Domenico Modugno (1928-1994)

Domenico Modugno (1928-1994)

Het zal morgen al 25 jaar geleden zijn dat de Italiaanse zanger en acteur Domenico Modugno op 66-jarige leeftijd aan een hartaanval is overleden in Lampedusa (tiens, waar heb ik die naam nog gehoord?). Zijn “Volare”, dat eigenlijk “Nel blu dipinto di blu” heette n.a.v. een schilderij van Marc Chagall, werd op de allereerste Grammy Awards bekroond zowel als beste plaat van het jaar als als beste song.
Lees verder “Domenico Modugno (1928-1994)”

55 jaar geleden: release van “You really got me”

55 jaar geleden: release van “You really got me”

Morgen za het 55 jaar geleden zijn dat “You really got me”, de derde single van The Kinks, werd uitgebracht. Het werd prompt een rock’n’roll-klassieker die de groep naar de top van de hitparade katapulteerde en volgens sommigen de basis vormde van het hard-rock genre dat vijf jaar later definitief zou doorbreken. Ik schreef destijds in De Rode Vaan een stuk over The Kinks, naar aanleiding van het concert in Vorst-Nationaal op maandag 1 december 1980, waar ik ook mijn tinnitus zou aan overhouden…

Alhoewel The Kinks reeds meer dan zestien jaar meedraaien in het popwereldje, toch zou men kunnen zeggen dat hun populariteit nooit zo groot is geweest. En wat ons daarbij in de gegeven omstandigheden vooral belangrijk lijkt, het is duidelijk dat dit te wijten is aan hun energieke live-act. Niet alleen hebben velen met hen kunnen kennismaken via diverse tournees, op televisie is tot driemaal toe (BRT, RTB, VOO) de — op de markt zijnde — videocassette gekoppeld aan de dubbele live-elpee « One for the road » te zien geweest.
Niet te verwonderen dus dat Ariola voor de tweede maal een uittreksel daarvan op single uitbrengt (het betreft een schitterende, zeven minuten durende versie van « Celluloid heroes »). Misschien is het ook omdat het eerste fragment, « Lola », concurrentie ondervindt van de heruitgave van de originele studio-opname bij de firma die The Kinks oorspronkelijk onder contract had (Pye, hier in België verdeeld door Vogue). Deze firma brengt trouwens de eerste zeven Kinks-elpees tegen een low budget-prijsje opnieuw op de markt.
Live willen The Kinks — vooral onder impuls van gitarist Dave Davies — nogal eens tegen hard-rock gaan aanleunen, zodat de cirkel helemààl rond is. In 1964 begon het immers ook met wat men toen noemde « harde beat » (en in Amerika sprak men toen al van « punk »: « You really got me », « All day and all of the night », « Till the end of the day », uitstekende nummers vinden wij nu, maar omdat wij in ’64 nog maar amper een lange broek droegen, ging dit geweld een beetje aan ons voorbij.
De ontdekking kwam voor ons met het zielsmooie, luie « Tired of waiting », gevolgd door andere lazy krakers als « See my friends » ,« Sunny afternoon » en « Dead end street ». Hoe relaxed songschrijver Ray Davies in die tijd wel was, blijkt nog meer uit het fameuze « This strange effect » van sigarettenrechtzetter Dave Berry.
Tegelijk luidde « Dead end street » een andere periode in, die definitief zou blijken te zijn : Ray Davies wierp zich op de sociale werkelijkheid en onderwierp ze aan een zeer kritische blik. Dit was eigenaardig genoeg een gevolg van het feit dat ze geen deel uit mochten maken van de zogenaamde British Invasion in de States. Na een mislukte tournee in 1965, waren The Kinks niet meer welkom en al blijft het onduidelijk waarom dat zo was, het gevolg was wel dat Ray Davies zich begon af te keren van nogal onpersoonlijke, maar wel wereldwijd aanvaarde “hard rock”, om zich volledig op de Britse markt te concentreren.
Oorspronkelijk blijft hij steken bij een strikt individuele kritiek zoals in « A well respected man », « Dandy » en het grandioze « Dedicated follower of fashion », later legt hij zich meer toe op maatschappijkritiek (zijn rock-opera’s).
Omdat het tijdperk (hippies) nu juist zeer individualistisch getint was, gingen The Kinks meteen een harde periode tegemoet. « Mr. Pleasant », « Waterloo sunset » en « Autumn almanac », stuk voor stuk schitterende werkstukken haalden zeer ten onrechte reeds niet meer het succes van hun voorgangers en « Tin soldier man » ging (deze keer min of meer terecht) compleet de mist in.
Het was zo erg dat Dave Davies toen als pionnetje naar voren werd geschoven (de keerzijde van « Tin soldier man » was trouwens « Love me till the sun shines » van zijn hand), maar na één terechte (« Death of a clown ») en één halve hit (« Susannah’s still alive ») was het ook hiermee afgelopen.
Midden in de periode van de rock-opera’s kenden The Kinks nog één heropflakkering. In 1971 brachten wij onze vakantie door bij een paar Arsenal-spelers op Muswell Hill (waaronder de Noord-Ierse internationaal Sammy Nelson) en bij deze gelegenheid brengen The Kinks in het najaar de « Muswell Hillbillies » uit, een humanitaire maar ietwat meelijwekkende visie op de « working class heroes » van de Londense suburbs.
In ’75 ontdekken wij hen dan opnieuw via een (aangevochten) versie van « Preservation » in Arena-Gent en een televisieuitzending van « Soap Opera ». Nu wordt daar nogal denigrerend over gedaan, maar toch schreef de grootste Kinks-fan onder de journalisten (in een vergelijking met « Sgt. Pepper ») dat Ray Davies een betere tekstschrijver-componist was dan Lennon-McCartney. En gelijk had-ie.
In ’78 dan kwamen The Kinks goed terug met de ook door ons besproken elpee « Misfits » voor een nieuwe platenfirma (Arista). Daar zijn ze nu nog steeds bij, ook al verhuisde deze firma in België van EMI naar Ariola. Voor het eerst sinds jaren eens geen conceptelpee, maar wel weer echte rechtvoorderaapse rock. Zoals men ze heden ten dage niet meer bakt.

