Veertig jaar geleden: “Niet alleen Neerlands, maar ook Vlaanderens hoop!”

Veertig jaar geleden: “Niet alleen Neerlands, maar ook Vlaanderens hoop!”

Het is vandaag veertig jaar geleden dat ik in de Antwerpse Arenbergschouwburg naar het programma “Offsmboet Ippq Dpef” van Neerlands Hoop ging kijken, omdat ze een week later dit programma in Sint-Niklaas zouden brengen. Ik schreef er voor “De Voorpost” dan ook volgend artikel over…
Lees verder “Veertig jaar geleden: “Niet alleen Neerlands, maar ook Vlaanderens hoop!””

Wendy Richard (1943-2009)

Wendy Richard (1943-2009)

Het is vandaag al tien jaar geleden dat Wendy Richard (met haar echte naam: Wendy Emerton) is gestorven aan borstkanker.

We kennen haar allemaal als Miss Brahms uit “Are you being served?” (1970-1993, als ik de spin-off “Grace & Favour” meetel), maar daarvóór was zij al te zien geweest in een paar “Carry on”-films en in de reeks “Stranger on the shore” (1961), waarvan het thema, gespeeld door Acker Bilk, een nummer één werd. Zijzelf scoorde een jaar later zowaar zelf een nummer één hit met de novelty-plaat “Come outside” van Mike Sarne, waarin ze haar cockney-accent ten volle kon uitspelen. Ondertussen speelde ze nog altijd een paar kleinere rollen in Britse films, zelfs in “Help” van The Beatles, maar haar rol daarin was zo klein dat hij uiteindelijk werd weggeknipt.
Toen op 19 februari 1985 de nog altijd lopende soap “EastEnders” van start ging, was zij er meteen bij als Pauline Fowler. 22 jaar zou ze dit volhouden, tot ze zich uit de serie liet schrijven omdat ze niet akkoord ging met een storyline die de scenaristen voor haar personage hadden bedacht (met name een huwelijk).

Lees verder “Wendy Richard (1943-2009)”

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Dertig jaar geleden: “Markiespijn”

Op de dag dat Khomeini de fatwa over Salman Rushdie uitsprak, zat ik in een toneelvoorstelling over markies de Sade. Daarover schreef ik later in De Rode Vaan een recensie onder de titel “Markiespijn”. Ja, woordspelingen, je houdt ervan of niet…

