Vijf jaar geleden: “Fifty Shades of Grey” verfilmd

Vijf jaar geleden: “Fifty Shades of Grey” verfilmd

Het is vandaag vijf jaar geleden dat the trailer for the film “Fifty Shades of Grey” werd gereleased. It became the most viewed trailer of 2014 after it gained over 100 million views in just over a week. Ikzelf heb “Fifty Shades of Grey” (ik gebruik de Engelse titel, omdat in de vertaling “Vijftig tinten grijs” de woordspeling over de naam van het hoofdpersonage verloren gaat) van E.L.James nog steeds niet gelezen (en na het zien van de film ben ik het ook niet meer van plan), maar in de Gazet van Antwerpen van 1 december 2012 stond een interessant interview van Michael Lescroart met Karen Peger, psychotherapeute met een specialisatie in seksuele problemen. Een paar fragmenten…
Lees verder “Vijf jaar geleden: “Fifty Shades of Grey” verfilmd”

Iris Murdoch (1919-1999)

Iris Murdoch (1919-1999)

Het is vandaag precies honderd jaar geleden dat de Britse schrijfster Iris Murdoch werd geboren in Dublin.

Op jonge leeftijd verhuisde ze met haar ouders naar Londen, waar haar vader als ambtenaar werkte. Haar moeder volgde een zangopleiding, maar brak die af toen ze zwanger was van Iris en ze pakte het zingen daarna nooit meer op.
Iris Murdoch bezocht scholen die voor die tijd vooruitstrevend waren. Ze studeerde klassieke talen, geschiedenis en wijsbegeerte aan het Somerville College in Oxford.
In de tijd dat ze lid was van de Britse KP, voelde ze zich verplicht om het zowat met alle kameraden te doen (waardoor ze zich later expliciet tégen promiscuïteit kantte). Toen ze een beurs won voor de VS en naïef haar vroeger lidmaatschap “verklapte”, kon ze die beurs voor the land of the free natuurlijk in haar gat steken. Ze ging dan maar naar… België, waar ze prompt een verhouding begon met Raymond Queneau en via hem met Jean-Paul Sartre, op dat moment de vrijer van Simone de Beauvoir.
Murdoch had een voor die tijd dus erg vrije moraal. Ze had relaties met verscheidene mannen en vaak ook met meerdere tegelijk. Dat waren zonder uitzondering invloedrijke mannen, vaak afkomstig uit de wereld van wetenschap en cultuur.
Er gingen geruchten dat Murdoch ook relaties met vrouwen zou hebben, maar dat ontkende ze altijd. Zo was collega Brigid Brophy verliefd was op haar. Ze bleef echter immuun voor haar verleidingspogingen, omdat ze op dat moment haar wildste jaren reeds achter de rug had. Nadat ze een postuniversitaire opleiding had gevolgd aan het Newnham College in Cambridge, waar Ludwig Wittgenstein haar leraar was, kreeg ze in 1948 immers een baan als onderzoeksassistent (fellow) en mentor aan het St.Anne’s College in Oxford. Daar ontmoette ze in 1954 op een feestje John Bayley, die een soortgelijke functie bekleedde op het naburige St. Anthony’s College. Later werd hij hoogleraar Engels en literatuurcriticus. In 1956 traden ze in het huwelijk en ze leidde voortaan een saai, maar comfortabel huwelijksleven dat haar wel in staat stelde om een reeks succesvolle boeken te schrijven, waarvan het succes echter ook wordt toegeschreven aan haar uitgeefster Norah Smallwood. Vanaf het ogenblik dat Carmen Callil deze job immers overnam en er prat op ging dat ze “geen letter veranderde”, schamperden de critici: ’t is eraan te merken! Trouwens ook Murdoch vond zichzelf inderdaad slechts een middelmatige schrijfster, al kan de terugval ook wel op rekening van haar opdoemende ziekte (Alzheimer) worden geschreven.

Lees verder “Iris Murdoch (1919-1999)”

Edna O’Brien

Edna O’Brien

Na de flop van de spookverhalen van Montague Rhodes James ga ik me nu wagen aan “Girl with green eyes” van Edna O’Brien (foto Andrew Lih via Wikipedia). De aanleiding is nochtans precies dezelfde als bij M.R.James: gisteren heb ik een documentaire gezien op de BBC, waardoor ik in het werk van deze Ierse schrijfster ben geïnteresseerd geraakt. Hopelijk loopt deze kennismaking niet op dezelfde manier af…

Het begint trouwens al negatief: ik kan enkel een beroep doen op de Engelse Wikipedia, want een Nederlandstalige bijdrage over haar bestaat nog niet. Enkel De Bezige Bij (wellicht haar uitgeverij in onze regio) geeft een zeer beknopte biografie.

