Matteo Trentin wint in Andalusië

Matteo Trentin wint in Andalusië

Matteo Trentin (foto’s Erik Westerlinck, behalve die met Tom Boonen, die is van Jean-Pierre Verstraete) heeft de tweede etappe in de Ronde van Andalusië (Ruta del Sol) gewonnen. Na 216 kilometer van Sevilla naar Torredonjimeno was de Europese kampioen de snelste in de sprint van een uitgedund peloton. Tim Wellens finishte als twaalfde en blijft leider.
Lees verder “Matteo Trentin wint in Andalusië”

Sandor Marai (1900-1989)

Sandor Marai (1900-1989)

Het is vandaag dertig jaar geleden dat de Hongaarse auteur Sandor Marai in San Diego (VS) zelfmoord pleegde.
Sandor Marai werd op 11 april 1900 geboren in het Hongaarse Kassa (nu Kosice in Slovakije) in een rijk burgerlijk milieu. Hij studeerde in Leipzig, Frankfurt en Berlijn, vertaalde Trakl en Kafka in het Hongaars en was van 1923 tot 1929 correspondent van de Frankfurter Zeitung in Parijs. Vanaf 1929 publiceerde hij romans, verhalen, gedichten, essays en toneelstukken. Gedurende de nazi-tijd leidde hij in Boedapest wat men heet “een teruggetrokken leven”. Men kan het natuurlijk ook anders zien: de nazi’s kon hij blijkbaar wel uitzweten, maar de communisten niet. Na de oorlog ging hij dan ook in vrijwillige ballingschap, eerst naar Italië en dan naar de Verenigde Staten, waar hij op 22 februari 1989 in San Diego zelfmoord pleegde. Hij liet een joodse echtgenote achter, waarmee hij vermoedelijk nog niet getrouwd was in de nazi-periode.
Aangezien zijn boeken in Hongarije verboden waren, verschenen ze slechts in beperkte oplage in het buitenland en duurde het tot 1999 vooraleer hij “ontdekt” werd.
Dat gebeurde dan niet door “De erfenis van Eszter”, wat door de meesten als zijn beste werk wordt beschouwd, maar wel door “Gloed”, een werk dat voor het eerst verscheen in 1942 als “A gyertàk csonkig égnek”. De Nederlandse vertaling door Mari Alföldi dateert van 2000. Wat de originele titel betekent, weet ik uiteraard niet, maar de oorsprong van de Nederlandse titel vinden we terug op p.97 van de uitgave in de reeks Wereldbibliotheek: “De werkelijkheid was dat jij mij tweeëntwintig jaar lang had gehaat, met een passie waarvan de hittegraad slechts te vergelijken is met de gloed van grote liefdesbetrekkingen. Jij haatte mij, en als een menselijke ziel helemaal vervuld is van een gevoel, een passie, dan is ergens in dat vuur naast het enthousiasme ook de rook en de gloed van wraaklust aanwezig… want hartstocht gebruikt niet de argumenten van het verstand. (…) Jij haatte me, en haat is een even sterke band als liefde.”
De flaptekst belooft een “spannend” boek over een groot, kwaadaardig geheim dat twee voormalige jeugdvrienden bindt en dat hen 41 jaar later tot een meedogenloos “duel zonder wapens” zal drijven. Net als bij Ward Hulselmans, die hier misschien wel de inspiratie haalde voor zijn “Stille waters”, wordt deze belofte niet helemaal waargemaakt. Tamelijk vlug heeft men immers door dat het hier “the eternal triangle” betreft. Een tamelijk banaal plot dus, dat de banaliteit echter overstijgt omwille van de overpeinzingen die ermee gepaard gaan. Zo is het boek – ondanks de passage waaruit (nochtans terecht) de Nederlandse titel werd geput – één grote lofzang op de “vriendschap tussen mannen”: “Maar achter vrouwen, achter de rol en achter de wereld lichtte vaag een gevoel op dat sterker was dan dit alles. Dit gevoel kennen alleen mannen. Het heet vriendschap.” (p.47) Een seksistisch standpunt dat (uiteraard) zo niet alleen dan toch voornamelijk in een militaristische omgeving kan “bloeien”. De beide protagonisten zijn dan ook opgeleid als soldaten. Dat dit idee naar fascisme ruikt, blijkt ook uit de panische angst die het met zich brengt om te worden verward met “de ziekelijke neigingen van mensen die een tegennatuurlijke bevrediging zoeken bij hetzelfde geslacht.” (p.79)
