Zeventig jaar geleden: Aldous Huxley feliciteert George Orwell

Zeventig jaar geleden: Aldous Huxley feliciteert George Orwell

Vandaag is het zeventig jaar geleden dat Aldous Huxley (links), de auteur van “Brave New World”, zijn collega George Orwell (rechts) een brief stuurt om hem te feliciteren met “1984”. Aanleiding om even te mijmeren over het genre science-fiction…

Zou Bertolt Brecht van science-fiction hebben gehouden? Ik betwijfel het. En nochtans is er geen enkel genre, waarin het vervreemdingseffect een grotere rol speelt. Elk SF-verhaal bouwt immers z’n eigen wereld op en de kijker of lezer moet zich telkens opnieuw een aantal codes eigen maken.
Lees verder “Zeventig jaar geleden: Aldous Huxley feliciteert George Orwell”

Carlos Ruiz Zafon wordt 55…

Carlos Ruiz Zafon wordt 55…

“De politiek is vaak een toevluchtsoord voor middelmatige of mislukte artiesten. Daar komen ze vooruit en vergaren macht, waarmee ze gewichtig kunnen doen en bovenal zich kunnen wreken op hen die met arbeid en talent bereikt hebben wat zij nooit, in de verste verte niet, hebben bereikt.” (Carlos Ruiz Zafon, Het labyrint der geesten, p.399)

Lees verder “Carlos Ruiz Zafon wordt 55…”

Anne Marie Musschoot wordt 75…

Anne Marie Musschoot wordt 75…

KANTL-lid Anne Marie Musschoot, erehoogleraar moderne Nederlandse literatuur en algemene literatuurwetenschap (Universiteit Gent), viert vandaag haar 75ste verjaardag. Ik heb haar destijds geïnterviewd n.a.v. haar voorzitterschap van het Cyriel Buysse Genootschap.

