Lancering “De Toverspiegel”

Lancering “De Toverspiegel”

De Rode Ridder verscheen als strip voor het eerst op 5 november 1959, zes jaar nadat hij door Leopold Vermeiren (1914-2005) was gecreëerd. De strip was een creatie van Studio Vandersteen, maar Vermeiren zou hiermee nooit samenwerken, aangezien Leopold Vermeiren een inspecteur van het basisonderwijs was, die strips als verderfelijk beschouwde. Toch zou de ridder op de kaften van de boeken na verloop van tijd de gedaante aannemen van de stripfiguur. Het grootste verschil is dat de stripreeks tot het sword & sorcery-genre behoort want met personages als de goede fee Galaxa of Bahaal, de tovenaar van het kwaad, wijkt men te zeer van de realiteit af om een “historisch” stripverhaal te worden genoemd.
FANTASY
In het fantasy-genre kan de schrijver per definitie z’n fantasie de vrije loop laten. Hij creëert immers een wereld die hij (of zij) helemaal verzonnen heeft. Die wereld kan zich op onze aarde bevinden, maar ook in een verzonnen tijdperk in de toekomst (Jack Vance) of in het verleden (om precies te zijn: zeven duizend jaar geleden bij Tolkien), en uiteraard ook op een andere planeet (David Lindsay, E.R.Eddison) of zelfs in een door de schrijver zelf geschapen godenwereld. De eerste was in dit geval Lord Dunsany (1878-1957) met “The gods of Pegana” (1905).
Het kan ook een “parallelle” wereld zijn waar men via een “magische poort” geraakt. Meestal een deur of een spiegel (“Alice in Wonderland”), maar het kan b.v. ook een orkaan zijn (“The Wizard of Oz”) of recent zelfs een gezelschapsspel (“Jumanji”). Eén van de grondleggers van dit genre was de Schotse dominee George MacDonald (1824-1905) die met “Lilith” (1858) een parallelle wereld creëerde, waarin de eerste vrouw van Adam de plak zwaait.
Heel populair is ook de reeks over de oertijden, “De aardkinderen” van de Amerikaanse Jean M.Auel (°1936). Ondanks het feit dat de gewezen secretaresse, die pas op 43-jarige leeftijd debuteerde, ondertussen is uitgegroeid tot een authoriteit op het vlak van de prehistorie (meer bepaald de Cro-Magnon mens) en zij dus pretendeert heel dicht bij de (mogelijke) realiteit te blijven, blijkt toch dat met name de invloed van Tolkien nog altijd zeer groot is. Een verschil is wel dat bij Tolkien vrouwelijke figuren zo goed als afwezig zijn, terwijl Auel juist van een matriarchale maatschappij vertrekt, door als hoofdpersoon het meisje Ayla te kiezen.
IT’S A MAN’S WORLD
John Ronald Reuel Tolkien (1892-1973) was hoogleraar in de vergelijkende taalwetenschap in Oxford, toen hij blijkbaar de behoefte voelde om in plaats van te bestuderen wat er bestaat, integendeel zelf verschillende volkeren of zelfs “mensachtige soorten” te creëren en die in een verhaal te laten optreden. Hij las zijn werk voor in een soort van leesclub in Oxford, waarvan toen ook C.S.Lewis (uit de film “Shadowlands”) deel uitmaakte. Die maakte hem attent op “Een reis naar Arcturus” (1920) van David Lindsay en “The Worm Ouroboros” (1922) van Eric Rucker Eddison (1882-1945).
