Vijftig jaar Woodstock

Vijftig jaar Woodstock

Het is vandaag precies vijftig jaar geleden dat, precies op de dag dat bij ons Stijn Streuvels overleed, in de Verenigde Staten het fameuze Woodstock-festival van start ging (*). Als dàt geen duidelijk omen was dat er nieuwe tijden aangebroken waren! Eigenlijk is het eerder bekend geworden door de film van Michael Wadleigh en Martin Scorsese en de daarbij horende driedubbele elpee die beide door bovenstaande foto van het vrijende koppeltje Bobbi en Nick Ercoline werden gepromoot. Destijds heb ik er ook in mijn wekelijks rubriekje in De Voorpost aandacht aan besteed, toen het festival nog maar tien jaar achter de rug lag – en dat leek toen al een eeuwigheid!

Lees verder “Vijftig jaar Woodstock”

55 jaar geleden: Rod Stewart voor het eerst op televisie

55 jaar geleden: Rod Stewart voor het eerst op televisie

Morgen zal het ook al 55 jaar geleden zijn dat het eerste televisieoptreden van Rod Stewart plaatsvond. Dat was in “Beat Room” op BBC2. Met welk nummer staat er niet bij vermeld, maar ik dacht dat het “Good morning little schoolgirl” zou geweest zijn, waarmee hij even later ook in “Ready Steady Go” was te zien. “Schoolgirl” werd echter pas op 10 september opgenomen…

Rod Stewart treedt op dat moment ongeveer een jaar op in het clubcircuit. Hij had toen onderdak gevonden bij Chris Peers, niet de Belgische ex-wielrenner natuurlijk, want die zou pas twee jaar later geboren worden, maar wel iemand die zich als manager opwierp van mensen die eigenlijk uit het “buskers-circuit” kwamen, zoals Peter Sarstedt (“Where do you go to, my lovely”). Peers zegt over Rod Stewart: “Hij is de grootste vrek die ik ooit heb ontmoet, maar ook bezeten met een onwrikbare wil om er te komen.”
Ondertussen was Chris Blackwell, de zoon van een Engelsman die zich in Jamaica had gevestigd als eigenaar van een bananenplantage, tot de constatatie gekomen dat de lokale muziek (ska, later reggae genoemd) evenzeer een exportproduct kon worden als bananen. Hij vormde zijn eigen label “Island” en liet voor de Westindische gemeenschap in Engeland in 1964 Millie Small een cover van de R&B-hit van Barbie Gaye uit 1957 “My boy Lollipop” opnemen. Voor de mondharmonicasolo plukte hij een muzikant van de straat, maar dat was dan niet Rod Stewart zoals de legende wil, maar wel Jimmy Powell (*).
Met Jimmy Powell and the Five Dimensions werden twee singles opgenomen, “That’s alright”/”I’m looking for a woman” en “I’ve been watching you”/”Sugar babe”, maar het is mogelijk dat Rod hier niet eens op meespeelt, want hij mocht enkel mondharmonica spelen. Vocaal kwam hij hoegenaamd niet aan zijn trekken. Op een bepaald moment wou de manager hem wel eens horen zingen, maar Jimmy Powell vloog toen kwaad van het podium: “I am the lead singer and no-one else!” Toch hield Rod er in 1964 nog een single aan over (“Good Morning Little Schoolgirl”, de klassieker van Big Bill Broonzy), die tijdens de studiotijd van Jimmy Powell and the Five Dimensions werd opgenomen, samen met drummer Bobby Graham, gitarist Brian Daly, pianist Reg Guest en bassist John Paul Jones. Op de B-zijde namen ze “I am gonna move to the outskirts of town” van Welden & Jacobs op. Ondanks een optreden in “Ready Steady Go” (**) werd het een flop omdat de tekst veel te gewaagd was (de opwarmer van “Ready Steady Go” was Gary Glitter die later voor pedofilie zou worden vervolgd). The Yardbirds namen ongeveer tegelijk ook het nummer op, met een afgezwakte tekst, en zelfs die versie ging de mist in.
Jimmy Powell and the Five Dimensions waren Beatle-epigonen, terwijl Rod Stewart liever rhythm and blues wou spelen (al heeft hij later wel zowel Lennon- als McCartney-composities opgenomen), daarom trok hij eruit en werd hij buskend in één van de vele Londense stations opgemerkt door de toenmalige blueslegende Long John Baldry (1941-2005).

