Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Natuurlijk was “Wie schrijft, vertrekt” niet mijn enige artikel in De Rode Vaan van 3 maart 1989. Er was b.v. ook nog “Markiespijn”, waarover ik het reeds heb gehad, of het interview met Lode De Pooter. En dan ook nog in de filmrubriek die ik van deze laatste had overgenomen, een stuk over de documentaire over John Lennon, “Imagine”, en over de film van Robbe de Hert, “Blueberry hill”.
« Eigenlijk gaat deze film over roddel. Over hoe een maatschappij ten onder gaat aan roddel. » Robbe De Hert over « Blueberry Hill » toen we hem deze zomer gingen opzoeken tijdens een draaidag in Gent (zie r.v.nr.34). De maatschappij waarover hij het heeft is die van de jaren vijftig. Een maatschappij waartegen jongeren rebelleerden. In « Blueberry Hill » vertolkt Michaël Pas (foto rechts) de rol van Robin De Hert, de Antwerpse rebel met het peperkoeken hart. In die andere havenstad, Liverpool, speelt John Lennon (foto links) zijn eigen rol. Die overigens pas in de jaren zestig zal doorwerken op wereldvlak. De film « Imagine » geeft er een eerlijk en juist daardoor ontroerend beeld van.
ALHOEWEL deze paar gegevens reeds voldoende zouden zijn om deze twee films in één adem te behandelen, zijn er nog een paar thema’s die op die manier een speciale invalshoek krijgen. Laten we beginnen met de titels, niet toevallig tweemaal een grote hit. Bij John Lennon lag het voor de hand : niet alleen vat « Imagine » de positieve kant van zijn karakter uitstekend samen (er is ook nog een « dark side » maar daarover zo dadelijk meer), maar bovendien is de periode van de opname van deze elpee het uitgangspunt geworden voor de documentaire van Andrew Solt (ook de maker van « This is Elvis »). Op last van Yoko Ono was er op hun prachtige verblijf in Ascot immers een professionele filmploeg aanwezig die alles registreerde: de plaatopname (door Phil Spector), maar ook de vrijpartijen en zelfs gewoon de maaltijden. Vertrekkende van dit kwalitatief uitstekende materiaal, dat weliswaar niet « objectief » is, maar toch afstandelijk genoeg om in et geheel te passen (b.v. de kibbelpartij met de technicus), heeft Solt een uitstekende documentaire samengesteld uit de meer dan 200 uren film die hem door Yoko Ono ter beschikking werden gesteld. Hij had overigens maar met dit titanenwerk ingestemd op voorwaarde dat hij de vrije hand zou krijgen. En dat is ook zo gebeurd. Over de zwartste periode in Lennons leven (het zogenaamde « lost weekend » toen Yoko hem de deur had gewezen) is men weliswaar kort (o.m. omwille van het ontbreken van beeldmateriaal), maar voor de rest worden Johns onhebbelijkheden niet met de mantel der liefde toegedekt (de passage over de ruzie met Paul McCartney is schrijnend), maar precies daardoor komt hij over als een mens zoals u en ik en niet zoals de halfgod die hij voor sommigen is geweest. En precies daardoor ontroert de film.
Bij Robbe De Hert ligt dat dus helemaal anders. Beginnen we bij de titel. Reeds tijdens de opname wist hij ons te vertellen dat er moeilijkheden waren wat copyright betreft. Uiteindelijk houden we nu een film over zonder de klassieker van Fats Domino, zelfs zonder een verwijzing ernaar. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Daarbij komt nog dat Jan Leyers van Soulsister als componist werd aangetrokken (een gelukkige beslissing overigens!) en dat het lanceerfilmpje van « Blueberry Hill » dan ook in de zalen te zien is met daarop de hit van Jans groep geplakt, « The way to your heart ». Ook van dit nummer is in de film zelf echter geen sprake. Maar niemand schijnt dat erg te vinden.
