Paul Jacobs wordt zeventig…

Paul Jacobs wordt zeventig…

Radioprogramma’s zoals “De Taalstrijd” en “De Perschefs” waren telkens van de hand van Paul Jacobs. In het jeugdboek “Het raadsel van Rose Cottage” (Lannoo, Tielt, 1986, 155 bladzijden) voert hij ons mee naar Engeland, waar hij zijn nieuwe passie kan botvieren: het speurwerk. Wie herinnert zich immers niet de onverdroten zoektocht naar de gouden klepel of de steen der wijzen die gans Vlaanderen op zijn kop zette? Het brein achter dit programma-onderdeel van “Het vermoeden” was inderdaad Paul Jacobs.

Met zo’n titel, een oud Engels buitenhuis (dit is een “cottage”, in het boek zelf wordt dit typische begrip nergens omschreven; kinderen lezen het zelfs verkeerd, namelijk op z’n Frans) en twee stripauteurs die er inspiratie trachten op te doen, zijn natuurlijk alle ingrediënten voorhanden. Jacobs kwijt zich behoorlijk van zijn taak, traditioneel routineus maar met een moderne ecologische ontknoping, en met doorgaans veel zorg voor de taal, zij het dat ik toch een kanjer van een fout heb ontdekt (ik ben ook een speurneus!). Op bladzijden 150 schrijft hij immers: “Ze hadden afgesproken om elkander met ‘je’ en ‘jij’ aan te spreken”. Aangezien hier over een conversatie in het Engels gaat, dat enkel nog “you” kent (het oude “thou” wordt uitsluitend voor god gebruikt), zal zo’n afspraak toch wel problemen hebben opgeleverd.
OMDAT VOETENKUSSERS BELANGRIJK ZIJN
Daarna duikelde een boekje de redactie binnen met een briefje erbij dat gericht was aan de “Beste”. Daarom dacht ik natuurlijk dat het voor mij bestemd was. “Beste”, zo stond er, “Hierbij laat ik je een recensie-exemplaar sturen van mijn jongste boekje (Paul Jacobs, ‘Een zondag in de Middeleeuwen’, red.). Kenners wijzen op de overeenkomst met ‘Kopstukken’ van Godfried Bomans. Wat zeg jij?”.
Ik zeg dat dit verdomd geklets uit de (dikke) nek is en begin met wantrouwen te lezen. Dat wantrouwen stijgt reeds op pagina 7 als men ziet dat de auteur, nochtans geliefd van omroep Antwerpen en vooral “Het Grote Blufboek” (dit laatste goed te merken), er niet voor terugschrikt om ouwe bakken uit de sloot te halen (“Wie zijn vrouw, verloofde of meisjes had verloren, vernam van Vrolijke Frans dat er nog miljoenen vrouwen waren in de wereld en dat het dom was achter een vrouw of een tram aan te lopen omdat er altijd wel een andere kwam”).
Maar stilaan begon het wantrouwen weg te ebben. Waar ik immers van hou, dat is een boekje met korte, grappige verhaaltjes om ’s morgens op de trein te lezen en de bedienden van het ministerie uit hun hazeslaapje te doen opschrikken door luidkeels blijk te geven van goede luim – iets wat alvast van hén niet kan worden gezegd. Maar van dit boekje wél.
En wanneer ik op pagina 40 persoonlijk ten tonele word gevoerd (“Toen het té gek dreigde te worden, greep De Schepper in”) werd het echt te gek en greep ik in: in de marge streepte ik aan “dit is een grappig boek”, algemeen bekend als de hoogste kwalificatie die ik aan een boek kon toekennen, want zelfs van “Das Kapital” kan dit niet worden gezegd!
De ene na de andere historische figuur die net niet de geschiedenisboeken heeft gehaald passeert de revue en de een is ons nog liever dan de andere. Zo Ahls-t-kannop-mij, de uitvinder van de slogan “bekwame voetenkussers zijn belangrijk” (pagina 67), Kartoffel de Kinderhater, mijn gebuur, die “griezelige geluidjes (kon) maken, zoals daar zijn: die van de weerwolf, de bietebauw, de hulk en Mike Verdrangh” (pagina 70) en vooral Oë, “de winnaar van twee ritten in de Ronde van Palestina”.
Kortom, dit is een meevaller van jewelste geworden en voor de zwakkere schakels kunnen we de auteur zelf citeren die in de gedaante van Simon (!) de Schuine als slotzin peroreert: “Het ene Kurzijfje lijkt immers sprekend op het ander. Of niet soms?” (pagina 88-89).
HET GROTE BLUFBOEK
Daarvoor reeds had Paul Jacobs samen met Erik Strieleman dus een boek geschreven dat zichzelf aandient als “Het Grote Blufboek” en dat ook zijn titel als zodanig waarmaakt. Ongetwijfeld heeft de Antwerpse origine van de auteurs een niet geringe rol gespeeld opdat ze zich behoorlijk van hun taak zouden kunnen kwijten.
“Alles wat ik al heb willen weten maar waarvoor ik te lui ben om me erop toe te leggen” kun je in die boekje in een mum van tijd oprapen. 25 modieuze onderwerpen passeren de revue. Film, wijn, literatuur, reizen, filosofie, gastronomie en vooral feminisme mogen natuurlijk niet ontbreken.
Een paar voorbeelden van modieuze uitspraken:
“De belangrijkste figuur van de Frankfurter Schule was niet Marcuse, maar Habermas”.
“Ik hou van reggae maar niet van Marley”.
“Aan het Bartok-discografie is nog heel wat te doen”.
“Ik kan het bouquet van dit glaasje port onmogelijk thuisbrengen, maar in deze kamer wordt gerookt, waarschijnlijk?”