Alhoewel her en der misschien wel wordt ingespeeld op de mediabelangstelling die er rond de Franse Revolutie nu bestaat, kan men zeker niet beweren dat de herontdekking van de Franse schrijver Markies de Sade, die twaalf dagen voor de revolutie nog in de Bastille zat, daar rechtstreeks mee heeft te maken. Die herontdekking, die meteen ook een eerste waardering (dus geen her-waardering) inhoudt, is namelijk reeds een aantal jaren aan de gang. Wijzelf brachten al twee uitgebreide bijdragen, eerst naar aanleiding van de opvoering van Peter Weiss’ « Marat/Sade » zowel in PACT als in het NTG (zie r.v.nr.16 van vorig jaar) en dit jaar nog ter gelegenheid van Mishima’s « Madame de Sade » in het BKT (zie r.v.nr.3). Telkens betrof het hier echter een eerherstel van de filosoof of zelfs de ‘politicus’ de Sade. In « De Zwarte Legende », een productie van het Grand Théátre Groningen en F’act Rotterdam, gaat acteur Peter Gorissen weliswaar op het ingeslagen pad verder, maar voor het eerst ook wordt de « pornograaf » de Sade gewaardeerd, vooral dan die passages waarbij de seksuele, « sadistische » uitspattingen gepaard gaan met godslastering.
Wij zagen de voorstelling exact op de dag dat Zijne Heiligheid mijnheer Khomeini de hemel (en voor alle zekerheid ook 120 miljoen frank) beloofde aan een islamitische volgeling die hem het hoofd van de auteur Salman Rushdie op een schotel zou aanbieden. Tegelijk bevestigde dit de noodzaak van een stuk als dat van Gorissen en prezen we de Heer (zij het misschien dat Hij dit zelf niet zo op prijs stelde) dat in ons land een dergelijke productie, waarin o.m. paus Wojtyla masturberend in de schedel van Christus ten tonele wordt gevoerd, toch nog mogelijk is. De voorstelling die wij in Gent bijwoonden werd zelfs gesubsidieerd door het ministerie van cultuur.
Leidt hier echter vooral niet uit af dat « De Zwarte Legende » een stuk is dat zwaar op de hand ligt. Het begint wel stijf met Gorissen in zijn blote flikker — pardon, laat ik dat even anders formuleren: na een muzikale uitbarsting door bassist Ben Bervoets en multi-instrumentalist Karl Eriksson begint een naakte Gorissen erg zwaarwichtig met het citeren van teksten van de Sade, maar naarmate hij door schminkster Myriam Eijgenraam meer als ouder wordende, aftakelende markies wordt aangekleed, kan hij jongensachtig uit zijn rol stappen en grappen en grollen verkopen. Zo is er een bijna « Life of Brian »-achtige versie van de kruisdood of krijgt hij een hysterische lachbui à la Elvis Presley, terwijl hij « Can’t help falling in love » probeert te zingen. Hij speelt met een machinegeweertje tijdens het banjo-thema uit « Bonnie and Clyde », zijn vrienden zorgen voor hoefgetrappel bij « I was born under a wandering star » enz. enz. Deze kluchtige toestanden gaan trouwens verder in « een tweede deel » (het was niet duidelijk of dit een vast onderdeel is of gewoon omdat Gorissen en zijn vrienden het naar hun zin hadden in de balzaal van de Vooruit) waarin men enkele « liedjes van de radio » zingt. « New York, New York » begeleid op drie verschillende stoelen b.v. Of « La Bamba » met een aangepaste tekst over Vanden Boeynants. Maar helemaal plat gingen we toen Gorissen (opnieuw naakt) door de zaal marcheerde, het thema uit « The bridge over the river Kwai » fluitend, in het dialect beter gekend als « Sjarel, ik heb uw gat gezien »!
Ook het merkwaardige decor (b.v. met een koersfiets die uiteindelijk tot niets blijkt te dienen), de discussies met het publiek, de gewilde onhandigheden, het droeg allemaal bij tot een heel aparte en zelfs smakelijke voorstelling. Ondanks de « wansmakelijkheden » die uiteraard op rekening van de Sade zelf komen. Laten we echter niet vergeten dat al het kwade dat de Sade zijn medemens toebrengt, alleen maar in zijn fantasie gebeurde. In de werkelijkheid werd hem zelf veel pijn aangedaan. De pijn van een onbegrepen markies, de markiespijn. Het hoogtepunt van de voorstelling is dan ook niet een van de grappige momenten, maar wel de bewerking van het nummer « God » van John Lennon, waarin de mens (de Sade, Gorissen, u, ik) uiteindelijk voor de pijnlijke vaststelling komt te staan dat hij alleen maar in zichzelf kan geloven. Knap. En tegelijk valt de pianist toch op de grond en zingt Gorissen « ik geloof niet in VTM » en andere onzin. Zelfrelativering dus. En zo hoort het ook. Het gebeurt nog altijd veel te weinig in het theater. Hier gebeurde het wel. En dus gebeurde er eindelijk eens IETS.

Lees verder “Dertig jaar geleden: “Markiespijn””

Paul Jacobs wordt zeventig…

Paul Jacobs wordt zeventig…

Radioprogramma’s zoals “De Taalstrijd” en “De Perschefs” waren telkens van de hand van Paul Jacobs. In het jeugdboek “Het raadsel van Rose Cottage” (Lannoo, Tielt, 1986, 155 bladzijden) voert hij ons mee naar Engeland, waar hij zijn nieuwe passie kan botvieren: het speurwerk. Wie herinnert zich immers niet de onverdroten zoektocht naar de gouden klepel of de steen der wijzen die gans Vlaanderen op zijn kop zette? Het brein achter dit programma-onderdeel van “Het vermoeden” was inderdaad Paul Jacobs.

