George Eliot (1819-1880)

George Eliot (1819-1880)

Ik ben op dit moment “The Mill on the Floss” aan het lezen van George Eliot. Zoals gebruikelijk bij een Victoriaanse roman is het een ‘three-decker’, dus in drie delen. Dat kadert natuurlijk in mijn voornemen om voortaan nog bijna uitsluitend “klassiekers” te lezen, maar voor de rest is het helemaal aan het toeval te wijten.

Ze kwam namelijk ter sprake in de eerste aflevering van de BBC-reeks over “boeken die de wereld veranderden”. Geheel in het kader van de “political correctness” gingen de drie afleveringen achtereenvolgens over literatuur van en voor vrouwen, over racisme en over klassentegenstellingen. George Eliot hoort dus in de eerste reeks thuis, want ik neem aan dat de meesten wel weten dat zij één van die schrijfsters is die een mannelijk pseudoniem gebruikten omdat zij als vrouw niet au sérieux werden genomen. Eliot wilde vooral ontsnappen aan het stereotype van vrouwen die alleen oppervlakkige romans konden schrijven. In een essay in de Westminster Review van oktober 1856, ‘Silly Novels by Lady Novelists’, zette zij zich af tegen dit genre.

Eigenlijk had men het op de BBC vooral over “Middlemarch” (*), een boek dat ik ook in mijn bezit heb (in diverse uitgaven zelfs), maar tot mijn verrassing bleek “Middlemarch” op onze boekenzolder in Dendermonde te staan, terwijl hier in Gent enkel “The Mill on the Floss” stond als boek van haar hand. Dat is eigenlijk ook logisch, want hier in Gent staat normaal gezien van alle schrijvers altijd het eerste boek (chronologisch) dat we nog niet hebben gelezen. Bij George Eliot was dit dus haar derde, tevens het laatste waarbij de eigentijdse lezers nog niet door hadden dat ze eigenlijk een vrouw was.

Ik ben nog niet ver gevorderd en het is nog de vraag hoe ver ik ga geraken, want ik vind het tot nu toe weinig (zeg maar: niet) boeiend. De lange inleiding door A.S.Byatt heeft ook meer kwaad dan goed gedaan. Maar goed, het is toch een aanleiding om wat nader met de schrijfster kennis te maken. Dit is wat Wikipedia erover schrijft… (of beter gezegd: enkele fragmenten eruit, want de eigenlijke bijdrage is veel te lang).

Mary Anne Evans werd geboren op het landgoed Arbury Hall, waar haar vader rentmeester was. Ze verwerkte veel jeugdherinneringen in haar boeken, vooral in The Mill on the Floss (**). Ze ging eerst naar school in Nuneaton en daarna tussen haar dertiende en zestiende naar een kostschool in Coventry. In Nuneaton raakte ze bevriend met haar onderwijzeres Maria Lewis, een evangelische christen, met wie ze nog jaren bleef corresponderen. Naast haar schoolopleiding las ze veel. Ze had toegang tot de bibliotheek van Arbury Hall, waar ze kennismaakte met de klassieke Griekse schrijvers.

In 1836, toen Mary Anne zestien was, overleed haar moeder. Haar vader haalde haar van school om voor het huishouden te zorgen. In 1841 trouwde Mary Anns broer Isaac. Het echtpaar nam het ouderlijk huis over en Mary Ann (***) verhuisde met haar vader naar Foleshill, een voorstad van Coventry. Daar leerde ze de rijke fabrikant en filantroop Charles Bray en zijn echtgenote Cara kennen, die een kring intellectuelen om zich heen hadden verzameld. Onder hen waren Robert OwenHerbert Spencer en Harriet Martineau. Door het contact met deze vrijdenkers verloor zij haar geloof, dat toch al aan het wankelen was. Dit maakte ook een eind aan de vriendschap met Maria Lewis.

Na de dood van haar vader maakte ze met Charles en Cara Bray een reis naar Zwitserland. Aansluitend verbleef ze een tijdlang in haar eentje in Genève. In 1846 vertaalde ze Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet van David Friedrich Strauss in het Engels. Later, in 1854, vertaalde ze ook Das Wesen des Christentums van Ludwig Feuerbach.

