Geert Stadeus wordt 55…

Geert Stadeus wordt 55…

Nog niet zo lang geleden was het vijftien jaar geleden dat de eerste Snoecks van de persen rolde die onder de hoede van Geert Stadeus (links op bovenstaande foto van Anna De Swaef) was tot stand gekomen. Voor zover ik weet heeft hij nu nog altijd de touwtjes in handen en bovendien viert hij morgen zijn 55ste verjaardag.

Lees verder “Geert Stadeus wordt 55…”

Wie schrijft, vertrekt

87 ward ruyslinckVandaag is het dertig jaar geleden dat mijn laatste artikel voor De Rode Vaan is verschenen. Ik had het de toepasselijke titel “Wie schrijft, vertrekt” gegeven, ook al verzin ik in de inleiding daarvoor een totaal andere reden dan wat het werkelijk betekende. Het klopte overigens ook niet. Het bleek uiteindelijk mijn laatste artikel als vaste redacteur te zijn geworden, want na mijn desastreuze avonturen bij De Batselier bleek ik al vlug weer op de journalistiek aangewezen om aan de kost te komen. Als free-lancer mijn stukken kwijt raken in de burgerpers, zoals wij die kranten en weekbladen destijds noemden in De Rode Vaan, bleek niet zo makkelijk te zijn en al gauw kwam ik alweer bij De Rode Vaan terecht, maar deze keer dus als losse medewerker.
Lees verder “Wie schrijft, vertrekt”

Veertig jaar geleden: brief aan Ward Ruyslinck over “De ontaarde slapers”

Veertig jaar geleden: brief aan Ward Ruyslinck over “De ontaarde slapers”

Ik heb het enkele dagen geleden nog maar gezegd: in 1977 was ik een beetje hyperkinetisch en vooral erg naïef. Enkele dagen nadat ik Louis Paul Boon naar het Atheneum van Dendermonde trachtte te halen om over zijn Onkruid-boeken te praten, deed ik hetzelfde met Ward Ruyslinck. Bij hem zou het over “De ontaarde slapers” gaan. Uiteraard kreeg ik ook hier nul op het rekest…
Lees verder “Veertig jaar geleden: brief aan Ward Ruyslinck over “De ontaarde slapers””

Snippertjes

88 de rode vaanDat ik in de oude Rode Vaan af en toe ook nog eens moest inspringen voor de Snippertjes, het satirische rubriekje als opvolger van de Minibrokjes, dat herinner ik me nog wel, maar aangezien die niet ondertekend waren en ik er ook niet per se mijn ei in kwijt kon, heb ik die bijdragen niet bijgehouden. Dat ik echter ook in de nieuwe Rode Vaan eens deze rubriek heb gevuld, daarvan ben ik toch wel verwonderd. Ook hier was die rubriek niet ondertekend, dus het zou net zo goed iemand anders kunnen zijn geweest, maar ik herken sommige van mijn stokpaardjes. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om ook de colofon van de nieuwe Rode Vaan (die ernaast stond) eens over te nemen, zodat men kan vaststellen welke medewerkers de overstap hadden gemaakt en welke niet. (Ik heb helaas geen illustratie gevonden voor de nieuwe Rode Vaan – zelf heb ik er ook geen bijgehouden – daarom heb ik maar teruggegrepen naar een heel oude Rode Vaan, toen de Ronde van Frankrijk nog voorpaginanieuws was! Dàt waren nog eens tijden!)
Lees verder “Snippertjes”

De geruchten

In 1994 werden ook nog de verzamelde gedichten 1948‑1993 van Hugo Claus uitgegeven (De Bezige Bij, Amsterdam 1994). Daarin o.m.
“Kent gij het oei‑oei‑vogeltje,
Het heeft korte pootjes en het zegt oei‑oei
Omdat het over de vloer sleept met zijn klootjes.”

(Hugo Claus, fragment uit BRIEF)
Dat jaar sterft ook Herman de Coninck, terwijl hij met Claus de straten van Lissabon afschuimt. Claus wordt gelast het trieste nieuws door te bellen naar Kristien Hemmerechts, maar hij is daar echt niet goed in (Jan Decleir in Humo van 30/3/2004: “Hugo gaat nooit naar begrafenissen, maar hij zit in het café ertegenover.”) en na afloop van het telefoongesprek heeft Hemmerechts nog steeds niet door dat haar man dood is…
Begin 1995 kreeg Hugo Claus in Amsterdam officieel de titel “Meester” toegekend als eerste Vlaming. Vóór hem mochten enkel Jacobus van Looy, P.C.Boutens, Simon Vestdijk, Henriëtte Roland-Holst en Ida Gerhardt deze titel dragen, al veronderstel ik wel dat de laatste twee eigenlijk “meesteressen” zijn…
In 1996 verscheen dan de roman “De Geruchten”, die volgens bepaalde geruchten opnieuw het niveau van “Het verdriet van België” zou halen.
Lees verder “De geruchten”

“Het dal van Hinnom” van Ward Ruyslinck

Casimir Roozeboom is werkloos. Z’n dochtertje Guusje, koosnaam Libelle, heeft de blauwziekte en zal overlijden daar hij geen geld heeft voor een operatie. Hij woont boven de Floersen, begrafenisondernemers en typische middenstanders. De vrouw van Floers, Judith, is een echte tang en zij is dan ook de eigenlijke huisbewaarster. Vertegenwoordigers van de hogere burgerij zijn de Corsicaanse matrassenfabrikant Da Spicca en de jutefabrikant Jaspers.
Floers bezorgt Casimir een baantje als kerkhofbewaker. Maar langzamerhand wordt Casimir krankzinnig op dat kerkhof. Het hoogtepunt van zijn krankzinnigheid komt er na de dood van zijn dochtertje. Drie maanden nadien graaft hij het lijkje op en gaat ermee naar de bisschop. Als gevolg hiervan komt hij in een krankzinnigengesticht terecht.
Judith schrijft hem een brief waarin zij insinueert dat zijn vrouw Noëlla zich liederlijk gedraagt. Roozeboom ontsnapt en vindt Noëlla bij zijn goede vriend Zapotin. Hij vermoordt hem.
Da Spicca heeft een heliumballon in de vorm van een matras boven de stad gehangen. Dit symbool voor de overheersing van het Kapitaal wordt echter neergebliksemd. Da Spicca is geruïneerd en bovendien sterft zijn zoontje aan de miltziekte. Ook Da Spicca wordt krankzinnig en komt bij Casimir terecht. Als hij zich heeft verhangen, maakt Casimir van de gelegenheid gebruik om opnieuw te ontsnappen.
Jaspers, wiens vrouw is gestorven, blijft de secretaressenverleider bij uitstek en verleidt dus ook Noëlla, die hem nodig had om haar man te kunnen bezoeken (maar Jaspers heeft haar daar niet bij willen helpen).
Zo eindigt mijn samenvatting en ik vraag me af of ik soms slechts een fragment van het boek heb gelezen. Ik geef ook geen enkele verklaring voor de titel. Wel heb ik eraan toegevoegd dat er elementen van Ruyslinck zelf in Casimir zitten. Zo heeft Ruyslinck enkel maar de eerste kandidatuur van de Germaanse gevolgd in Gent en is daarna moeilijk aan werk geraakt. Ik wijs ook op de vele neologismen en de zwakke dialogen. Die zijn beter in het daaropvolgende “De stille zomer” (uit 1962), voeg ik eraan toe.