Charles Gounod (1818-1893)

35 Charles_GounodMorgen zal het honderdtwintig jaar geleden zijn dat de Franse componist Charles Gounod is overleden.

Gounod werd in Parijs geboren als tweede zoon van een kunstenaars-echtpaar: zijn vader François-Louis Gounod (1758-1823) was een kunstschilder en zijn moeder Victoire Lemachois (1780-1858) een bekwame pianiste, die hem zijn eerste pianolessen gaf. Daarna studeerde hij vanaf 1836 aan het Conservatoire national supérieur de musique van Parijs. In 1839 won hij met zijn cantate Fernand de Prix de Rome en daarmee een drie jaar durende reis naar Rome, waar hij woonde in de Villa Medici. Hij studeerde er de muziek van de oude meesters, vooral Italiaanse kerkmuziek van Giovanni da Palestrina.
Na zijn terugkomst werd Gounod organist in de kerk van de Missions étrangères in Parijs. Hij wilde priester worden en daarom studeerde hij van 1846 tot 1848 aan St. Sulpice en woonde vanaf 1847 in een klooster van de Karmelieten.
De kerkmuziek van Gounod is vaak ten onrechte als imitatie van Palestrina’s werken gezien. Inderdaad hadden de missen van Palestrina hem als bezoeker van de hoogmissen in de Sixtijnse Kapel enthousiast gemaakt en ze hebben hem zeker bepaalde ideeën ingegeven. Maar de kracht van Gounod was juist de bevrijding van de Franse muziek van de Italiaanse en Duitse invloeden en dat herkenden en waardeerden vooral patriottische kunstenaars zoals Camille Saint-Saëns, Paul Dukas, Claude Debussy en Maurice Ravel. Belangrijk is Gounods talent voor het lyrisch-sentimentele stemmingsschilderij, gedragen door een overvloed aan mooie, zingbare melodieën.
De liturgische muziek is ingebed in een romantisch fluïdum, dat samensmelt met een sobere religiositeit. Daarvoor is de door vele critici als pseudokunst geziene Bach-meditatie over de prelude in C-groot uit het 1e deel van het Wohltemperiertes Klavier, het tot een “wereldhit” geworden Ave Maria, een overtuigend bewijs. De prachtigste uitvoering komt ongetwijfeld op naam van Bobby McFerrin die de Bach-“ground” voor zich neemt, terwijl hij de zaal het Gounod-gedeelte laat zingen. Een meisje, ongetwijfeld een koorlid of zoiets, neemt daarbij het voortouw voor een meeslepend en ontroerend samenspel.
Aan Gounods religieuze ambities komt echter een abrupt einde in 1851, als Gounod, die toen al 33 was, eindelijk de theaterwereld induikt en dan nog wel met “Sappho”. Een merkwaardige keuze uiteraard, zeker voor iemand die zichzelf tot dan toe “abbé Gounod” noemde en die, als zijn moeder-pianiste het hem niet had belet, zeker de kansel boven de pupiter had verkozen. De reden is uiteraard te vinden bij de Aardse Liefde. De zangeres Pauline Viardot had immers zijn zinnen verward.
Toch huwt hij een jaar later, in 1852, met Anne Zimmermann, de dochter van zijn pianoleraar aan het conservatorium. Datzelfde jaar schreef hij ook zijn enige twee symfonieën, die Georges Bizet op weg zouden zetten voor zijn eigen (beperkt) symfonisch oeuvre.
Van 1852 tot 1860 was Gounod directeur van het L’Orphéon de la Ville de Paris, het grootste mannenkoor van Parijs. Ondertussen schrijft hij in 1854 “La nonne sanglante”, maar dat wordt een flop. In 1858 volgt “Le médecin malgré lui” en een jaar later, in 1859 is er eindelijk de doorbraak met “Faust“.
