Willy Courteaux (1924-2017)

Willy Courteaux (1924-2017)

Pas nu is bekend geraakt dat zaterdag reeds Willy Courteaux is overleden, de vroegere journalist bij Humo en eminente vertaler van het werk van William Shakespeare. Wie over die twee aspecten meer wil vernemen, moet doorklikken naar de items die ik daaraan heb gewijd. Hieronder volgt de neerslag van een “bezoek” bij hem thuis dat Filip Delmotte en ikzelf in de woelige periode begin 1989 hebben afgelegd (de rubriek “Het bezoek” in de vernieuwde Rode Vaan was precies een kopie van het fameuze “Humo sprak met”). De tekst is uitgeschreven door Filip Delmotte. Ik kan me van dit interview helaas niet zo heel veel meer herinneren. Wellicht was mijn inbreng minimaal (Shakespeare). Ik herinner me nog wel dat we heel bewust niet de persoonlijke toer zijn opgegaan. Zo hebben we met geen woord gerept over zijn zoon Wolfgang en of hij eventueel nog andere kinderen had. Volgens het doodsbericht, opgesteld door zijn echtgenote Jeanne Soens, was dat inderdaad het geval, maar ze worden niet bij name genoemd. Pas bij zijn dood vernam ik overigens ook dat Willy Courteaux tot de Gravensteengroep behoorde, al stond hij bij de regionale verkiezingen van 2004 wel op de lijst van de Vlaamse Democraten Brussel, een linkse scheurlijst van de N-VA.
Lees verder “Willy Courteaux (1924-2017)”

Herman Melville (1819-1891)

Herman Melville (1819-1891)

Het is vandaag precies 200 jaar geleden dat de Amerikaanse schrijver Herman Melville werd geboren.