Dat het hoofdpersonage Robin heette, viel ons tijdens het draaien reeds op, maar nu blijkt zelfs dat hij — zoals in Vlaanderen gebruikelijk — veel meer met zijn familienaam wordt aangesproken en die is… De Hert, jawel. Een misschien ietwat ongelukkige ingreep, ook al is het duidelijk dat de inbreng van Walter van den Broeck in het scenario zo groot is dat men bij koele analyse moeilijk kan aannemen dat men tussen Robin en Robbe zo maar een gelijkheidsteken kan plaatsen. Tijdens de film zelf evenwel (en dan vooral bij dit soort films) staat het verstand op nul en is het de emotie die het voor het zeggen heeft. En dan is het al veel moeilijker om die afstandelijkheid tegenover het hoofdpersonage (overigens uitstekend vertolkt door Michael Pas) te bewaren. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Zeker niet tijdens de zondagnamiddagvertoning die wij « meemaakten » en waaruit blijkt dat er dertig jaar later nog niet zo heel veel is veranderd. In het halfduister worden er nog altijd wereldrecords tongkussen gevestigd en graait men lustig in broekjes en bloesjes. Om nadien klappen te krijgen thuis. Geen wonder dat de zaal afgeladen vol zit, dat men met volle teugen geniet en — vooral — dat men zich nog steeds kan identificeren met de rebellenclub die daar ten tonele wordt gevoerd.
Typisch voor beide films is ook de, wat we zouden kunnen noemen, « ouvrieristische » sfeer waarin ze baden. In de « vakschool » van Robbe is dat eigenlijk niet meer dan normaal en buiten de sympathieke portrettering van dat milieu valt er niet veel méér over te zeggen. Bij John Lennon gaat het echter veel verder. Vooral in de discussie met de journaliste van The New York Times over zijn vredesengagement (zij stelde dat vredesactivisme toch ietwat meer is dan in bed te liggen en daarmee de voorpagina van alle kranten te halen) blijkt een virulent anti-intellectualisme. Lennon bevindt zich daarmee overigens in goed gezelschap. Alleen al het voorbije weekend hoorden wij Raymond van het Groenewoud in zijn soloprogramma en Hugo Claus bij Adriaan Van Dis zich in dezelfde weinig vleiende bewoordingen over intellectuelen in het algemeen en studenten in het bijzonder uitdrukken.
Een speelfilm bevat echter uiteraard wel een aantal elementen die niet zo maar naast een documentaire kunnen worden geplaatst, zeker niet daar « Blueberry Hill » zich heel duidelijk als een romantische film afficheert en niet als een soort van docudrama over de jaren vijftig. Daarom tot slot toch nog even speciale aandacht voor deze eigen Belgische productie. Voor het grootste gedeelte, laten we zeggen voor 75%, kunnen we ons zeker laten meeslepen door het verhaal, vooral dus door de grote herkenbaarheid van het scenario en door de « warme » manier waarop het in beeld werd gebracht. Babette van Veen is inderdaad de blonde schoonheid die Hitchcock Robbe mag benijden (nooit gedacht dat vader Herman tot zo een prachtprestatie in staat zou zijn geweest) en haar gekuist Antwerps laat op geen enkel moment haar Hollandse afkomst vermoeden. Tenzij haar stem gedubd zou zijn uiteraard, maar daaraan twijfelen we, want dat is bij de Franse lerares Myriam Meszières zo onhandig gebeurd dat alleen het feit dat de Franstalige versie (waarin dus de Vlamingen werden gedubd) nog veel slechter is, ons met deze miskleun kan verzoenen. En het is natuurlijk grappig om de klungelige huisbewaarder Ronny Coutteure met de stem van directeur Thienpont te horen praten.
De love-story tussen Michael/Robin en Babette/Cathy die op de prachtige affiche prijkt, is dramatisch eigenlijk toch wel ondergeschikt aan de « avonturen » die zich in de vakschool afspelen. Centraal daarin staat de rol van de tirannieke secretaris, schitterend vertolkt door Frank Aendenboom, die op basis van « roddel » o.m. in conflict komt met de lerares Frans en vooral met de « homofiele » leerling Eddy (Gert Nevens). Deze laatste wordt echter vanuit dramaturgisch standpunt iets te vlug tot zelfmoord gedreven en de « opstand » tijdens zijn begrafenis doet de film dan helemaal kantelen. Hier werkt de realistische aanpak juist tegen De Hert. Als hij dan toch aan overdrijven toe was, kon hij misschien beter volledig uitfreaken, zoals Lindsay Anderson in « If » b.v.
Jammer van het ontluisterende effect op het einde, want voor het overige is « Blueberry Hill » in dezelfde mate als « Imagine » het bekijken waard. Vooral de meisjes zullen er wat aan hebben, al was het maar wegens « de schone prins » Oliver Windross die, helaas voor hen, geen verdere carrière in de film ambieert. En als we zelf ooit een film draaien dan noemen we de slechterik Stafke van den Broeck. Goed geweten! (*)