Edna O’Brien was born in 1930 at TuamgraneyCounty Clare, Ireland, a place she would later describe as “fervid” and “enclosed”. According to O’Brien, her mother was a strong, controlling woman who had emigrated temporarily to America, and worked for some time as a maid in Brooklyn, New York, for a well-off Irish-American family before returning to Ireland to raise her family. O’Brien was the youngest child of a strict, religious family. From 1941 to 1946 she was educated by the infamous Sisters of Mercy – a circumstance that contributed to a “suffocating” childhood. “I rebelled against the coercive and stifling religion into which I was born and bred. It was very frightening and all pervasive. I’m glad it has gone.” She was fond of a certain nun as she deeply missed her mum and tried to identify the nun with her mother.

In 1950, O’Brien was awarded a licence as a pharmacist. In Ireland, she was discouraged to read, but still she secretly discovered such writers as TolstoyThackeray, and F. Scott Fitzgerald (*). In 1954, she married, against her parents’ wishes, the divorced Irish communist writer of Czech origin Ernest Gébler and the couple moved to London. They had two sons, Carlo (a writer) and Sasha Gebler, an architect, but the marriage was dissolved in 1964, when O’Brien’s literary career eclipsed Gébler’s.

Although O’Brien left the marital home, she eventually got sole custody of the children. Both O’Brien and Carlo Gébler later wrote about Ernest’s cruelty to the family. Gébler, born in 1914, died in 1998 of a bronchial infection, after several years with Alzheimer’s disease .

In London, O’Brien bought Introducing James Joyce, with an introduction written by T. S. Eliot, and said that when she learned that James Joyce‘s A Portrait of the Artist as a Young Man was autobiographical, it made her realise where she might turn, should she want to write herself. “Unhappy houses are a very good incubation for stories,” she said. In London she started work as a reader for Hutchinson, where on the basis of her reports she was commissioned, for £50, to write a novel. She published her first book, The Country Girls, in 1960.

This was the first part of a trilogy of novels (later collected as The Country Girls Trilogy), which included The Lonely Girl (1962) and Girls in Their Married Bliss (1964). Shortly after their publication, these books were banned and, in some cases burned, in her native country due to their frank portrayals of the sex lives of their characters. In the 1960s, she was part of the swinging sixties scene with friends such as Paul McCartney, Mick Jagger and Marlon Brando. As Bob Geldof put it in the documentary: “She shagged a lot of rock stars.” She was also a patient of R.D. Laing, who prescribed her LSD: “I thought he might be able to help me. He couldn’t do that – he was too mad himself – but he opened doors”, she later said. 

Her novel, A Pagan Place (1970), was about her repressive childhood. Her parents were vehemently against all things related to literature; her mother strongly disapproved of her daughter’s career as a writer. Once when her mother found a Seán O’Casey book in her daughter’s possession, she tried to burn it.

O’Brien was a panel member for the first edition of the BBC’s Question Time in 1979. In 2017, she became the sole surviving member.

In 1980, she wrote a play, Virginia, about Virginia Woolf, and it was staged originally in June 1980 at the Stratford Festival, Ontario, Canada and subsequently in the West End of London at the Theatre Royal Haymarket with Maggie Smith and directed by Robin Phillips. It was staged at The Public Theater in New York in 1985. Other works include a biography of James Joyce, published in 1999, and one of the poet Lord ByronByron in Love (2009). 

House of Splendid Isolation (1994), her novel about a terrorist who goes on the run (part of her research involved visiting Irish republican Dominic McGlinchey, later shot dead, whom she called “a grave and reflective man”), marked a new phase in her writing career. Down by the River (1996) concerned an under-age rape victim who sought an abortion in England, the “Miss X case”. In the Forest (2002) dealt with the real-life case of Brendan O’Donnell, who abducted and murdered a woman, her three-year-old son, and a priest, in rural Ireland.