Dit volgt hij in 1860 op met “Philémon et Baucis” en in 1862 met het zwoele “La Reine de Saba”. In 1864 zit hij in de Provence waar hij “Mireille” schrijft. Als in 1865 “Romeo en Julia“, de opera van Marchetti, in première gaat, zit Gounod in Saint-Raphaël aan zijn versie te werken. Hij is veeleer geïnspireerd door de symfonie van Berlioz dan door deze opera. Tussendoor ziet in 1866 nog het frivole “La Colombe” het licht, want het is pas op 27 april 1867 dat “Roméo et Juliette” van Gounod in première gaat. Dat het nog zo lang heeft geduurd, heeft o.m. te maken met discussies over de rol van Roméo. In een eerste versie begint deze met gesproken recitatieven. Over Juliette was er geen discussie. Dat “moest” natuurlijk madame Carvalho zijn, de vrouw van de directeur van het Théâtre Lyrique waar de première plaatsvond. Toch puurt de opera zijn succes uit vijf duetten in elk van de vijf bedrijven: het flirten op het bal, de balconscène, het huwelijk (hier is het duet wel nodeloos uitgebreid tot een kwartet met Broeder Lorenzo en de voedster), de huwelijksnacht en de dood van de beide geliefden.
In de versie van Gounod is de ommekeer van de jongelui nog onwaarschijnlijker dan bij Shakespeare (Julia zingt in de beroemde aria “Je veux vivre dans ce rêve” nog eens uitdrukkelijk dat ze nog niet aan trouwen denkt en nog geen vijf minuten later is het al prijs) en als er dan niet hartstochtelijk wordt gevrijd, zoals bij Zeffirelli, als er m.a.w. geen zinnelijke vonk ontspringt, dan wordt het verhaal toch wel erg ongeloofwaardig (anderzijds moet ik toegeven dat Gounod wél een oplossing heeft voor het snelle huwelijk van Julia met Paris: het is de laatste wens van Tybalt, die hiermee Romeo de pas wil afsnijden). Pas in 1869 volgt dan de ouverture “Romeo en Julia” van Tsjaikovski.
Tijdens de Parijse commune vlucht Gounod naar Engeland, maar ook daar krijgt hij moeilijkheden met het gerecht. Terug in Parijs schrijft hij in 1877 “Cinq Mars”, een jaar later gevolgd door “Polyeucte”, terwijl d’Ivry dat jaar zijn “Roméo et Juliette” schrijft.
In 1881 is er “Le Tribut de Zamora” en in 1885 “Mors et Vita”. Pas in 1888, na nog twee andere versies, wordt de vierde versie (inclusief een ballet) als de definitieve versie van “Roméo et Juliette” beschouwd.
Voor la petite histoire onthouden we ook dat we Gounod zelf nog altijd kunnen horen. Op 4 februari 1891 nam Gustave Eiffel immers zijn “Ave Maria” op, door hemzelf gezongen en begeleid. Twee jaar later sterft hij.
Gedurende zijn gehele carrière bewoog Gounod zich tussen kerkmuziek en wereldlijke werken. Het beste voorbeeld daarvan is zijn Messe solennelle en l’honneur de Sainte-Cécile in G-groot uit 1855, in het Nederlands ook wel gewoon de Ceciliamis genoemd. Zoals de naam aangeeft betreft het hier wel degelijk een mis, maar ze klinkt meeslepend aards en zelfs zwoel erotisch. Ik heb hierop een actrice eens een striptease weten uitvoeren, waarbij ze op het einde langs een ladder “naar de hemel” klom en, mijn god, dit was geen blasfemie, het was gewoon een van de meest religieuze ervaringen die ik in mijn leven heb gehad!
Ook zijn Messe à la Mémoire de Jeanne d’Arc is weer typisch “wereldse” muziek. De passage met de twee harpen (Eve Delcambre en Alicia Zajaczkowska) b.v. kon net zo goed een liefdeslied zijn (Gent, ICC, 08/02/1992).

Referentie
Ronny De Schepper, Romeo en Julia niet alleen voor verliefden, Het Laatste Nieuws 2 februari 1995

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s