A.M.Musschoot: Op dit ogenblik mag de belangstelling voor Buysse wel groot lijken (ze is b.v. groter dan voor Stijn Streuvels om maar iets te zeggen), maar dat is dan het gevolg van een heel recente revival. “Recent” moet je in dat geval zien in literair-historisch perspectief, want ik spreek nu over de jaren zeventig. Vóór die tijd werd Buysse zo goed als verwaarloosd. De katholieken b.v. móchten hem gewoonweg niet lezen: in de bibliotheken mocht hij niet aangekocht worden, een paar boeken waren helemààl verboden…
Slechts één voorbeeld uit de velen: de bijdrage over Buysse in “Beknopte Literatuurgeschiedenis II” van M.Lieven, uitgeverij Plantijn, bedraagt in de tweede druk uit 1968 precies vijf lijnen. En in die vijf lijnen slaagt men er dan nog in de volgende kenmerken samen te brengen: antiklerikaal, franskiljon, ruw, brutaal, cynisch, instinctief. De conclusie luidt: hij “blijft de werkelijkheid verwringen en zijn karakters zijn eerder typen. Hij is bovendien een slecht stilist.” (*)
Het is dus pas in de jaren zeventig dat er op dat vlak een soort van doorbraak is gekomen, vandaar dat er een hele inhaalbeweging nodig is. Die revival heeft ongetwijfeld ook te maken met het feit dat hij van de auteurs van zijn generatie in Vlaanderen de meest leesbare is. De reden hiervoor is dat hij een realist is, ook in zijn stijl, wat b.v. bij Streuvels niet het geval is. Daarmee wil ik niet afdingen op de waarde van Streuvels, integendeel, maar Buysse heeft niet die “écriture artiste” en daarmee bedoel ik dan die louter stilistische ornamenteringen die nu in de weg staan voor de moderne lezer. Lees een paar kleine novelletjes van Streuvels van rond 1900 en je zal meteen zien dat de taal in de weg staat, dat je uitleg nodig hebt, dat hij woorden gebruikt die niet meer gekend zijn. Buysse heeft dat niet en hij wordt dan ook graag gelezen. Dat Streuvels destijds beter werd ontvangen dan Buysse, heeft volgens mij dan ook veel meer te maken met extra-literaire omstandigheden.
– Maar die “inhaalbeweging” wordt dus nu gemaakt via een Genootschap. Maar wat houdt dat precies in?
A.M.Musschoot
: Het Cyriel Buysse Genootschap is gesticht na de herdenkingstentoonstelling in 1982. Buysse is gestorven in 1932 en vijftig jaar later is er dan, nog op verzoek van zijn zoon, een grote herdenkingstentoonstelling gekomen in Antwerpen en in Gent. Van daaruit is nadien bij barones Buysse, de schoondochter dus (Mathilde Nerincx, 1908-2000, RDS), de behoefte ontstaan om daar iets blijvends van te maken, om dat niet zo maar opnieuw in het niets te laten verdwijnen. Vandaar de oprichting van dit Genootschap dat zich wil bezighouden met het verder bekend maken van het werk van Buysse en het verbreden en verdiepen van de studie van zijn oeuvre. Er is immers nog heel wat werk op de plank, als je nagaat dat hij zijn Verzameld Werk maar heeft gekregen tussen 1974 en 1982!
– Waarvoor u trouwens heeft gezorgd…
A.M.Musschoot
: Samen met mijn voorganger, Prof.Van Elslander, ja.
– Hoe functioneert dat Genootschap dan?
A.M.Musschoot
: Er zijn een kleine driehonderd leden. Aanvankelijk kwamen die niet samen tot ik enkele jaren geleden een eerste colloquium heb georganiseerd, wat eigenlijk bedoeld was als een soort van ledenvergadering, maar aangezien het een wetenschappelijk colloquium was, zijn niet alle leden daarop afgekomen, omdat ze niet allemààl uit die hoek komen. Op die manier bereiken we dus maar een beperkt aantal leden, vandaar dat we sindsdien ook andere initiatieven organiseren, zoals literaire wandelingen en zelfs culinaire bijeenkomsten, die dan wel altijd van ver of van nabij met Buysse te maken hebben.
– Elk jaar is er ook een jaarboek…
A.M.Musschoot
: Tot grote tevredenheid van de leden inderdaad. Maar het is wél een wetenschappelijk werk, wat alweer misschien een beperking is in vergelijking met soortgelijke Genootschappen of Stichtingen, zoals men ze in Nederland noemt. Ons jaarboek is geïnspireerd door de Achterberg Stichting, waarvan echter eerder een jaarboekje verschijnt. Maar de andere Genootschappen in Vlaanderen, waarvan de grootste die van Felix Timmermans en Ernest Claes zijn, die hebben véél meer leden dan wij. Ik probeer daaraan iets te doen natuurlijk, maar Buysse is een ander soort schrijver dan Timmermans en Claes, we zullen dus hoe dan ook een ander publiek hebben.
– Dat “ander soort schrijver” zijn, geldt dan op de eerste plaats zijn sociaal engagement, waardoor hij o.m. in socialistische middens “aantikte”, maar toch zet ik die uitdrukking tussen aanhalingstekens, want hij was tevens een uitgesproken liberaal!
A.M.Musschoot