Toch heeft de hoofdpersoon zich even daarvoor nog afgevraagd: “Is er misschien een sprankje Eros in elke menselijke relatie?” En hij antwoordt zichzelf: “De Eros van vriendschap heeft het lichaam niet nodig… het staat hem eerder in de weg dan dat het hem opwindt. Maar het is toch Eros. Aan de basis van elke vorm van liefde, van elke menselijke relatie, staat Eros.” (p.79) En nog: “Evenmin als iemand die verliefd is, verwacht de vriend een beloning voor zijn gevoelens. Hij wil geen wederdienst en ziet degene die hij tot zijn vriend heeft uitverkoren niet als een onwerkelijk wezen, hij kent diens fouten, en accepteert hem zo, inclusief alle gevolgen.” (p.80) En tot slot: “Er is geen triester en hopelozer emotioneel proces dan de verkoeling van een vriendschap tussen twee mannen. Want tussen man en vrouw heeft alles een voorwaarde, zoals bij een zakelijke transactie. Maar de betekenis van vriendschap tussen mannen is juist die onbaatzuchtigheid, dat we geen offer van de ander willen, geen tederheid, niets, behalve dat we ons houden aan de afspraken van een bondgenootschap zonder woorden.” (p.100)
Weer die misogynie dus. Wat tevens een domper zet op het enthousiasme dat ik bij andere lezers kan vermoeden, maar waaraan ikzelf geen deel kan hebben. Niet omdat dit motief in het boek voorkomt uiteraard, maar wel omdat het verhaal verteld wordt vanuit het perspectief van het (in mijn ogen) onsympathieke personage. De auteur zelf vereenzelvigt zich daar echter maar al te graag mee. Terecht of niet, maar ik zie hierin ook een parallel met zijn privé-leven, met name zijn houding ten overstaan van respectievelijk het nazisme en het communisme.
Toch is er tegelijk een verlangen naar het “anders zijn”, dat aan de basis ligt van zijn nederlaag (die hij wel als een bitter soort overwinning ervaart): “Want we houden altijd van degene die ‘anders’ is, die zoeken we in elke situatie en variatie van het leven…” (p.126)
Een andere prachtige observatie is dat dit “anders zijn” wordt gedefinieerd in functie van de muziek: “Tussen mijn moeder, Krisztina en jou was er de muziek als bindmiddel. Waarschijnlijk zei de muziek jullie iets wat niet in woorden en daden verteld kon worden, en waarschijnlijk zeiden jullie elkaar ook iets met de muziek, en dat andere verhaal, dat voor jullie perfect uitgedrukt werd door de muziek, konden mensen van de andere soort, mijn vader en ik, niet begrijpen.” (p.129) Zijn conclusie kan dan ook niet anders zijn dan: “Ik haat muziek (…) Ik haat die melodieuze en onbegrijpelijke taal, waarin mensen van een bepaalde soort met elkaar kunnen converseren, ze zeggen elkaar iets buiten de normen en de regels om, ja, soms denk ik dat ze elkaar iets onbetamelijks en immoreels zeggen met de muziek. Kijk maar naar hun gezicht, hoe vreemd het verandert wanneer ze naar muziek luisteren.” (p.130)
Pas als hij oud is geworden, kan hij min of meer gelouterd terugkijken op wat er gebeurd is en vraagt hij zich af: “Is trouw niet een vorm van egoïsme, een verschrikkelijk egoïsme, en ijdelheid, zoals het merendeel van menselijke dingen en behoeften in het leven? Willen we, als we trouw eisen, dat de ander gelukkig wordt? En als de ander in de subtiele gevangenschap van trouw niet gelukkig kan zijn, houden we dan wel van degene van wie we trouw eisen? En als onze liefde de ander niet gelukkig maakt, hebben we dan wel het recht om iets te eisen, trouw of opoffering?” (p.137)
Door deze genuanceerde stellingname is het uiteindelijk toch een boek dat je zowel aan je beste vriend als aan je grootste vijand ten geschenke kunt geven…

