Bart Peeters wordt zestig…

Bart Peeters wordt zestig…

Toen Bart Peeters vijftig werd, was dat in “Peter (Van De Veire) Live” en natuurlijk mocht daarbij Raymond van het Groenewoud niet ontbreken met een huldelied. Bartje begon zowaar te wenen van ontroering. Ik ook, eerlijk gezegd, maar ik zou in deze donkere dagen al huilen als een hert wordt doodgeschoten…

Grappiger was de toevoeging “net zoals ik nu” van Raymond in de uitvoering van “Meisjes”. Die opmerking maakte hij tussen neus en lippen na de fameuze zinsnede “ze komen zelden klaar meneer”. Waaruit nogmaals blijkt dat de bijbel gelijk heeft, als daar staat: wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan!
Bart Peeters’ verafgoding van Raymond van het Groenewoud is genoegzaam bekend, destijds kleedde hij zich zelfs als Raymond (de befaamde witrode slobbertrui), toen hij nog een groep vormde met Jos Verbist. In het NTG trof ik deze laatste dan ook herhaaldelijk bij de muzikale begeleiding aan en dan zowel op sax als op gitaar… “Ja, ik heb wel wat muzikale paden bewandeld, ja. In de tijd van de skifflegroepen b.v. En toen Bart Peeters als veertienjarig knaapje begon te drummen, hebben wij nog samen in een rockgroep gezeten. Maar dat was louter op amateuristisch niveau. Later ben ik dan saxofoon en piano beginnen spelen. Dat doe ik nu nog steeds, maar binnenskamers”.
Maar wat minder bekend is, is het feit dat “God save the queen” van The Sex Pistols voor Bart Peeters de jaren zeventig samenvat. “Auditief was er reeds ‘Lust for life’ geweest van Iggy Pop, maar het visuele aspect is voor mij erg belangrijk. Punk zelf is voor mij trouwens het belangrijkste verschijnsel van de jaren zeventig. Die teruggang naar de eenvoud, na al die verschrikkelijke symfonische groepen! Ik was toen veertien, vijftien jaar en ik had echt het gevoel dat rock dood was. Maar toen kwam dus dat live-optreden op televisie van The Sex Pistols en daar was ik compleet van ondersteboven. En verder voorspel ik – en dat meen ik écht – een heropleving van de glitterpop. Want hoe onfris het ook mag klinken, maar als je het imago van b.v. The Sweet of Slade wegdenkt, dan hebben die echt goede nummers gemaakt. Zelfs ‘Soley Soley’ van Middle of the Road vind ik heel mooi, al was hun imago afschuwelijk. Hoewel die korte broek van die mevrouw er wel mocht zijn.”
Bart Peeters debuteerde op televisie met de “BVBA Elektron”, maar bij het begin van het nieuwe schooljaar (1984-85) was het niet meer dan passend dat de stof van de vorige jaren nog eens werd doorgenomen. Giechelende retorica-leerling Bart Peeters ging dan ook zijn ouwe muziekleraar Roland Van Campenhout opzoeken, die helaas een beetje aan lager wal was geraakt en nu met blues spelen de kost moest verdienen. Maar dat paste juist goed want « Roots & Rock’n’Roll », dààrover zou het programma gaan (14/9/84) en blues moest dus zeker aan bod komen. En blues betekent afzien, ook dat paste dus erg goed. De ouwe meester had op zijn zolder nog wat vergeelde (maar zeer interessante) filmkes gevonden, terwijl de frisse knaap ook nog wat hedendaagse « vedetten » was gaan interviewen en het geheel werd gemixt door juffrouw Rita Goossens die ook in het kleuterklasje heel handig met schaar en lijm omspringt. Een « aardige » uitzending dus, omdat ze niet pretendeerde de wetenschappelijke documentaire te zijn die ze ook niet was. (De Rode Vaan nr.39 van 1984)
Later werd “Elektron” opgevolgd door “Villa Tempo”. Natuurlijk moest ook Groot Idool Raymond van het Groenewoud daarin eens zijn opwachting maken. In De Rode Vaan nr.3 van 1985 schrijf ik er het volgende over: “Heruitzendingen, we hebben er ons al dikwijls over geërgerd, maar dat ze soms hun nut hebben, werd bewezen door de speciale Villa Tempo-uitzending van 4-1, gewijd aan het « fenomeen » Van het Groenewoud, die we pas op 14-1 hebben kunnen meepikken. Speelt Bartje Peeters soms te veel solo-slim in de andere uitzendingen, dan moesten we nu vaststellen dat met een waardige tegenspeler er vele grappige effecten te bereiken vallen (de priester-dichter, de rondvaart op de reien…). Het speciale soort rock-humor (de punk-persiflage en de inbreng van Roland) zal wel nooit helemaal kunnen verdwijnen, maar zelfs dààrmee kan een intelligent iemand als RvhG ons verzoenen. En dan hebben we het nog niet eens over zijn capaciteiten als muzikant, componist en tekstschrijver gehad…”
