Vijftig jaar geleden: zwaar auto-ongeval voor Muddy Waters

Vijftig jaar geleden: zwaar auto-ongeval voor Muddy Waters

Vijftig jaar geleden botste de wagen van Muddy Waters met een tegenligger. Wie van de twee op het verkeerde rijvak zat, heb ik niet kunnen achterhalen en ook niet of Muddy aan het stuur zat, maar ik denk van niet, want twee inzittenden van de wagen van Muddy kwamen om, net als de bestuurder van de tegenligger. Muddy werd “enkel” zwaargewond. Ik neem dus aan dat hij op de achterbank had plaats genomen, in tegenstelling dus met bovenstaande foto, waarvan ik vermoed dat die uit een film afkomstig is.

Lees verder “Vijftig jaar geleden: zwaar auto-ongeval voor Muddy Waters”

“Mississippi Delta Blues” door Marie & Joseph

“Mississippi Delta Blues” door Marie & Joseph

Ik ga nu aan een boek beginnen waarvan ik totaal niks afweet. De titel is “Mississippi Delta Blues” en het is in 1988 in het Frans geschreven door een koppel dat zich “Marie & Joseph” noemt. Eerst en vooral, ondanks de titel en ondanks het feit dat het boek is opgedragen aan Blind Lemon Jefferson, is het wel degelijk een roman en geen naslagwerk over de blues.

Lees verder ““Mississippi Delta Blues” door Marie & Joseph”

Roland Van Campenhout wordt 75…

Roland Van Campenhout wordt 75…

De Gentse peetvader Roland Van Campenhout viert vandaag zijn 75ste verjaardag.