Over het enige boek dat ikzelf in mijn bezit heb en dus ook datgene dat ik als eerste (en hopelijk niet laatste) zal lezen, Girl with green eyes, staat er dus niks op Wikipedia. Volgens de kaft (waarop een naakt meisje) is het “the comic and poignant sequel to The Country Girls, in which Caithleen Brady finds romance in Dublin – classy romance with the second Mr Gentleman.” Het dateert van 1962 (**) en is nog opgedragen aan Ernest Gébler. Mr.Gentleman is een gehuwde man uit “The Country Girls” waarmee ze een verhouding heeft en nu is dit inderdaad het geval met een vergelijkbare man, al dient gezegd dat hij gescheiden leeft van zijn vrouw, die is teruggekeerd naar de VS. “Comic” zou ik het boek niet noemen. Soms kan je wel eens lachen met het achterlijke Ierland, maar veel meer zet het aan tot overpeinzingen over hoe godsdienst (eender welke, in dit geval natuurlijk de katholieke kerk) het leven van mensen tot een ramp maakt. En dan moet ik als bijna tijdgenoot toegeven dat dit hier in Vlaanderen ook het geval was, zij het gelukkig lang niet zo erg als in Ierland.

Haar laatste boek (Girl) wordt ook (nog) niet vermeld op Wikipedia, maar gelukkig kon ik daarmee kennismaken via de documentaire. Het gaat over de meisjes die in Nigeria werden ontvoerd door de Islamitische terreurgroep van Boko Haram. Ondanks haar hoge leeftijd is zij tweemaal afgereisd naar Nigeria met een grote som geld op haar lichaam verborgen. Dat geld was nodig om via omkoping aan getuigenissen te geraken.

Alhoewel ze nog in goede gezondheid verkeert, zowel fysiek als geestelijk, heeft ze toch aangekondigd dat dit boek haar laatste zal zijn.

(*) Haar alterego uit “The lonely girl” leest “Tender is the night”.

(**) De oorspronkelijke titel blijkt “The lonely girl” te zijn en dus wordt het boek wél vermeld op Wikipedia.

Doris Lessing (1919-2013)

Doris Lessing (1919-2013)

Doris Lessing (foto Elya via Wikipedia) werd in Perzië geboren op 22 oktober 1919 en overleed te Londen op 17 november 2013. Zij bracht de eerste jaren van haar leven door in Rhodesië (van 1924 tot 1949, tot de echtscheiding uit haar tweede huwelijk met Gottfried Lessing) wat zich zou weerspiegelen in tal van haar autobiografische werken. Daarnaast schreef zij hoofdzakelijk talloze romans, novellen, verhalen (ook voor kinderen, en enkele specifiek over katten), maar ook non-fictie werken, toneelstukken en zelfs operalibretto’s.

Het was vooral de menselijke problematiek die haar intrigeerde, wat zij politiek relateerde. Toen haar in 2007 de Nobelprijs toegekend werd, motiveerde men met o.m. deze woorden: “scepsis, vuur en visionaire kracht”.
Men deelt haar werk in, rudimentair, in drie perioden:
De communistische (’44 – ’56)
De psychologische (’56 – ’69)
De soefithematiek (’70 e.v.) wat zijzelf omschrijft als ‘space fiction’, en motiveert dit: men kan met science fiction ook zeer duidelijk het sociale en de menselijke problematiek aankaarten.

THE GOLDEN NOTEBOOK

Het was het in 1962 verschenen ‘The Golden Notebook’ dat haar algemene bekendheid bezorgde. ‘The Golden Notebook’ bestaat eigenlijk uit meerdere boeken… De raamvertelling is getiteld ‘Free Women’ en hier verhaalt de schrijfster/journaliste Anna Wulf, gescheiden en moeder van de vierjarige Janet, dat zij na de publicatie van haar eerste succesvolle roman (over de ganse wereld vertaald), gelijktijdig vier manuscripten volschrijft. The Black, the Red, the Yellow en the Blue Book. Zij woonde eerst samen met haar vriendin Molly Jacobs en dier puberzoon Tommy maar betrok even later een eigen appartement; de band tussen de twee vrouwen bleef evenwel stevig. Beiden hebben banden met de communistische partij, worstelen met het ideeëngoed, zijn vooral sociaal betrokken. Molly was gehuwd met een kapitalist, op dit ogenblik één der rijkste mannen van de Londense zakenwereld – wat voor spanningen zorgt bij haar zoon Tommy die zich tussen twee tegengestelde ideologieën beweegt. Voeg daarbij de strijd om de vrouwenrechten, opgeëist door de twee moeders…
Deze raamvertelling scheidt de vier boeken die we enkele keren fragmentarisch (elk vier maal) te lezen krijgen.