En een beetje later in nr.16 van datzelfde jaar: “De vriendelijke oude heer die Stéphane Grapelli geworden is, blijft nog altijd een fenomeen in de vioolspeelkunst. Wij hebben dan ook met veel genoegen gekeken maar vooral geluisterd naar de beeldbandopname van zijn optreden in het Paleis voor Schone Kunsten die uitgezonden werd in het kader van de ontspanningsreeks « Nostalgia » (13-4). Het is hier niet de plaats om een discussie op te zetten over wat er al dan niet waardevol en blijvend is in het genre van « de lichte muziek ». Enkel weten wij dat aan « de hedendaagse goden » van « Villa Tempo » nooit met nostalgie zal teruggedacht worden. Zeker niet aan de « Killing Joke »-troep die tussen twee uitzendingen van Parijs-Roubaix het scherm onveilig mocht komen maken van Bartje Peeters (14-4). De grens tussen scherpe sociale kritiek en uitzichtloos nihilisme is door deze kerels wel ver overschreden. Ergst daarbij is dat een gedeelte van de jonge kijkers zich door deze mentaliteit laat aansteken. Hebben wij « Villa Tempo » een tijdje voor vorm en presentatie geprezen dan gaan wij steeds wantrouwiger staan tegenover zijn inhoud. « Love like blood » zegt ons niets. Vooral niet wanneer men ons « In the middle of nowhere » plaatst. Wij weten waar wij willen staan.
Ondertussen (1984) had men Bart Peeters ook al in Nederland ontdekt waar hij werd gevraagd voor “De Baanbrekers”, een programma waarin Peeters trachtte duidelijk te maken hoe je ook een zinvol bestaan kon leiden zonder te werken. In 1986 presenteerde Bart Peeters de loterijshow “Villa Valuta” op Veronica en een jaar later op de BRT “Bingo”, terwijl hij dan bij Veronica zowaar zijn eigen show krijgt.
In 1988 breekt Bart Peeters zelf ook muzikaal door met de Radio’s en “I’m into folk”. Eigenlijk is het op dat moment nog Bart Peeters, begeleid door Soul Sister, die dat jaar echter zelf internationaal doorbreken met “The way to your heart”, zodat Bart moet uitkijken naar eigen begeleiders. Dat worden dan in de eerste plaats de broertjes Mosuse, maar ook b.v. gitarist Danny Lademacher van Herman Brood’s Wild Romance.
Op de Kattekwaad-CD schrijft hij met “Karel” een loflied op Karel Theys, de aan de kant geschoven bassist bij Clouseau. Het lied wordt gezongen door zo’n typisch Clouseau-meisje (naar verluidt de dochter van zangeres Dani Caen) en zet je geruime tijd op het verkeerde been. Het lijkt wel de zoveelste liefdesverklaring aan het adres van Koentje, maar oeioei het blijkt uiteindelijk Karel te zijn. Dat moet ten huize Wauters zwaar aankomen!
Op “Turalura” zetten Bart Peeters en de Radio’s ook een fantastische versie van “Linda” neer, wat ikzelf overigens in een Tsjechische versie heb, gezongen door Tura zelf in een vertaling van Mirek Czerny!
Daarna schreef hij samen met Jan Leyers voor het NTG de rockmusical “Dokter De Vuyst” (première op 16/11/1991). Het NTG heeft een nieuwe directeur en aangezien nieuwe bezems goed keren, wordt er met deze creatie (een popversie van “Faust”, maar géén rock-opera!), gedaan alsof het hier een unicum betreft, maar in feite hebben beide reeds een aantal producties voor het KJT gemaakt. Bart heeft daar namelijk zijn burgerdienst gedaan en zo heeft hij (nog vóór Dirk Tanghe) “Romeo en Julia” b.v. bewerkt voor jongeren, samen met het orkest van Jan Leyers, dat toen nog niet Soulsister heette, maar The Crosswaters. En ook toen al verleende Hugo Matthijsen zijn medewerking, b.v. aan “Frankenstein” (al