DE LAATSTE GRAP
In 2010 schreef hij dan de misdaadroman (let op de kwalificatie: terecht niet “thriller”) “De laatste grap”. Die was opgehangen aan alweer een ander programma waaraan hij zijn medewerking verleende, “De Rechtvaardige Rechters”, in het boek omgedoopt tot “De Potentaten”. Ik las het boek vooral om mensen te herkennen en af en toe was dat wel leuk. Zo wordt het programma gepresenteerd door Jan Damiaans, een jongen met een Buddy Holly-bril, en één van de panelleden is Rob Huyghe, die “koket de uiteinden van zijn snor naar boven draaide” (p.181). En natuurlijk is het ook leuk bij de tekstschrijvers zo maar gewoon een Geert aan te treffen.
Over het genre zelf ga ik me niet uitspreken, aangezien ik er niet echt van hou (al lijkt Jacobs me wel te zondigen tegen één van de oerprincipes van het genre, maar hierover kan ik niet uitwijden zonder spoilers), maar waaraan ik me méér stoorde dat waren de seksscènes. Het verwondert me zelfs dat Paul Jacobs nog nooit in aanmerking is gekomen voor de jaarlijkse bekroning van “de slechtste seksscène”.
Maar de core-business van Paul Jacobs is uiteraard zijn humor en op dat vlak is het boek toch alweer geslaagd. Het lijkt er soms wel op alsof hij er al zijn niet-gebruikte vondsten voor “De Rechtvaardige Rechters” erin heeft gestopt, waaronder een aantal (bewust) flauwe, maar who cares?
KAPOOT
Aangemoedigd door zoveel geestigheid schreef ik destijds volgende brief naar Paul Jacobs in zijn hoedanigheid als producer van het TV-programma “De Drie Wijzen”:
“Het moet voor de panelleden niet steeds even makkelijk zijn om voor de finale telkens een verhaal te verzinnen dat grappig is en ongeloofwaardig, maar dat tegelijk toch waar zou kunnen zijn. De beste oplossing voor gebeurtenissen die ‘niet waar’ zijn, maar waarvan de kandidaten dat niet van tevoren met hun ellebogen aanvoelen, lijkt me dan ook een ongeloofwaardig verhaal te vertellen dat iemand anders wél echt overkomen is. Ik dacht bijgevolg dat de volgende anekdote uit mijn jeugd uitstekend in de mond van Walter Grootaers zou liggen, ook al omdat het allemaal draait om een kledingstuk dat door mijn vader als politieagent werd gedragen, wat dus best ook voor Walters vader (als beroepsmilitair) zou kunnen gelden. Dat kledingstuk is een kort manteltje zonder mouwen dat slechts met één knoop (bovenaan uiteraard) wordt vastgemaakt. Zo’n manteltje wordt in het dialect van Temse (maar wie weet ook dat van Lier) een ‘kapoot’ genoemd. Je voelt het al aankomen natuurlijk…
Het verhaal gaat als volgt. Toen ik zo’n jaar of twaalf was, kwam een vriendje tijdens de zomer bij mij spelen. Hij woonde toch wel een eindje van mij af en was dus met de fiets gekomen. Helaas werd zijn strategische terugtocht voor het avondeten belemmerd door zo’n typisch zomerse regenbui. Die bleef maar aanhouden en om Erik, zo heette mijn vriend, toch in staat te stellen op tijd thuis te zijn, stelde mijn moeder voor dat hij dat fameuze manteltje (die ‘kapoot’ dus) zou aandoen.
Goed, tot hiertoe, no problem. Alleen, die jongen woonde in een café en ’s anderendaags gaf mijn moeder mij de opdracht dat manteltje terug te gaan halen. Mij van geen kwaad bewust riep ik reeds van in de deuropening naar de moeder van mijn vriend die, zoals het past, achter de tapkast stond:
‘Célestine, ik kom de kapoot van mijn vader halen die hier nog altijd ligt.’
Het café zat tamelijk goed vol, ik hoef je dus niet te beschrijven wat de reactie was…”
Ik vind het nog altijd een geweldige grap, maar van Jacobs kreeg ik taal nog teken.

