160 jaar geleden: “Ze herkende Satan in Mefistofeles”

160 jaar geleden: “Ze herkende Satan in Mefistofeles”

Morgen zal het 160 jaar geleden zijn dat in het Parijse Théâtre Lyrique Gounods “Faust” in première ging. Zelf besteed ik op mijn blog aandacht aan “Faust” bij Goethe en bij Charles Gounod, maar hieronder besteed ik even speciaal aandacht aan de rol van de duivel.
Lees verder “160 jaar geleden: “Ze herkende Satan in Mefistofeles””

Joost van den Vondel (1587-1679)

Joost van den Vondel (1587-1679)

Morgen zal het 340 jaar geleden zijn dat Joost van den Vondel is gestorven.

Dat ik biografische gegevens vaak overneem van Wikipedia is geen geheim. Ik kom daar ook altijd voor uit. Maar meestal bewerk ik die gegevens wel erg. Dat is bij de onderstaande tekst over Joost van den Vondel echter slechts minimaal het geval. Ik wil mij daar vooraf voor verontschuldigen. Ik heb echter enkele teksten over diverse toneelstukken van Vondel en om toch het overzicht een beetje te behouden, had ik deze biografie nodig als kapstok. Met andere woorden, in deze biografie heb ik verwerkt, wanneer een bepaald toneelstuk werd geschreven en daar kan men dan op klikken om mijn eigen tekst te lezen. Maar voor de rest wil ik zeker niet de indruk wekken dat ik ook maar enige verdienste heb aan deze biografie. Dus, dank u Wikipedia!
Joost Van den Vondel werd geboren in Keulen. Zijn ouders waren doopsgezind en waren in 1585 de stad Antwerpen ontvlucht. In 1597 vestigden zij zich in Amsterdam. In 1610 trouwde Joost van den Vondel met Mayke de Wolff, die eveneens in Keulen was geboren (in 1586). Hij verdiende zijn brood met zijn kousenhandel in de Warmoesstraat. Ze hadden vijf kinderen, maar drie ervan overleden jong.
Van den Vondel werd lid van de Brabantse rederijkerskamer “Het Wit Lavendel”. In 1613 begon hij Latijn te leren om Seneca te kunnen lezen, en later leerde hij Grieks om zijn toneelstuk Palamedes oft vermoorde onnooselheit te kunnen schrijven. Met de ‘vermoorde onnozelheid’ werd Johan van Oldenbarnevelt aangeduid, en in de figuur van koning Agamemnon kon prins Maurits worden herkend. Het stuk verscheen in oktober 1625, enkele maanden na het overlijden van Maurits. Palamedes is een scherpe kritiek op de stadhouder, en de auteur moest Amsterdam ontvluchten. Hij verbleef enige tijd in Beverwijk, maar moest toch voor het werk terechtstaan. De forse boete van 300 gulden is mogelijk door schepen Albert Coenraads Burgh betaald, die Van den Vondel het idee van zijn toneelstuk aan de hand had gedaan.
Palamedes was echter een populair toneelstuk, waarvan tot 1800 minstens vijftien drukken zijn verschenen. In de uitgave van 1652 heeft Van den Vondel een aantal woorden (zoals zonde) vervangen, en sommige politieke toespelingen werden verscherpt. Het werd pas in 1663, in Rotterdam, voor het eerst opgevoerd. Twee jaar later, toen de Amsterdamse schouwburg gesloten was vanwege een verbouwing, werd het stuk daar buiten de verantwoordelijkheid van de regenten opgevoerd.
Juist voor de opening van de Amsterdamse schouwburg schreef Vondel in 1637 Gijsbrecht van Aemstel.
In 1641 ging Van den Vondel over van de Remonstranten tot de Rooms-katholieke Kerk, wat hem niet in dank werd afgenomen in de hoofdstad van de Republiek, waar calvinistische predikanten veel invloed hadden. De schouwburg in Amsterdam was daarentegen een katholieke aangelegenheid: de schouwburgbestuurders Jan Vos (dichter) en Claes Cornelisz. Moeyaert (schilder) waren katholiek. In 1654 kwam deze bekering zeker aan bod in het stuk Lucifer.
Omdat zijn zoon Joost (1612-1660) door zorgeloosheid in moeilijkheden was gekomen, reisde Van den Vondel in 1657 naar Denemarken. Na het faillissement van de kousenzaak in de Warmoesstraat werd hij in 1658 suppoost bij de Bank van Lening, een zogenaamde sinecure, waar hij in 1668 gepensioneerd werd. Ondertussen had hij in 1664 Adam in ballingschap geschreven. In 1667 schrijft Joost van den Vondel het eerste westerse treurspel over de val van de Ming-dynastie: “Zungchin of Ondergang der Sineesche Heerschappije”. Dat Vondel hierover zo goed ingelicht was, is te danken aan zijn vriendschap met de drukker Johannes Willemszoon Blaeu (1596-1673), die niet alleen zijn “Gijsbrecht van Aemstel” uitgaf, maar ook (en vooral) allerlei atlassen. Om zijn concurrent Jocondus Hondius te vlug af te zijn, had hij de “exclusiviteitsrechten” gekocht op de missioneringsactiviteiten van de Mechelse jezuïet Philip Couplet. Dat Couplet zijn reis überhaupt kon starten vanuit het calvinistische Amsterdam was sowieso al te danken aan de bemiddeling van de verdraagzame Blaeu.
Van den Vondel woonde op het Singel, niet ver van de Torensluis. Zijn zoon overleed op de heenreis naar Indië, voor Kaap de Goede Hoop. Van den Vondel werd verzorgd door zijn enig overlevende dochter Anna (1613-1675). Hij overleed in Amsterdam op 5 februari 1679 op 91-jarige leeftijd. Als zijn laatste werk dichtte hij spottend zijn grafschrift:
Hier leit Vondel zonder rouw,
Hy is gestorven van de kouw