Lees verder “55 jaar geleden: Rod Stewart voor het eerst op televisie”

55 jaar geleden: release van “You really got me”

55 jaar geleden: release van “You really got me”

Morgen za het 55 jaar geleden zijn dat “You really got me”, de derde single van The Kinks, werd uitgebracht. Het werd prompt een rock’n’roll-klassieker die de groep naar de top van de hitparade katapulteerde en volgens sommigen de basis vormde van het hard-rock genre dat vijf jaar later definitief zou doorbreken. Ik schreef destijds in De Rode Vaan een stuk over The Kinks, naar aanleiding van het concert in Vorst-Nationaal op maandag 1 december 1980, waar ik ook mijn tinnitus zou aan overhouden…

Alhoewel The Kinks reeds meer dan zestien jaar meedraaien in het popwereldje, toch zou men kunnen zeggen dat hun populariteit nooit zo groot is geweest. En wat ons daarbij in de gegeven omstandigheden vooral belangrijk lijkt, het is duidelijk dat dit te wijten is aan hun energieke live-act. Niet alleen hebben velen met hen kunnen kennismaken via diverse tournees, op televisie is tot driemaal toe (BRT, RTB, VOO) de — op de markt zijnde — videocassette gekoppeld aan de dubbele live-elpee « One for the road » te zien geweest.
Niet te verwonderen dus dat Ariola voor de tweede maal een uittreksel daarvan op single uitbrengt (het betreft een schitterende, zeven minuten durende versie van « Celluloid heroes »). Misschien is het ook omdat het eerste fragment, « Lola », concurrentie ondervindt van de heruitgave van de originele studio-opname bij de firma die The Kinks oorspronkelijk onder contract had (Pye, hier in België verdeeld door Vogue). Deze firma brengt trouwens de eerste zeven Kinks-elpees tegen een low budget-prijsje opnieuw op de markt.
Live willen The Kinks — vooral onder impuls van gitarist Dave Davies — nogal eens tegen hard-rock gaan aanleunen, zodat de cirkel helemààl rond is. In 1964 begon het immers ook met wat men toen noemde « harde beat » (en in Amerika sprak men toen al van « punk »: « You really got me », « All day and all of the night », « Till the end of the day », uitstekende nummers vinden wij nu, maar omdat wij in ’64 nog maar amper een lange broek droegen, ging dit geweld een beetje aan ons voorbij.
De ontdekking kwam voor ons met het zielsmooie, luie « Tired of waiting », gevolgd door andere lazy krakers als « See my friends » ,« Sunny afternoon » en « Dead end street ». Hoe relaxed songschrijver Ray Davies in die tijd wel was, blijkt nog meer uit het fameuze « This strange effect » van sigarettenrechtzetter Dave Berry.
Tegelijk luidde « Dead end street » een andere periode in, die definitief zou blijken te zijn : Ray Davies wierp zich op de sociale werkelijkheid en onderwierp ze aan een zeer kritische blik. Dit was eigenaardig genoeg een gevolg van het feit dat ze geen deel uit mochten maken van de zogenaamde British Invasion in de States. Na een mislukte tournee in 1965, waren The Kinks niet meer welkom en al blijft het onduidelijk waarom dat zo was, het gevolg was wel dat Ray Davies zich begon af te keren van nogal onpersoonlijke, maar wel wereldwijd aanvaarde “hard rock”, om zich volledig op de Britse markt te concentreren.
Oorspronkelijk blijft hij steken bij een strikt individuele kritiek zoals in « A well respected man », « Dandy » en het grandioze « Dedicated follower of fashion », later legt hij zich meer toe op maatschappijkritiek (zijn rock-opera’s).
Omdat het tijdperk (hippies) nu juist zeer individualistisch getint was, gingen The Kinks meteen een harde periode tegemoet. « Mr. Pleasant », « Waterloo sunset » en « Autumn almanac », stuk voor stuk schitterende werkstukken haalden zeer ten onrechte reeds niet meer het succes van hun voorgangers en « Tin soldier man » ging (deze keer min of meer terecht) compleet de mist in.
Het was zo erg dat Dave Davies toen als pionnetje naar voren werd geschoven (de keerzijde van « Tin soldier man » was trouwens « Love me till the sun shines » van zijn hand), maar na één terechte (« Death of a clown ») en één halve hit (« Susannah’s still alive ») was het ook hiermee afgelopen.
Midden in de periode van de rock-opera’s kenden The Kinks nog één heropflakkering. In 1971 brachten wij onze vakantie door bij een paar Arsenal-spelers op Muswell Hill (waaronder de Noord-Ierse internationaal Sammy Nelson) en bij deze gelegenheid brengen The Kinks in het najaar de « Muswell Hillbillies » uit, een humanitaire maar ietwat meelijwekkende visie op de « working class heroes » van de Londense suburbs.
In ’75 ontdekken wij hen dan opnieuw via een (aangevochten) versie van « Preservation » in Arena-Gent en een televisieuitzending van « Soap Opera ». Nu wordt daar nogal denigrerend over gedaan, maar toch schreef de grootste Kinks-fan onder de journalisten (in een vergelijking met « Sgt. Pepper ») dat Ray Davies een betere tekstschrijver-componist was dan Lennon-McCartney. En gelijk had-ie.
In ’78 dan kwamen The Kinks goed terug met de ook door ons besproken elpee « Misfits » voor een nieuwe platenfirma (Arista). Daar zijn ze nu nog steeds bij, ook al verhuisde deze firma in België van EMI naar Ariola. Voor het eerst sinds jaren eens geen conceptelpee, maar wel weer echte rechtvoorderaapse rock. Zoals men ze heden ten dage niet meer bakt.