: Laten we ervan uitgaan dat je hem niet onder één hoedje kon vatten. Je kan zijn opvattingen niet identificeren met een bepaalde partij of zelfs niet met een bepaalde ideologie. Hij is voor de socialisten heel interessant geweest, maar dat was ook voor de liberalen het geval. En dat wou hij ook zo. Zelf verklaarde hij immers dat hij niet ging stemmen bij de verkiezingen. Hij komt uiteraard wel uit een liberale familie: zijn broer Arthur is zelfs liberaal volksvertegenwoordiger geweest. De socialisten hebben echter veel voor het werk van Buysse gedaan en zijn sympathie ging dan ook naar hen uit (hij had zelfs vrienden die links van de BWP stonden, zoals Frans Masereel en de Franse auteur Léon Bazalgette, o.m. correspondent van “L’Humanité”, RDS). Maar daarnaast had hij b.v. ook veel sympathie voor de Daensistische beweging. Hij was van oordeel dat zij op het platteland de functie hadden van wat de socialisten deden in de stad, namelijk ingaan tegen de sociale onrechtvaardigheid. Want dààr ging het om bij Buysse: een meevoelen met de verdrukte mens, met de mens die wordt verdrukt door de mens. Je moet dat niet politiek verklaren, je moet dat menselijk verklaren. En daarom ook dat hij een belangrijk schrijver was én is.
– In de tijd dat Buysse actief was als schrijver, was ook de taal een middel tot onderdrukking. Hoe was zijn houding dààrtegenover?
A.M.Musschoot
: Dat is een belangrijke vraag omdat ze een hele discussie heeft doen ontstaan. Hij is daarin immers niet steeds rechtlijnig geweest. Om te beginnen was hij van huis uit Franstalig, maar ook Nederlandstalig: beide talen werden gesproken. Zijn opvoeding geschiedde oorspronkelijk in het Vlaams maar later werd hij naar “de stad” (Gent) gestuurd om zijn Frans, dat hij al heel goed kende, nog wat bij te spijkeren. Hij heeft trouwens geprobeerd om in het Frans door te dringen. Zo heeft hij een aantal novellen in het Frans geschreven. Ook zijn “Biezenstekker” heeft hij vertaald en zelfs getracht om het in Parijs te laten opvoeren via Maurice Maeterlinck die hij zeer goed kende. Dat is hem niet gelukt. De klacht van Buysse dat hij hem zou verhinderd hebben carrière te maken in Frankrijk, was echter ongegrond, want hij deed wél zijn best om publiciteit te maken voor Buysse. Het is echter wél waar dat hij hem afraadde om in het Frans te schrijven. Niet echter uit vrees voor concurrentie, zoals Buysse veronderstelt, maar omdat het Frans van Buysse abominabel was, al was Buysse lid van een franskiljonse lobby, de “Association flamande pour la vulgarisation de la langue française”, waarvan ook de Gentse bisschop Stillemans en… Edward Anseele lid waren.
(Op die manier kreeg Buysse trouwens informatie uit de eerste hand voor de roman die hij later, in 1900, over Anseele zou schrijven, onder de titel ’n Leeuw van Vlaanderen. Overigens was dit boek eigenlijk nogal kritisch t.o.v. de socialistische leiders. Het werd dan ook pas in 1911 – in het kader van een Buysse-viering – in afleveringen gepubliceerd in Vooruit. Het toeval, of misschien zelfs de Wet van Murphy, wou dat precies op 1 mei de passage verscheen, die aan de oorsprong zou liggen van de term biefstukkensocialisme. Op een partijvergadering van 10 mei kan men in de verslagen dan ook terugvinden dat sommige bestuursleden zich hieraan hadden geërgerd, RDS.)
A.M.Musschoot: Daarbij moeten we ook rekening houden met het feit dat Buysse op een bepaald moment trouwt met een Nederlandse, waarna hij voor het grootste deel van het jaar in Den Haag gaat wonen. Hij wordt dus tot op zekere hoogte een “Nederlands” auteur. Tot in de jaren twintig zijn al zijn uitgevers trouwens Nederlanders. Wat verder een zeer belangrijke rol heeft gespeeld is een incident in 1897, dus in de periode dat hij in het Frans probeerde te schrijven, toen hij n.a.v. een persoonlijke kwestie de flaminganten heeft aangevallen.
– Kunt u dat niet iets meer specifiëren?
A.M.Musschoot
: Nee. Dat ontaardt te gemakkelijk in roddel, waaraan ik me niet wil begeven (**). Maar het is in ieder geval zo dat hij de flaminganten heeft aangevallen, waarbij hij het vooral gemunt had op een aantal van hen die hem in zijn persoonlijke leven hadden getroffen. Dat artikel in “De Amsterdammer” is hem erg kwalijk genomen en hij heeft daar achteraf ook veel spijt over gehad. In een paar open brieven heeft hij er zich zelfs van gedistantieerd. Uit later werk zoals zijn toneelstuk “Jan Bron” en zijn novelle “Uleken” blijkt dat hij integendeel erg veel sympathie had voor de flaminganten. Wat sterk tot die ommekeer heeft bijgedragen is dat het bewuste artikel in de strijd rond de gelijkheidswet werd misbruikt door Bara in de senaat, zodat het op die manier grotere gevolgen had dan Buysse bedoelde.
– Bovendien ontwikkelt Buysse tijdens de Eerste Wereldoorlog als reactie op het activisme opnieuw een Belgicistische reflex…
A.M.Musschoot
: Dat is zijn liberale achtergrond natuurlijk.
– Maar het activisme is toch helemaal niet te vergelijken met de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog! Hoe is het mogelijk dat een man als Buysse de sociale dimensie daarvan niet heeft gezien?
A.M.Musschoot