Lees verder “Joost van den Vondel (1587-1679)”

380 jaar geleden: première van “Gijsbrecht van Aemstel”

380 jaar geleden: première van “Gijsbrecht van Aemstel”

380 jaar geleden ging “Gijsbrecht van Aemstel” van Joost van den Vondel in première. Deze notities hierbij gaan terug op de lessen van Anton van Wilderode. Hij benaderde dit stuk op drie manieren: als klassiek drama, als Nederlands drama en als een persoonlijk drama.
Lees verder “380 jaar geleden: première van “Gijsbrecht van Aemstel””

Literaire canon vastgelegd

05 Bij Hugo ClausDe Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) en het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) hebben hun literaire canon bekendgemaakt. Dat gebeurde in kasteel Beauvoorde tijdens een literair feest. Het VFL en de KANTL namen samen het initiatief om deze dynamische canon van de Nederlandstalige literatuur op te stellen vanuit Vlaams perspectief. Het gaat om een lijst van 50 (+ 1) titels die in Vlaanderen als essentiële werken worden beschouwd. Het oudste werk op de lijst is een legende over Sint Servaas van Hendrik van Veldeke. Het meest recente werk is de roman Het verdriet van België (Hugo Claus). Hugo Claus (foto) en Joost van den Vondel zijn de enige auteurs die twee keer op de canon voorkomen.
Lees verder “Literaire canon vastgelegd”

Johannes Huizinga (1872-1945)

Morgen zal het zeventig jaar geleden zijn dat Johannes Huizinga is overleden. Hij was een Nederlands historicus en geldt als de grondlegger van de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Zijn belangrijkste werken zijn “Herfsttij der Middeleeuwen” (1919; de titel is eigenlijk afkomstig van Henriëtte Roland-Holst, zelf wilde hij het “In de spiegel van Van Eyck” noemen), “Erasmus” (1924), “In de schaduwen van morgen” (1935), “Homo Ludens” (1938) en “Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw” (1941). Dit laatste werk is ontstaan uit een aantal lezingen die hij aan de universiteit van Keulen heeft gegeven in de jaren dertig. Hij heeft die omgewerkt tijdens het eerste oorlogsjaar en daardoor is de toon nogal bombastisch en vaderlandslievend. Reeds in 1933 stelde Huizinga een daad tegen het nationaalsocialisme. Bij een internationale conferentie aan de universiteit van Leiden verzocht hij de Duitser Johann von Leers de conferentie te verlaten, nadat Huizinga kennis had genomen van diens antisemitische geschriften. Hierop vertrok de voltallige Duitse delegatie. Ook zijn vriendschap met André Jolles (die met zijn “Einfache Formen”, een studie over sagen en mythen, grote invloed had gehad op het ontstaan van “Herfsttij”) verbrak hij toen deze zich tot het nazisme bekeerde. Uit het boek onthouden we vooral dat hij de voorkeur gaf aan Vondel boven Bredero, Huygens en Cats (in die volgorde), ook al was Cats het populairste bij zijn tijdgenoten. Toch deed hij niet aan overschatting. Zo was Vondel in zijn ogen zeker geen Shakespeare, zelfs geen Dante of Racine. Eigenlijk had hij vooral bewondering voor de méns Vondel (barmhartig, gerechtig), eerder dan de literator. Postuum verscheen zijn autobiografie “Mijn weg tot de historie” (1947). Hij is de vader van de schrijver Leonhard Huizinga (“Adriaan en Olivier”).

De knipoogjes van William Shakespeare

De knipoogjes van William Shakespeare

Toen ik in 1971 in het zuiden van Engeland, meer bepaald in Hastings, net zoals Willem de Veroveraar 905 jaar eerder, voet aan wal had gezet, werd ik voor de « nachtelijke » (tot elf uur) strooptochten langs de plaatselijke bars onder de arm genomen door een bende autochtonen, die zich — gezien de tijdsomstandigheden — misschien nog het best als « hippies » laten omschrijven. En alhoewel ik in tegenstelling tot de meeste « ouwe zakken van ’68 » de beste herinneringen bewaar aan deze tijd van « love and peace », zou ik daarover toch een zedig stilzwijgen bewaren, ware het niet dat deze vrolijke snaken, waarvan er ten hoogste één verder was geraakt dan wat wij « lager middelbaar » zouden noemen, als ze genoeg « barleys » en « lager » op hadden, zich overgaven aan, ja aan « overgeven » zelf natuurlijk ook, maar — wat merkwaardiger is — aan het uitvoerig citeren van… William Shakespeare.
Lees verder “De knipoogjes van William Shakespeare”