Op die suggesties is Tolkien blijkbaar gretig ingegaan, maar hij was zoals reeds aangegeven blijkbaar veel minder geïnteresseerd in vergelijkbare werken zoals “She” van Rider Haggard, waarin de hoofdrol wordt vertolkt door een soort van femme fatale. Daardoor wijkt “The Lord of the Rings” af van het zogenaamde “sword & sorcery”-genre zoals we dat bijvoorbeeld kennen van films als “Red Sonja” of een TV-serie als “Xena, warrior princess”.
De vrouwen die een rol spelen in “sword & sorcery” dragen altijd een outfit die aan SM doet denken en dat zal ook wel bijdragen tot de populariteit bij het volwassen mannelijke deel van de bevolking (of in het geval van “Xena” zelfs eerder bij een segment van het vrouwelijke deel). Bij Tolkien echter zijn vrouwelijke figuren zo goed als afwezig. In de verfilming heeft men dit een beetje opgevangen door het belang ervan wat op te vijzelen, maar zelfs dan blijft het nog opvallen dat “it’s a man’s world“.
“The Lord of the Rings” is volledig afgewerkt in 1955, maar in 1937 werd hij reeds voorafgegaan door zijn debuut “The Hobbit” en in 1977 volgde postuum nog “The Silmarillion”, uitgegeven door zijn zoon Christopher. Die verzamelde verder nog alle nagelaten geschriften, probeersels, voorstudies en overschotjes en bond deze samen tot een achtdelige “History of Middle Earth”. Over dit mythische land, bevolkt door dwergen, trollen, elfen, tovenaars, mensen, enten en elfen, zijn reeds woordenboeken en grammatica’s van de verzonnen talen verschenen (meestal door Tolkien zelf geschreven trouwens). Er verscheen zelfs een atlas van Middle Earth!
KATHOLIEK
Volgens sommige biografen (Joseph Pearce, “Tolkien: man and myth”, Harper & Collins 1998 b.v.) kan je het boek niet los zien van Tolkiens katholieke geloof. Deze geloofshistorie is alleszins een merkwaardig verhaal. Tolkiens moeder werd weduwe toen hij pas vier was. Ondanks zwaar verzet van haar familie bekeerde zij zich tot het katholicisme en prentte haar zoontje dit geloof stevig in. Toen ze dan ook nog stierf toen hij amper acht was en hem en zijn broer overliet aan de zorgen van een priester werd het helemaal obsessioneel. Toen Tolkien op zijn zestiende verliefd werd op ene Edith, mocht hij het meisje niet meer zien tot zij zich drie jaar later eveneens tot het katholicisme bekeerde. En dan trouwden ze meteen ook. Tolkien beschouwde seksuele betrekkingen echter ook binnen het huwelijk als zondig, zodat het huwelijk al snel problematisch werd. Zijn extremisme leidde hem volgens sommigen ook in fascistische regionen, wat men ook al uit het werk probeert af te leiden.
Het verwijt dat fantasy-schrijvers gemakkelijk in extreem-rechts vaarwater terecht komen is niet nieuw. Robert Heinlein (1907-1988), de auteur van “Starship troopers” (veel later verfilmd door Paul Verhoeven), werd bijvoorbeeld als een verspreider van fascistische ideeën beschouwd. En dat “Conan the Barbarian” van Robert E.Howard (1906-1936) in 1982 werd verfilmd door John Milius, een Amerikaanse regisseur die bekend staat voor zijn extreem-rechtse ideeën, is ook wellicht geen toeval (*). Zij het dat in “Conan” deze ideeën zich alsnog beperken tot een verheerlijking van de mannelijke, primitieve, mythische dadenmens. En datzelfde kan men eigenlijk ook een beetje zeggen van Tolkiens boeken, al wordt er wel veel gerelativeerd door een soort van schelmenhumor.