Lees verder “55 jaar geleden: release van “You really got me””

Zestig jaar geleden: “Living doll” op nummer één

Zestig jaar geleden: “Living doll” op nummer één

Het is vandaag zestig jaar geleden dat “Living doll” van Cliff Richard op nummer één stond in Engeland. Volgens On This Day (en ook volgens Wikipedia) was dat zijn eerste nummer één-hit, wat dus zou betekenen dat zijn debuutsingel “Move it” nooit zo hoog is geraakt.

Richard nam het lied van Lionel Bart samen op met zijn toenmalige begeleidingsband The Drifters (pas later omgedoopt tot The Shadows) in de Abbey Road Studios op 28 april 1959 met Hank Marvin (sologitaar), Bruce Welch (ritmegitaar), Jet Harris (basgitaar) en Tony Meehan (drums). “Living doll” werd en wordt in sommige kringen als “vrouw-vijandig” bestempeld. Daar staat echter tegenover dat ook een meisjesgroep, The Honeys, die uitdrukking gebruikt en dan wel degelijk voor een jongen: “He’s not very tall but he’s not too small, he’s just the right size: awoo, he’s a doll, he’s a doll, he’s a living doll”. Merk trouwens ook de dubbelzinnigheid op als men het over “size” heeft… Ook Cliff Richard en The Drifters hadden eerder een plaatje uitgebracht onder de titel Livin’ lovin’ doll.