‘The Black Book’ speelt hoofdzakelijk in Zuid-Rhodesië ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, in een klimaat van merendeels RAF-soldaten die allen te maken hebben met de CP. En dat leidt tot gepraat, conflicten, debatten over rassenkwesties. Er zijn de onvermijdelijke liefdesgeschiedenissen en -drama’s. De portretten zijn fascinerend scherp en vaak meedogenloos. En de politiek komt hier tot een genadeloos failliet, vooral wanneer de problematiek van de rassen aan de orde is. ‘The Red Book’: Londen, de sfeer van de Koude Oorlog. De confrontatie binnen de CP van politiek met cultuur. En daarbinnen de achterdocht en de roddel. Ook hier de teloorgang van de CP in het Groot-Brittannië der jaren 50 (en bij uitbreiding in gans West Europa): achterdocht, verraad, de leugens m.b.t. Stalin, de Jodenvervolging in Rusland…

Met ‘The Yellow Book’ schrijft Anna Wulf dan plots een heuse novelle waar zij als hoofdfiguur opteert voor eveneens een schrijfster Ella, die een zoontje van vier jaar heeft, Michael, en een beste vriendin Julia… Zij werkt aan een roman over een jongen die zelfmoord pleegt. In het eerste deel van het Yellow Book heeft zij een relatie met een psychiater. Alle verhoudingen en psychische en sociale motieven worden hier ontrafeld, uitgebeend zelfs. Hoewel de ganse roman erdoor ‘besmet’ is, in ‘The Yellow Book’ staat de vrouw-man relatie wel meest centraal.

Tenslotte is er ‘The Blue Book’, een persoonlijk dagboek van Anna met herinneringen, dromen, emoties, krantenknipsels. In het eerste deel volgen we haar vooral bij haar bezoeken bij haar psychiater die ook later nog sporadisch opdaagt met verwijzingen. In het derde deel hiervan staat een schitterende scène annex dialoog die wedijvert met Albee’s ‘Who’s afraid of Virginia Woolf’, hoe twee personen elkaar neurotisch pijnigen… Lessing kàn schrijven!
De blokken van de ‘gekleurde’ schriften worden telkens van elkaar gescheiden door ‘Free Women’ waarin we iets meer over het opzet te weten komen. Zo ook hoe Anna plots besluit een dikke zwarte lijn onder de vier schriften te trekken. Zij start het ‘Golden Notebook’ dat zij evenwel al vlug afstaat aan haar laatste minnaar, een Amerikaans schrijver die het gebruikt om er een roman in neer te pennen; een roman die inderdaad zal uitgegeven worden.   
Als literair werk is ‘The Golden Notebook’ naar mijn gevoel minder interessant. Wel als document dat de politieke en sociale tijdsgeest weergeeft; en dan vooral – of hoofdzakelijk – in verband met de evolutie van de communistische partij, de moeilijkheden (ook en zeker intern). Het dient gezegd dat Lessing dit hier werkelijk uitbeent. Dan zijn er, verweven doorheen de roman, talloze dromen en semi-hallucinaties van Anna en haar alter-ego Ella; helaas verduidelijken die zelden, dragen ze niet wezenlijk bij tot de inhoud of tot de psychische duiding tenzij ze een link willen vormen naar de opkomende waanzin/ sluimerende schizofrenie van Anna (die tenslotte niet doorbreekt), maar maken ze het verhaal daarom veeleer log. 
Tenslotte: Lessing wenst geen feministe genoemd te worden. Wellicht terecht. Want al is deze roman ook een voortdurende strijd van de twee vrouwen, Anna en Molly, om zich als vrije vrouwen te profileren, ook op seksueel vlak, en zijn er voortdurend conflicten met de mannen, de werkelijke strijd voeren ze met zichzelf. Het is geen gevecht der geslachten maar een innerlijke battle op sociaal, emotioneel, seksueel vlak waarbij ze vaak k.o. liggen. Daarover kan nog gezegd dat bij de uitgave van 1971 Lessing een zeer uitgebreid woord vooraf schreef dat, meer dan de roman zelf, mijn aandacht vasthield.