Lees verder “55 jaar geleden: release van “You really got me””

Cass Elliot (1941-1974)

Cass Elliot (1941-1974)

Vandaag is het al 45 jaar geleden dat Mama Cass Elliot van de Amerikaanse popgroep The Mamas and the Papas“, is gestorven (op dezelfde dag als de Duitse auteur Erich Kästner overigens). Dat gebeurde na een optreden in het London Palladium. Er werd eerst gezegd dat ze gestikt was in haar eten, maar daar is niets van aan, ze is gestorven aan een hartaanval. Die is echter wél veroorzaakt door haar zwaarlijvigheid én door de talrijke diëten die ze (vruchteloos) volgde om die zwaarlijvigheid tegen te gaan. Opvallend: vier jaar later zou drummer Keith Moon van The Who in dezelfde kamer om het leven komen…

Cass Elliot werd als Ellen Naomi Cohen geboren in Baltimore, Maryland. De naam Cass werd ontleend aan de actrice Peggy Cass en Elliot volgde enige tijd later, ter nagedachtenis van een overleden vriend(in?). Op de George Washington High School kreeg ze interesse voor zingen en acteren via een schoolproductie van de musical The Boy Friend. Daarna toerde ze met een andere musical The Music Man, maar bij nummer drie I Can Get It for You Wholesale liep het mis: ze verloor de auditie tegen Barbra Streisand in 1962.
Een jaar later debuteerde ze op de folkscene, samen met twee jongens. Het trio liet zich “The Big Three” noemen en aangezien de beide heren redelijk slank waren, neem ik aan dat er toen reeds op haar forse lichaamsomvang werd gezinspeeld. Toen Tim Rose de groep verliet om met versies van “Hey Joe” en “Morning Dew” een superstar-carrière nipt te ontlopen (wat hem voortdurend dwars zou blijven zitten), sloten James Hendrickx en Cass Elliot zich aan bij de Canadezen Zal Yanovsky en Denny Doherty om The Mugwumps te vormen. Daarna stichtte Yanovsky samen met John Sebastian The Lovin’ Spoonful, terwijl Doherty en Cass zich bij The New Journeymen voegden, de groep met John Phillips en zijn vrouw Michelle. Heel dit verhaal is te horen in Creeque Alley, een hit van The Mamas & The Papas uit 1967. De inspiratie voor de groepsnaam kwam overigens van een praatprogramma op televisie. Tijdens een brainstormsessie over welke naam men de groep zou geven, zette iemand de televisie aan en daar was juist een talkshow bezig met als gast een Hell’s Angel. Die zei op een bepaald moment: “Some people call our women cheap, but we just call them our Mamas”. Cass sprong op en riep uit “Ja! Ik wil een ‘Mama’ zijn!” Michelle stemde daarmee in en wilde ook een ‘Mama’ zijn, waarop John en Denny repliceerden: “Dan zullen wij maar the Papas zijn, zeker?”

Lees verder “Cass Elliot (1941-1974)”

Brian Auger wordt tachtig…

Brian Auger wordt tachtig…

De Britse orgelist Brian Auger wordt vandaag tachtig jaar (foto Eric Koch via Wikipedia). Hij is vooral bekend van Brian Auger and the Trinity met als grootste hit “This wheel’s on fire” van Bob Dylan, gezongen door Brians toenmalige vriendin Julie Driscoll. Zelf ken ik hem echter vooral omdat hij daarvóór een tijdlang met Rod Stewart heeft opgetrokken…