: Omdat hij heel sterk anti-Duits was. En zijn hevige anti-Duitse houding maakte hem tot een “echte Belg” in liberale zin. Hij heeft zich trouwens verzet tegen het feit dat men een aantal van zijn boeken in het Duits heeft vertaald.
– Eigenlijk waren het zelfs eerder “bewerkingen”, heb ik begrepen, want ze werden aangepast zodat ze beter thuishoorden binnen de “Heimatliteratur”…
A.M.Musschoot
: Zo is het. En hij was daar doodongelukkig om.
– Buysse was ook een naturalist, dat was Gefundenes Fressen voor wie hem wilde verbieden…
A.M.Musschoot
: Het naturalisme bij Cyriel Buysse moet niet overschat worden: het is maar een klein gedeelte van een uitgebreid oeuvre, dat bijwijlen ook hyperromantisch is, in de traditie van zijn tantes Loveling. De naturalistische episode zou zich volgens sommige kenners uitstrekken van 1890 (de publicatie van “De Biezenstekker” in het avantgarde-tijdschrift “De Nieuwe Gids”) tot 1900. In dat geval zou “Het Gezin van Paemel” (1903) dus echter niet naturalistisch zijn! Maar zelfs als men ervan uitgaat dat men het voornamelijk over het prozawerk van Buysse heeft, dan nog kan misschien beter de datum 1905 (publicatie van “Het leven van Rozeken van Dale”) naar voren worden geschoven. Anderzijds moet worden toegegeven dat ook in Buysses romantische werk maatschappijkritiek zit. Bij hem gaat het immers zoals gezegd altijd over het kwaad dat de ene mens de andere aandoet. Bij Streuvels b.v. is het thema eerder hoe klein de mens wel is in de kosmos, in de natuur.
– Als ik dit alles op een rijtje zet, dan kom ik tot de conclusie dat de Buysse-studie niet mag worden beschouwd als een vorm van “literaire archeologie”?
A.M.Musschoot
: Zeker niet! Met Buysse wordt een lijn ingezet die men kan doortrekken tot op de dag van vandaag. Die gaat via Gerard Walschap en Louis Paul Boon over Walter van den Broeck en Monica Van Paemel naar Guido Van Heulendonk…
Volgens Marc Reynebeau (Knack) refereren de drie tantes van Katrien Deschryver in “Het Goddelijke Monster” van Tom Lanoye aan “Tantes” van Cyriel Buysse. Trouwens, toen in een vorige aflevering van de Mededelingen Yvan de Maesschalck op overeenkomsten wees tussen Buysses “Biezenstekker” en “Vrijdag” van Hugo Claus, dan vertelde hij weliswaar niet nieuws, maar als hij “De geruchten” met “’t Bolleken” gaat vergelijken, blijf je toch wel met rode oortjes lezen…
Over de bemiddelende rol die Buysse heeft gespeeld om andere Vlaamse auteurs in Nederlandse tijdschriften te laten publiceren vertelt biograaf Joris van Parys de volgende leuke anekdote. Hoofdredacteur Frans Coenen heeft niet altijd oren naar Buysses suggesties omdat hij liever werk van vrouwen uit zijn onmiddellijke omgeving publiceert. Hij doet dit zo opvallend dat Jan Greshoff spreekt van zijn “haremvrouwen”, terwijl Menno ter Braak uitbraakt: “Wat een degradatie, om van een Forum op een blad vol wijven terecht te komen!” En let wel, hij heeft het dus niet over Menzo, Ché of Cover, hé!
Dat soort bladen zouden we zeker in de Fenomenale Feminatheek van Boontje aantreffen. In verband met deze schrijver kunnen we tot slot de bekende anekdote aanhalen die Hugo Van den Berghe o.m. tegen Pascal Verbeken vertelde in De Standaard der Letteren van 27/2/97: “Toen ik in Aalst voor een socialistische kring Het gezin van Paemel regisseerde, kwam op een avond Boon langs. Hij bood zich aan om het rolletje van de facteur te spelen die aan het eind de brief uit Amerika brengt. Hij zei toen: ik heb zo veel bewondering voor Buysse, eigenlijk zou ik een boek over hem moeten schrijven; maar door mee te spelen bewijs ik hem veel meer eer.”
In 2014, bij de presentatie van de 30ste aflevering van de Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap en in het boek zelf, werd al duidelijk gemaakt dat de publicatie verder in een andere vorm zou verschijnen. De bedoeling was een jaarboek uit te geven met een bredere blik op de context waarin Buysse leefde en werkte. Het is echter gebleken dat voor een dergelijke jaarlijkse publicatie over de literatuur van het interbellum onvoldoende belangstelling bestond. Daarom heeft het bestuur besloten om contact op te nemen met een uitgever die zich zou willen engageren om jaarlijks een boek met één of meer titels van Buysse op de markt te brengen. Zij hebben Rudy Vanschoonbeek (uitgeverij Vrijdag) bereid gevonden deze publicatie, met de financiële steun van het Cyriel Buysse Genootschap, op zich te nemen en we hebben om te beginnen een afspraak voor de eerstkomende vijf jaar. Het eerstvolgende boek zal in 2016 verschijnen. Omdat er geen publicatie komt in 2015 hoopt men ook het tweede boek nog in 2016 te laten verschijnen. De Mededelingen verschijnen dus niet meer en er wordt ook geen lidgeld opgevraagd, maar iedereen die deel uitmaakt van het huidige ledenbestand zal een reductiebon ontvangen van de uitgever waarmee hij of zij zich de geplande nieuwe Buysse-druk in de boekhandel kan aanschaffen tegen verminderde prijs.