is die dat zelf blijkbaar vergeten, want hij weigerde om liedjesteksten te schrijven voor Dokter De Vuyst, met als argument: “I hate musicals, so fuck off!”). En verder was er ook nog “De reis naar Pitsjepatsj”, een bewerking van een stuk van het Gripsteater, in november 1982 voor het KJT. Bart zorgde toen ook voor decor en kostuums. En tot slot citeren we nog “Saterday night” (geen tikfout), een eigen verhaal van Bart Peeters en Jan Leyers (toen al) over een orkestje uit Kruibeke (of all places). Ook nu weer is het verhaal trouwens in het Waasland gesitueerd, meer bepaald in het Waasmunster, waar Tom Lanoye niet zoveel eerder reeds zijn “Jules & Alice” liet plaatsvinden in hetzelfde theater.
In 1992 vijzelt Bart Peeters zijn populariteit opnieuw op met “De Droomfabriek” en “Dag Sinterklaas” (alweer op tekst van Hugo Matthijssen).
Uit de film “Boys” houden we van The Radios “Dreamin’ wild”, terwijl ze voor “She goes nana” een beroep doen op het kamerorkest “Prima La Musica”. Op dat moment is de groep echter de facto reeds uit elkaar. Ook op televisie doet Bart een “faux pas”: hij stapt over naar VTM.
Bij het begin van het seizoen 1999-2000 is Bart Peeters echter terug bij wat ondertussen tot VRT is omgedoopt. Samen met boezemvriend Hugo Matthijssen brengt hij op Canvas een televisieversie van het populaire “Leugenpaleis” op Studio Brussel. De titel werd zonder veel inspiratie omgebogen naar “Peulengaleis”. Alhoewel de regie werd gevoerd door Stijn Coninx, die mij de nuchterheid zelve lijkt, was het gehalte absurditeit in mijn ogen net iets te groot om van een succes te spreken. Alleen de pornoscènes (“ik komt! ik komt!”) zullen de geschiedenis ingaan. De rubriek “Koken met Jezus” is als idee wel uitstekend, maar wordt nogal ongeïnspireerd uitgewerkt. Gegarandeerd volgde er natuurlijk wel een relletje (echter van geen kanten te vergelijken met de Urbanusrel van twintig jaar geleden – tijden veranderen), maar dat werd aan kant geschoven. Toch kan ik er niet aan doen, maar ik vrees dat bij een rubriek als “Koken met Mohammed” het land op zijn kop zou staan. De slogan “Eigen volk eerst” mag dan verwerpelijk zijn, het equivalent “Eigen volk, kust mijn kloten” is ook niet zo fraai…
Bart zelf is echter verzot op “Het Peulengaleis” en dat is hem volledig gegund, want daarnaast verwaarloost hij toch niet het klootjesvolk op één. Integendeel, met “Eurosong”, “Hoe?Zo!” en tal van andere programma’s begint hij soms wat tegenwind te krijgen wegens “overexposure”.
Zelf schrijf ik hem in die tijd een mailtje en dat ging als volgt:
Dag Bart,
Ik zal maar meteen toegeven ben dat ik geen trouwe kijker ben van “Hoe?Zo!”, dus het zou best kunnen dat het probleem dat ik wil aankaarten reeds behandeld is (maar dan kan je me misschien meteen een antwoord geven, dat is ook leuk meegenomen).
Na de uitzending van gisteren, zette ik immers een videoband aan met daarop (o.a.) een live-uitvoering van “Manuela” door de onsterfelijke Jacques Herb (jaja, ’t moet niet altijd Arte zijn). Er werd door de zaal flink meegezongen, zodat het niet altijd “juist” klonk, om het met een understatement te zeggen. Daarom hielden de meisjes van de backing vocals hun ene oor dicht. En dat is nou wat mij intrigeert: waarom hoor je met één oor “beter” of “juister”? En ik bedoel uiteraard niet dat als er links van je iemand erg vals zingt of gewoonweg luid te keer gaat, dat je dan je linkeroor beter toestopt, want dat lijkt me nogal wiedes. Nee, het gaat om het “principe”. Gilbert Bécaud b.v. die deed het bijna systematisch
…”
Ik dacht dat dit wel een leuk item in “Hoe?Zo!” zou kunnen opleveren, maar niet dus. Ik kreeg echter wél een antwoordje van Bart:
Beste Ronny
De beste monitoring gaat via het binnenoor, maar een niet reëel geluidsbeeld kan een Doppler-effect geven(dit wil zeggen weer vals, in-ears zijn een kunstje)
Vandaar één oor wel,één niet, goeie oplossing. Groet! Bart

