Een vraag die iedereen nog altijd bezighoudt: hebben linksen een gebrek aan humor?

Een vraag die iedereen nog altijd bezighoudt: hebben linksen een gebrek aan humor?

Vandaag is het 35 jaar geleden dat James F.Fixx is gestorven. Dat is allerminst om te lachen. Fixx is de auteur van “The complete book of running” in 1977 en op die manier één van de grondleggers van de jogging-rage. Hij stierf tijdens het joggen… En waarom koppel ik dit droeve bericht nu aan onderstaand artikel? Wel, daarvoor zal u het moeten lezen, vrees ik…

Laat ik maar onmiddellijk met de deur in huis vallen, dan zijn we er vanaf : ik hou van « deurenkomedies ». Je kent ze wel die farcen met op toneel een zestal deuren en dan komt het er vooral op aan dat wanneer in de ene deur iemand onverwacht verschijnt, dat dan in de andere iemand ijlings moet verdwijnen. Degene die op het toneel achterblijft, moet dan prompt een verhaal verzinnen, waaruit dan weer opnieuw tal van misverstanden ontstaan enz.
« In en uit » van Derek Benfield is een perfecte illustratie van dit soort situatiehumor. Sien Diels, de vrouw van Jaak Van Assche, vindt namelijk dat hij wat oefening kan gebruiken en spoort hem aan te gaan joggen. Dat doet Jaak maar al te graag, want in zijn tweede jeugd is hij tot over zijn oren verliefd geworden op een jonge losbol, Hilde Van Haesendonck. En gelukkig is er ook nog zijn vriend René Verreth die hem grootmoedig zijn appartement ter beschikking stelt… ondertussen brengt hij immers een bezoekje aan Sien. Als René’s vrouw, Nora Tilley, echter onverwacht naar huis komt van haar vele buitenlandse reizen als modeontwerpster, gaan natuurlijk de poppen aan het dansen. Het is Tuur De Weert die ervoor zorgt dat de juiste deuren op tijd en stond opengaan (die de regie doet m.a.w.).
Het is duidelijk : « In en uit » is een ontspannende farce en wil niet meer zijn dan dat. De Mannen van den Dam zouden daar eventueel nog een draai aan geven, maar het M.M.T. doet dat uiteraard niet en dat hoeft ook niet in dit geval. Ik wil dit soort theater niet tegenover « Te meiden», « Zeepbellen blazen », « Echo’s », « Rode Oogst » enz. plaatsen, het is trouwens precies omwille van een overdosis van deze stukken dat ik me nu des te meer geamuseerd heb. Het moeten niet altijd zware jongens, het mogen ook al eens lichte meisjes zijn…
En vanuit maatschappelijk standpunt gezien was « In en uit » zelfs nog « progressief », aangezien het — in tegenstelling met andere stukken uit het genre — niet eindigt met het in eer herstellen van het Heilige Huwelijk en het in feite de vrouwen zijn die de mannen bij de neus leiden. Kortom, dit is een heerlijk stuk om voor televisie te capteren en op zo’n saaie zondagavond uit te zenden. Dan zullen we ’s maandags wat opgewekter gaan werken.
Het Mechels Miniatuur Theater heeft overigens ook de start van het theaterseizoen ’85-’86 niet gemist. Niet dat het openingsstuk « De Perfectionist » van de Australische auteur David Williamson, in een regie van Tuur De Weert en André Lefevre, het nec plus ultra is wat er op theatergebied te beleven valt. Het heeft echter wel de verdienste, om op een eigentijdse, voor sommigen wellicht pijnlijk herkenbare manier, relationele conflictsituaties aan te raken.
Het op de korrel nemen van het traditionele rollenpatroon zal ongetwijfeld bij een groot gedeelte van het in de zaal aanwezige patriarchaat tot gefronste wenkbrauwen hebben geleid, wat we uiteraard alleen maar kunnen toejuichen. Het zou echter fout zijn hieruit af te leiden dat « De Perfectionist » regelrecht in de kaart speelt van de strijdbare zelfbewuste vrouw. Al lijkt het daar aanvankelijk sterk op, wanneer de auteur de man-vrouwverhouding in een modaal gezin niet alleen in vraag stelt, maar bovendien totaal op z’n kop zet. Helaas, voorbarig triomfalisme binnen feministische rangen, wanneer tenslotte alles op zijn conventionele pootjes terechtkomt.
Leuk om te zien hoe de handige aanpak van Williamson, door het inschakelen van een vlugge opeenvolging van scènes, elke monotonie en verstarring uit het stuk weet te bannen. Een vlotte creatie dus, ware het niet voor het nogal abrupte happy-end, dat enige geestesvermoeidheid van de auteur laat vermoeden.
