Louie Bellson (1924-2009)

Louie Bellson (1924-2009)

Vandaag is het al tien jaar geleden dat de Amerikaanse drummer Luigi Paulino Alfredo Francesco Antonio Balassoni, beter bekend als Louie Bellson, is gestorven. Veel weet ik niet van hem af, de reden waarom ik dit in herinnering breng, is dat ik hier nog twee drumsticks heb liggen met zijn naam op. Die heb ik mij gekocht bij Rudi Pincé, dat fameuze jaar dat ik mij had voorgenomen om drumles te gaan volgen op de academie van Sint-Niklaas (ergens in de jaren zeventig).

Collega-drummer Patrick Wante weet daar iets meer over te vertellen: “Louie Bellson had daar een drumclinic gegeven, kort na de opening (ik was er bij). Hij was een van de beste big-band drummers van zijn tijd, de eerste met dubbele basdrum. Ook de eerste blanke drummer in het orkest van Duke Ellington en een goede studiomuzikant, de geprefereerde drummer van Lalo Schifrin. Zijn probleem was dat hij steeds in de schaduw stond van de exuberante Buddy Rich.”
Ik vroeg hem dan ook of hij enig idee had wie mijn leraar wel kan geweest zijn? Hij zag er erg a-typisch uit voor een drummer. Ik bedoel: heel doorsnee en met kort geknipte haren. Ik meen me te herinneren dat ik hem heb gevraagd of hij soms bij een of ander groepje speelde en dat hij ontkennend heeft geantwoord. Misschien was hij eerder een klassieke slagwerker?
Patrick Wante: “Als hij ook nog een snorretje had kan het Frans De Witte geweest zijn. Die woonde toen aan het begin van de Krijgsbaan. En in Sint-Niklaas kan het Eddy Van Can geweest zijn, uit De Klinge.”
Geen snorretje, meen ik me te herinneren, dus laten we het maar op die Eddy houden. Kan je daar iets meer over vertellen?
Patrick Wante: “Als het Eddy was dan speelt hij ook nog gitaar. Klassieke percussionist van hoog niveau, maar verder houdt van muziek van de sixties. Ik kom hem af en toe nog eens tegen, hij moet nu ergens vooraan in de zestig zijn.”
(met dank aan Facebook)

Lees verder “Louie Bellson (1924-2009)”

Bobby Troup (1918-1999)

Bobby Troup (1918-1999)

Het is vandaag precies twintig jaar geleden dat in Harrisburg (Pennsylvania) de pianist, componist en acteur Robert William “Bobby” Troup Jr. is overleden. Hij staat het best bekend als de schrijver van het nummer Route 66, maar hij schreef voor (de hoezen van) Julie London ook Cry me a river (foto).

Zijn eerste muzikale succes boekte Troup met het nummer Daddy, een regionale hit in 1941. Sammy Kaye and His Orchestra nam het nummer op en Glenn Miller voerde het live uit op de radio. Hetzelfde jaar schreef Troup het nummer Snootie Little Cutie, opgenomen door Frank Sinatra en Connie Haines. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende Troup als kapitein in het marinierskorps van de Verenigde Staten.
In 1946 schreef Troup het nummer Route 66. Het werd een grote hit voor Nat King Cole. Chuck Berry nam zijn versie in 1961 op, deze diende in 1964 als inspiratie voor The Rolling Stones om hun versie op te nemen.
In 1955 schreef Troup het nummer Cry Me a River, dat Julie London opnam. Vijf jaar later trouwden zij met elkaar. De jaren zestig en zeventig waren geen commercieel succes, wel nam hij een aantal nummers voor Liberty Records en Capitol Records op.
In de mid-jaren vijftig was Troup al paneelbediende geweest in de spelshow Musical Chairs. Ook speelde Troup in de film The Gene Krupa Story de rol van Tommy Dorsey. Zo stapte hij in de jaren zestig over op televisiewerk. Hij had een succesvolle cameo in de film M*A*S*H en dankzij Jack Webb speelde Troup mee in een aflevering van Murder Investigation. Later, ook dankzij Jack Webb, kreeg hij de rol van Dr.Joe Early in de televisieserie Emergency!
Bobby Troup overleed in 1999 in het UCLA Medisch Centrum aan een hartinfarct. Hij werd begraven in de Forest Lawn Memorial Park in Hollywood Hills. (Wikipedia)

Lees verder “Bobby Troup (1918-1999)”

Adolphe Sax (1814-1894)

Adolphe Sax (1814-1894)

Het is 125 jaar geleden zijn dat in Parijs Adolphe Sax is overleden…

En zo is er dit jaar weer een Sax-jaar, nadat dit ook al het geval was in 1994 omdat het toen op 4 februari precies honderd jaar geleden was, dat de brave man was gestorven. In Gent, meer bepaald in Oudburg, wou men destijds niet achterblijven. Pascal Vandelanote was nog jong en dynamisch genoeg om een evenement uit de grond te stampen dat de nodige ophef maakte. Op 15 augustus 1994 brachten in het kader van de Patersholfeesten immers niet minder dan 120 saxliefhebbers (opletten voor zetfouten) hun geliefkoosde instrument aan hun lippen om een compositie te horen brengen die Gent en omstreken met verstomming sloeg. Toen hij begin juni van de plannen van Vandelanote hoorde, heeft buurtbewoner John Gilbert Colman immers spontaan aangeboden een ode aan Sax van zes minuten te schrijven. “O’de Sax” heet ze, met een knipoog naar de sponsoring door de verzamelde jenevers van Oost-Vlaanderen “O’de Flandres”. Centraal staat daarbij het plezier van het spelen. De moeilijkheidsgraad werd daarom zo laag gehouden dat men na één jaar studie reeds kan meespelen.