‘k Versta er niets van, maar ’t is wel aardig van zijnentwege.

10 bart peeters

Griet Leyers wordt vijftig…

Griet Leyers wordt vijftig…

Bijna 25 jaar geleden schreef ik in Het Laatste Nieuws: “Hopelijk heeft Jean-Pierre Van Rossem de weg naar de Rode Pomp nog niet gevonden. Op 3 maart 1995 zong de sopraan Griet Leyers (foto YouTube) daar volgens organisator André Posman immers ‘aria’s die onze haren ten berge doen rijzen’. En als Van Rossem dan voor je zit, dan zie je niets meer! Wellicht bedoelde Posman dat Griet ons kippenvel zal bezorgen, maar deze nicht van Jan Leyers nam ook deel aan de Elisabethwedstrijd 1996 en deed daar de haren van de juryleden blijkbaar inderdààd ten berge rijzen, want ze geraakte niet eens door de schiftingen achter gesloten deuren.”

Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub”

Natuurlijk was “Wie schrijft, vertrekt” niet mijn enige artikel in De Rode Vaan van 3 maart 1989. Er was b.v. ook nog “Markiespijn”, waarover ik het reeds heb gehad, of het interview met Lode De Pooter. En dan ook nog in de filmrubriek die ik van deze laatste had overgenomen, een stuk over de documentaire over John Lennon, “Imagine”, en over de film van Robbe de Hert, “Blueberry hill”.
« Eigenlijk gaat deze film over roddel. Over hoe een maatschappij ten onder gaat aan roddel. » Robbe De Hert over « Blueberry Hill » toen we hem deze zomer gingen opzoeken tijdens een draaidag in Gent (zie r.v.nr.34). De maatschappij waarover hij het heeft is die van de jaren vijftig. Een maatschappij waartegen jongeren rebelleerden. In « Blueberry Hill » vertolkt Michaël Pas (foto rechts) de rol van Robin De Hert, de Antwerpse rebel met het peperkoeken hart. In die andere havenstad, Liverpool, speelt John Lennon (foto links) zijn eigen rol. Die overigens pas in de jaren zestig zal doorwerken op wereldvlak. De film « Imagine » geeft er een eerlijk en juist daardoor ontroerend beeld van.
ALHOEWEL deze paar gegevens reeds voldoende zouden zijn om deze twee films in één adem te behandelen, zijn er nog een paar thema’s die op die manier een speciale invalshoek krijgen. Laten we beginnen met de titels, niet toevallig tweemaal een grote hit. Bij John Lennon lag het voor de hand : niet alleen vat « Imagine » de positieve kant van zijn karakter uitstekend samen (er is ook nog een « dark side » maar daarover zo dadelijk meer), maar bovendien is de periode van de opname van deze elpee het uitgangspunt geworden voor de documentaire van Andrew Solt (ook de maker van « This is Elvis »). Op last van Yoko Ono was er op hun prachtige verblijf in Ascot immers een professionele filmploeg aanwezig die alles registreerde: de plaatopname (door Phil Spector), maar ook de vrijpartijen en zelfs gewoon de maaltijden. Vertrekkende van dit kwalitatief uitstekende materiaal, dat weliswaar niet « objectief » is, maar toch afstandelijk genoeg om in et geheel te passen (b.v. de kibbelpartij met de technicus), heeft Solt een uitstekende documentaire samengesteld uit de meer dan 200 uren film die hem door Yoko Ono ter beschikking werden gesteld. Hij had overigens maar met dit titanenwerk ingestemd op voorwaarde dat hij de vrije hand zou krijgen. En dat is ook zo gebeurd. Over de zwartste periode in Lennons leven (het zogenaamde « lost weekend » toen Yoko hem de deur had gewezen) is men weliswaar kort (o.m. omwille van het ontbreken van beeldmateriaal), maar voor de rest worden Johns onhebbelijkheden niet met de mantel der liefde toegedekt (de passage over de ruzie met Paul McCartney is schrijnend), maar precies daardoor komt hij over als een mens zoals u en ik en niet zoals de halfgod die hij voor sommigen is geweest. En precies daardoor ontroert de film.
Bij Robbe De Hert ligt dat dus helemaal anders. Beginnen we bij de titel. Reeds tijdens de opname wist hij ons te vertellen dat er moeilijkheden waren wat copyright betreft. Uiteindelijk houden we nu een film over zonder de klassieker van Fats Domino, zelfs zonder een verwijzing ernaar. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Daarbij komt nog dat Jan Leyers van Soulsister als componist werd aangetrokken (een gelukkige beslissing overigens!) en dat het lanceerfilmpje van « Blueberry Hill » dan ook in de zalen te zien is met daarop de hit van Jans groep geplakt, « The way to your heart ». Ook van dit nummer is in de film zelf echter geen sprake. Maar niemand schijnt dat erg te vinden.