Moeilijker te pruimen was echter de rol die Jos Geens vertolkte als Freek Barendse. Aanvankelijk als babysitter bij het echtpaar Marjan en Frank Govaerts (Nora Tilley en Luc Springuel) en nadien als verleider van diezelfde Marjan Govaerts, is hij immers de sleutelfiguur die het huwelijk van bovenvermeld duo op de helling zet. Een schimmig individu, dat zowat het midden houdt tussen een verward revolutionair, een flower-powerfossiel en een Hare Krishna-adept. Een figuur dat erin slaagt enige lachlust op te wekken bij het publiek, door het debiteren van wat pseudo-marxistische gemeenplaatsen in de zin van « een vrijende proleet is onbruikbaar voor de revolutie ». Weinig geslaagd, of zou het dan toch waar zijn dat linksen een ontstellend gebrek aan humor vertonen ?
Met « Tartuffe » — of « Dé Tartuffe » zoals Hugo van den Berghe dit stuk van Molière laat noemen in het NTG — hebben we alleszins ook niet zitten gieren. Nu, dat was ook niet de bedoeling. De jongste trend in het theater is immers klassiekers opvoeren maar dan met een totaal omgekeerde interpretatie. Een tragedie wordt een komedie (denk aan « Nora » in Arca vorig jaar) en omgekeerd.
Laten we eerst en vooral stellen dat we dit een interessant fenomeen vinden. Maar we wikken onze woorden. Dat houdt immers in dat we enerzijds benieuwd uitkijken wat de regisseur ervan heeft gebakken maar anderzijds impliceert het ook dat we geen geloof hechten aan deze revolutionaire herinterpretaties. Om het met een vergelijking te zeggen, die in verband met deze Tartuffe-enscenering nog niet eens ver gezocht is : Mozarts « Requiem » laten afmaken door zijn aartsvijand Salieri is een schitterende vondst, maar tegelijk is het historisch grote lulkoek.
Dit dualisme is dan ook inherent aan een productie als deze. Van den Berghe heeft een paar « schitterende vondsten » (die hij begrijpelijk niet graag wenst « verraden » te zien in de pers, je moet zelf maar eens gaan kijken), maar de « geloofwaardigheid » (lees : logica) van het stuk komt daarmee wel op de helling te staan. Het is dan ook onrechtvaardig dat confraters de tweeslachtigheid van het hoofdpersonage aan de vertolking van Walter Moeremans wijten (eerst moet hij omwille van de « vondst » immers positief overkomen, maar nadien moet het stuk toch zijn onafwendbaar verloop kennen). Idem voor Els Magerman als de vrouw van Orgon, het slachtoffer van Tartuffe. Deze Orgon komt trouwens nog het gaafst uit de productie, zij het dat het onmiskenbare talent van Nolle Versyp daar alweer zeer veel heeft toe bijgedragen.
Laten we daar in het kader van de door Yvette Lauwaert gecreëerde Amadeus-sfeer nog aan toevoegen dat een synthesizertriootje het geheel prettig opfleurt met leuke muziek van Johan de Smet, wiens opera « Frankenstein » overigens ook officieel in première is gegaan in de nieuwe zaal van de Gentse Vooruit. In tegenstelling met wat werd aangekondigd, verschilde hij echter in niets van de zogenaamde try-outs in het Nieuwpoorttheater. Wat niet belet dat het een aanrader blijft.
Andere klassiekers, maar dan in een totaal verschillend kader, staan bij dit seizoenbegin op het programma van het Fakkeltheater (zaal Meir). « De kale zangeres » van Eugène Ionesco ging in 1950 in première in Parijs, maar bleek een misser van formaat te zijn die vrij snel werd afgevoerd. Zes jaar later werd de herneming echter een verbluffend succes.
Dit stuk is anti-theater in de breedst mogelijke betekenis. Twee koppels uit een burgerlijk milieu (Jos Van Gorp en Denise Daems, Bob Stijnen en Lut Tomsin) communiceren met elkaar zonder dat ze dat echt willen. De betekenis van de taal en het woord valt uiteen in nietszeggende klanken die een eigen leven gaan leiden ten koste van de personages die eraan ondergeschikt worden. Het volkomen ontbreken van enige verhaalstructuur terwijl die toch duidelijk aanwezig is, relativeert het doel van iedere communicatie tussen de personages tot zinloze dialogen. Alsof er nog bijzonder weinig te zeggen valt wanneer men zich zou beperken tot het allernoodzakelijkste. In een regie van Ion Ornesco maken de acteurs er een puike voorstelling van.
In « De Les » (1951) zien we een professor (Rudi Delhem) die een leerling (Hilde Heijnen) privé-les geeft in diverse vakken. Ook hier blijkt de taal en de betekenis ervan een eigen leven te gaan leiden zodat ze een machtsinstrument wordt die bezit neemt van de leraar en naarmate het stuk verloopt de ondergang betekent van de leerlinge. Voor wie houdt van absurd theater is dit zeker een aanrader al is de vormgeving, in zoverre die aanwezig is, lichtelijk passé voor wie met de literatuur van de jaren vijftig en de absurdistische stroming hiervan vertrouwd is. Tot slot, wie met deze twee eenakters van Ionesco niet voldaan is kan vanaf 5 oktober terecht in theater « Het Appeltje » van het gezelschap Ivonne Lex waar dan de première plaatsheeft van zijn stuk « De Stoelen ».