Samen met drummer Mick Waller, basgitarist Rick Brown en sologitarist Vic Briggs maakte Auger deel uit van Steampacket. Hierbij speelde Rod Stewart toen overigens nog tamelijk veel mondharmonica want leider Long John Baldry zelf beschikte natuurlijk ook over een niet onaardig stemgeluid en bovendien nam ook Julie Driscoll een deel van de vocals voor haar rekening.
In 1965 schnabbelde hij (Auger dus) ook bij als freelancer. Zo werd hij ingehuurd om orgel te spelen bij de opname van For Your Love van The Yardbirds. Toen hij in de studio arriveerde, bleek daar geen orgel te staan. Er stond wel een klavecimbel, dus bij gebrek aan beter nam hij dat maar. Na afloop dacht hij: een popnummer met een klavecimbel, dat kan nooit wat worden. Hij zag het verkeerd. For Your Love haalde de derde plaats in de Britse UK Singles Chart en de zesde in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
Even later bracht Rod Stewart bij EMI twee singles uit: “The day will come”/Why does it go on” (allebei geschreven door Barry Mason, een man die later voornamelijk met Englebert Humperdinck en Tom Jones zou werken) in november 1965 en “Shake” (van Sam Cooke)/”I just got some” (van ene Mabon, tenzij het hier een drukfout voor alweer die Mason betreft) in april 1966, telkens geproducet door Brian Auger.
Nochtans kon Auger Stewart niet uitstaan. Zoals later Peter Bardens zou bevestigen, was Rod te lui om de handen uit de mouwen te steken wat het opstellen en/of afbreken van het materiaal betreft en was hij ook een erg “rude” tegenover Julie Driscoll (*), alweer een houding die door Bardens zal worden bevestigd.
Eind ’66 splitte Steampacket: Baldry ging naar Bluesology, Briggs naar de nieuwe Animals, Waller naar John Mayall’s Bluesbreakers, Auger en Driscoll richtten hun eigen Trinity op en Rod Stewart sloot zich aan bij Shotgun Express.
In 1969 maakte Auger’s groep een succesvolle tournee door de Verenigde Staten, maar kort daarna vertrok Julie Driscoll. Het restant van de groep ging in juli 1970 uit elkaar. Na een mislukte poging om in Wassenaar (of all places) een jazz commune op te zetten vormde Auger nog in 1970 een nieuwe groep, Oblivion Express. De naam was min of meer een grapje. Auger verwachtte dat de groep maar kort zou bestaan en daarna in de vergetelheid zou verdwijnen. Net als indertijd bij For Your Love had hij het bij het verkeerde eind. De groep hield het acht jaar uit. De groep speelde niet-commerciële jazzrock, maar toch haalde een aantal lp’s de Amerikaanse Billboard Album Charts. In 1975 verhuisde Auger daarom naar de Verenigde Staten, waar hij zich na enige omzwervingen in de buurt van San Francisco vestigde. In 1978 zette Auger dan toch maar een punt achter Oblivion Express.
Auger werd daarna enkel nog gevraagd voor eenmalige projecten. In 1978 maakte hij zo samen met Julie Driscoll het album Encore. Driscoll was inmiddels getrouwd met de jazzpianist Keith Tippett en noemde zich op dit album Julie Tippetts. Vanaf 1990 toerde hij enkele jaren met de zanger Eric Burdon. In 1995 bracht Brian Auger een nieuwe versie van Oblivion Express bij elkaar. Sinds 2000 maken zijn dochter Savannah als zangeres en zijn zoon Karma als drummer deel uit van de groep.