Dat het hoofdpersonage Robin heette, viel ons tijdens het draaien reeds op, maar nu blijkt zelfs dat hij — zoals in Vlaanderen gebruikelijk — veel meer met zijn familienaam wordt aangesproken en die is… De Hert, jawel. Een misschien ietwat ongelukkige ingreep, ook al is het duidelijk dat de inbreng van Walter van den Broeck in het scenario zo groot is dat men bij koele analyse moeilijk kan aannemen dat men tussen Robin en Robbe zo maar een gelijkheidsteken kan plaatsen. Tijdens de film zelf evenwel (en dan vooral bij dit soort films) staat het verstand op nul en is het de emotie die het voor het zeggen heeft. En dan is het al veel moeilijker om die afstandelijkheid tegenover het hoofdpersonage (overigens uitstekend vertolkt door Michael Pas) te bewaren. Maar niemand schijnt dat erg te vinden. Zeker niet tijdens de zondagnamiddagvertoning die wij « meemaakten » en waaruit blijkt dat er dertig jaar later nog niet zo heel veel is veranderd. In het halfduister worden er nog altijd wereldrecords tongkussen gevestigd en graait men lustig in broekjes en bloesjes. Om nadien klappen te krijgen thuis. Geen wonder dat de zaal afgeladen vol zit, dat men met volle teugen geniet en — vooral — dat men zich nog steeds kan identificeren met de rebellenclub die daar ten tonele wordt gevoerd.
Typisch voor beide films is ook de, wat we zouden kunnen noemen, « ouvrieristische » sfeer waarin ze baden. In de « vakschool » van Robbe is dat eigenlijk niet meer dan normaal en buiten de sympathieke portrettering van dat milieu valt er niet veel méér over te zeggen. Bij John Lennon gaat het echter veel verder. Vooral in de discussie met de journaliste van The New York Times over zijn vredesengagement (zij stelde dat vredesactivisme toch ietwat meer is dan in bed te liggen en daarmee de voorpagina van alle kranten te halen) blijkt een virulent anti-intellectualisme. Lennon bevindt zich daarmee overigens in goed gezelschap. Alleen al het voorbije weekend hoorden wij Raymond van het Groenewoud in zijn soloprogramma en Hugo Claus bij Adriaan Van Dis zich in dezelfde weinig vleiende bewoordingen over intellectuelen in het algemeen en studenten in het bijzonder uitdrukken.
Een speelfilm bevat echter uiteraard wel een aantal elementen die niet zo maar naast een documentaire kunnen worden geplaatst, zeker niet daar « Blueberry Hill » zich heel duidelijk als een romantische film afficheert en niet als een soort van docudrama over de jaren vijftig. Daarom tot slot toch nog even speciale aandacht voor deze eigen Belgische productie. Voor het grootste gedeelte, laten we zeggen voor 75%, kunnen we ons zeker laten meeslepen door het verhaal, vooral dus door de grote herkenbaarheid van het scenario en door de « warme » manier waarop het in beeld werd gebracht. Babette van Veen is inderdaad de blonde schoonheid die Hitchcock Robbe mag benijden (nooit gedacht dat vader Herman tot zo een prachtprestatie in staat zou zijn geweest) en haar gekuist Antwerps laat op geen enkel moment haar Hollandse afkomst vermoeden. Tenzij haar stem gedubd zou zijn uiteraard, maar daaraan twijfelen we, want dat is bij de Franse lerares Myriam Meszières zo onhandig gebeurd dat alleen het feit dat de Franstalige versie (waarin dus de Vlamingen werden gedubd) nog veel slechter is, ons met deze miskleun kan verzoenen. En het is natuurlijk grappig om de klungelige huisbewaarder Ronny Coutteure met de stem van directeur Thienpont te horen praten.
De love-story tussen Michael/Robin en Babette/Cathy die op de prachtige affiche prijkt, is dramatisch eigenlijk toch wel ondergeschikt aan de « avonturen » die zich in de vakschool afspelen. Centraal daarin staat de rol van de tirannieke secretaris, schitterend vertolkt door Frank Aendenboom, die op basis van « roddel » o.m. in conflict komt met de lerares Frans en vooral met de « homofiele » leerling Eddy (Gert Nevens). Deze laatste wordt echter vanuit dramaturgisch standpunt iets te vlug tot zelfmoord gedreven en de « opstand » tijdens zijn begrafenis doet de film dan helemaal kantelen. Hier werkt de realistische aanpak juist tegen De Hert. Als hij dan toch aan overdrijven toe was, kon hij misschien beter volledig uitfreaken, zoals Lindsay Anderson in « If » b.v.
Jammer van het ontluisterende effect op het einde, want voor het overige is « Blueberry Hill » in dezelfde mate als « Imagine » het bekijken waard. Vooral de meisjes zullen er wat aan hebben, al was het maar wegens « de schone prins » Oliver Windross die, helaas voor hen, geen verdere carrière in de film ambieert. En als we zelf ooit een film draaien dan noemen we de slechterik Stafke van den Broeck. Goed geweten! (*)

