de vrouw. Maar wanneer deze laatste Lewis effectief ontmaagdt, leidt dit toch nog tot een zwaar conflict met Benjamin.
Chatwins vertelstijl is associatief. Daarmee bedoel ik dat hij vrij minutieus, in juxtapositie van belangrijke en minder belangrijke zaken, de dingen verhaalt, maar dat sommige details hem tot een sprong in de tijd kunnen verleiden, waardoor hij genoodzaakt is op zijn stappen terug te keren.
Over het algemeen kan ik akkoord gaan met de lovende woorden van een aantal collega’s (w.o. Salman Rushdie) over zijn vertelstijl, maar één ding is me niet helemaal duidelijk, namelijk wat Chatwin nou precies ertoe aanzette om dit verhaal te vertellen. Of met andere woorden, waar hij met zijn verhaal precies naartoe wil. Of het zou moeten zijn dat Rudi Wester van het dagblad Trouw gelijk heeft en dat hij in de tweeling zijn eigen gespletenheid heeft willen weergeven. Het leest hoe dan ook vlot weg, dat wel.
Later works included a novel based on the slave trade, “The Viceroy of Ouidah”, which he researched with extended stays in Benin, West Africa. For “The Songlines” (1987), a non-fiction work, Chatwin went to Australia. He studied the culture to express how the songs of the Aborigines are a cross between a creation myth, an atlas and the long nomadic past of humans. German filmmaker Werner Herzog was working there on his film, “Where the Green Ants Dream”. Finding out that Chatwin was in Australia, Herzog sought him out. Herzog states that Chatwin professed his admiration for him, and when they met was carrying one of Herzog’s books, “On Walking In Ice”. The two hit it off immediately, united by a shared love of adventure and telling tall tales. Herzog also claims that when Chatwin was near death, he gave Herzog his leather rucksack and said: “You’re the one who has to wear it now, you’re the one who’s walking.”
“Utz” (1988), Chatwin’s last book, was a novel about the obsession which leads people to collect (once again just like Dutchman Boudewijn Büch). Set in Prague, the novel details the life and death of Kaspar Utz, a man obsessed with the collection of Meissen porcelain. Chatwin was working on a number of new ideas for future novels at the time of his death in 1989, including a trans-continental epic, provisionally titled “Lydia Livingstone”.
He did not respond well to AZT and suffered increasing bouts of psychosis. With his condition deteriorating rapidly, Chatwin and his reconciled wife went to live in the South of France at the house belonging to Shirley Conran, the mother of his one-time lover, Jasper Conran. There, during his final months, Chatwin was nursed by both his wife and Shirley Conran. He died in Nice on 18 January 1989 at age 48.
A memorial service was held in the Greek Orthodox Church of Saint Sophia in West London. It happened to be the same day (14 February) that a fatwa was announced on Salman Rushdie, a close friend of Chatwin’s who attended the service. Paul Theroux, a one-time friend who also attended the service, later commented on it and Chatwin in a piece for Granta. He condemned Chatwin for failing to acknowledge he was dying of AIDS. The novelist Martin Amis described the memorial service in his essay “Salman Rushdie”, included in the anthology “Visiting Mrs Nabokov”.
Chatwin’s ashes were scattered near a Byzantine chapel above Kardamyli in the Peloponnese. This was close to the home of another one of his mentors, the writer Patrick Leigh Fermor.

Lees verder “Bruce Chatwin (1940-1989)”

Anton van Wilderode, leraar in de letteren

Anton van Wilderode, leraar in de letteren

Op woensdag 14 november 2018 vindt in het KANTL Gent, Academiegebouw, Koningstraat 18, 9000 Gent, een colloquium plaats met als thema “Anton van Wilderode, leraar in de letteren”. Gratis inschrijven kan door te bellen (09 265 93 40) of te mailen naar het secretariaat van de KANTL (secretariaat@kantl.be).
Programma:
14.00 u. Verwelkoming
14.05 u. Dirk de Geest (KULeuven): Anton van Wilderode, de laatste der priester-dichters?
14.40 u. Erik Spinoy (ULiège): Vaderbinding? Moederbinding? Van Wilderode als identificatiefiguur.
15.15 u. Annemarie Estor leest voor.
15.30 u. Koffie
16.00 u. Johan van Iseghem (KULeuven): ‘De dubbelfluit’ in het licht van de literatuurdidactiek toen en nu.
16.35 u. Wim Verbaal (UGent): Vertolker? Vertaler? Dichter? De klassieken in de woorden van Van Wilderode.
17.10 u. Annemarie Estor leest voor.
17.25 u. Slotwoord en receptie
Lees verder “Anton van Wilderode, leraar in de letteren”

Veertig jaar geleden: eerste uitgave van “Het Andere Boek”

Veertig jaar geleden: eerste uitgave van “Het Andere Boek”

Op 23 en 24 september 1978 werd in Antwerpen in de Handelsbeurs een nationale boekenmarkt ingericht door het Daensactiefonds, het Europees Studie- en Informatiecentrum (ESIC) en Kritak-uitgeverij. Het was de bedoeling in samenwerking met Belgische en Nederlandse uitgeverijen een beeld te geven van literatuur die zich bezig houdt met de moderne problemen van onze maatschappij, m.a.w. het « andere » boek. Boeken over arbeidersbeweging, economie, samenlevingsvormen, gezondheidszorg, vormingswerk, oorlog en ontwapening, Europa, ecologie, ruimtelijke ordening, staat en democratie, feminisme enz. stonden uitgebreid ter beschikking.
Lees verder “Veertig jaar geleden: eerste uitgave van “Het Andere Boek””