In 2013 verscheen van Mieke Verschuivingen en ontgrenzingen waarin enkele momenten die de geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur hebben veranderd worden belicht: scharniermomenten die accentverschuivingen laten zien, op breuklijnen tussen traditie en vernieuwing. De auteurs die een rol hebben gespeeld in dit onvoorspelbare mechanisme dat de motor is van de literaire geschiedenis, blijken allen hun inspiratie te hebben gevonden in de brede internationale, West-Europese stromingen.
De lijnen van de ontwikkeling lopen van de late negentiende eeuw, met de overgang van romantiek naar naturalisme en symbolisme in het fin de siècle (met Cyriel Buysse, Karel van de Woestijne, Guido Gezelle en Paul van Ostaijen), naar het modernisme in het begin van de twintigste eeuw (met Willem Elsschot en Maurice Gilliams). De overgang van modernisme naar postmodernisme wordt voorbereid door Johan Daisne en Louis Paul Boon, en manifesteert zich bij zo diverse auteurs als Leon de Winter en Peter Handke, Louis Ferron en Paul de Wispelaere. In het sluitstuk van de bundel staat het werk van Stefan Hertmans centraal.
Een overzicht van de inhoud:
Deel 1. Rondom Buysse en Van de Woestijne
1. De sociaal-kritische traditie in Vlaanderen
Eugeen Zetternam en Cyriel Buysse
2. Tussen twee eeuwen
Enkele beschouwingen over de verstrengeling van twee culturen in het fin de siècle
3. Karel van de Woestijne als chroniqueur van de Frans-Belgische letteren
4. Gezelle – Van de Woestijne – Van Ostaijen en de traditie van de poésie pure
Deel 2. Rondom Elsschot en Gilliams
5. Op zoek naar Willem Elsschot in Villa des Roses
6. Maurice Gilliams
Schrijven als zelfondervraging
7. Eerherstel voor het ‘tweede cahier’ van Gilliams’ Elias?
Deel 3. Van modernisme naar postmodernisme
8. Johan Daisne als romanvernieuwer
9. Louis Paul Boon: Abel Gholaerts
Een omstreden boek?
10. Leon de Winter en Peter Handke
Vormen van postmodernisme
11. Louis Ferron: gefascineerd door het kwade
Meerduidigheid en omkeerbaarheid in Hoor mijn lied, Violetta (1982)
12. Het gekoesterde ego
Autobiografisch schrijven en het einde van het millennium
13. Schrijven als een vorm van literaire archeologie
Over Paul de Wispelaeres Het verkoolde alfabet
Deel 4. Over Stefan Hertmans
14. Stefan Hertmans: van fascinatie naar reflectie
15. Stefan Hertmans en Wallace Stevens
Een postmodernistische dialoog met de modernistische traditie
16. Creatief zwerven zonder kompas
Stefan Hertmans als essayist
Anne Marie Musschoot is erehoogleraar moderne Nederlandse literatuur en algemene literatuurwetenschap (Universiteit Gent) en redacteur van de Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap. Zij publiceerde verschillende kleinere studies over Karel van de Woestijne. Samen met Arie Gelderblom vormt ze de hoofdredactie van de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur.
De bundel kost € 23.50 en kan worden besteld bij uitgeverij Academia Press, Eekhout 2, 9000 Gent, Tel. 09 233 80 88, Fax 09 233 14 09, info@academiapress.be, http://www.academiapress.be

