Edgar Allan Poe (1809-1849)

Edgar Allan Poe (1809-1849)

Vandaag is het precies 170 jaar geleden dat de Amerikaanse auteur Edgar Allan Poe in Baltimore in de goot werd aangetroffen in ijlende toestand, terwijl hij steeds maar de naam Reynolds prevelde (*). Het was de laatste keer dat de schrijver in het openbaar werd gezien. Enkele dagen later (op 7 oktober 1849) overleed hij. Poe was nooit meer lang genoeg bij bewustzijn om uit te leggen hoe hij in die erbarmelijke toestand terecht was gekomen en hoe het kwam dat hij niet z’n eigen kleren droeg…
Lees verder “Edgar Allan Poe (1809-1849)”

170 jaar geleden: “The raven” van Edgar Allan Poe

Aangezien het vandaag Gedichtendag is en het tegelijk 170 jaar geleden is dat “The raven” van Edgar Allan Poe werd gepubliceerd in The Evening Mirror in New York (“the first publication with the name of the author”) heb ik besloten een versie van het gedicht over te nemen. Er bestaan tal van versies van, meestal voorgedragen door een “griezelacteur” (Vincent Price, Christopher Lee…), maar ik heb de voorkeur gegeven aan een “muzikale” versie van de mij totaal onbekende Mark Mellen. Ik vond eerst dat hij het rijm te zeer benadrukte, maar toen ik dan de “griezelversies” beluisterde, stelde ik vast dat dit hier evenzeer het geval was. Anderzijds is de versie van Gram Parsons uit 1976 muzikaal dan weer beter, maar de tekst is hier zo goed als onbegrijpelijk. Daarom toch maar: Mark Mellen!

“The Fall of the House of Usher” van Steven Berkoff

Kerstmis stond in Arca een paar jaar in het teken van de Britse auteur Steven Berkoff. Het begon in 1993 met “Harry’s christmas”, een echte, zij het cynische, kerstmonoloog. Want als adept van het théâtre de la cruauté van Antonin Artaud kan Berkoff inderdaad zeer wreed zijn. “Vooral voor introverten die, als de kaartjes geteld worden, overvallen worden door een overdreven gevoel van waardeloosheid.” Het jaar daarop volgde dan “Kvetch”, door Daan Hugaert vertaald als “Mierenzeik” over een “mierenzeiker” (lees: zagevent), die zijn vrouw het leven lastig maakt. Voor dit stuk was Kafka de grote inspirator. Het werd in 1995 gevolgd door “The Fall of the House of Usher”, ondubbelzinnig gebaseerd op de horror-story van Edgar Allan Poe. Het is zelfs merkwaardig hoe dicht Berkhoff bij het origineel is gebleven. Poe was geobsedeerd door het fenomeen schijndood. Hij was er als de dood voor (sorry voor de ongewilde woordspeling) dat hij te vroeg zou worden begraven. Iets wat in de negentiende eeuw, toen men met bepaalde ziektebeelden (coma b.v.) nog niet echt overweg kon, geregeld gebeurde. Dat heeft men kunnen vaststellen aan de hand van lichamen die in een verkrampte vorm in hun kist werden teruggevonden. Blijkbaar hadden deze mensen nog verwoede pogingen gedaan om hun lot te ontlopen. In “the Fall of the House of Usher” vertrekt Poe daarbij van een spierziekte die algehele verstijving met zich zou meebrengen. Dit griezelige gegeven wordt door de Zuid-Afrikaanse regisseur Marthinus Basson volledig uitgespeeld en Lieve Cornelis, Peter Marichael en Daan Van den Durpel geven zich dan ook eens over aan een acteerstijl die je in professionele theaters niet zo vaak meer ziet (bij amateurs komt het wel meer voor): het horrorstuk. Paradoxaal genoeg zou ik zeggen: ga er met uw kinderen naartoe, want die vinden dat griezelen wellicht “keitof”. Volwassenen zijn daarvoor (helaas?) een beetje te cynisch geworden en kijken ook makkelijker doorheen de theatertruuks. Ook nu werd weer, net als in “Sister my sister”, met live-cellomuziek gewerkt: Katelijne Van Kerckhoven voert een compositie uit van Peter Louis van Dijk.