Ronny De Schepper

(*) Hij noemt zichzelf een “Zen-fascist” en is verder nog de auteur van “Dirty Harry”, “Apocalypse now” en “Jeremiah Johnson”. And he is one of the inspirations for the character of Walter in “The big Lebowski” by the Coen Brothers (1998). He is an infamously bombastic right-winger with an obsession with all things militaristic and an enthusiasm for guns. His girth, beard, hair style, and shades are also all reflected in Walter’s physical appearance. The Coens had tried to cast Milius in the film Barton Fink (1991) in the part eventually played by Michael Lerner.

“Harry Potter and the Prisoner of Azkaban”

“Harry Potter and the Prisoner of Azkaban”

Het derde boek over Harry Potter kreeg als titel mee ‘Harry Potter en de gevangene van Azkaban’ (‘Harry Potter and the Prisoner of Azkaban’; 1999). Wie was die gevangene? De gevaarlijke Sirius Zwarts, die ooit als handlanger van Voldemort de ouders van Harry zou verraden hebben en dus verantwoordelijk zou zijn voor hun dood. Maar dat komt Harry pas veel later in het boek te weten. En laat deze Zwarts nu ontsnapt zijn uit de gevangenis. Terwijl Harry helaas zijn zomerverlof doorbrengt bij zijn Dreuzelfamilie; die hij na een incident ontvlucht. Gelukkig brengt de wonderbaarlijke driedubbele collectebus hem naar Londen en kan hij logeren in de Lekke Ketel waar hij zijn vrienden zal terugzien. Om met hen naar Zweinstein terug te keren.
De school wordt bewaakt door de vreselijke cipiers van Azkaban, de Dementors, afzichtelijke wezens – immers, Zwarts zou het op Harry gemunt hebben. En och ja, Hermelien heeft zich een kat aangeschaft, Knikkebeen, die voortdurend het ratje van Ron Wemel achtervolgt. Een nieuwigheid voor de derdejaars: ze mogen af en toe een bezoek brengen aan het magische dorpje Zweinsveld. Alleen, daartoe was de toelating van ouders of voogd nodig, en Harry bezit deze niet. Evenwel: wanneer hij een mysterieus perkament in handen krijgt dat geheime vluchtwegen vermeldt, tja niets houdt hem tegen dat weten we inmiddels. En dan is er de vreemde nieuwe prof Lupos, voor ‘Verweer tegen Zwarten Kunsten’. Terwijl de duvel-doet-al Hagrid ook les mag geven: over zijn specialiteit, rare wezens zoals de Hippogrief. Die het middelpunt van een rechtszaak wordt nadat dat ettertje Malfidus het dier uitdaagde, door hem gekwetst werd en het nu moet afgemaakt worden.
De avonturen volgen elkaar op. Zwarts verschijnt binnen de muren van de school, het team van Griffoendor wint de trofee bij Zwerkbal nadat Harry een ultramoderne bezem cadeau kreeg van een onbekende en hij leerde de invloed van de Dementors te weerstaan. Maar wat betekent de Grim, de hond die hij af en toe ziet opduiken, de dood? En de voorspellingen in de les waarzeggerij die ze allen belachelijk vinden? Een toffe vondst trouwens, binnen al het bizarre dat in de Potter-boeken gebeurt veegt Rowling de vloer aan met iets dat nauwer betrokken is in het werkelijk leven, zogenaamde voorspellingen, waarzeggerij, de glazen bol, kaarten leggen, theeblaadjes lezen, horoscopen… De laatste dag van de examens… en nu wordt het drietal Harry, Ron en Hermelien in de val gelokt, naar het spookhuisje in het dorpje Zweinstein. De ontknoping! Is Sirius Zwarts wel echt de verrader van de ouders van Harry. En professor Lupos, zoals zijn naam zegt: hij arriveert en bekent, een weerwolf! Ongevaarlijk dankzij een toverdrank. Maar dat ratje van Ron, helaas… nu blijkt de ware toedracht. Ooit waren het allen vrienden, ook ene Pippeling; en ze waren Faunaten, konden zich in dieren omtoveren. Daar hoorde ook Harry’s vader bij. En Zwarts: de beste vriend van Harry’s ouders en peetvader van Harry. Terwijl Pippeling onder invloed raakte van Voldemort; en de misdaden waarvan Zwarts inmiddels beschuldigd wordt zijn gepleegd door ‘ratje’ Pippeling. Helaas, wie zal dit geloven? Het hoofd van de school, Perkamentus ja, maar verder… Zodat het slot een ontsnapping behoeft dankzij een magische zandloper die de tijd beïnvloedt. Ontmoet Harry zijn vader wanneer hij zich gered weet van de Dementors door de verschijning van een hert; of was dit de confrontatie met zichzelf. Hier geeft de auteur enige filosofische beschouwing mee. En zij weet te ontroeren. Spanning, mysterie en humor… dit derde Potterboek is een hoogvlieger!  

Johan de Belie

“Harry Potter and the Chamber of Secrets”

“Harry Potter and the Chamber of Secrets”