Lees verder “Paul Jacobs wordt zeventig…”

De klimfiets aan de haak, géén Franse Alpen en dus… vakantie in de Provence

P1020312“De teller van mijn bestaansjaren neigt naar 65 en dus ben ik niet meer met klimvakantie naar de Franse Alpen geweest,” schrijft Luc De Ryck, de burgervader van Temse. “In ruil ben ik dan maar langer in de Provence ‘ondergedoken’. Dat zalige verblijf werd bovendien gesausd met de Wereldbeker Voetbal.”
Lees verder “De klimfiets aan de haak, géén Franse Alpen en dus… vakantie in de Provence”

Han le Blanc

06 cesar et rosalieHan le Blanc — zo zouden we de 15de druk van de Nederlandse zedenschets, met de kneuterige anti-held « Han De Wit gaat in ontwikkelingshulp » van Heere Heeresma, kunnen omschrijven. Een boek dat de spot drijft met alle waarden en gelukkig evenzeer met alle onwaarden en zelfs antiwaarden uit de samenleving der Lage Landen. Amusant, en heel relevant, in een soms knotsgekke stijl, met absurditeiten die als hele waarheden boven het vlakke polderlandschap uitstijgen. Je hoeft niet eens lange tenen te bezitten, Heeresma weet toch wel op je likdoorns te trappen. Met een grimlach doorsta je dat dan. Omdat je nu eenmaal voor jezelf maar beter stoer kan doen — en bekennen dat we allemaal een beetje Han De Wit zijn. Naast Pa Pinkelman de meest amusante figuur uit de Nederlandse literatuur.

Referenties
Johan de Belie, Han le Blanc, De Rode Vaan nr.46 van 1987
Heere Heeresma, Han De Wit gaat in ontwikkelingshulp, De Prom, Baarn, 1987, 118 blz.

Godfried Bomans (1913-1971)

Godfried Bomans (1913-1971)

Vandaag is het precies 45 jaar geleden dat de Nederlandse humoristische schrijver Godfried Bomans is gestorven, de godfather van alle comedians uit de lage landen. Guy Mortier b.v. verklaart onomwonden: “Godfried Bomans was mijn grote voorbeeld en is dat eigenlijk altijd gebleven, zoals je uit de humor in Humo zou moeten kunnen afleiden.”
Anderzijds is het toch ook wel een andere soort humor, veel droger, “Haagser” zou ik durven zeggen (Nicolaas Beets wordt vaak als inspiratiebron vermeld). Of zoals Karel Jonckheere zei over hem en Simon Carmiggelt: “Het zijn geen humoristen maar fotografen. Ze leggen op een fotografische manier een stukje werkelijkheid vast, waar je dan om kunt grinniken.”
Lees verder “Godfried Bomans (1913-1971)”