1994 was dus hét Sax-jaar, maar wellicht kwam dat ook omdat in 1941 de kop van de mensen er niet naar stond om veel te herdenken. Nochtans was dàt jaar veel meer geschikt geweest, want honderd jaar dood zijn dat kan iedereen, maar een instrument uitvinden, dàt is andere koek. En wàt voor een instrument dan nog!

Lees verder “Adolphe Sax (1814-1894)”

Billy Tipton (1914-1989)

Billy Tipton (1914-1989)

Het zal morgen ook al dertig jaar geleden zijn dat Billy Tipton is overleden. Who the fuck is Billy Tipton? denk je nu en niet ten onrechte, het is één van de grote mysteries uit de muziek. Uit de jazzmuziek om precies te zijn…

Jazz is lange tijd bijna uitsluitend een mannenzaak geweest. Gezien de ontstaansgeschiedenis zaten vrouwen zoals de pianiste Mamie Desdoumes in de oertijden zelfs ergens in de schemerzone tussen entertainment en prostitutie. Iedereen weet stilaan wel wat “jazz” eigenlijk betekent en dat het een activiteit is die in de bordelen van New Orleans ontstond en later in de nightclubs ging het er niet veel anders aan toe, zoals de film “Lady sings the blues” (over het leven van Billie Holiday) ons leert.
De eerste jazzvrouw met een zekere reputatie was Lil Hardin, pianiste bij King Oliver en in die tijd ook getrouwd met Louis Armstrong. Niet zelden was het trouwens een huwelijk dat de deur van de jazz voor vrouwen opende, b.v. ook voor de legendarische pianiste en arrangeur Mary Lou Williams. Typisch is trouwens dat de inbreng van de vrouwen zich meestal beperkte tot zang of piano, wat – in tegenstelling tot de tuba – als een “vrouwelijk” instrument werd beschouwd.
In de jaren twintig ontstonden er ook zuiver vrouwelijke jazzgroepen, maar die konden zelden een alternatief zijn: promotoren en publiek zagen er algauw niet meer in dan een curiosum, niets om muzikaal echt ernstig te nemen. Denken we maar aan de manier waarop het vrouwenorkest in de film Some like it hot wordt voorgesteld. Het was zelfs zo erg dat Dorothy Lucille Tipton uit Oklahoma een mannelijke identiteit aannam (Billy Tipton) om sax te kunnen spelen in de big bands in het midden van de jaren dertig (b.v. Jack Teagarden). Later vormde hij ook nog een trio onder zijn eigen naam, waarbij hij ook piano speelde. Toen hij overleed op 21 januari 1989, wisten zelfs zijn drie vrouwen en drie (geadopteerde) zonen niet dat hij eigenlijk een vrouw was.
In de jaren veertig werd de trompettiste Tiny Davis de vrouwelijke Louis Armstrong genoemd, maar ze werd niet naar waarde geschat. Evenmin trouwens als haar vriendin, de slagwerkster Ruby Lucas, waarmee ze meer dan veertig jaar samenleefde. In 1988 draaide Andrea Weiss de documentaire “Tiny and Ruby: Hell Divin’ Women” over hen.
Over het algemeen waren de swingbands uiteraard een mannenaangelegenheid. Sommige orkesten hadden wel zangeressen (Peggy Lee, Sarah Vaughan, Dinah Washington, Dinah Shore, zelfs Dorothy Lamour bij Herbie Kay, tevens haar eerste echtgenoot), maar deze wogen niet op tegen het succes van crooners als Bing Crosby of Frank Sinatra. Bovendien werden ze aangetrokken als “kanarie” (Didier Wijnants in “De Morgen) om de commerciële aantrekkingskracht van de band te vergroten.
In de marge van de populariteit van de swing kende ook de classic blues enige bijval. Charles Keil merkt op dat de vrouwen (Billie Holiday, Bessie Smith, Ma Rainey) hier “bevoordeeld” waren, maar dan toch op een zeer dubieuze basis: een blanke mocht wel “heet lopen” van een zwarte zangeres, een blanke vrouw mocht echter niet opgewonden raken door een zwarte zanger. Later kregen we dan toch een aantal vertolksters die hun roem louter aan hun vocale capaciteiten dankten: Ella Fitzgerald, Anita O’Day, Carmen McRae…
Wat componisten betreft, moet Carla Bley zowat de enige zijn. In eigen land is er de pianiste Claudine Simon met haar groep Lilith, die evenwel buiten haarzelf uit negen mannen bestaat!

Lees verder “Billy Tipton (1914-1989)”