Nikolai Gogol schreef zijn novelle ‘Taras Boulba’ in 1834, completeerde haar in 1842 met enkele hoofdstukken tot de definitieve versie die door Johan Daisne in zijn werk over de Russische literatuur een “kozakkenroman” genoemd wordt. Een genre apart? Er werden inderdaad wel meer werken aan dit strijdlustige volkje besteed, zo o.m. ‘De kozakken’ van Tolstoi uit 1852.

Hoe commentarieerde Daisne deze ‘Taras Boulba’: “schilderachtig, historisch, geografisch”. Het verhaal begint met de thuiskomt van de twee zonen van Taras Boulba, Ostap en Andrij, die enkele jaren studeerden in het seminarie te Kiev. Tijd, zo oordeelt de doorgewinterde kozak Taras, om van hen echte mannen, kozakken te maken. Het drietal vertrekt naar het (historisch) hoofdkwartier van de kozakken, de setsj Zaporozje in de Oekraïne. Daar wonen, naast de locale bevolking, meer dan duizend strijders samen, in afwachting van te ondernemen actie. De kozakken, een ruige bende – die hun faam ontlenen aan geweld, plundering; die niets ontziend ten strijde trekken over grote gebieden, Anatolië, de Krim, Moldavië, Walachije, Turkije, over de ganse Zwarte Zee… Tegen hun vijanden, de Turken, de Tataren, de Polen, de ‘valse’ christenen, de roomsen, vooral de monniken moeten het ontgelden… Vechten, maar ook drinken, dobbelen, het veroveren van buit, een fraai beeld rest er niet van deze bende behalve dit ene: hun vaderlandsliefde, deze immers staat voorop. En de onvoorwaardelijke kameraadschap. Anderzijds is de tekening van de inerte samenleving niet fraai – de verveling wordt gecompenseerd met drank, weddenschappen – een permanente roes. Tot een bericht hen noopt ten strijde te trekken naar en tegen de Poolse stad Dubno. Deze tocht schildert ons de reis door de steppe in de Oekraïne, een beeld van de ruige, overweldigende natuur, de weidsheid van het landschap.
Uiteraard is Taras Boulba, een gevierd en gewaardeerd Kozak, met zijn inmiddels strijdvaardige zonen, van de partij. De duizendkoppige bende, die plunderend, brandstichtend, moordend oprukt, zal de Poolse stad belegeren, uithongeren. Maar de aanwezigheid van Andrij wordt opgemerkt door de dochter van een notabele in de stad, een meisje dat hem in Kiev had leren kennen… en hij haar! Andrij wordt de stad binnen gesmokkeld en tenslotte loopt hij over naar het vijandelijke kamp. Wanneer er voor de Polen versterking opdaagt, zij een uitbraak forceren, stort hij zich in de strijd en zal door zijn vader gedood worden. Het loopt slecht af voor de Kozakken, Ostap wordt gevangen genomen. Taras Boulba kan ontkomen. Hij zal zijn zoon die publiekelijk gemarteld en daarna terechtgesteld wordt in Warschau gaan zoeken, en het ‘schouwspel’ meemaken. Een gruwelijk gebeuren dat Gogol in staat stelt de ongezonde hang naar sensatie van de mens aan de kaak te stellen. Daarna zal de kozak nog eenmaal ten strijde trekken in een godsdienstoorlog met 120.000 kozakken, het zal hem fataal worden – ook hem zal de brandstapel wachten. Maar de kozakken zijn niet verslagen, niet uitgeroeid…
Hoofdstuk acht besluit met deze zinnen: “Hun roem zal over de hele aarde worden verbreid en alle latere geslachten zullen van hen spreken. Want ver reikt het machtige heldenlied dat gelijkt op dreunend klokkenbrons waarin de meester veel kostbaar zuiver zilver heeft verwerkt, opdat de schone galm verder zou dragen over steden, hutten, paleizen en dorpen om ieder zonder onderscheid op te roepen tot het heilige gebed.” Of Gogol de bedoeling had de kozakken te verheerlijken is nog maar de vraag natuurlijk. Hij schildert hen weliswaar als onversaagde krijgers enerzijds, maar gaat evenmin voorbij aan het feit dat het een bende drinkebroers is die uit is op plunderen, verkrachten, brandstichten, geweld om geweld… niet zo dadelijk een fraai beeld. Het ‘heldenepos’ stelde hem wel in staat om schitterende taferelen te pennen over het krijgsgewoel, de bestormingen, de lijf aan lijf gevechten – hij weet het zeer visueel, te gruwelijk te verwoorden. Daarnaast zijn er de beschrijvingen van de natuur, de landschappen waar deze legertroep doorheen trekt, de steppe, de Oekraïne, die in al zijn kleur en pracht ademend tot leven komt in deze bladzijden. En maken we kennis met de bevolking, met zeden en gebruiken, kleding, trekken we door dorpjes, langs een abdij, proeven we de sfeer van de joodse wijk in Warschau. Een verheerlijking van het bestaan van dit ruige volkje is het niet – hooguit een waardering voor hun moed, hun vaderlandsliefde, kameraadschap en geloof. En hun opvattingen, hun houding tegenover Turken, Polen, Tataren, Joden… Het wordt beschreven, ze zijn genadeloos. Alleen met de joodse bevolking leven ze vreedzaam samen in Zaporozje. Van hen krijgen we enerzijds het cliché voorgeschoteld – anderzijds duiken ze op als behulpzaam, vriendelijk al blijft enig winstbejag op de loer liggen maar individueel blijken het sympathieke figuren en buren. Binnen het historisch kader kan men Gogol vast geen antisemitisme verwijten. Dit is geschiedenis.
Het werk van Gogol, de door hem gecreëerde figuur van Taras Boulba, en de bijna legendarische kozakken zouden de verbeelding blijven prikkelen. En een dankbaar onderwerp vormen voor zo’n tien films. Een eerste klankloze werd in 1909 geregisseerd door Aleksandr Drankov. In 1936 was er deze van Alex Granowsky terwijl de bekendste ongetwijfeld de versie uit 1962 is, van J. Lee Thompson met Tony Curtis en Yul Brynner als Taras Boulba. Er is ook een opera geschreven naar het boek, en Leos Janacek componeerde in 1918 een driedelige rapsodie die telkens de dood van de hoofdpersonen, Andrij, Ostap en Taras evoceert.      

