De komst van Joachim Stiller

Op 29 november 1976 ging “De komst van Joachim Stiller” in première, de film van Harry Kümel met in de hoofdrol Hugo Metsers als Freek Groenevelt (foto). Een paar jaar later kwam de film ook als serie op televisie. Op de Internet Movie Database schrijft ene Jonathan Maxwell Reeves “I find this movie one of the best Belgian movies ever made. I do have the television version on video (aprox.180 mins) and that version is okay. Never watch the cinema version because that only has a running time of aprox. 120 mins. By cutting away 60 (sixty!!!) mins of scenes (never understood why they did this) the story becomes very complex and you will not understand the plot of the movie. So always stay with the FULL version not the shorter Cinema/TV movie version!!!
Ikzelf zag ook uitsluitend de televisieversie, maar toch maak ik mij er in mijn TV-rubriekje in De Voorpost vanaf met voornamelijk, zo niet uitsluitend, een bespreking van het boek. Daarom ga ik ervan uit dat dit een van mijn latere stukjes is, toen ik om diverse redenen – in de eerste plaats mijn werk voor De Rode Vaan, maar ook wel huiselijke problemen die uiteindelijk in een echtscheiding zouden uitmonden (de aandachtige lezer zal de allusie hierop in de tekst zeker niet ontgaan) – er een beetje “met mijn klak” naar begon te gooien.
Ook die mijnheer Reeves heeft het trouwens eventjes over het boek: “I know the writer personally and it’s hard to believe that such a charming person writes such a strange book,” schrijft hij.
Lees verder “De komst van Joachim Stiller”

Het boek was beter? Vier literaire filmklassiekers

In haar najaarsreeksen confronteert de KANTL literair werk met andere kunstvormen. Na toneel (‘Acteur en auteur’) en plastische kunsten (‘Dubbelkunstenaars’) wordt dit jaar gefocust op films die gebaseerd zijn op werk van Vlaamse auteurs. Elke film wordt kort ingeleid door een spreker die vertrouwd is met het werk van de auteur en de cineast.
De selectie van de 4 films die in deze reeks gepresenteerd worden is niet toevallig. De auteurs die aan bod komen, Daisne, Teirlinck, Michiels, Streuvels, waren allen onderwerp van recente onderzoeksprojecten van het ‘Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie’ (CTB), het onderzoekscentrum van de KANTL, dat dit jaar zijn 10-jarig bestaan viert.
Met deze reeks is de KANTL te gast in Film-Plateau. Enkel de eerste filmavond heeft plaats in de zaal van de KANTL: n.a.v. de Ivo Michiels-studiedag op 15 september wordt daar ’s avonds de film ‘Meeuwen sterven in de haven’ vertoond. De volgende drie films worden vertoond in In Film–Plateau, Universitaire filmclub van de Universiteit Gent.
Programma
15 september (in de KANTL, n.a.v. de Ivo Michiels-studiedag)
Meeuwen sterven in de haven (1955) / Rik Kuypers, Ivo Michiels & Roland Verhavert .
Inleiding: Lars Bernaerts.
4 oktober
Un soir, un train (1968) / André Delvaux.
Inleiding: Roel Van Bambost.
25 oktober
Rolande met de bles (1972) / Roland Verhavert.
Inleiding: Jaak Van Schoor.
22 november
Wenn die Sonne wieder scheint / De vlaschaard (1943) / Boleslaw Barlog
Inleiding: Roel Vande Winkel en Ine Van linthout.
Locatie:15 september: Academiegebouw, Koningstraat 18, 9000 Gent
4 en 25 oktober, 22 november: Filmplateau, Universitaire filmclub van de Universiteit Gent, Paddenhoek 3 (verbindingssteeg Voldersstraat-Kalandeberg), 9000 Gent
Aanvangsuur: 20 uur.
Toegang: gratis.
Lees verder “Het boek was beter? Vier literaire filmklassiekers”