Living Doll is niet afkomstig van een album, maar Lionel Bart (later de componist van “Oliver”) schreef het voor de film Serious Charge van Terence Young, waarin Richard een rol had. Richard zou in eerste instantie het lied niet zingen. Het werd geschreven met Duffy Power als beoogd zanger, maar uiteindelijk werd het dus gezongen door Cliff, net als “Mad about you” en “No turning back”. Ene Robert Connor vat de film op de Internet Movie Database goed samen: “An unmarried vicar in a new parish (Anthony Quayle) accuses a local 19 year old (Andrew Ray) of being partially responsible for the death of a teenage girl. In defiance, the young man claims the vicar molested him. Out of spite, his story is backed up by a local woman (Sarah Churchill) still furious that the vicar rejected her advances. Unfortunately for the vicar, the woman is a highly respected member of the community – her father is the previous clergyman.”
“Given that this film was released in 1959,” gaat Connor verder, “its subject matter is pretty ground-breaking, especially for a British film. Yes, the depiction of disaffected youth hanging around coffee bars, breaking into swimming pools and grooving to Cliff Richard’s Livin’ Doll is a little clumsy (Richard is asked to do little in a secondary role other than sulk or croon), but in an era when folks weren’t supposed to know about homosexuality (at least in the movies), this is quite a daring story, and occasionally quite subversive. We the audience are ever so slightly encouraged to wonder about Quayle’s sexuality as he spurns the advances of a good churchy woman, seems oblivious to his sexy young French maid (Liliane Brousse) and looks up to his strident mother (a wonderfully knowing performance by Irene Browne). Judith Furse’s probation officer is also deliciously ambiguous… So quite a grown up film then – a shame that these days it’s probably only known for being Cliff’s debut film.”
Nog datzelfde jaar mag Cliff in “Expresso Bongo” van Val Guest wél een hoofdrol vertolken en alweer is het een taboe-doorbrekende film (omdat er een striptease in voorkomt, Cliff speelt namelijk een rol die merkwaardig goed overeenkomt met wat The Beatles op datzelfde moment echt aan het beleven zijn in Hamburg). Deze keer is het ene H.Siegel uit British Columbia die de honeurs waarneemt op de IMDb: “Ignore anything or anybody that denigrates Expresso Bongo. It is loaded with period detail and attitude, is singularly risqué for its time and sports great music and one of the best scripts about England’s Tin Pan Alley, wisecracking and inside, besides an unprecedented performance by Laurence Harvey as you’ve never seen him, a hustler who recalls Sidney Falco in The Sweet Smell of Success. Maier Tzelnicker is tremendous as the record company executive who calls it ‘rock dreck’. Yolanda Donlan, Val Guest’s wife, plays a ‘Sweet Bird of Youth’ like aging diva Alexandra Del Lago who seduces Cliff Richard. See the opening strip number when the girls perform a burlesque version of the Bonnie, Bonnie Banks of Loch Lomond. It sets the tone for an overlooked gem.”
Striptease is er ook de oorzaak van dat een jaar later “Beat girl” van de Fransman Edmond T.Greville wordt gecensureerd. In deze film is Jennifer (Gillian Hills) een schijnbaar onschuldig meisje tot ze er achterkomt dat haar moeder (Noelle Adam) nog als stripteaseuse heeft opgetreden voor de nightclub van Kelly (Christopher Lee). Maar “gelukkig” is er Paul (David Farrar) om haar van verder “kwaad” te behoeden.

In de Verenigde Staten haalde “Living Doll” de 30ste plaats in de Billboard Hot 100; het was daar zijn eerste notering. Cliff heeft nooit erg aangeslagen in de VS, dus het zou kunnen dat dit één van zijn hoogste noteringen ooit is. Van Nederland en België zijn geen noteringen bekend; ze hadden nog geen echte hitparades, maar volgens ultratop.be zou het in Vlaanderen de zestiende plaats hebben behaald. Misschien baseert men zich hier op de hitparade van blaadjes als Jukebox, waar ik destijds althans de hitparade volgde. Het werd de best verkochte single van het jaar in Engeland en uiteindelijk zouden er meer dan twee miljoen exemplaren verkocht worden.