Lees verder “Brian Auger wordt tachtig…”

Spencer Davis wordt tachtig…

Spencer Davis wordt tachtig…

Vandaag wordt de Welshe gitarist en zanger Spencer Davis tachtig jaar. We kennen hem natuurlijk vooral van The Spencer Davis Group, maar vergis u niet: alle successen van deze groep kunnen op rekening worden geschreven van Steve Winwood, die zich toen terecht nog Stevie liet noemen, want hij was pas zestien à zeventien jaar. Ook het kenmerkende stemgeluid is dat van Steve/Stevie, men kan zich dus afvragen: wat valt er eigenlijk te vieren bij deze verjaardag, tenzij dan misschien dat Spencer Davis een neus had voor jong talent?

Wel nee, Spencer Davis is méér dan enkel maar de ontdekker van Steve Winwood en dat wordt bewezen door bovenstaande CD die ik me een tiental jaren geleden heb aangeschaft. Wellicht werd ik aangelokt door de vermelding van “I’m a man”, maar in dat opzicht kwam ik bedrogen uit: dit is wel degelijk een CD van Spencer Davis en niet van The Spencer Davis Group. Maar bedrogen? Ook dat zeker niet! Deze CD is namelijk zeer goed. Een ontdekking van wie Spencer Davis echt is. En dus een aanrader. Happy birthday, mate!

Hoe het samengaan van trad jazz en Amerikaanse folk uiteindelijk tot de Britse beat boom heeft geleid, leg ik uit in mijn bijdrage over skiffle (zie elders op deze blog), maar wordt ook goed geïllustreerd door de manier waarop The Spencer Davis Group tot stand is gekomen. Lawrence Winwood had namelijk eveneens een trad jazz combo, waarin ook zijn zonen Muff en Steve speelden, ook al was Steve toen amper de korte broek ontgroeid.
Steve Winwood: “Muff and I would go along with our dad and play on some of the dance sections with him. They used to do the fox-trot, the waltz, the quickstep and a rock’n’roll jive section with popular numbers by the Shadows and Duane Eddy. We’d play along on all of that stuff.”
Later stichtte de oudste zoon Muff zijn eigen trad bandje The Muff Woody Jazz Band, uiteraard met zijn broertje Steve. Toen ze in 1963 in The Golden Eagle in Birmingham optraden, zat er in het voorprogramma een folkgitarist, Spencer Davis, die o.a. nummers van Big Bill Broonzy en Leadbelly zong. Davis zag wel iets in een vermenging van trad jazz en folk en overhaalde de Winwood-brothers om samen een rhythm’n’blues-groepje te stichten: The Spencer Davis Group!

Lees verder “Spencer Davis wordt tachtig…”