Ronny De Schepper

(*) Ook Vic De Donder citeert in zijn boek “Kom eens naar mijn kamer, een halve eeuw collegeleven in Vlaanderen” (Elsevier, 1986) Cyriel Buysse als voornaamste auteur die door de katholieke scholen werd “doodgezwegen” (p.120).
(**) Eigenaardig dat ik daarover niet heb doorgevraagd, want twintig jaar eerder heeft prof.Musschoot in haar lessen over Buysse daar wél meer over verteld. Dit zijn de nota’s die ik daarover toen heb genomen: in 1897 schrijft Buysse in “De Amsterdammer” een polemisch artikel over het flamingantisme, waardoor het tot een breuk komt met zijn Vlaams lezerspubliek en dan vooral met de redactie van het tijdschrift “Van nu en straks”. Wellicht heeft hij het artikel geschreven n.a.v. een verslag van een lezing van Jan van Rijswijck, de burgemeester van Antwerpen, over de Nederlandse taal. Daarbij moet men wel weten dat Jan Van Rijswijck bevriend was met Max Rooses, met wiens dochter Rosa Buysse graag een relatie had gehad, maar vader Rooses verzette zich daartegen, vooral na insinuaties van Paul Frédérique (Rooses zal trouwens op een prachtige ironische wijze reageren op het artikel). In het artikel verwijt Buysse de flaminganten dat ze onder elkaar Frans spreken, enerzijds omdat er geen beschaafde omgangstaal is en anderzijds uit arrivisme. Als datzelfde jaar in de senaat de gelijkheidswet wordt besproken (bedoeld wordt: de gelijkheid van taal, meer concreet dat de wetten voortaan ook in het Nederlands zouden worden uitgevaardigd), zijn de liberalen daartegen en hun woordvoerder Bara haalt op dat moment het artikel van Buysse aan ter staving van hun argumenten. Jules Bara (1835-1900) was weliswaar een Franstalige Brusselaar, maar het artikel was na amper een paar dagen al vertaald door een Gentse advocaat. In het liberale blad “Etoile belge” verklaart Buysse zich nogmaals solidair, waarop August Vermeylen in “Van nu en straks” reageert met het artikel “Onze taal voor de senaat en voor Buysse”. In eerste instantie wordt de gelijkheidswet afgeschoten, maar een jaar later zal ze toch goedgekeurd worden. Voor Buysse zelf zal het nog tot 1903 duren vooraleer hij in het tijdschrift “Groot-Nederland” terugkrabbelt, maar van dan af is het hek dan ook van de dam en keert hij zijn kar 180°. In een interview afgenomen door de Gazette van Detroit op 16 september 1931 (enige maanden voor zijn dood) toont hij zich zelfs een visionair: “Wij gaan naar het Federalisme! (…) Vlaanderen krijgt ongetwijfeld zelfbestuur. Wallonië eveneens. De twee Staten in een Federale Staat België.” (Mededelingen XXVI, p.186) Als Groot-Nederlander in woord (het tijdschrift) en in daad (hij woonde afwisselend in Vlaanderen en in Nederland) betreurt hij wel dat dit samengaan in de praktijk nooit zal worden verwezenlijkt: “Het is een onmogelijk uit te voeren droom. Het meent de verbrokkeling, de vernietiging van België als ’n Staat, iets wat de mogendheden, vooral Engeland, niet zouden dulden. In Holland verlangt men niet naar die aanhechting. Een der redenen, om er maar eene te noemen, is de overwegende meerderheid der protestanten in Holland. Neemt men Vlaanderen daarbij dan verandert die meerderheid in eene minderheid en worden de katholieken baas. Ook het Hollandsch vorstenhuis is Protestantsch. Er zijn nog andere redenen, maar deze eene zoude moeten voldoende zijn. En Vlaanderen heeft er alles bij te winnen, die droom te vergeten.” (idem, p.187)

Referenties
Cyriel Buysse, Zoals het was… Manteau, Antwerpen, 1983, 221 blz., 395 fr.
Johan & Jan de Belie-Segers, Omzien naar Cyriel Buysse: het ontwakend bewustzijn van de arbeidersklasse, De Rode Vaan nr.18 van 1984
Ronny De Schepper, “Meevoelen met de verdrukte mens, daar ging het om bij Buysse”, De Rode Vaan nr.15 van 12 april 1991
Ronny De Schepper, Jaarboek Buysse Genootschap, Het Laatste Nieuws, 19 april 1994
Ronny De Schepper, In de voetsporen van schrijver Cyriel Buysse, Het Laatste Nieuws, 16 september 1994
Ronny De Schepper, Opstellen van prof.Musschoot, Het Laatste Nieuws 27 september 1994
Ronny De Schepper, Het land van Cyriel Buysse, Het Laatste Nieuws, 6 april 1995
Ronny De Schepper, Het engagement van Cyriel Buysse, De Hoogste Tijd, juni 1997
Ronny De Schepper, Het engagement van Cyriel Buysse, Nitro, september 1997