In 1986 kwam een nieuwe versie uit. De acteurs van de toenmalige comedy-serie The Young Ones vroegen Richard of hij samen met hen het lied opnieuw wilde inzingen. Enige kanttekeningen bij die versie:

  • Het televisieprogramma is genoemd naar een ander plaatje van Cliff Richard The Young Ones uit 1961, Richard speelde ook in de film met die naam;
  • In de serie The Young Ones speelt Rick de rol van “retro” en grote fan van Cliff Richard (“He’s coming through the door!” “Bollocks! He didn’t even open it!”);
  • Vanwege de rol van Rick werd Cliff Richard in de serie geregeld beschimpt;
  • Het televisieprogramma stond recht tegenover het Richard-tijdperk; het programma was anarchistisch, Richard kwam juist uit de tijd dat alles netjes moest zijn.

De gitaarpartij van deze versie, die opgenomen werd voor Comic Relief, een liefdadigheidsprogramma voor zieke kinderen, werd opnieuw verzorgd door Hank Marvin. Richard en Marvin hadden toen niet meer samen gespeeld sinds 1975.

Ook deze komische versie haalde de hitparades. In Engeland stond het nummer elf weken in de UK Singles Chart, waarvan drie weken op nummer 1. In Nederland was het elf weken genoteerd in de Nationale Hitparade, waarvan vier weken op nummer 1 (in de Nederlandse Top 40 10 weken met 4 weken nummer 1). In Vlaanderen stond het 12 weken genoteerd met ook vier weken op de hoogste positie. Ook in Australië en Nieuw-Zeeland haalde het de eerste plaats. (Wikipedia)

Cass Elliot (1941-1974)

Cass Elliot (1941-1974)

Vandaag is het al 45 jaar geleden dat Mama Cass Elliot van de Amerikaanse popgroep The Mamas and the Papas“, is gestorven (op dezelfde dag als de Duitse auteur Erich Kästner overigens). Dat gebeurde na een optreden in het London Palladium. Er werd eerst gezegd dat ze gestikt was in haar eten, maar daar is niets van aan, ze is gestorven aan een hartaanval. Die is echter wél veroorzaakt door haar zwaarlijvigheid én door de talrijke diëten die ze (vruchteloos) volgde om die zwaarlijvigheid tegen te gaan. Opvallend: vier jaar later zou drummer Keith Moon van The Who in dezelfde kamer om het leven komen…

Cass Elliot werd als Ellen Naomi Cohen geboren in Baltimore, Maryland. De naam Cass werd ontleend aan de actrice Peggy Cass en Elliot volgde enige tijd later, ter nagedachtenis van een overleden vriend(in?). Op de George Washington High School kreeg ze interesse voor zingen en acteren via een schoolproductie van de musical The Boy Friend. Daarna toerde ze met een andere musical The Music Man, maar bij nummer drie I Can Get It for You Wholesale liep het mis: ze verloor de auditie tegen Barbra Streisand in 1962.
Een jaar later debuteerde ze op de folkscene, samen met twee jongens. Het trio liet zich “The Big Three” noemen en aangezien de beide heren redelijk slank waren, neem ik aan dat er toen reeds op haar forse lichaamsomvang werd gezinspeeld. Toen Tim Rose de groep verliet om met versies van “Hey Joe” en “Morning Dew” een superstar-carrière nipt te ontlopen (wat hem voortdurend dwars zou blijven zitten), sloten James Hendrickx en Cass Elliot zich aan bij de Canadezen Zal Yanovsky en Denny Doherty om The Mugwumps te vormen. Daarna stichtte Yanovsky samen met John Sebastian The Lovin’ Spoonful, terwijl Doherty en Cass zich bij The New Journeymen voegden, de groep met John Phillips en zijn vrouw Michelle. Heel dit verhaal is te horen in Creeque Alley, een hit van The Mamas & The Papas uit 1967. De inspiratie voor de groepsnaam kwam overigens van een praatprogramma op televisie. Tijdens een brainstormsessie over welke naam men de groep zou geven, zette iemand de televisie aan en daar was juist een talkshow bezig met als gast een Hell’s Angel. Die zei op een bepaald moment: “Some people call our women cheap, but we just call them our Mamas”. Cass sprong op en riep uit “Ja! Ik wil een ‘Mama’ zijn!” Michelle stemde daarmee in en wilde ook een ‘Mama’ zijn, waarop John en Denny repliceerden: “Dan zullen wij maar the Papas zijn, zeker?”