Lees verder “Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub””

Paul Michiels wordt zeventig…

Paul Michiels wordt zeventig…

Vandaag wordt Paul Michiels ook reeds zeventig jaar, al is het hem nog altijd niet aan te zien.

Paul Michiels werd geboren in Heist-op-den-Berg, waar hij zijn bijnaam Polle Pap heeft hij te danken aan het feit dat hij zijn vader vergezelde op diens melkronde. Omdat zij vooral in het Brusselse optraden stichtte hij in 1964 “Les Jeunes”, waarvan ook Peter West deel uitmaakte die als Leopold Nijs immers eveneens was geboren in Heist-op-den-Berg op 3 december 1949. De naam “Les Jeunes” gaat weliswaar terug op “The Young Ones” van Cliff Richard, maar in feite bracht men toch vooral het Beatle-repertoire. Na zijn legerdienst in 1967 schakelde Michiels over op het meer psychedelische repertoire met Purple Bus (naar The Honeybus). Dat duurde tot 1969 en toen trok hij zich voor een eerste keer terug uit de muziek. Toen in 1974 René Vlayen echter een klavierspeler zocht om twee Engelsen te begeleiden die hij als Octopus had doen overkomen, stapte Michiels weer in de business. Ondanks (of juist dankzij) de platte pop die ze produceerden, hadden ze veel succes, maar hun grootste succes (“I’m so in love with you”, de vertaling van “Ik ben verliefd op jou” van Paul Severs!) in 1979 was tevens hun laatste. Michiels trok er opnieuw uit en probeerde het op z’n eentje. In 1980 kreeg “Females” (onder de naam P.P.Michiels) de prijs van de grootste zomerhit, ook al veroorzaakte de clip in “Hitring” schandaal omdat er zowaar een blote borst in was te zien! Paul Michiels verdween opnieuw tot hij in 1984 door Firmin Timmermans en Jean Rousseau werd gevraagd om af en toe bij de LSP-band te zingen. Daar ontmoette hij Bart Peeters, die hem in contact bracht met zijn vriend Jan Leyers, die toen bij Beri-Beri speelde, samen met Romeo Spinelli (Dirk Degeest), Eddy Levens, Jan Cuyvers, Luc Van Tilborg, Billy Overloop en Jo Duchateau van Scooter. Even later was Soulsister geboren. Het feit dat “The way to your heart” in de Amerikaanse charts postvatte, liet een internationale doorbraak verhopen, maar die kwam er niet echt. In een recent interview op de VRT liet Paul Michiels zich ook ontvallen dat hij en Jan Leyers nooit echt vrienden werden, ondanks alle reünies die er later nog zijn gekomen.
Zelf heb ik Paul Michiels eens zien optreden in Vooruit. Ik dacht dat dit met één van de vroegste versies van Soulsister was (ik denk dat ze zich toen nog “The Soulsisters” noemenden). Ik was die avond in het gezelschap van de vrouw van Marijn Devalck (die op dat moment eigenlijk al niet meer zijn vrouw was) en na het optreden van Paul Michiels was ik haar plotseling kwijt. Min of meer hetzelfde gebeurde jaren later in de Gentse Plantentuin toen daar een afterparty werd gegeven voor de Nederlandse versie van de Tarzanfilm van de Disneystudio’s. Daarin zong Paul de liedjes die in het origineel door Phil Collins werden gezongen. Maar ook toen heb ik niet lang met hem gesproken. Paul had immers meer belangstelling voor de Gentse schepen Martine De Regge (zie bovenstaande foto)…

Referentie
Ronny De Schepper, Geen Tarzan in de lianen van de Plantentuin, Het Laatste Nieuws 15 oktober 1999

Lees verder “Paul Michiels wordt zeventig…”

Yoko Ono wordt 85…

Yoko Ono wordt 85…

“Wat ik nu zeg, meen ik: had Mark Chapman 60 centimeter opzij gemikt, dan was hij nu mijn held geweest. Na Yoko was niets nog hetzelfde: de vriendschap binnen de Beatles was kapot en Lennon ging ook vervélen. Hoor ik hem oh Yoko I love you zingen, dan denk ik: ik ben blij voor u, maar verveel mij niet. Toen ik onlangs de autobiografie van Cynthia Lennon las, dacht ik: het was toch wel een foute klootzak. Hoe kan de man die nummers als All you need is love geschreven heeft, zijn zoontje maanden op een telefoontje laten wachten?” (Jan Leyers in Humo)
Lees verder “Yoko Ono wordt 85…”

Tuut zei de trein en de statie vertrok

64 gianni bugnoZoals naar gewoonte opende de KNS ook haar 135ste speeljaar een beetje feestelijk. Op de affiche : « Romeo en Julia » in een vertaling, of beter een hertaling, van Hugo Claus. Wij reserveerden te laat voor de feestdis, zodat we pas naar de matinee op zondag konden. Maar zo kon ook de zoon van elf meteen mee voor een portie Shakespeare die ons eerder als een geheugensteuntje overviel dan als een hartverscheurend drama.
Lees verder “Tuut zei de trein en de statie vertrok”