Vrijdag

In 1968 schrijft Claus samen met Alex van Royen en Carlos Tindemans nog “T 68 of de toekomst van het theater in Zuid-Nederland”, waarin hij nog experimentele theaterstandpunten verdedigt. Later zal dat veranderen. Zo lokt hij reeds in 1969, middenin de Actie Tomaat, een incident uit. Toen ging in de Amsterdamse schouwburg zijn stuk “Vrijdag” door de Nederlandse Comedie in première. Aangezien Claus hier op het eerste gezicht teruggrijpt naar het naturalistische toneel (vgl. met “Driekoningenavond” van Cyriel Buysse b.v.) en in interviews vooraf nog wat olie op het vuur had gegoten door te stellen dat al die discussianten leuteraars zijn die niet weten waar ze over praten, dat met name het toneel niet dood is, maar dat er een tekort is aan echte persoonlijkheden, dreigde men in de pers reeds “die ouwe zak” (sic, Claus was toen 40) eens de les te spellen. Daarom posteerde Claus zijn boksende broers in de zaal om eventuele tomatengooiers tot andere inzichten te brengen. Maar het was niet nodig. Het werd een succes. Claus: “Theater bestaat voornamelijk uit een communicatie die tot nader order nog altijd verbaal moet zijn. (…) Wat men dan een beetje smalend ‘dichterlijk’ noemt, is de essentie van het theater: Haal je van Shakespeare de taal weg, dan krijg je alleen maar ridicule, nonsensicale verhalen die nergens op slaan, waarvan de psychologie niet klopt, enfin, alles is één ratjetoe. Is er iets belachelijker dan de plot van ‘Hamlet’? Is er iets idioter dan ‘Twelfth Night’, dan ‘A Midsummernight’s Dream’? Dat is pure kolder, niet eens goed voor een comic-strip. Het bestaat in functie van wat er daar met woorden gedaan wordt. (…) De laatste jaren krijgt de toneelschrijverij hier te lande echter een heel koddige dimensie: men neemt vier pagina’s Heidegger en een stuk of wat krantenknipsels en gaat die vervolgens, met z’n allen improviserend, op de planken brengen. We hebben momenteel een theaterlandschap van diepe treurnis. Men schijnt hier te vergeten dat toneel een onzuivere kunst is, die eist dat er rekening gehouden wordt met de tweehonderd mensen die zitten te kijken en van wie een aantal nauwelijks kan lezen of schrijven. (…) Ik geloof in elk geval niet in wat men met een gekke term aanduidt als het rituele theater, ’t schuimbekkend over de grond rollen en het gepiep en gekwijl en het collectief hysterische: wij hebben namelijk geen goden, dus waarom zouden we een rite opvoeren alsof we wel goden hadden? Da’s allemaal hocuspocus waar ik niet in geloof en in de zogenaamde diepverborgen persoonlijkheidslagen die je met zo’n toneel aanboort, geloof ik evenmin.”
Dat wil anderzijds niet zeggen dat met name “Vrijdag” vol verwijzingen zit, zowel naar de heidense (Germaanse), de Griekse en de christelijke mythologie. Claus zal zijn eigen stuk in 1981 verfilmen.
Alhoewel Hugo Claus soms (niet altijd, zie hier ) net als Louis Paul Boon mei ’68 eerder als een kleinburgerlijke revolte beschouwt (hij zat echter ironisch genoeg in de vermaarde brasserie Lipp te eten toen daar een traangasgranaat werd binnengegooid), schrijft hij rond die tijd toch “Reconstructie”, een operatekst samen met Harry Mulisch die een eerbetoon wil zijn aan Che Guevara. Ook in 1993 blijven beiden trouwens vasthouden aan hun geloof in Cuba. Als men het “ondemocratische” karakter van het regime aanhaalt, repliceert Claus in Humo: “Democratie is niet een pleistertje dat je overal kunt opplakken, op sommige plekken schiet zij te kort: in de kunst b.v.”
In 1970 volgt “De Spaanse hoer”, naar het 15e eeuwse “La Celestina” van F. de Rojas.
Van 1970 tot 1974 zetelt hij in de redactie van De Gids. Samen met Johan Daisne dus blijkbaar…
In het najaar van 1970 publiceert Claus twee omvangrijke poëziebundels : “Heer Everzwijn” (waarvoor hij de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie krijgt) en “Van horen zeggen”.

Belladonna

Nog in 1993 publiceert Claus de dichtbundel “De Sporen”. Volgens zijn eigen zeggen heeft hierin “de lyriek van de jongeling die in de zandbak met een meisje in Tirolerjurk speelt, plaatsgemaakt voor een zeker wellustig masochisme in het licht van de dood”. Hij vindt trouwens dat het “een wet” is dat de grootste liefdesdichters in werkelijkheid flauwe minnaars zijn en hij citeert als voorbeeld Baudelaire “de grootste liefdesdichter, maar het is bekend dat het allemaal wensdromen waren”. Anderzijds bekent hij dat hij nu ook wel eens een boodschap aan zijn zonen in een gedicht stopt, “mijn twee zonen die niet naar hun ouwe schimmelige vader omkijken.” “En dan maar hopen dat ze uw poëzie lezen,” merkt Rudy Vandendaele stekelig op. “Dat ze hen ertoe aanzet me even op te bellen,” lacht Claus. Maar het gegeven keert terug in 1994, wanneer hij “Belladonna” publiceert, een groteske waarin de namen op dergelijke manier zijn gegeven dat een vertaling onmogelijk wordt (ofwel moet men de actie ook verplaatsen naar het land van de taal en dan verdwijnt het “typisch Vlaamse”). Op die manier zal hij wéér de Nobelprijs niet krijgen natuurlijk!
Lees verder “Belladonna”

Pierre Benoit (1886-1962)

“L’Atlantide” van Pierre Benoit, geschreven in 1920 werd een jaar later reeds verfilmd door de Belg Jacques Feyder (1885-1948) met Stacia Napierkowska in de rol van Antinea. Het was de eerste Franse film die in natuurlijke decors (de Sahara) werd gedraaid en kende een groot populair succes, maar ook door de critici werd hij goed onthaald.
Lees verder “Pierre Benoit (1886-1962)”