Roland Van Campenhout ken ik al van in de jaren zestig. Eerst nog vanop afstand, b.v. als derde lid van Miek & Roel (mijn ex-leraar Miel Swillens heeft mij dan nog een gehandtekende foto van het trio bezorgd) of door het feit dat op mijn kot een ex-lid van zijn Bluesworkshop zat (toetsenist Jef Lefève alias de Zwozze). Later omdat we hem zeker tweemaal hebben uitgenodigd om in jeugdclub Broebelke te komen spelen en later ook op een poëziefestival dat wij als Masereelfonds op een weide in Temse hebben georganiseerd.
Als we de platen van Miek & Roel niet meetellen, dan maakte Roland zijn eerste “eigen” plaatje bij Rocco Granata op diens Cardinal-label: “Your trip is not like mine”/”Harmonica Joke”, zo rond 1969. Daarna volgde een live-elpee met zijn Bluesworkshop op MFP (Music For Pleasure), een elpee waaraan hij wellicht niet graag wordt herinnerd, maar ik koester ze toch als een rariteit omdat o.a. Roel Van Bambost hier gastvocalist is.
Bovendien is Roland ook één van de beste vrienden van Jo Clauwaert, die mijn vaste fotograaf was toen wij beiden op De Rode Vaan werkten. Alhoewel ik het me niet meer kan herinneren, zal Roland trouwens ook wel eens te gast geweest zijn op het jaarlijkse Feest van de Rode Vaan.
En toch heb ik Roland nooit echt geïnterviewd, zelfs niet telefonisch. Raar. Ik weet eigenlijk niet hoe dat komt. Ik weet nog wel – en Roland zal me dat zeker niet kwalijk nemen, aangezien hij wel zal weten dat het wààr was – dat ik er in het begin niet erg happig op was, gewoon omdat Roland “unreliable” was (*). Dat was zo de gewoonte in die tijd. Dat is b.v. ook de reden waarom ik Walter De Buck nooit echt heb geïnterviewd. Al heb ik het bij deze laatste wél geprobeerd. Samen met Jo kwamen we dan van een kale reis terug, net zoals bij sportdirecteur De Baerdemaker, die ons ging meenemen in zijn wagen, maar ons aan het Sint-Pieters-Station liet staan schilderen, of wijlen Herman De Coninck, die tweemaal te zat was om ons te horen aanbellen. (De tweede keer zijn we dan via buren toch binnengeraakt, vandaar dat er hier op deze blog dan toch een interview met hem is te vinden.)
De vader van Roland van Campenhout was saxofonist in een jazzorkest in Boom, waarvan ook Bobbejaan Schoepen en Kees Brug deel uitmaakten. Boom was overigens een socialistisch nest, zodat Roland anti-clericaal werd grootgebracht.
Roland: “Van mijn ouders mocht ik nooit spelen met kinderen die op een katholieke school zaten, terwijl – je zult het altijd zien – uitgerekend mijn beste vrienden tsjeven waren. Mijn moeder is in 1914 geboren en ze is niet gedoopt. In die tijd!” (Humo 7/3/2008)
Zijn vader overleed echter jong, zodat hij vooral met een stiefvader te maken kreeg, die hem “zaad van een ander” noemde en dronk en de boel aan stukken sloeg, zoals in de eerste de beste roman van Cyriel Buysse. De kleine Roland vluchtte in zwaarmoedige muziek van Beethoven en Wagner, al liet de jazz hem toch niet los. Hij voelde zich ook aangetrokken tot de beat generation en, aangezien hij geen (klassieke!) piano mocht studeren van zijn stiefvader, wilde hij dan maar een schrijver à la Allen Ginsberg of Jack Kerouac worden, de schrijver van “On the Road”, “The Dharma Bums” en “The Subterraneans”.
Roland: “Toen ik ze voor het eerst las, was ik al een rare vogel die een zwarte rolkraag droeg en jeans van zwart ribfluweel – ik had duidelijk al over het Parijse existentialisme gehoord. Ik herinner me dat ik ‘On the Road’ op de tram zat te lezen en dat andere tramgebruikers daar spottende opmerkingen over maakten: ‘Hij doet alsof hij Engels begrijpt’.” (Humo 7/3/2008)
Op z’n veertiende ging hij van school af en kwam hij bij Bell Telephone aan de lopende band terecht. Geen wonder dat hij op z’n zestiende van huis wegliep naar Antwerpen, waar hij Ferre Grignard aan het werk zag in de Muze en toen wist hij wat hij wilde: niet schrijven maar spelen. En alsof hij het zo maar te beslissen had, bleek hij inderdaad in de wieg gelegd voor de gitaar, want hij heeft nooit lessen gehad. Drinken was toen z’n regel al en zo geraakte hij ook in het leger in de moeilijkheden, zodat hij deserteerde en voor twee maanden in de Nieuwe Wandeling terechtkwam.
Roland: Overdag moest ik werken, ik kreeg zelfs mijn boterhammen mee. Ik botste op Walter de Buck, omdat ik in zijn toenmalig atelier aan de Bocht in Gent een muur moest voegen. Mijn voorbeelden, de beatniks, keken in de jaren vijftig al naar het Oosten, naar Buddha, naar Zen. En ja, Walter De Buck deed dat toen ook al. Ik heb met hem nog een tempel gebouwd, want er kwam een goeroe op bezoek (lacht). Dan kwam er zo’n dik mannetje met een oranje kleed aan.
Ondanks het feit dat hij via Jan Emiel Daele de drugs ontdekte, is Roland Van Campenhout géén typische sixties-figuur en niet omdat hij bang was van spuiten, maar omdat het grote verschil met de huidige popscene is dat in die tijd de “groep” toch belangrijker was. Nu is het in het beste geval een zanger met een begeleidingsgroep en in het slechtste zelfs een producer die dan gewoon “gezichten” zoekt voor zijn “groep”. Roland van zijn kant is een integer muzikant, die echter geen groep bij elkaar kon houden, zelfs niet zijn “Bluesworkshop”, waarvan o.a. als zangeres ook heel eventjes Iris Van Kerkhoven, de latere Wendy Van Wanten deel uitmaakte.
Toen Karel Bogard van Kandahar in 1984 in Singapore ging wonen (met zijn baggerfirma zou hij later de grond voor de luchthaven van Hong-Kong opspuiten), liet hij Roland met André “Early Bird” Brasseur overkomen om daar in nightclubs te komen spelen. Sindsdien heeft Roland daar nu een vaste stek.
En waarom ook niet? Roland is een wereldburger die zelfs nog eens met Charlie Watts heeft gespeeld, toen hij (d.i. Roland) in een Londense club met Jo Ann Kelly aan het spelen was.
Roland: “In mijn begintijd ben ik nog lid geweest van The City Ramblers, een Engelse groep: allemaal bums, onder wie Billy Connolly, de banjospeler, een Schot die later een wereldberoemd stand-up-comedian is geworden. Die gasten streken op een dag in Gent neer en ze hadden een wasbordspeler vandoen: zo heb ik me bij hen aangesloten. En Russell, de leider van de band, was getrouwd met Ottilie Patterson, een blueszangeres die de ex-vrouw van Chris Barber was.” (Humo 7/3/2008)
Maar zijn échte vaste stek is Gent, of beter gezegd een kasteel in Mariakerke.
Roland: Zeg, dat is mijn kasteel niet, hé! Ik huur daar enkele slordige kamers waar de rommel tot tegen het plafond reikt. Door de studenten heb je een sfeer in Gent die andere steden niet hebben. Gent is net klein genoeg om geen dorp te zijn, maar het is geen verziekte grote stad. Ik ken hier veel mensen en kom iedereen op straat tegen. Mijn eerste washboardspeler, Frank Liefooghe, oude vrienden, zoals Dré Posman, die mij ooit eens tot een jamsession met Miloesj, alias Maria Slavkovska, de violiste van het opera-orkest, kon verleiden.
En dat was ongetwijfeld een verre voorzet die uiteindelijk uitmondde op 18 november 2007 toen Roland ter gelegenheid van het jaarlijkse feest van de vrienden van De Rode Pomp (het concertzaaltje van Posman) het werk “Symphonic cloud” van George De Decker creëerde, waaraan hij zelf ook heeft meegeschreven. Het is immers een werk voor gitaar en groot orkest. Begin 2008 volgde daarop zijn volgende CD “Never enough” (EMI), die hij op 30 mei dus in Vooruit aan “zijn” publiek zal voorstellen.