Lees verder “Cass Elliot (1941-1974)”

Gordon Waller (1945-2009)

Gordon Waller (1945-2009)

Het is zal morgen al tien jaar geleden zijn dat in de Amerikaanse staat Connecticut op 64-jarige leeftijd popzanger Gordon Waller (links op de foto) van het Britse duo Peter and Gordon is overleden aan een hartaanval.

Peter and Gordon scoorden in de jaren zestig vooral hits met liedjes die voor hen waren geschreven door Paul McCartney, omdat die op dat moment de vrijer was van Peters zus, de actrice Jane Asher. Hun debuutsingle “A World Without Love” was in 1964 meteen al een nummer-1 hit. Later zou Paul onder het pseudoniem Webb ook nog “Woman” voor hen schrijven, dat weliswaar geen nummer één werd maar toch een heel grote hit. Paul had dit gedaan omdat hij wou bewijzen dat hij ook hits zou kunnen schrijven zonder dat het op voorhand geweten was dat ze door hem waren geschreven. Verder hadden Peter and Gordon nog succes met onder meer “True Love Ways” van Buddy Holly en “Baby I’m yours” van Van McCoy. Van het kabareteske “Lady Godiva” hield ik niet zozeer, maar het grote publiek wel. Toch gingen in 1968 Peter and Gordon uit elkaar.