Met zo’n titel, een oud Engels buitenhuis (dit is een “cottage”, in het boek zelf wordt dit typische begrip nergens omschreven; kinderen lezen het zelfs verkeerd, namelijk op z’n Frans) en twee stripauteurs die er inspiratie trachten op te doen, zijn natuurlijk alle ingrediënten voorhanden. Jacobs kwijt zich behoorlijk van zijn taak, traditioneel routineus maar met een moderne ecologische ontknoping, en met doorgaans veel zorg voor de taal, zij het dat ik toch een kanjer van een fout heb ontdekt (ik ben ook een speurneus!). Op bladzijden 150 schrijft hij immers: “Ze hadden afgesproken om elkander met ‘je’ en ‘jij’ aan te spreken”. Aangezien hier over een conversatie in het Engels gaat, dat enkel nog “you” kent (het oude “thou” wordt uitsluitend voor god gebruikt), zal zo’n afspraak toch wel problemen hebben opgeleverd.
OMDAT VOETENKUSSERS BELANGRIJK ZIJN
Daarna duikelde een boekje de redactie binnen met een briefje erbij dat gericht was aan de “Beste”. Daarom dacht ik natuurlijk dat het voor mij bestemd was. “Beste”, zo stond er, “Hierbij laat ik je een recensie-exemplaar sturen van mijn jongste boekje (Paul Jacobs, ‘Een zondag in de Middeleeuwen’, red.). Kenners wijzen op de overeenkomst met ‘Kopstukken’ van Godfried Bomans. Wat zeg jij?”.
Ik zeg dat dit verdomd geklets uit de (dikke) nek is en begin met wantrouwen te lezen. Dat wantrouwen stijgt reeds op pagina 7 als men ziet dat de auteur, nochtans geliefd van omroep Antwerpen en vooral “Het Grote Blufboek” (dit laatste goed te merken), er niet voor terugschrikt om ouwe bakken uit de sloot te halen (“Wie zijn vrouw, verloofde of meisjes had verloren, vernam van Vrolijke Frans dat er nog miljoenen vrouwen waren in de wereld en dat het dom was achter een vrouw of een tram aan te lopen omdat er altijd wel een andere kwam”).
Maar stilaan begon het wantrouwen weg te ebben. Waar ik immers van hou, dat is een boekje met korte, grappige verhaaltjes om ’s morgens op de trein te lezen en de bedienden van het ministerie uit hun hazeslaapje te doen opschrikken door luidkeels blijk te geven van goede luim – iets wat alvast van hén niet kan worden gezegd. Maar van dit boekje wél.
En wanneer ik op pagina 40 persoonlijk ten tonele word gevoerd (“Toen het té gek dreigde te worden, greep De Schepper in”) werd het echt te gek en greep ik in: in de marge streepte ik aan “dit is een grappig boek”, algemeen bekend als de hoogste kwalificatie die ik aan een boek kon toekennen, want zelfs van “Das Kapital” kan dit niet worden gezegd!
De ene na de andere historische figuur die net niet de geschiedenisboeken heeft gehaald passeert de revue en de een is ons nog liever dan de andere. Zo Ahls-t-kannop-mij, de uitvinder van de slogan “bekwame voetenkussers zijn belangrijk” (pagina 67), Kartoffel de Kinderhater, mijn gebuur, die “griezelige geluidjes (kon) maken, zoals daar zijn: die van de weerwolf, de bietebauw, de hulk en Mike Verdrangh” (pagina 70) en vooral Oë, “de winnaar van twee ritten in de Ronde van Palestina”.
Kortom, dit is een meevaller van jewelste geworden en voor de zwakkere schakels kunnen we de auteur zelf citeren die in de gedaante van Simon (!) de Schuine als slotzin peroreert: “Het ene Kurzijfje lijkt immers sprekend op het ander. Of niet soms?” (pagina 88-89).
HET GROTE BLUFBOEK
Daarvoor reeds had Paul Jacobs samen met Erik Strieleman dus een boek geschreven dat zichzelf aandient als “Het Grote Blufboek” en dat ook zijn titel als zodanig waarmaakt. Ongetwijfeld heeft de Antwerpse origine van de auteurs een niet geringe rol gespeeld opdat ze zich behoorlijk van hun taak zouden kunnen kwijten.
“Alles wat ik al heb willen weten maar waarvoor ik te lui ben om me erop toe te leggen” kun je in die boekje in een mum van tijd oprapen. 25 modieuze onderwerpen passeren de revue. Film, wijn, literatuur, reizen, filosofie, gastronomie en vooral feminisme mogen natuurlijk niet ontbreken.
Een paar voorbeelden van modieuze uitspraken:
“De belangrijkste figuur van de Frankfurter Schule was niet Marcuse, maar Habermas”.
“Ik hou van reggae maar niet van Marley”.
“Aan het Bartok-discografie is nog heel wat te doen”.
“Ik kan het bouquet van dit glaasje port onmogelijk thuisbrengen, maar in deze kamer wordt gerookt, waarschijnlijk?”