Jean Cocteau beweerde ooit: “Vele schrijvers schrijven zoveel, dat ze geen tijd hebben om iets te beleven, waarover zij zouden kunnen schrijven”. Dat is zeker niet van toepassing op Herman Melville die erg realistisch schreef over het leven op zee. Hij had er dan ook verscheidene jaren op doorgebracht. In zijn werk reageerde hij op de culturele conflicten van zijn tijd met scherpzinnige, vurige en tegenstrijdige gevoelens. Rond zijn persoon en werk hangen nog steeds grote mysteries.
Herman Melville werd geboren in New York City op 1 augustus 1819 als derde kind in een gezin van acht. Vader was een bemiddeld invoerder wiens zaak echter grote schade was toegebracht door Amerika’s eerste vooroorlogse depressie. Zijn beide grootvaders, Thomas Melville en Peter Gansevoort, hadden een belangrijke rol gespeeld in de strijd voor de Amerikaanse onafhankelijkheid. In “Pierre: or the Ambiguities” (1852), een donkere allegorische zoektocht naar de natuur van het kwaad, zou Peter Gansevoort model gestaan hebben voor de oude Pierre, de wonderlijke voorouder wiens beeld de jonge Pierre achtervolgt.
Herman was een wat eenvoudig en lief kind. Een leerkracht op school verwoordde het als volgt: “Hij maakt vorderingen en haalt, zonder briljant te zijn, een aanvaardbaar niveau. Hij zou veel beter kunnen, indien hij meer studeerde. Maar het is zo’n beminnelijk en onschuldig kind dat ik het niet over mijn hart krijg er tegen in te gaan. Te meer daar hij schijnt gekozen te hebben om handelaar te worden.”
Toen de zaak van zijn vader over kop ging, vertrok de familie naar Albany. Amper twee jaar na hun aankomst overleed vader Melville. Herman en zijn oudere broer Gansevoort (de familienaam van moeder was de voornaam geworden van de oudste zoon) werden van school gehaald om de nieuwe kostwinners te worden.
Twaalf stielen
De wispelturigheid en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel die de jonge Herman kenmerkten, kwamen in de jaren die volgden tot uiting. Eerst ging hij werken bij de bank van een oom. Vervolgens onderhield hij de boerderij van een andere oom, was onderwijzer in scholen zonder budget zodat hij meestal niet betaald werd, schreef af en toe een artikel voor een lokale krant, enz. Daarnaast volgde hij met tussenpozen vage studies.
Als twintigjarige werd hij het vergeefse zoeken naar degelijk werk beu. De oplossing die hij dacht gevonden te hebben om te kunnen ontsnappen uit de verveling en zijn onzekere bestaan, vergeleek hij met zelfmoord. De uitweg was volgens hem: gaan varen. Het was echter niet alleen de noodzaak die hem ertoe dreef de zeven zeeën te gaan bezeilen, het was ook een stuk de verwezenlijking van een kinderdroom die gevoed was door de reisverhalen en door de magische, exotische literatuur die hij als kind las.
De fantasie overtroffen
In 1839 werd Melville scheepsjongen op een koopvaardijschip dat naar Liverpool ging. Het was slechts als proefreis bedoeld want in gedachten dwaalde hij reeds over de hele wereld. De volgende zomer voer hij langs de oostkust van Amerika.
Voor een korte tijd had hij een slecht betaalde job als onderwijzer. Even probeerde hij nog werk te vinden als notarisklerk maar toen ook dat niet lukte, vertrok hij met de Acushnet op walvisjacht naar de Stille Zuidzee (1840). De walvisvaart was toen vaak de laatste toevlucht voor misdadigers en sociaal verstotenen. Al moet hij radeloos geweest zijn, toch trok ook het avontuur hem aan op deze reis van meerdere jaren zonder duidelijk doel.
De tocht leidde hem naar Rio de Janeiro, Kaap Hoorn en de kusten van Zuid-Amerika. Maar Herman was niet gelukkig. Hij vond de condities aan boord onverdraaglijk en toen het schip aanlegde op een van de Markiezeneilanden (juli 1842), deserteerde hij samen met een vriend, anderhalf jaar nadat ze voor het eerst aan boord gegaan waren.
Ze doolden rond op het eiland en kwamen per vergissing terecht bij de Typees, een stam die gekend was voor hun kannibalisme. Een maand lang werden ze hier gevangen gehouden tot ze bevrijd werden door de bemanning van een Australisch walvisschip.
Of het allemaal met de werkelijkheid strookt is moeilijk te zeggen. Op het eerste zicht lijkt het nogal vreemd dat kannibalen hen zo lang in leven lieten. Volgens Melville was dit uitsluitend te danken aan het feit dat ze hen eerst wilden vetmesten. Er zijn natuurlijk de getuigenissen van de Australische bemanningsleden maar in hoeverre die betrouwbaar zijn is niet duidelijk.
Aan boord van het Australische schip waren de condities nog slechter: een ziekelijke kapitein, een voortdurend dronken stuurman en een muitende bemanning. Na het aanmeren in Papeete, weigerde Melville verdere dienst. Hij werd opgesloten in een primitieve gevangenis en voor de rechter gebracht. Uiteindelijk “liet men hem toe” te ontsnappen zodat hij aan boord kon gaan van een schip dat naar Amerika zeilde.
Samen met een scheepsmaat ging hij echter aan land op het eiland Moorea, waar ze als zwervende strandjutters hun dagen vulden, tot men Melville inhuurde als harpoenist tot aan de volgende haven.
Hij belandde op Hawaii waar hij een winkel in droge voeding uitbaatte. De belofte op een vlugge terugreis naar huis, overtuigde hem in te schepen op het fregat United States. Het duurde echter meer dan een jaar vooraleer het schip Boston bereikte.
Begenadigd verteller
Terug in Amerika, begon Melville aan het neerschrijven van zijn belevenissen. “Typee: a peep at Polynesian life” (1846) vertelde over zijn verblijf bij de kannibalen. Ook al had Melville nooit een stuk mensenvlees achter hun tanden zien verdwijnen, toch maakte hij gebruik van hun reputatie om meer suspense in zijn verhaal te brengen. Hij gaf pittoreske beschrijvingen en details, opgeslagen in zijn herinnering of overgenomen uit werken die hij raadpleegde.
De opvolger “Omoo, a narrative of adventures in the South Seas” (1847) en ook “Mardi” (1849) verhaalden over zijn lotgevallen in Tahiti.
Met zowat al zijn belevenissen te boek gesteld kwam Melville voor een probleem te staan. Als hij verder wilde blijven schrijven zou hij verhalen moeten verzinnen. En dat lukte niet al te best. Toch zette hij zich met geforceerde energie aan het schrijven.
Een bijkomende impuls was zijn relatie met Elisabeth Shaw, de dochter van de hoofdrechter van Massachusetts. Na hun huwelijk gingen ze in New York wonen waar Herman een huis kocht dat groot genoeg was om zijn uitgebreide familie in onder te brengen.
Moby Dick
Van dan af gaf Melville zich weer volledig aan het schrijven van romans, waaronder waarschijnlijk zijn bekendste, “Moby Dick” dat oorspronkelijk als “Moby-Dick” werd gepubliceerd in 1851. Het verhaal over het conflict tussen kapitein Ahab en Moby Dick, een grote witte walvis die ooit een van Ahab’s benen afrukte, is gekend: Ahab is uit op wraak en gaat wanhopig op zoek naar zijn vijand.
The novel seems to begin with a false start: Queequeg, the cannibal who sells shrunken heads from the South Sea, has a large part in the first chapters, written in the first person by Ishmael (the opening line: “Call me Ishmael” is world famous). Queequeg is prominent early in the novel, but later fades in significance, as does Ishmael.
In the opening paragraph of “Moby Dick”, Ishmael tells the reader that he has turned to the sea out of a feeling of alienation from human society. In the last line of the book, Ishmael also refers to himself symbolically as an orphan. What happened?
It seems that Melville began writing a book on whales and then changed his mind. After his moving to Massachusets he came under the influence of Nathaniel Hawthorne (he reviewed “Mosses from an Old Manse” uit 1846) and Thomas Carlyle (vooral “Sartor resartus” uit 1831) and he was impressed by the idea that all visible things are emblems of the invisible and spiritual reality: “All visible things are but as paste-board masks.” (Melville)
The whale, being the biggest thing in creation, became for Melville (who was a non-practising Unitarian) a symbol for God. Good and evil being united in one. (And why is the whale “white”? You can read this in chapter 42.)
As a consequence, Melville dedicated his novel to Nathaniel Hawthorne (compare the chapter “Candles” with Hawthorne’s “Young Goodman Brown”), shifted his point of view (third person instead of first person) and included references to biblical characters. Furthermore there is an influence of William Shakespeare (certain passages are dramatized) and of Samuel Taylor Coleridge (the idea of organic art, chapter 63).
The main story was primarily based upon a story about “Mocha Dick, the white whale” by an ex-naval officer, Jeremiah Reynolds, in a magazine in 1839. Other sources were “Miriam Coffin” (1835) by Joseph Hart, “Etchings of a whaling cruise” (1846) by Ross Brown and other books on oetology (the study of whales). And of course his own adventures on the Acushnet. Pequod is taken from Owen Chase’s narrative of “the most extraordinary and distressing shipwreck of the whale-ship Essex”: on November 20, 1820, the Essex encountered a sperm whale, which rammed the ship and sank it. With food running out, the survivors resorted to cannibalism. By the time the last of the eight survivors were rescued on April 5, 1821, seven sailors had been eaten. In 2013 werd dit verhaal verfilmd als “The whale” door Alrick Riley. Met Martin Sheen in de rol van degene die het verhaal vertelt aan Melville.
Death and what lies beyond
Melville died at his home in New York City early on the morning of September 28, 1891, age 72. The doctor listed “cardiac dilation” on the death certificate. He was interred in the Woodlawn Cemetery in The Bronx, New York. A common story says that his New York Times obituary called him “Henry Melville”, implying that he was unknown and unappreciated at his time of death, but the story isn’t true.
It is true, however, that from about age thirty-three, Melville ceased to be popular with a broad audience because of his increasingly philosophical, political, and experimental tendencies. He was a pessimist in an overall optimistic age (“The Guilded Age”) after the Civil War.
The attitude of the public changed however when his novella “Billy Budd, Sailor”, unpublished at the time of his death, was published in 1924. Later it was turned into an opera by Benjamin Britten and still later into a play and a film by Peter Ustinov. About the same time (1926) the first film-version of “Moby Dick” saw the light, be it as “The Sea Beast” with John Barrymore as Captain Ahab. Barrymore played also the leading role in the first “talkie” version, this time released as “Moby Dick”, just as all the versions that followed. In the first place there was the 1956-version with Gregory Peck as Captain Ahab, which remained the most popular version, even though there were other attempts in 1978 (with Jack Aranson as Ahab and another 12 characters) and in 1998 (with Patrick Stewart as Captain Ahab).