Op het Sint-Jozef-Klein-Seminarie (zoals op bijna elke school bij mijn weten) was er jaarlijks een soort van show, waarin zowel leraars als leerlingen hun beste beentje voorzetten. Voor één van deze shows zou ik samen met Jan Kusé een vocaal duo vormen. We zouden dan nummers zingen van Peter & Gordon, Paul & Barry Ryan, The Walker Brothers enzovoort. Muziek die ik nu nog steeds graag hoor en waarmee ik me dus best kon verzoenen, wat mijn stem aangaat, zeker in combinatie met de hogere stem van Jan Kusé.
Want dat is “the story of my life”: being in the wrong place at the right time of omgekeerd. Wat nu specifiek het zingen betreft, bedoel ik daar het volgende mee. Alhoewel ik in die tijd een fan was van Donovan en nog nooit van Rod Stewart had gehoord, wilde ik toen toch reeds zo’n rauwe stem hebben. A white nigger, zeg maar. En ik was verdomme gezegend met een stem à la Engelbert Fucking Humperdinck! (*)
En omgekeerd, toen ik veel later in klassieke muziek geïnteresseerd raakte en b.v. vaak zangers of zangeressen ging interviewen, viel het wel eens voor dat deze – louter op basis van mijn spreekstem – vroegen of ik soms ook een zanger was. Dàn zou die Humperdinck-stem me dus wel van pas gekomen hebben natuurlijk. Maar toen was ik al veel te oud om nog zanglessen te gaan nemen, dus dat werd ook alweer niks.
Over klassieke muziek gesproken, dat is de gelegenheid om een tweede naam te laten vallen, die van Jan Van Laere. Deze was dus een liefhebber van klassieke muziek, meer zelfs: van klassieke muziek van de oubollige soort! Met name Franz Lehar was zijn groot idool. Vandaag, nu ik reeds lang de vijftig ben gepasseerd, ben ik ook een grote fan van Lehar, ik beschouw hem met name als de tweede beste componist van de twintigste eeuw (nà Puccini, maar vóór Paul McCartney om maar iets te zeggen), maar in volle sixties, toen heel de klas met The Beatles of The Stones dweepte, was dit absolutely not done.
Nu goed, zelfs Jan Van Laere had geen stoppen in zijn oren toen “A whiter shade of pale” van Procol Harum de hitparades bestormde en toen hij op een zogenaamde retraite (elk jaar moesten de leerlingen van het college zich enkele dagen terugtrekken in een klooster) de muziek moest verzorgen voor een misviering, vroeg hij aan mij om de fameuze orgelintro voor hem voor te zingen. Op die manier leerde hij die dan spelen voor in de mis. Het is nog altijd één van de verwezenlijkingen in mijn leven waarop ik het meest trots ben!
In de Poësis vond Edwin Thoen dat we op de collegeshow met een beatgroepje moesten optreden. En daarom stichtte hij Sam Gutter’s Blues Band met hemzelf op gitaar, ik als zanger, Frank De Pauw op basgitaar en Philippe Lints sologitaar. Een drummer hadden we niet, maar daar zou Philippe wel voor zorgen: dat bleek de toen nog piepjonge Tony Ghyselinck te zijn, later een bekend jazzdrummer, maar ook b.v. de drummer van de Pebbles-reüniegroep, die op het Feest van De Rode Vaan zou spelen.
Tot een optreden is het echter nooit gekomen en ikzelf was daar allerminst rouwig om. Want ondanks het feit dat de naam van de groep een programma op zich was (om blues te spelen namelijk), was het enige nummer dat we gerepeteerd hebben “She’d rather be with me” van The Turtles. En eenieder die dit nummer kent, weet dat dit geen kattepis is om te zingen. Op de repetities lukte het mij nog net, maar voor een zaaloptreden zou ik het wel bestorven hebben van de zenuwen!
Op die repetities heb ik overigens Tony Ghyselinck nooit ontmoet. We repeteerden immers enerzijds in het college zelf (en daar was ik uiteraard bij, maar Tony niet, aangezien hij naar een andere school ging) en anderzijds bij Philippe Lints thuis, waar Tony wél was, maar ik dan weer niet om een of andere reden.
En tenslotte was er Patrick V.P. Hij was ook een speciale, maar dan weer van een heel andere soort. Laten we zeggen dat hij nogal gefixeerd was op één ding. Dat maakte b.v. dat hij in navolging van onze Sam Gutter’s Band zelf ook een groep wou oprichten (ik geloof zelfs dat hij het inderdààd heeft gedaan) en die zou dan The Purple Penis Band gaan heten. Verder heb ik daar niks mee te maken, maar ik moet toegeven dat dit voor mij de inspiratie was om (jaren later) een voorstel te doen aan Raymond van het Groenewoud, nadat die “Try a little tenderness” van Otis Redding tamelijk letterlijk had vertaald. Eenieder die Raymond op de slotdag van de Gentse Feesten reeds heeft meegemaakt, weet immers dat hij ook een fantastische versie van “Purple Rain” in de vingers heeft.
Nu, in tegenstelling tot “Try a little tenderness” is de tekst van “Purple Rain” een aaneenschakeling van onzin (Raymond had b.v. de gewoonte om na het refrein “Purple Rain, Purple Rain” in de mikro te zeggen: “wat zou dat toch zijn?”) en daarom stelde ik hem voor “Purple Rain” niet létterlijk te vertalen, maar naar de klank. En – rekening houdend met het feit dat Raymond enkele liedjes over porno heeft geschreven – daarom suggereerde ik hem als titel “Purper Ding”. Purple Rain als ode aan de penis. Moest kunnen, vond ik. Maar Raymond heeft (in tegenstelling tot andere mails) hierop nooit geantwoord.

Lees verder “Gordon Waller (1945-2009)”