Lees verder “Anne Marie Musschoot wordt 75…”

KANTeLing 2019: ‘Kun je misschien wat harder fluisteren?’ – over engagement in de letteren

KANTeLing 2019: ‘Kun je misschien wat harder fluisteren?’ – over engagement in de letteren

“Kun je misschien wat harder fluisteren?” schreef dichter en essayist Jeroen Mettes. We proberen het, tijdens het jaarlijkse zomerfestival van de KANTL in en om kasteel Beauvoorde op 3 juli. (Foto’s: Radna Fabias © Casper Kofi, Erik Vlaminck, Wiet van de Leest, Chokri Ben Chikha © Tom Verbruggen, Tom Theuns & Vera Coomans © Steven Vanderspoilden, Dominique De Groen © Brecht Van Maele, Geert Buelens, Soetkin Collier © Gentblogt)
Lees verder “KANTeLing 2019: ‘Kun je misschien wat harder fluisteren?’ – over engagement in de letteren”

Sandor Marai (1900-1989)

Sandor Marai (1900-1989)

Het is vandaag dertig jaar geleden dat de Hongaarse auteur Sandor Marai in San Diego (VS) zelfmoord pleegde.
Sandor Marai werd op 11 april 1900 geboren in het Hongaarse Kassa (nu Kosice in Slovakije) in een rijk burgerlijk milieu. Hij studeerde in Leipzig, Frankfurt en Berlijn, vertaalde Trakl en Kafka in het Hongaars en was van 1923 tot 1929 correspondent van de Frankfurter Zeitung in Parijs. Vanaf 1929 publiceerde hij romans, verhalen, gedichten, essays en toneelstukken. Gedurende de nazi-tijd leidde hij in Boedapest wat men heet “een teruggetrokken leven”. Men kan het natuurlijk ook anders zien: de nazi’s kon hij blijkbaar wel uitzweten, maar de communisten niet. Na de oorlog ging hij dan ook in vrijwillige ballingschap, eerst naar Italië en dan naar de Verenigde Staten, waar hij op 22 februari 1989 in San Diego zelfmoord pleegde. Hij liet een joodse echtgenote achter, waarmee hij vermoedelijk nog niet getrouwd was in de nazi-periode.
Aangezien zijn boeken in Hongarije verboden waren, verschenen ze slechts in beperkte oplage in het buitenland en duurde het tot 1999 vooraleer hij “ontdekt” werd.
Dat gebeurde dan niet door “De erfenis van Eszter”, wat door de meesten als zijn beste werk wordt beschouwd, maar wel door “Gloed”, een werk dat voor het eerst verscheen in 1942 als “A gyertàk csonkig égnek”. De Nederlandse vertaling door Mari Alföldi dateert van 2000. Wat de originele titel betekent, weet ik uiteraard niet, maar de oorsprong van de Nederlandse titel vinden we terug op p.97 van de uitgave in de reeks Wereldbibliotheek: “De werkelijkheid was dat jij mij tweeëntwintig jaar lang had gehaat, met een passie waarvan de hittegraad slechts te vergelijken is met de gloed van grote liefdesbetrekkingen. Jij haatte mij, en als een menselijke ziel helemaal vervuld is van een gevoel, een passie, dan is ergens in dat vuur naast het enthousiasme ook de rook en de gloed van wraaklust aanwezig… want hartstocht gebruikt niet de argumenten van het verstand. (…) Jij haatte me, en haat is een even sterke band als liefde.”
De flaptekst belooft een “spannend” boek over een groot, kwaadaardig geheim dat twee voormalige jeugdvrienden bindt en dat hen 41 jaar later tot een meedogenloos “duel zonder wapens” zal drijven. Net als bij Ward Hulselmans, die hier misschien wel de inspiratie haalde voor zijn “Stille waters”, wordt deze belofte niet helemaal waargemaakt. Tamelijk vlug heeft men immers door dat het hier “the eternal triangle” betreft. Een tamelijk banaal plot dus, dat de banaliteit echter overstijgt omwille van de overpeinzingen die ermee gepaard gaan. Zo is het boek – ondanks de passage waaruit (nochtans terecht) de Nederlandse titel werd geput – één grote lofzang op de “vriendschap tussen mannen”: “Maar achter vrouwen, achter de rol en achter de wereld lichtte vaag een gevoel op dat sterker was dan dit alles. Dit gevoel kennen alleen mannen. Het heet vriendschap.” (p.47) Een seksistisch standpunt dat (uiteraard) zo niet alleen dan toch voornamelijk in een militaristische omgeving kan “bloeien”. De beide protagonisten zijn dan ook opgeleid als soldaten. Dat dit idee naar fascisme ruikt, blijkt ook uit de panische angst die het met zich brengt om te worden verward met “de ziekelijke neigingen van mensen die een tegennatuurlijke bevrediging zoeken bij hetzelfde geslacht.” (p.79)