Lees verder “Een vraag die iedereen nog altijd bezighoudt: hebben linksen een gebrek aan humor?”

35 jaar geleden: “Oom Wanja” in het NTG

35 jaar geleden: “Oom Wanja” in het NTG

35 jaar geleden was in het NTG “Oom Wanja” te zien, de klassieker van Anton Tsjechov met in de hoofdrollen Nolle Versyp en Chris Thys (zie bovenstaande foto).

Het lijkt wel een drieluik : « Madame Warren » van 1893, « Rondedans » uit 1897 en nu « Oom Wanja » van 1898. Het kan alleszins geen toeval zijn en het NTG heeft in zijn onvolprezen programmaboekje bij Tsjechovs « Oom Wanja » dan ook een passende vergelijkende tijdstabel afgedrukt. Voor de bollebozen onder onze lezers kunnen wij er trouwens nog aan toevoegen dat ook « Starkadd » (Arcatheater) uit 1898 dateert en « Pelléas et Mélisande » (het oorspronkelijke toneelstuk althans waarop de opera is gebaseerd die op dit moment te zien is) uit 1892.
Allemaal fin de siècle dus en met 1984 gaan we daar ook stilaan naartoe.
Is dat soms de link ? Want de andere overeenkomsten kaderen in diezelfde sfeer. Er is de verveling b.v., prominent aanwezig in het landelijke leven van Oom Wanja en de zijnen, maar eigenlijk ook aan het hof van koning Ingel (« Starkadd »), op het buitenverblijf van Madame Warren, ja zelfs bij de personages van « Rondedans ». Telkens wordt daartegen dan gereageerd met het oplaaien van erotische passies (Wanja en dr. Astrov voor Jelina; Sonja voor dr. Astrov; Crofts voor de dochter van Madame Warren) of van oppervlakkig erotisch vertier (« Rondedans », maar ook de jonge Frank in « Mad. Warren » en het slippertje van Helga met Saemund in « Starkadd »).
In dit laatste aspect zit ook reeds een ander kenmerk : het decadentisme.
Tsjechov gaf ooit een regisseur of een auteur de raad: « Als je in het decor een geweer tegen de schoorsteen hangt, zorg dan dat er ook een schot afgaat. » Een raad die hij zelf bijzonder ter harte heeft genomen, want in zijn werk zijn er dan ook een paar stukken waarin omgesprongen wordt met vuurwapens. Zo ook in « Oom Wanja », al is dat net niet het belangrijkste wat er in het stuk te beleven valt.
« Oom Wanja » is een stuk van liefde en verliefdheden, hopeloze liefdes en gemiste kansen, over mensen die hunkeren naar wat anders en wier leven als zand tussen hun vingers glijdt; ook een ode aan de natuur en als u wil zelfs een pleidooi voor milieuzorg.
Ivan Woinitski, met zijn verkleinnaam Wanja genoemd, beheerst samen met zijn nichtje Sonja, de dochter van zijn overleden zuster het familielandgoed. De weduwnaar, de beroemde professor Serebrjakov is hertrouwd met de veel jongere, beeldschone Jelena.
Deze zelfingenomen emeritus heeft met Jelena zijn intrek genomen op het landgoed, dat moet voorzien in de levensbenoeften van de familie; hij laat iedereen als knechts opdraaien voor zijn seniele grillen.