Lees verder “Sandor Marai (1900-1989)”

Bob Van der Veken (1928-2019)

Bob Van der Veken (1928-2019)

Maandag is de Antwerpse acteur Bob Van der Veken, bij het grote publiek vooral bekend als directeur Thienpondt uit “De Collega’s” (derde van links), op negentigjarige leeftijd overleden…

Het gekke is dat de lange loopbaan van Bob Van der Veken bij het theater op het internet wel compleet de mist lijkt ingegaan. Het enige wat ik erover vind, is… bij mezelf. En dan helaas nog niet eens in positieve zin. Want zo vertelt Tom Lanoye o.m. over zijn rol in “Blankenberge”: “Die ouwe janet, gespeeld door Bob van der Veken, moet b.v. op een bepaald moment een jonge Marokkaan pijpen. Ik weet natuurlijk dat dit niet kan op scène, maar vind daar dan toch een equivalent voor, verdomme. Nu zaten ze gewoon in de duinen wat over poëzie te spreken, ja zeg!”
Zelf ben ik gelukkig wat positiever als ik het heb over zijn rol van Buckingham in “Richard Everzwijn” van Hugo Claus in een regie van Eddy Vereycken. En wanneer hij met Cyriel Van Gent te zien is als Vladimir en Estragon in “En attendant Godot“, eveneens in het NTG, in 1993, in een regie van Sam Bogaerts, noem ik het duo “een soort reïncarnatie van de Dikke en de Dunne, waarbij vooral van der Veken verrast met een subtiel spel.”
Tien jaar eerder (in zijn volle glorieperiode als directeur Thienpondt) was ik minder tevreden over zijn prestatie in “De toevallige dood van een anarchist” van Dario Fo, nog altijd in het NTG. Ik schreef: “De agenten Hans De Munter en Bob Van der Veken voldeden echter minder. Hans is nog een student en werd wat al té vlug op de scène geduwd, terwijl Bob de lieveling van het publiek was (wegens Thienpondt uit « De Collega’s »?) en dit te nadrukkelijk wenste te affirmeren. Om iemand een schrijfmachine te zien kapot prutsen moeten wij overigens niet naar het theater gaan. Een collega doet dat hier dagelijks.”
Directeur Jef Demedts die graag de pers trachtte te manipuleren door hen tegen elkaar uit te spelen, viste dit fragment dan ook uit mijn recensie om het te contrasteren met een confrater die zowaar een andere filmgrootheid uit de annalen opdiepte: “Iets wil ik toch speciaal vermelden: wat Bob van der Veken maakt van de gemimeerde schrijfmachine-sequentie. Ik heb hem jaren geleden nog zo’n Chaplin-streken zien uithalen. In het geheel van de productie valt dit tussen de plooien, maar op zichzelf is het als prestatie voldoende om van deze productie een must te maken.”
Over “De kunst van de komedie” van Eduardo de Filippo in een regie van Jean-Pierre De Decker (1984) ben ik iets genuanceerder: “Hoofdrolspeler Bob Van der Veken trekt zijn tegenspelers mee in een wervelend tempo… althans na de pauze. Daarvóór is het eerder vervelend i.p.v. wervelend.”
Over zijn prestatie in Mevrouw Warrens broodwinning ben ik dan ten slotte weer niet te spreken (zij het dat ik zelf reeds een vergoelijking aanhaal): “Chris Boni zet deze rol met veel verve op het toneel. Hetzelfde kan niet worden gezegd van haar drie aanbidders, Roger Bolders, Bob Van der Veken en Cyriel Van Gent, al heeft dit meer te maken met de tekening door Shaw dan met het talent van deze heren.”
Antwerpenaar Bob Van der Veken maakte dus vooral carrière in het Gentse NTG. Ter gelegenheid van “De gekroonde leersse” noteer ik dan ook: “Geestig is vooral het feit dat Keizer Karel (Bob van der Veken) en zijn knecht Ambroos (een uitstekende Eddy Vereycken die de overleden Raf Reymen vervangt) Antwerps praten: de Gentenaars geraken hun complexen tegenover de Antwerpse superioriteit maar niet kwijt!”
Nadien speelde Bob op televisie nog gastrollen in Wittekerke (onderzoeksrechter), 2 Straten verder, Liefde & geluk (meneer Vervoort), Spoed (Jozef Sirou), Het eiland (Julien), De Wet volgens Milo (Rechter), Lili en Marleen (meneer Joost), Mega Mindy (Baron), De Kotmadam (Hubert), Matroesjka’s 2 (Kamiel Van Os) en in Grappa de rol van opa. Hij speelde ook twee gastrollen in F.C. De Kampioenen, waarvan één in 1996 als Paul Thienpondt!
Ondanks dat de meeste mensen hem kennen van televisie was Van Der Veken meer met theater bezig. Op 23 december 2006 stond hij voor de laatste keer op de planken, in het stuk ‘The Red Star Line’. Op zijn 78ste en na zestig jaar theater nam hij afscheid van het podium.