Johan de Belie

Een gedachte over “De schatkamer van Johan de Belie (28)

  1. Waarom heb ik in ’s hemelsnaam dit boek gekozen? Als zelfs het oorlogsgeweld van “A time to love and a time to die” me al tegen de borst stuitte, wat dan gezegd van deze orgie van geweld? Ik heb opzettelijk doorgelezen tot ik toch eens iets anders tegenkwam. Dat was dan de passage waar de jongste zoon van Taras Boelba zijn vader en zijn volk verraadt voor de mooie ogen van een “wonderschoone” maagd. Dat moet in de film uit 1962 de veertienjarige Christine Kaufman geweest zijn, want daaruit heb ik vooral het erotische aspect onthouden, al zal dat ook daar toch maar een neveneffect geweest zijn. Maar ja, ik had toen de leeftijd van “Le temps des secrets” (Marcel Pagnol) en dan spitst alles zich daarop toe. Tenslotte was de mooie Christine, die zelfs even naakt in beeld kwam meen ik me te herinneren, amper ouder dan ikzelf. Haar tegenspeler Tony Curtis zou enige tijd later met haar trouwen, dus die voelde het duidelijk ook kriebelen.
    “Dode zielen” heb ik ook al niet uitgelezen, wat mij toen wel verwonderde, want dat wordt toch algemeen als een meesterwerk beschouwd. Niet zo met deze “Taras Boelba” lijkt me. Het enige wat me dwars zit is dat ik me nu in het kamp van de politiek correcten bevind, want het boek staat stijf van het racisme. Vooral dan tegenover de joden, al moeten ook de katholieken het op een bepaald moment zwaar ontgelden.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.