Felix Dalle (1921-2000)

Felix Dalle (1921-2000)

Het zal morgen ook al twintig jaar geleden zijn dat Felix Dalle, ooit hoofdredacteur van “Kerk en Leven”, is gestorven. Wat heb ik nu te maken met “Kerk en Leven” zullen velen zich afvragen. Wel, het antwoord hierop vind je in onderstaand artikel dat oorspronkelijk wel onder de weinig Kerk en Leven-achtige titel “Vulvaginaanminnig fabelzaam” is verschenen in De Rode Vaan. En dàt had dan weer met iets anders te maken. Enfin, ’t is allemaal zo ingewikkeld dat ik niet anders kan zeggen dan: lees het eens en dan zal je precies weten waarom het allemaal draait…

Lees verder “Felix Dalle (1921-2000)”

“George Dandin” van Molière

Van Molière werd “George Dandin ou Le Mari Confondu” (De verstomde echtgenoot, 1668) gebracht in een coproductie NTG/Théâtre Varia. De regie was van Marcel Delval en het decor van Jean-Claude De Bemels. Met Reinhilde Van Driel (Angélique, een overspelige adellijke jongedame), Eddy Vereycken (George Dandin, haar man, een rijke hereboer), Blanka Heirman (Mme de Sotenville, haar moeder), François Beukelaers (Mr de Sotenville, haar vader), Els Magerman (Claudine, haar gezelschapsdame), John Dobrynine (Clitandre, haar minnaar, een hoveling), Lucas Dietens (Lubin, liefdesbode van Clitandre, minnaar van Claudine) en Guido Van den Berghe (Colin, knecht van Dandin).
Regisseur Delval is vertrokken vanuit twee uitstekende ideeën. Enerzijds heeft hij het klassenonderscheid dat Molière aanklaagt ook willen “vertalen” naar de sociale taalgrens in het België van vorige eeuw (vandaar deze “tweetalige” voorstelling: het Frans van Molière en het Gents van Pjeroo Roobjee) en anderzijds laat hij het stuk in een flashback vertellen door de geest van de ongelukkige Dandin. Daarvoor heeft hij de laatste woorden van Molière wel heel letterlijk geïnterpreteerd (“Met zulk een vrouw kunt ge u beter gaan verdrinken“). Dat maakt ook dat het kerkhof tegenover de hereboerderij van Dandin voortdurend in het spel dient te worden betrokken. Het mooie decor van Jean-Claude De Bemels geeft op die manier wel meer dan eens aanleiding tot eros/thanatos-toestanden, zij het dat regisseur Delval daarbij de schunnige kanten van de ‘eros’ een beetje te veel in de verf zet, vooral dan in de persoon van Lubin. Dergelijke “charges” vind je ook elders in de regie terug, zodat de opmerking van Paul Arias dat het “patronagetoneel” zou zijn, niet helemaal ten onrechte is. Gezien op 20/02/1992.

Wie het laarsje past…

“De Gecroonde Leersse” van Michiel De Swaen (uit 1688) is in première gegaan in een eigentijdse bewerking van Pjeroo Roobjee. Let wel op: als je denkt dat het “eigentijdse” zit in de boertige situaties en uitdrukkingen, dan ben je er wel goed naast, want De Swaen is zo mogelijk nog “boertiger”. Evenmin kan ik het korte rock-intermezzo of de Rederijksersbewerking van Herman Van Veens “Opzij”, hoe grappig ook, als volledig geslaagd beschouwen, aangezien ze te geïsoleerd staan binnen de vertoning. Dan zitten er bijvoorbeeld in “Dear Fox” van het Ballet van Vlaanderen veel méér verwijzingen (naar de perestroïka, Pavarotti, Rushdie, Sinatra, …).
Nee, de hertaling zit ‘em deze keer, naast het gekende barokke taalgebruik van Roobjee, in een onvervalst Gents (Michiel De Swaen zelf is immers afkomstig uit het toen nog Vlaamse Duinkerken), waarvan de meest recensenten die niet van Gent zijn al hebben gezegd dat zij zeker de helft ervan niet hebben begrepen. Ondergetekende, die nochtans dacht door de Arteveldestede reeds voldoende te zijn geassimileerd, moet dit helaas bijtreden.
Maar de momenten dat ik het wél versta, vind ik dit oersimpele verhaaltje van de schoenlapper die door Keizer Karel in de maling wordt genomen toch wel grappig en origineel geënsceneerd door Hugo van den Berghe (goed geholpen door het scènebeeld van Niek Kortekaas). Geestig is vooral het feit dat Keizer Karel (Bob van der Veken) en zijn knecht Ambroos (een uitstekende Eddy Vereycken die de overleden Raf Reymen vervangt) Antwerps praten: de Gentenaars geraken hun complexen tegenover de Antwerpse superioriteit maar niet kwijt!
Van de Gentenaars viel mij vooral Koen Crucke op (als de vadsige Kosen), die een steeds beter acteur lijkt te worden. Els Magerman diende hem stevig van repliek als de weerspannige dochter, die de viriele Joren (Peter Marichael) verkiest boven deze gierige rijkaard. Zij wordt hierin gesteund door haar moeder (Blanka Heirman), terwijl uiteindelijk de tussenkomst van Keizer Karel ook de kortzichtige vader (Herman Coessens) zal doen bijdraaien. Tussendoor wordt er geplast en gebrast, gescheten en gevreten, samenvattend zouden we dus kunnen zeggen: wie het laarsje past, trekke het aan …