Toch heeft de hoofdpersoon zich even daarvoor nog afgevraagd: “Is er misschien een sprankje Eros in elke menselijke relatie?” En hij antwoordt zichzelf: “De Eros van vriendschap heeft het lichaam niet nodig… het staat hem eerder in de weg dan dat het hem opwindt. Maar het is toch Eros. Aan de basis van elke vorm van liefde, van elke menselijke relatie, staat Eros.” (p.79) En nog: “Evenmin als iemand die verliefd is, verwacht de vriend een beloning voor zijn gevoelens. Hij wil geen wederdienst en ziet degene die hij tot zijn vriend heeft uitverkoren niet als een onwerkelijk wezen, hij kent diens fouten, en accepteert hem zo, inclusief alle gevolgen.” (p.80) En tot slot: “Er is geen triester en hopelozer emotioneel proces dan de verkoeling van een vriendschap tussen twee mannen. Want tussen man en vrouw heeft alles een voorwaarde, zoals bij een zakelijke transactie. Maar de betekenis van vriendschap tussen mannen is juist die onbaatzuchtigheid, dat we geen offer van de ander willen, geen tederheid, niets, behalve dat we ons houden aan de afspraken van een bondgenootschap zonder woorden.” (p.100)
Weer die misogynie dus. Wat tevens een domper zet op het enthousiasme dat ik bij andere lezers kan vermoeden, maar waaraan ikzelf geen deel kan hebben. Niet omdat dit motief in het boek voorkomt uiteraard, maar wel omdat het verhaal verteld wordt vanuit het perspectief van het (in mijn ogen) onsympathieke personage. De auteur zelf vereenzelvigt zich daar echter maar al te graag mee. Terecht of niet, maar ik zie hierin ook een parallel met zijn privé-leven, met name zijn houding ten overstaan van respectievelijk het nazisme en het communisme.
Toch is er tegelijk een verlangen naar het “anders zijn”, dat aan de basis ligt van zijn nederlaag (die hij wel als een bitter soort overwinning ervaart): “Want we houden altijd van degene die ‘anders’ is, die zoeken we in elke situatie en variatie van het leven…” (p.126)
Een andere prachtige observatie is dat dit “anders zijn” wordt gedefinieerd in functie van de muziek: “Tussen mijn moeder, Krisztina en jou was er de muziek als bindmiddel. Waarschijnlijk zei de muziek jullie iets wat niet in woorden en daden verteld kon worden, en waarschijnlijk zeiden jullie elkaar ook iets met de muziek, en dat andere verhaal, dat voor jullie perfect uitgedrukt werd door de muziek, konden mensen van de andere soort, mijn vader en ik, niet begrijpen.” (p.129) Zijn conclusie kan dan ook niet anders zijn dan: “Ik haat muziek (…) Ik haat die melodieuze en onbegrijpelijke taal, waarin mensen van een bepaalde soort met elkaar kunnen converseren, ze zeggen elkaar iets buiten de normen en de regels om, ja, soms denk ik dat ze elkaar iets onbetamelijks en immoreels zeggen met de muziek. Kijk maar naar hun gezicht, hoe vreemd het verandert wanneer ze naar muziek luisteren.” (p.130)
Pas als hij oud is geworden, kan hij min of meer gelouterd terugkijken op wat er gebeurd is en vraagt hij zich af: “Is trouw niet een vorm van egoïsme, een verschrikkelijk egoïsme, en ijdelheid, zoals het merendeel van menselijke dingen en behoeften in het leven? Willen we, als we trouw eisen, dat de ander gelukkig wordt? En als de ander in de subtiele gevangenschap van trouw niet gelukkig kan zijn, houden we dan wel van degene van wie we trouw eisen? En als onze liefde de ander niet gelukkig maakt, hebben we dan wel het recht om iets te eisen, trouw of opoffering?” (p.137)
Door deze genuanceerde stellingname is het uiteindelijk toch een boek dat je zowel aan je beste vriend als aan je grootste vijand ten geschenke kunt geven…

Lees verder “Sandor Marai (1900-1989)”