Lees verder “Dertig jaar geleden: “John en Robin van de Rebellenclub””

Paul Michiels wordt zeventig…

Paul Michiels wordt zeventig…

Vandaag wordt Paul Michiels ook reeds zeventig jaar, al is het hem nog altijd niet aan te zien.

Paul Michiels werd geboren in Heist-op-den-Berg, waar hij zijn bijnaam Polle Pap heeft hij te danken aan het feit dat hij zijn vader vergezelde op diens melkronde. Omdat zij vooral in het Brusselse optraden stichtte hij in 1964 “Les Jeunes”, waarvan ook Peter West deel uitmaakte die als Leopold Nijs immers eveneens was geboren in Heist-op-den-Berg op 3 december 1949. De naam “Les Jeunes” gaat weliswaar terug op “The Young Ones” van Cliff Richard, maar in feite bracht men toch vooral het Beatle-repertoire. Na zijn legerdienst in 1967 schakelde Michiels over op het meer psychedelische repertoire met Purple Bus (naar The Honeybus). Dat duurde tot 1969 en toen trok hij zich voor een eerste keer terug uit de muziek. Toen in 1974 René Vlayen echter een klavierspeler zocht om twee Engelsen te begeleiden die hij als Octopus had doen overkomen, stapte Michiels weer in de business. Ondanks (of juist dankzij) de platte pop die ze produceerden, hadden ze veel succes, maar hun grootste succes (“I’m so in love with you”, de vertaling van “Ik ben verliefd op jou” van Paul Severs!) in 1979 was tevens hun laatste. Michiels trok er opnieuw uit en probeerde het op z’n eentje. In 1980 kreeg “Females” (onder de naam P.P.Michiels) de prijs van de grootste zomerhit, ook al veroorzaakte de clip in “Hitring” schandaal omdat er zowaar een blote borst in was te zien! Paul Michiels verdween opnieuw tot hij in 1984 door Firmin Timmermans en Jean Rousseau werd gevraagd om af en toe bij de LSP-band te zingen. Daar ontmoette hij Bart Peeters, die hem in contact bracht met zijn vriend Jan Leyers, die toen bij Beri-Beri speelde, samen met Romeo Spinelli (Dirk Degeest), Eddy Levens, Jan Cuyvers, Luc Van Tilborg, Billy Overloop en Jo Duchateau van Scooter. Even later was Soulsister geboren. Het feit dat “The way to your heart” in de Amerikaanse charts postvatte, liet een internationale doorbraak verhopen, maar die kwam er niet echt. In een recent interview op de VRT liet Paul Michiels zich ook ontvallen dat hij en Jan Leyers nooit echt vrienden werden, ondanks alle reünies die er later nog zijn gekomen.
Zelf heb ik Paul Michiels eens zien optreden in Vooruit. Ik dacht dat dit met één van de vroegste versies van Soulsister was (ik denk dat ze zich toen nog “The Soulsisters” noemenden). Ik was die avond in het gezelschap van de vrouw van Marijn Devalck (die op dat moment eigenlijk al niet meer zijn vrouw was) en na het optreden van Paul Michiels was ik haar plotseling kwijt. Min of meer hetzelfde gebeurde jaren later in de Gentse Plantentuin toen daar een afterparty werd gegeven voor de Nederlandse versie van de Tarzanfilm van de Disneystudio’s. Daarin zong Paul de liedjes die in het origineel door Phil Collins werden gezongen. Maar ook toen heb ik niet lang met hem gesproken. Paul had immers meer belangstelling voor de Gentse schepen Martine De Regge (zie bovenstaande foto)…

