Dertig jaar geleden: “Belladonna” van Hugo Claus

Dertig jaar geleden: “Belladonna” van Hugo Claus

Nog in 1993 publiceert Claus de dichtbundel “De Sporen”. Volgens zijn eigen zeggen heeft hierin “de lyriek van de jongeling die in de zandbak met een meisje in Tirolerjurk speelt, plaatsgemaakt voor een zeker wellustig masochisme in het licht van de dood”. Hij vindt trouwens dat het “een wet” is dat de grootste liefdesdichters in werkelijkheid flauwe minnaars zijn en hij citeert als voorbeeld Baudelaire “de grootste liefdesdichter, maar het is bekend dat het allemaal wensdromen waren”. Anderzijds bekent hij dat hij nu ook wel eens een boodschap aan zijn zonen in een gedicht stopt, “mijn twee zonen die niet naar hun ouwe schimmelige vader omkijken.” “En dan maar hopen dat ze uw poëzie lezen,” merkt Rudy Vandendaele stekelig op. “Dat ze hen ertoe aanzet me even op te bellen,” lacht Claus. Maar het gegeven keert terug in 1994, wanneer hij “Belladonna” publiceert, een groteske waarin de namen op dergelijke manier zijn gegeven dat een vertaling onmogelijk wordt (ofwel moet men de actie ook verplaatsen naar het land van de taal en dan verdwijnt het “typisch Vlaamse”). Op die manier zal hij wéér de Nobelprijs niet krijgen natuurlijk!

Lees verder “Dertig jaar geleden: “Belladonna” van Hugo Claus”

Veertig jaar geleden: slappe “Plankenkoorts”

Veertig jaar geleden: slappe “Plankenkoorts”

“Eigenlijk zijn de recensies op deze pagina steeds veel te lang,” reed ik veertig jaar geleden tegen mijn eigen kar op de theaterpagina van De Rode Vaan. Maar ik had er een goede reden voor: “Op die manier kunnen namelijk te weinig producties wekelijks aan bod komen en lopen we een achterstand op die moeilijk te overbruggen is.”

Lees verder “Veertig jaar geleden: slappe “Plankenkoorts””