Na haar terugkeer uit Genève trok ze in bij de uitgever John Chapman, die haar vertaling van Strauss had uitgegeven. Ze ging zich nu Marian Evans noemen. Toen Chapman in 1851 het kwartaalblad The Westminster Review kocht, werd zij zijn assistent-uitgever. In feite deed zij al het werk: auteurs aanwerven, hun bijdragen redigeren en de productie van het blad begeleiden. Ze schreef ook zelf artikelen voor het blad. Chapman onderhield een ménage à trois met zijn vrouw en een maîtresse. Toen beide vrouwen Marian gingen verdenken van een relatie met Chapman, moest zij verhuizen (****). Daarna werd ze hevig verliefd op Herbert Spencer, die haar liefde echter niet beantwoordde.

In 1851 leerde ze de schrijver en filosoof George Henry Lewes kennen, die ook bi Lewes was getrouwd en had drie zoons. Zijn vrouw, Agnes Jervis, had echter ook vier kinderen van Thornton Leigh Hunt, een collega-publicist van Lewes. Omdat Lewes de eerste twee kinderen van Agnes met Hunt had erkend, was hij volgens de toenmalige wetgeving medeschuldig aan overspel; om die reden kon hij niet scheiden.

In 1854 besloten Evans en Lewes te gaan samenleven. Als ‘huwelijksreis’ fungeerde een reis naar Weimar en Berlijn. Vanaf dat moment beschouwden ze zich als getrouwd. Ze noemde zich Marian Evans Lewes en sprak over Lewes als haar ‘echtgenoot’. In 1856 begon Marian op aanraden van Lewes fictie te schrijven.  De buitenwereld had grote moeite met een paar dat openlijk ongetrouwd samenwoonde. De eerste jaren werden Evans en Lewes gemeden. Marians familie verbrak alle contacten met haar, ook haar broer Isaac. De verwijdering tussen een broer en een zus is een belangrijk thema in The Mill on the Floss uit 1860. Pas geleidelijk bouwde het paar een nieuwe vriendenkring op, waarbij het feit dat Marian onder de naam George Eliot een succesvolle carrière als romanschrijfster opbouwde, natuurlijk wel een rol speelde.

Een aanzwellend gerucht wilde dat een zekere Joseph Liggins (1806-1872), net als Marian afkomstig uit Nuneaton, George Eliot was. Liggins deed niets om dat gerucht te ontzenuwen. Op een gegeven moment zag George Eliot zich gedwongen haar ware identiteit prijs te geven. Het had geen gevolgen voor haar populariteit. 

In 1860 vertrokken Marian en Lewes voor een reis naar RomeVenetië en Florence. In Florence kwam ze op het idee een historische roman te schrijven over Girolamo Savonarola. De volgende twee jaar besteedde ze aan onderzoek naar Savonarola en het Florence van de vijftiende eeuw. Ze onderbrak haar onderzoekswerk alleen voor het schrijven van haar derde roman Silas Marner, tussen november 1860 en maart 1861. Toen dat boek af was, bracht zij met Lewes een tweede bezoek aan Florence. Het resultaat van haar onderzoek was Romola, haar enige historische roman en ook haar enige roman die in afleveringen werd gepubliceerd in een tijdschrift (het Cornhill Magazine) voor hij in 1863 in boekvorm verscheen.

In termen van verkoopcijfers was Romola een mislukking. Het Cornhill Magazine verkocht niet beter dankzij de publicatie van de roman en het boek liep ook niet. Na alle inspanning die ze in het boek had gestoken, was de schrijfster zwaar teleurgesteld. 

Met haar vijfde roman, Felix Holt, the Radical (1866), die net als haar eerste drie romans in de Engelse Midlands speelde, won ze een deel van het lezerspubliek terug dat ze met Romola was kwijtgeraakt.

Haar volgende boek was een episch gedicht in blank versThe Spanish Gypsy (1868). In zijn tijd was het gedicht populair, maar het wordt nu nauwelijks meer gelezen. In 1874 volgde nog een gedichtenbundel The Legend of Jubal and Other Poems.

In de jaren 1871 en 1872 publiceerde John Blackwood het boek dat de meeste critici als haar beste werk beschouwen: Middlemarch. Het boek verscheen eerst in acht afleveringen met tussenpozen van twee maanden en daarna in vier delen (in plaats van de gebruikelijke drie).