ALFRED AND EMILY
Met ‘Alfred and Emily’ (2008), het laatste boek dat van haar verscheen, sloot Lessing inderdaad wel hét hoofdstuk ‘leven’ af. Het is een zeer vreemd boek. Deels autobiografisch, deels totaal fictie. Het behelst namelijk twee hoofdstukken. En pas in het tweede maken we kennis met de werkelijke Doris Lessing, of vooral met haar ouders. Haar vader Alfred Taylor werd zwaar gewond in WO1 en liep rond met een (primitief) houten been. Bovendien leed hij vermoedelijk aan wat we nu als PTSS definiëren. Nog niet zo oud kreeg hij diabetes die hem tenslotte fataal werd. Haar moeder Emily McVeagh, verpleegster in dezelfde oorlog, was een vrouw die enerzijds krachtig optrad, anderzijds zwolg in zelfmedelijden. Opmerkelijk was dat zij zeer goed verhalen kon vertellen – een essentieel detail dat we vonden in het andere (eerste) deel van de roman. Net als het feit dat de jonge Doris steeds overspoeld werd door een stroom boeken; zij aarzelt dan ook niet een opsomming te geven van wat zij las, wat haar tekende en zoveel zou gaan betekenen voor haar latere schrijverscarrière. Een ziekelijke echtgenoot, een boerderij die in Rhodesië uit de grond gestampt diende te worden, financiële problemen, en tenslotte ingebeelde ziektes en zelfmedelijden… dat maakte Emily niet bepaald tot een goede liefhebbende moeder. Zij moet bovendien blijkbaar reeds dadelijk een voorkeur gehad hebben voor haar zoon. Gevolg: een levenslange spanning, erger, Doris Lessing zegt dat zij haar moeder haatte. Reeds toen zij zes jaar was liep zij een eerste keer van huis weg…
Inmiddels echter is zij gaan beseffen hoe haar ouders werkelijk waren: de mensen voor de oorlog die hen allebei zo getekend heeft en zo’n diepe wonden geslagen heeft. Haar vader was iemand die leefde voor de natuur, wist te genieten van het buitenleven – wat hij ook nog deed op de boerderij in Rhodesië; en had belangstelling voor de geschiedenis van de mens. Haar moeder bleek vooral een verpleegster, die vrijwel alles opgaf voor de zieken en de armen zoals ook zij deed terwijl hun farm ten gronde ging. Maar de zorg voor haar hulpbehoevende en steeds aftakelende echtgenoot bleek emotioneel te zwaar.
Uit dit nieuwe besef ontstond de roman ‘Alfred and Emily’, of het eerste deel ervan. Lessing fantaseert hier hoe het leven van haar ouders had kunnen verlopen indien ze niet zo ingrijpend te maken hadden gekregen met de oorlog. Zij laat hen hier niet met elkaar huwen. Alfred wordt een echte landbouwer, tegen zijn familie en de traditie in. Emily scheurt zich los van haar vader om verpleegster te worden (wordt zelfs verstoten) en zal, na een huwelijk met een chirurg dat haar eventjes bij de high society inlijft (tegen haar karakter in), zich voor de armen inzetten. Zij sticht scholen en opvanghuizen voor ongehuwd zwangere meisjes. Uiteraard is dit alles gegoten in een complex verhaal waarin talloze gezinnen en mensen hun rol spelen.
Het is geen toeval dat vrijwel alle vrouwen in deze roman sterke, strijdbare mensen zijn. Lessing wordt ook beschouwd als feministe, een betiteling die zij afwees als te nadrukkelijk. Zij treedt hier nog eens naar voren als sociaal bewogen. Fulmineert o.m. tegen de kloosters die ongehuwd zwangere meisjes opvangen en de hypocrisie daar (en van de ganse gemeenschap). Trekt van leer tegen alcoholmisbruik én de oorzaak. Klaagt de armoede aan in stadswijken als het Londense East End, maar ook op het platteland, en meteen de leegloop van de boerderijen. Voedselverspilling, de wapenindustrie… het komt allemaal bod. Lessing was bijna negentig toen zij met deze roman haar carrière afsloot, maar haar scherpte, haar visie en haar klauwen had zij nog niet verloren. Evenmin haar schrijverstalent.
Ik laat haar nog even aan het woord over een facet hoe zij deze roman concipieerde: “Bij het schrijven van het gefantaseerde leven van mijn vader en mijn moeder ben ik niet alleen afgegaan op karaktertrekken die je kunt invullen of uitwerken, maar ook op stembuigingen, zuchten, verlangende blikken, net zulke kleine tekens als bekwame speurders gebruiken.” Een strijdbare maar ook zeer ontroerende Lessing.

Lees verder “Doris Lessing (1919-2013)”