“Harry Potter en de geheime kamer” (Harry Potter and the Chamber of Secrets; 1998) is het tweede deel van de serie en spannender dan het eerste boek. Het start wanneer Harry de zomervakantie doorbrengt bij zijn Dreuzelfamilie Duffeling, oom Herman, tante Petunia en neefje Dirk die hem het leven zuur maken. Hij wordt zelfs opgesloten en maakt dan kennis met de huiself Dobby die hem waarschuwt niet naar Zweinstein terug te keren, er dreigt hem daar groot gevaar – maar deze elf speelt een dubieuze rol zullen we later merken. Gelukkig wordt Harry uit zijn benarde positie gered door zijn vriend Ron Wemel en diens tweelingbroers; hij brengt de laatste vakantieweken door bij de familie Wemel, met o.m. het zusje Ginny dat met hem dweept. Avonturen uiteraard wanneer ze boodschappen doen, en bij het vertrek naar Zweinstein: de jongens missen de trein en moeten met een vliegende auto illegaal de school bereiken. Waar hen iedereen opwacht, de professoren Sneep, Anderling en het hoofd van de school Perkamentus. Maar uiteraard ook de reus Hagrid. En de vijand van Harry, Draco Malfidus met zijn accolieten Kwast en Korzel. En natuurlijk is Hermelien Griffel op post om de vriendengroep te vervolledigen. Er is ook een nieuwkomer die ze reeds ontmoetten in de boekhandel tijdens het boodschappen doen, professor Gladianus Smalhart.
Het avontuur kan beginnen! Met een zwerkbaltornooi dat ondanks een kwalijke ingreep toch gewonnen wordt (dankzij Harry uiteraard) door het team van Griffoendor (de ingreep gebeurde alweer door huiself Dobby). Onze vrienden worden uitgenodigd op het sterfdagfeest van een spook, een hilarisch/griezelig gebeuren! Dan gebeurt het: de vrienden vinden de dode/versteende kat van de conciërge Argus Vilder terwijl Harry een vreemd fluisteren hoort en een bloederige tekst op de muur ziet. De start van een reeks verontrustende gebeurtenissen… Er dient teruggegrepen naar de geschiedenis van Zweinstein. Zo’n duizend jaren geleden werd de school gesticht door vier tovenaars onder wie Zwadderich (nog steeds de naam van een afdeling!); deze kreeg ruzie, hij vertrok maar had een geheime kamer gebouwd, daar een monster in geplaatst en gezworen dat alleen een wettige erfgenaam de kamer ooit zou kunnen openen. Inmiddels vinden ze een blanco dagboek van ene Vilijn. Dan wordt ook een jongen versteend aangetroffen, het is nu duidelijk: de geheime kamer is open. Wie was Vilijn? Een student die 50 jaar geleden – toen zou de kamer ook open geweest zijn – de dader ontmaskerd zou hebben! Helaas, zijn dagboek is blanco. Maar nu? Is Draco Malfidus misschien de erfgenaam van die duistere Zwadderich? Harry en Ron Wemel gebruiken een wisseldrank en kruipen in de huid van Kwast en Korzel om Draco uit te horen: nee dus… Er werd een duelleerclub opgericht waarbij blijkt dat Harry kan communiceren met slangen, wat we reeds in het eerste boek konden vermoeden. Maar nu vallen er nog twee slachtoffers onder wie Ginny Wemel. Hagrid, met zijn voorliefde voor woeste dieren (de hond, de draken uit boek 1) wordt verdacht en opgesloten. En zelfs de directeur Perkamentus wordt uit zijn ambt ontzet.
Er dient drastisch ingegrepen! Er volgt nog een scène waarin de vrienden, op aanraden van Hagrid, reuzespinnen opzoeken in het verboden bos – uitermate griezelig en angstaanjagend. Na deductie ontdekken ze dat het beest een basilisk moet zijn, een reuzeslang die zich via de buizen van de waterleiding verplaatst; het spookje Jenny, ooit door die slang gedood, speelt hierin een rol. Het zal Harry zijn die de geheime kamer moet vinden en de basilisk doden. Maar wie was Vilijn werkelijk? En wat met zijn dagboek? En welke cruciale rol speelde Ginny Wemel in dit alles… Dat wordt onthuld op de laatste bladzijden.
Een boek vol spanning, zeker. Maar ook vol humor. Vooral met de hilarische figuur van professor Gladianus Smalhart, een man die zwelt van trots en eigendunk, een blaaskaak die niets voorstelt. En dan ook steevast door de mand valt. Waaruit blijkt dat dwepen – met slechte maar in wezen ook met goede dingen/personen – niet bijzonder gelukkig is. En Rowling geeft ergens nog een moraal mee: “Uit onze keuzes blijkt wie we werkelijk zijn, veel meer dan uit onze talenten.”

Johan de Belie

Arnulf Zitelman: “Als de vrouwen het voor het zeggen hebben…”

Arnulf Zitelman: “Als de vrouwen het voor het zeggen hebben…”

De Duitse schrijver Arnulf Zitelmann wordt vandaag negentig jaar. Pas nu leer ik via Google dat hij eigenlijk een Evangelische theoloog is en dat verklaart veel, wat mijn bespreking van onderstaand boek aangaat in De Rode Vaan van het midden van de jaren tachtig.
Lees verder “Arnulf Zitelman: “Als de vrouwen het voor het zeggen hebben…””

Clive Staples Lewis (1898-1963)

Clive Staples Lewis (1898-1963)

Een mens leert altijd bij: zo verneem ik pas nu dat niet enkel Aldous Huxley, maar ook zijn collega Clive Staples Lewis, beter gekend als C.S.Lewis, de auteur van o.a. “The chronicles of Narnia”, op dezelfde dag is gestorven als John Kennedy. Ook voor hem geldt dus wat ik bij Huxley heb geschreven: zijn dood zal wel zo goed als onopgemerkt voorbijgegaan zijn. De christelijke schrijver Peter Kreeft heeft het boek Between heaven and hell geschreven, over de hypothetische ontmoeting tussen deze drie beroemdheden na hun dood in een soort hiernamaals.
Lees verder “Clive Staples Lewis (1898-1963)”