Lees verder “Herman Melville (1819-1891)”

William Shakespeare (1564-1616)

46 Shakespeare400 years ago today William Shakespeare has died (in fact it’s a guess: we don’t really know when he died, but he was burried on April 25). This is an occasion to draw the attention to the articles I’ve written about the Great Bard. Some are in Dutch other in English. Hoe dan ook, dit is een overzicht van de artikels die ik aan hem heb gewijd…
Lees verder “William Shakespeare (1564-1616)”

355 jaar geleden: de eerste vrouw op scène

Lely_margret_hughes

Wie de succesrijke film “Shakespeare in love” heeft gezien, heeft daaruit wellicht het best onthouden dat het spel van de geslachten in Shakespeares tijd vreselijk ingewikkeld was. Op het toneel, wel te verstaan. Er was de verordening dat alleen mannen toneel mochten spelen, zodat automatisch alle vrouwenrollen door mannen (knapen als het meisjes betrof) dienden te worden gespeeld. Welnu, vandaag precies 355 jaar geleden was de eerste vrouw op scène te zien, met name in de rol van Desdemona in “Othello” van Shakespeare (die op dat moment al bijna een halve eeuw dood was). De vrouw in kwestie was wellicht Margaret Hughes (portret van Peter Lely), al citeren andere bronnen Anne Marshall.
Lees verder “355 jaar geleden: de eerste vrouw op scène”

Richard III (1452-1485)

Het is vandaag precies 530 jaar geleden dat de Engelse koning Richard III op een bijzonder gewelddadige wijze aan zijn einde kwam op het slagveld van Bosworth. Op de schedel van Richard werden acht verwondingen ontdekt van slagen met een zwaard en een hellebaard, een groot middeleeuws steekwapen. Nadat hij met een zwaard gedood was, werd zijn lijk nog eens naakt op een paard gelegd en van het slagveld naar de stad gereden. Om te tonen ‘dat hij echt dood was‘.
Lees verder “Richard III (1452-1485)”