Het hoekje van Opa Adhemar (55)

Het hoekje van Opa Adhemar (55)

Het café betekende gedurende mijn prille kinderjaren voor mij een mysterieus iets. Het was de plaats waar mijn vader na zijn dagtaak vaak met collega’s heentrok, zo ving ik dan op. Ik stelde telkenmale vast hoe hij de huiskamer betrad met een wat minder vaste tred. Zijn ogen leken mij een beetje verkleind in de loop van de dag. Hij sprak mij hoewel minzaam toch ietwat onzeker aan, alsof er iemand met zijn tong geknoeid had sedert hij die ochtend de woning verlaten had.

Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (55)”

Edgar Allan Poe (1809-1849)

Edgar Allan Poe (1809-1849)

Vandaag is het precies 170 jaar geleden dat de Amerikaanse auteur Edgar Allan Poe in Baltimore in de goot werd aangetroffen in ijlende toestand, terwijl hij steeds maar de naam Reynolds prevelde (*). Het was de laatste keer dat de schrijver in het openbaar werd gezien. Enkele dagen later (op 7 oktober 1849) overleed hij. Poe was nooit meer lang genoeg bij bewustzijn om uit te leggen hoe hij in die erbarmelijke toestand terecht was gekomen en hoe het kwam dat hij niet z’n eigen kleren droeg…
Lees verder “Edgar Allan Poe (1809-1849)”

160 jaar geleden verscheen “Les fleurs du mal”

160 jaar geleden verscheen “Les fleurs du mal”

Het is vandaag 160 jaar geleden dat “Les fleurs du mal”, de belangrijkste dichtbundel van de Franse dichter Charles Baudelaire, is verschenen. Onder het Tweede Franse Keizerrijk (Second Empire) werden auteur en uitgever vervolgd wegens schending van de goede zeden. Als gevolg daarvan moest Baudelaire een boete van 300 frank betalen en zijn uitgever Auguste Poulet-Malassis 100 frank. Zes van de gedichten uit de bundel die te aanstootgevend bevonden werden mochten niet meer gepubliceerd worden: “Lesbos”, “Femmes damnées (À la pâle clarté)” (Verdoemde vrouwen), “Le Léthé”, “À celle qui est trop gaie” (Aan haar die te vrolijk is), “Les Bijoux” (De Juwelen) en “Les Métamorphoses du Vampire” (De metamorfosen van de vampier). Het zou tot 1949 duren voor dit verbod tot publicatie door het Franse Hof van Cassatie zou worden opgeheven. (Wikipedia)

Belladonna

Nog in 1993 publiceert Claus de dichtbundel “De Sporen”. Volgens zijn eigen zeggen heeft hierin “de lyriek van de jongeling die in de zandbak met een meisje in Tirolerjurk speelt, plaatsgemaakt voor een zeker wellustig masochisme in het licht van de dood”. Hij vindt trouwens dat het “een wet” is dat de grootste liefdesdichters in werkelijkheid flauwe minnaars zijn en hij citeert als voorbeeld Baudelaire “de grootste liefdesdichter, maar het is bekend dat het allemaal wensdromen waren”. Anderzijds bekent hij dat hij nu ook wel eens een boodschap aan zijn zonen in een gedicht stopt, “mijn twee zonen die niet naar hun ouwe schimmelige vader omkijken.” “En dan maar hopen dat ze uw poëzie lezen,” merkt Rudy Vandendaele stekelig op. “Dat ze hen ertoe aanzet me even op te bellen,” lacht Claus. Maar het gegeven keert terug in 1994, wanneer hij “Belladonna” publiceert, een groteske waarin de namen op dergelijke manier zijn gegeven dat een vertaling onmogelijk wordt (ofwel moet men de actie ook verplaatsen naar het land van de taal en dan verdwijnt het “typisch Vlaamse”). Op die manier zal hij wéér de Nobelprijs niet krijgen natuurlijk!
Lees verder “Belladonna”