Wanja wordt verliefd op Jelena, zo ook de huisdokter Astrov, Sonja is verliefd op Astrov. Het tergend tiranniek gezeur van de wetenschappelijke charlatan en de amoureuze strubbelingen zorgen voor onoverzienlijke spanningsvelden. Wanneer Serebrjakov kil beslist dat het landgoed moet verkocht worden (hij woont liever in de stad), barst de bom.
« Men verwijt mij vaak dat ik over niemendalletjes schrijf, » verdedigde Tsjechov zich ooit. « Dat er in mijn werk nooit grote helden voorkomen, geen revolutionairen, geen Alexander de Grote, of zelfs niet een eerlijke politieman. Waar moet ik die echter vandaan halen? Ik zou wel willen. Het leven bij ons is provinciaal… Zolang we jong zijn, kwetteren we kwiek als mussen op de mesthoop; later, wanneer we de veertig naderen, zijn we al grijs en beginnen aan de dood te denken. Fraaie helden zijn we! »
Zoals geschetst kan dat decadentisme worden gesitueerd op moreel vlak, maar ook esthetisch. Zo is het aandeel van de decorbouwers in alle hoger geciteerde stukken enorm. De wisselwerking met de regie was telkenmale optimaal (zoals het natuurlijk hoort. maar bij een esthetiserend decor valt het uiteraard meer op). Op die manier zouden we kunnen stellen dat er in « Starkadd » in profiel werd gespeeld, in « Mad. Warren » diagonaal en in « Oom Wanja » lateraal (binnenkort moeten we een voetbalverslaggever als toneelrecensent inhuren). In de eerste twee gevallen kwamen door die opstelling de conflicten weliswaar beter tot uiting, maar werd toch ook een zeker afstand gesuggereerd, wat een trager tempo met zich meebracht. In « Oom Wanja » staat het scènebeeld (van Luk Goedertier samen met regisseur Jean-Pierre De Decker) helemaal in functie van de contactarmoede en wordt de verveling erdoor nog beklemtoond. Alleen de wervelende regie van « Rondedans » doorbrak dus dit systeem, ook al waren er ook hier te trage momenten.
Toneel wordt dus anno 1984 te vaak een puur esthetische ervaring, waarin de verveling van de toeschouwer een haast niet weg te denken component wordt. Wie positief staat tegenover die esthetische benadering schrijft dan b.v. « toch werkt de voorstelling niet helemaal » (Daan Bauwens in « De Morgen »), maar je kan natuurlijk ook andersom stellen dat verveling op de scène, hoe mooi ook ingekleed, nooit mag leiden tot verveling in de zaal. En dat was bij « Oom Wanja » alleszins toch onze ervaring…
En in dat geval wordt de rest allemaal detailkritiek. Zowel positief als negatief. De glansprestatie van Nolle Versyp b.v. als dr. Astrov kan dan een voorstelling niet redden. En anderzijds heeft het ook geen zin om zich vast te bijten in de regie-opvatting van De Decker die b.v. Chris Thys voortdurend over het toneel laat hollen en lelijk laat zijn (wat voor haar een moeilijke opgave was, maar waarin ze door een perfecte uitbeelding van Wiske uit het bekende beeldverhaal uitstekend slaagt).
Nu nog « Dantons dood » en dan zijn we eindelijk « Thuis »…