Lees verder “Roland Van Campenhout wordt 75…”

Billie Holiday (1915-1959)

Billie Holiday (1915-1959)

Morgen zal het al zestig jaar geleden zijn dat de Amerikaanse jazz- en blues-zangeres Billie Holiday is overleden aan levercirrose (foto YouTube).

Billie Holiday (werkelijke naam Eleanora Fagan Gough) was de dochter van gitarist Clarence Holiday (1898-1937) en Sadie Fagan (1895-1945). Haar vader was dus zestien en haar moeder negentien toen zij geboren werd. De artiestennaam Billie ontleende de zangeres later aan Billie Dove, een actrice die zij bewonderde. De kindertijd van Holiday is in nevelen gehuld en ook het moment waarop zij begon met zingen staat niet onomstotelijk vast. Wat wel vaststaat, is dat zij in 1933 voor het eerst in de publiciteit kwam door een column in het blad Melody Maker, geschreven door producent John Hammond. Deze bracht haar in contact met Benny Goodman, die haar een platendebuut bezorgde met het lied Your Mother’s Son in Law.
Opvallend, alhoewel Benny Goodman één van de eersten (zo niet dé eerste was) om de rassenscheiding te doorbreken door samen te spelen met zwarte muzikanten, liet hij Billie Holiday niet met zijn orkest optreden, maar met een eigen groep uitsluitend bestaande uit zwarten. (Later zou hij wél opnames met haar maken.)
Het jaar daarop reeds maakte Holiday al furore in de New Yorkse jazzclubs, wat resulteerde in een optreden in het vermaarde Apollo Theater. Later speelde zij samen met Louis Armstrong, Duke Ellington, Count Basie, Artie Shaw, Ben Webster en natuurlijk vooral tenorsaxofonist Lester Young die haar de bijnaam “Lady Day” heeft gegeven en die zij op haar beurt the Prez (afkorting van President) ging noemen. De twee hadden jarenlang een verhouding, maar volgens één van de vele legendes die over Billie de ronde doen (en die zij vaak zelf in het leven heeft geroepen), zou de verhouding enkel “platonisch” zijn geweest. Jazz & drugs, jawel, maar geen “rock’n’roll”…
In de loop van haar leven begon Billie Holiday inderdaad steeds meer drank en drugs te gebruiken. In 1947 werd zij zelfs gearresteerd voor overtreding van het verbod op drugs, waarna zij een jaar doorbracht in een rehabilitatiecentrum. Alhoewel zij geen licentie meer kon verkrijgen om in New York op te treden, ging Holiday door met concerten geven. Tien dagen na haar vrijlating zong zij in een overvolle concertzaal in Carnegie Hall. Haar blijvende verslaving aan heroïne tastte wel haar stem aan, maar niet haar gevoeligheid en techniek. Uiteindelijk kostte deze verslaving haar in 1959 wel het leven.

Selectieve bibliografie
John Chilton, Billie’s blues, 1975.
Donald Clarke, Wishing on the moon: the life and times of Billie Holiday, Viking, 1993, 468 blz.
Billie Holiday, Lady sings the blues, 1956 (te verkrijgen als Rainbow Pocket).
Stuart Nicholson, Billie Holiday, Londen, Victor Gollancz, 1995, 311 blz.
Robert O’Meally, Billie Holiday: les multiples facettes de Lady Day, Editions Denoël, 1992, 208 blz.