Lees verder “Bob Van der Veken (1928-2019)”

Jean-Pierre Ducasse (1944-1969)

Jean-Pierre Ducasse (1944-1969)

De laatste tijd krijgen we in de weerberichten weer vaak waarschuwingen voor CO-vergiftigingen. Vijftig jaar geleden was er zo een triestig voorbeeld met twee jonge Franse beroepsrenners.

Jean-Pierre Ducasse droeg lange tijd de amarillo trui in de Ronde van Spanje 1967 die hij als tweede eindigde achter zijn ploegmaat Jan Janssen. Hij was ook nog 12de in de Vuelta 1968 en 31ste in de Ronde van Frankrijk 1968 (1ste op de top van de Tourmalet).
In februari 1969, bereidde hij het wegseizoen voor in een trainingskamp op de Franse Riviera waar hij een slaapkamer deelde met zijn ploeggenoot
neoprof Michel Bon. Op een ochtend werden beide mannen dood aangetroffen. Zij waren tijdens hun slaap vergiftigd door koolmonoxide die uit een slecht werkende verwarmingsapparaat kwam.

Lees verder “Jean-Pierre Ducasse (1944-1969)”

Kristof Goddaert (1986-2014)

Kristof Goddaert (1986-2014)

Vijf jaar geleden kreeg ik een uppercut van belang. In het nieuws keek ik naar het item over een dodelijk ongeval in Antwerpen (tot vóór enkele jaren zou het volstrekt ondenkbaar zijn geweest dat dit in het nieuws zat), waarbij een fietser onder een bus van de MIVB was terecht gekomen. Ik dacht nog terwijl ik die beelden zag: tiens, dat is een koersfiets. Maar goed, enkele minuten later kwam dan het sportnieuws als de journalist van dienst Stefaan Lammens plotseling zei: “We komen nog even terug op dat ongeluk in Antwerpen. Het slachtoffer blijkt profrenner Kristof Goddaert te zijn.” Baf! De klap kwam aan.

Toen ik enkele jaren geleden in herinnering bracht dat Frederiek Nolf vijf jaar geleden was overleden, reageerde Erik Westerlinck, die ook bovenstaande foto heeft gemaakt, daarop met: “Toch ook eventjes stilstaan bij Waaslander Kristof Goddaert die toen zijn kamergenoot was…” Inderdaad. Die jongen was dus echt niet voor het geluk geboren. Ook al zal hij dan de wielergeschiedenis ingaan door als jonge prof toch al tweede te worden in het Belgisch kampioenschap in Geel 2012 na Tom Boonen, nadat hij in 2009 reeds een derde plaats had behaald in datzelfde kampioenschap wielrennen, deze keer in Aywaille na opnieuw Tom Boonen en die andere topper Philippe Gilbert. Tussendoor won hij in 2010 ook nog de derde etappe van de Ronde van Wallonië.

Lees verder “Kristof Goddaert (1986-2014)”