Lees verder “35 jaar geleden: “Oom Wanja” in het NTG”

Michel de Ghelderode (1898-1962)

Michel de Ghelderode (1898-1962)

Het is vandaag 55 jaar geleden dat de Franstalige auteur van Vlaamse origine, Michel de Ghelderode, is overleden. De Ghelderode was eigenlijk één van de pseudoniemen van Adémar Adolphe Louis Martens, andere, minder bekende, waren Philostene Costenoble, Jac Nolan en Babylas. Hij schreef meer dan zestig toneelstukken, honderd verhalen, artikels over kunst en folklore en 20.000 brieven. Zijn stijl typeert zich door een verontrustende fantasie, vaak macaber, wreed en grotesk. Zelf heb ik niet zoveel ervaring met het werk van de Ghelderode. Ik heb enkel een korte recensie over een TV-spel gevonden en enkele bedenkingen bij de monoloog van Jo Decaluwe.
Lees verder “Michel de Ghelderode (1898-1962)”

Het gebeurde op 22 november

Het gebeurde op 22 november

5 jaar geleden speelde Bob De Moor de theatermonoloog ‘Wees gul met uw organen’ in de Bibliotheek aan het Zuid. Vijfentwintig jaar lang was hij alleen bekend van het intrigerende fotootje bij zijn Humo-column, maar vandaag is het eindelijk zover: Cornelius Bracke verschijnt in levende lijve voor het publiek. Corneel wordt door de Vlaamse overheid als bekende vlaming ingeschakeld om overal te lande reclame te gaan maken voor orgaandonatie. Maar Corneel zou Corneel niet zijn als dit niet ontaardde in een hilarische egotrip. Corneel heeft namelijk een zwarte lijst opgesteld van mensen die uitgesloten zijn van genot zijner organen omdat ze ooit eens tegen zijn kar hebben gereden. De meanderende memoires van Corneel, verteld met het olifantengeheugen van een misantroop, op tekst van Guido Van Meir. Bob De Moor brengt het beste uit vijfentwintig jaar Corneel met een vanzelfsprekende naturel alsof het personage van meet af aan op zijn lijf geschreven werd. Het is wellicht de allerlaatste toneelvoorstelling die ik heb gezien… (foto Canvas)
Lees verder “Het gebeurde op 22 november”

Nolle Versyp (1936-2006)

Nolle Versyp (1936-2006)

In de nacht van 5 op 6 oktober 2006 is de Gentse acteur Nolle Versyp overleden. Bij zijn overlijden werd vooral gerefereerd aan de soapserie “Thuis”, waarin hij de nogal rigide Dr.Dré speelde. Nolle zou zeker een grapje maken over het gebruik van het woord “rigide”, want omwille van zijn gezondheidsproblemen, meer bepaald wegens reuma had hij inderdaad al enkele jaren het acteren op scène moeten laten varen. Sedert een jaar was hij ook uit “Thuis” verdwenen (hij speelde nu zogezegd enkel nog pétanque in de Provence) omdat de ziekte steeds meer bezit nam van zijn lichaam, tot hij er uiteindelijk aan bezweken is.
Lees verder “Nolle Versyp (1936-2006)”