Referentie
Ronny De Schepper, Geen Tarzan in de lianen van de Plantentuin, Het Laatste Nieuws 15 oktober 1999

Lees verder “Paul Michiels wordt zeventig…”

Yoko Ono wordt 85…

Yoko Ono wordt 85…

“Wat ik nu zeg, meen ik: had Mark Chapman 60 centimeter opzij gemikt, dan was hij nu mijn held geweest. Na Yoko was niets nog hetzelfde: de vriendschap binnen de Beatles was kapot en Lennon ging ook vervélen. Hoor ik hem oh Yoko I love you zingen, dan denk ik: ik ben blij voor u, maar verveel mij niet. Toen ik onlangs de autobiografie van Cynthia Lennon las, dacht ik: het was toch wel een foute klootzak. Hoe kan de man die nummers als All you need is love geschreven heeft, zijn zoontje maanden op een telefoontje laten wachten?” (Jan Leyers in Humo)
Lees verder “Yoko Ono wordt 85…”

Tuut zei de trein en de statie vertrok

64 gianni bugnoZoals naar gewoonte opende de KNS ook haar 135ste speeljaar een beetje feestelijk. Op de affiche : « Romeo en Julia » in een vertaling, of beter een hertaling, van Hugo Claus. Wij reserveerden te laat voor de feestdis, zodat we pas naar de matinee op zondag konden. Maar zo kon ook de zoon van elf meteen mee voor een portie Shakespeare die ons eerder als een geheugensteuntje overviel dan als een hartverscheurend drama.
Lees verder “Tuut zei de trein en de statie vertrok”

Twintig jaar geleden stierf Mimi Smith

Twintig jaar geleden stierf Mimi Smith

Vandaag is het precies twintig jaar geleden dat Mimi Smith is gestorven. “Mimi Smith?” zal u zeggen, “die leeft toch nog?” maar dat komt omdat u natuurlijk aan de televisie-omroepster denkt met die naam. Maar de tante van John Lennon had na haar huwelijk met George Smith precies dezelfde naam en waarom is zij belangrijk? Omdat zij voor de opvoeding van John heeft ingestaan, terwijl zijn moeder (haar zus) Julia uit werken moest gaan omdat vader Lennon hen had laten stikken (*). In feite heeft deze de moederrol voor zich genomen en was Johns echte moeder juist een soort van “tante Julia”, die hem aanmoedigde in al het kattekwaad dat hij in zijn botten had. Het is in de biografie van Hunter trouwens (opzettelijk?) onduidelijk, hoe lang Mimi de waarheid voor John heeft verzwegen. Al heeft hij haar wel altijd “Mimi” genoemd en nooit “mama”. Toen later Julia onder een auto terechtkwam, werd de band met Mimi uiteraard nog inniger (**).
Lees verder “Twintig jaar geleden stierf Mimi Smith”