DE LAATSTE GRAP
In 2010 schreef hij dan de misdaadroman (let op de kwalificatie: terecht niet “thriller”) “De laatste grap”. Die was opgehangen aan alweer een ander programma waaraan hij zijn medewerking verleende, “De Rechtvaardige Rechters”, in het boek omgedoopt tot “De Potentaten”. Ik las het boek vooral om mensen te herkennen en af en toe was dat wel leuk. Zo wordt het programma gepresenteerd door Jan Damiaans, een jongen met een Buddy Holly-bril, en één van de panelleden is Rob Huyghe, die “koket de uiteinden van zijn snor naar boven draaide” (p.181). En natuurlijk is het ook leuk bij de tekstschrijvers zo maar gewoon een Geert aan te treffen.
Over het genre zelf ga ik me niet uitspreken, aangezien ik er niet echt van hou (al lijkt Jacobs me wel te zondigen tegen één van de oerprincipes van het genre, maar hierover kan ik niet uitwijden zonder spoilers), maar waaraan ik me méér stoorde dat waren de seksscènes. Het verwondert me zelfs dat Paul Jacobs nog nooit in aanmerking is gekomen voor de jaarlijkse bekroning van “de slechtste seksscène”.
Maar de core-business van Paul Jacobs is uiteraard zijn humor en op dat vlak is het boek toch alweer geslaagd. Het lijkt er soms wel op alsof hij er al zijn niet-gebruikte vondsten voor “De Rechtvaardige Rechters” erin heeft gestopt, waaronder een aantal (bewust) flauwe, maar who cares?
KAPOOT
Aangemoedigd door zoveel geestigheid schreef ik destijds volgende brief naar Paul Jacobs in zijn hoedanigheid als producer van het TV-programma “De Drie Wijzen”:
“Het moet voor de panelleden niet steeds even makkelijk zijn om voor de finale telkens een verhaal te verzinnen dat grappig is en ongeloofwaardig, maar dat tegelijk toch waar zou kunnen zijn. De beste oplossing voor gebeurtenissen die ‘niet waar’ zijn, maar waarvan de kandidaten dat niet van tevoren met hun ellebogen aanvoelen, lijkt me dan ook een ongeloofwaardig verhaal te vertellen dat iemand anders wél echt overkomen is. Ik dacht bijgevolg dat de volgende anekdote uit mijn jeugd uitstekend in de mond van Walter Grootaers zou liggen, ook al omdat het allemaal draait om een kledingstuk dat door mijn vader als politieagent werd gedragen, wat dus best ook voor Walters vader (als beroepsmilitair) zou kunnen gelden. Dat kledingstuk is een kort manteltje zonder mouwen dat slechts met één knoop (bovenaan uiteraard) wordt vastgemaakt. Zo’n manteltje wordt in het dialect van Temse (maar wie weet ook dat van Lier) een ‘kapoot’ genoemd. Je voelt het al aankomen natuurlijk…
Het verhaal gaat als volgt. Toen ik zo’n jaar of twaalf was, kwam een vriendje tijdens de zomer bij mij spelen. Hij woonde toch wel een eindje van mij af en was dus met de fiets gekomen. Helaas werd zijn strategische terugtocht voor het avondeten belemmerd door zo’n typisch zomerse regenbui. Die bleef maar aanhouden en om Erik, zo heette mijn vriend, toch in staat te stellen op tijd thuis te zijn, stelde mijn moeder voor dat hij dat fameuze manteltje (die ‘kapoot’ dus) zou aandoen.
Goed, tot hiertoe, no problem. Alleen, die jongen woonde in een café en ’s anderendaags gaf mijn moeder mij de opdracht dat manteltje terug te gaan halen. Mij van geen kwaad bewust riep ik reeds van in de deuropening naar de moeder van mijn vriend die, zoals het past, achter de tapkast stond:
‘Célestine, ik kom de kapoot van mijn vader halen die hier nog altijd ligt.’
Het café zat tamelijk goed vol, ik hoef je dus niet te beschrijven wat de reactie was…”
Ik vind het nog altijd een geweldige grap, maar van Jacobs kreeg ik taal nog teken.