In 1876 publiceerde Blackwood Eliots zevende en laatste roman Daniel Deronda op dezelfde manier, alleen werden de afleveringen nu met tussenpozen van één maand gepubliceerd. Het boek is deels het product van Eliots toenemende belangstelling voor het jodendom. De hoofdpersoon wordt op het eind van het boek gegrepen door het ideaal van een eigen staat voor het Joodse volk. Dit deel van het boek sprak maar weinigen aan.

Marian en Lewes waren inmiddels geheel geaccepteerd en hadden een uitgebreide vriendenkring opgebouwd. In 1877 werden ze ontvangen door prinses Louise, een dochter van koningin Victoria. Victoria was zelf een groot bewonderaarster van de romans van George Eliot.

Marian en Lewes kampten echter allebei met een slechte gezondheid. In 1877 verhuisden ze naar The Heights, een landhuis in het dorpje Witley in Surrey in de hoop dat hun gezondheid daardoor zou verbeteren.

Op 30 november 1878 overleed George Henry Lewes aan maagkanker. Kort na zijn dood publiceerde Blackwood George Eliots laatste boek, de essaybundel Impressions of Theophrastus Such. Daarna wijdde ze zich aan Lewes’ filosofische hoofdwerk The Problems of Life and Mind, dat onvoltooid was toen hij overleed. George Eliot maakte het deel af waar hij aan bezig was.

Op 6 mei 1880 trouwde ze met de Amerikaanse bankier John Cross, die twintig jaar jonger was dan zij. Op 16 juni 1880, tijdens hun huwelijksreis in Venetië, sprong of viel hij van het balkon van hun hotelkamer in het Canal Grande en moest hij gered worden door gondeliers. Na haar huwelijk verzoende Marians broer Isaac zich met haar. Ze gingen weer corresponderen.

Het graf van George Eliot op Highgate Cemetery

Eliot overleed nog in hetzelfde jaar in Londen aan nierfalen. Ze ligt begraven op Highgate Cemetery in Londen, naast Lewes. Isaac kwam naar haar begrafenis. Na haar dood schreef haar weduwnaar Cross haar eerste biografie, die in 1885 verscheen.

(*) “Middlemarch”staat op 1 in de lijst van de honderd beste Britse romans op de website van de BBC.

(**) Zelfs zodanig dat het boek, zeker in de eerste hoofdstukken, iets weg heeft van een jeugdboek. Dat maakt overigens ook heel goed het contrast duidelijk: in haar beschrijvingen is Eliot zeer wijdlopig en oubollig, terwijl de dialogen zo rechtstreeks in een hedendaagse verfilming zouden passen!

(***) De twee schrijfwijzen worden door elkaar gebruikt.

(****) Ze was nochtans zeker geen femme fatale of een oogverblindende schoonheid. Ik moet eerlijk bekennen dat bovenstaande illustratie (komende van de BBC-website) zeer geflatteerd is t.o.v. de andere die op het internet zijn te vinden (wellicht is ze hierop nog erg jong).

Fragment uit “Rita… op school”

Vorige week was het dertig jaar geleden dat ik in Heist op den Berg naar een opvoering van “Rita… op school“, gespeeld door Nora Tilley en Tuur De Weert ben gaan kijken. Ik was daarvóór al naar de première in het Mechels Miniatuur Theater zelf gaan kijken, maar daarvan heb ik de datum blijkbaar niet genoteerd, want ik ben hem niet tegengekomen in mijn database. Dat ik een tweede keer ging kijken, geeft natuurlijk al aan dat ik het een steengoede voorstelling vond. Bovendien zaten er nog twee toemaatjes aan vast. Bij het groeten bemerkte Nora mij in de zaal en zij groette mij vanop het podium, wat ik natuurlijk, laten we zeggen, “hartverwarmend” vond. Daarna zijn de vriendin die mij vergezelde (het lief van een vriend, dus niet “mijn” vriendin in die bepaalde betekenis) en ikzelf nog een pintje gaan drinken met Nora en Tuur, zodat het een méér dan geslaagde avond mocht worden genoemd, waarop ik met deze graag nog eens terugblik…
Lees verder “Fragment uit “Rita… op school””