Lees verder “Paul Jacobs wordt zeventig…”

Frans Lamoen (1876-1954)

Frans Lamoen (1876-1954)

Het zal morgen al 65 jaar geleden zijn dat Antwerpenaar Frans Lamoen is overleden. Hij wordt ook wel eens de eerste Vlaamse cabaretier genoemd.

Frans Lamoen werd in de fameuze Burggracht geboren als zoon van zeeman en zeilmaker Joannes Lamoen en zijn vrouw Isabella Tailliez. Hij kwam dus niet uit een artistieke achtergrond en had zelfs grote problemen met lezen en schrijven. Zijn ganse leven lang noemde hij zich nederig “kluchtzanger” in plaats van “acteur” of “artiest”.
Net als zijn broer en zussen moest Lamoen al op vroege leeftijd werken. Als 9-jarige werkte hij samen met zijn oudere broer in een drukkerij, waar hij met een blaasbalg de letterkasten moest schoonmaken. Het vele stof dat hij hierdoor inademde bezorgde hem loodvergiftiging, waardoor een arts hem adviseerde naar Boom te verhuizen, waar de lucht beter was.
In 1887, op 11-jarige leeftijd, debuteerde Lamoen als zanger en komiek. Hij trad elke donderdag op tijdens een café-chantant in Boom. Hij werd al gauw een succes en begon in verschillende café chantants, huwelijken en banketten op te treden in Antwerpen. Tijdens één van deze banketten werd Lamoen ontdekt door een Franstalig journalist die hem zijn eerste toneelcontract bezorgde voor de “Scala d’ Anvers”. Lamoen trad er jarenlang op in zogenaamde “bonte avonden”, evenals in de Hippodroom van Antwerpen, waar hij als komiek vooral in de revues van Rik Senten speelde.
Frans Lamoen spitste zich vooral toe op volkse vrouwenrollen, maar kon ook meerdere typetjes spelen. De komiek nam honderden platen op, waar hij in één lied of conference geregeld vijf tot twaalf typetjes tegelijkertijd vertolkte. Zo ontstonden veel van zijn populairste liedjes, zoals “Miss Pladijs”, “De bus van Bommerskonten”, “De Meezenvangers”, “Het Kosterke” en “De Gardevil”. Dat wil daarom niet zeggen dat Lamoen met liedjes als “Den Optimist” niet aan maatschappijkritiek deed:
“D’ontwapeningsconferentie staat aan de orde van de dag.
De heren gaan bespreken wat er wel en wat niet mag.
Geen stikgas, geen kanonnen meer, geen oorlog, da’s gedaan.
Munitiefabrieken roepen stillekens: ’t zal niet gaan.
Toch praten ze gezond, daar in de Volkerenbond.
Die heren, kameraad, die doen mekaar geen kwaad.
Maar ik blijf optimist: de vrede komt beslist.
Want anders, hola Piet, dan gaat den hele boel failliet.
Dan roep ik mee met boer Arjaan: als w’allemaal dood zijn, is’t gedaan!”
Maar het liefste van al beeldde hij dus “typetjes” uit (“Miss Pladijs”, “De straatkeerder”, “Het kosterke”, “Het viswefke”, “De sjampetter”, zie onderstaande foto). Lamoen heeft een succesvolle toernee gemaakt door de Nederlandse cabaretzalen en hij heeft zelfs plaatopnamen heeft gemaakt in Parijs en Berlijn. Die waren zo goed dat hij een aanbod kreeg om in de Antwerpse opera te gaan zingen. Dat legde hij naast zich neer, maar in de jaren twintig werd hij wel door Renaat Grassin (het Ketje) binnengehaald in het radiocabaret “De blinkende zonnekloppers”. Dat was zijn laatste wapenfeit, want kort nadien kon hij enkel nog aan de kost komen als “opwarmer” in de pauze van filmvoorstellingen. In 1949 schreef hij als 73-jarige nog het boek “60 jaar Vlaams volkshumorist”, maar het bleef onopgemerkt. Ontgoocheld verbrandde hij zijn archief (w.o. een paar filmpjes waarop hij te zien was) en vernietigde zijn platen. Vijf jaar later stierf hij na zeven maanden in coma te hebben gelegen in het Stuivenberg-gasthuis. In 1962 kwam er een elpee uit, waarop o.m. Charel Janssens en Tony Bell een eerbetoon aan Lamoen wilden brengen, maar die heeft volgens degenen die ze hebben gehoord meer kwaad dan goed gedaan.

Lees verder “Frans Lamoen (1876-1954)”