Denis Diderot (1713-1784)

Denis Diderot (1713-1784)

Vandaag is het precies 235 jaar geleden dat de Franse schrijver en encyclopedist Denis Diderot is gestorven.

Denis Diderot kreeg, als zoon van een welgesteld ambachtsman, een opleiding bij de Jezuieten, eerst in zijn geboortestad Langres, daarna in Parijs, maar na het behalen van zijn “Maître ès Arts”-titel gooit hij zich in een bohémienleven. Hij huwt met een arbeidersmeisje en tracht zich in leven te houden als beroepschrijver. Dat lukte vrij aardig, want in 1746 verwerft hij zelfs het directeurschap van de “Encyclopédie”. Datzelfde jaar vliegt hij echter de gevangenis in omdat hij in zijn “Lettre sur les Aveugles” een aantal godsbewijzen weerlegde. De Parijse drukker Le Breton, die het koninklijk privilegie had gekregen om “L’Encyclopédie” uit te geven, beweerde echter dat hij failliet zou gaan als Diderot niet vrijkwam en zo geschiedde.
De “Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des Sciences, des Arts et des Métiers, par une Société de Gens de Lettres” zal in totaal 35 delen tellen, verschenen tussen 1751 en 1780, en zo’n zestig auteurs zullen samen zeventig duizend artikels schrijven. Alhoewel Diderot en zijn mede-directeur Jean Le Rond d’Alembert (1717-1783) zeker de eer toekomt van het omvangrijkste en meest erudiete werkstuk van de Verlichting te schrijven (in zijn “Discours Préliminaire” vat d’Alembert, die zelf de bijdragen over wis- en natuurkunde leverde, zelfs de principes van het empirisme samen, die aan de basis liggen van het werk, refererend aan Descartes en Locke), toch zijn ze schatplichtig aan de Brit Ephraïm Chambers die in 1727 in Londen zijn tweedelige “Cyclopedia or Universal Dictionary of the Arts and Sciences” publiceerde. Het is immers toen Le Breton hiervan een vertaling op de markt wilde brengen dat de bal aan het rollen ging.
Reeds in februari 1752 werd – onder invloed van de clerus – de verkoop van de reeds verschenen delen verboden en de publicatie van de volgende voor anderhalf jaar opgeschort.
Aangezien Diderots eigen werken echter op hun tijd vooruit waren (zij kondigen reeds het realisme aan), werden ze meestal pas na zijn dood gepubliceerd. Zo o.a. “Jacques le Fataliste et son Maître” (gepubliceerd in 1796) en “Le Neveu de Rameau”.
LE NEVEU DE RAMEAU
Wie was Rameau? Jean-Philippe Rameau (1683-1764), componist van vooral meerdere opera’s zoals ‘Les Indes galantes’, ‘Castor et Pollux’ en ‘Dardanus’. Maar wie was dan zijn neef zoals in de titel van het werk van Diderot vermeld? Jean-François Rameau, °Dijon 30.01.1716, vermoedelijk overleden in 1767; componist van enkele stukken voor klavecimbel en auteur van het lange autobiografische epische gedicht ‘La Raméide’. Maar vooral: een klaploper, bohémien, “een mengeling van grootheid en laaghartigheid, van gezond verstand en onredelijkheid. Van fatsoen en van onbetamelijkheid, een mengelmoes…” zo lezen we op de eerste pagina. Hij liep school bij de jezuïeten, ging in het leger, trad in het seminarie om tenslotte muzikant en beroepsbietser te worden. Zoals men hem omschreef: hij volgde de kauwwetten, de ‘lois de mastication’: één principe gold nog, voldoende goed eten hebben en een comfortabel bed. Een materialist dus? Niet helemaal zoals uit de ‘De neef…’ blijkt.
‘Le neveu de Rameau’, gepubliceerd in 1891, geschreven wellicht tussen 1760 en 1775. Maar vreemd: reeds in 1805 verscheen een Duitse vertaling van de hand van Goethe. Het manuscript zou hem toegespeeld zijn door Schiller (gevonden in de Hermitage in Petersburg). Pas bijna honderd jaren later belandde dit manuscript – of een tweede ‘origineel’ – in Frankrijk om daar gepubliceerd te worden. Dit raakte ook weer op de dool en dook pas 25 jaar later op in Amerika waar het zich nu nog bevindt in de Piermont Morgan Library.
Het is een dialoog die zich afspeelt in een café waar hoofdzakelijk geschaakt wordt. Een tweespraak tussen de neef en Hij, de filosoof (Diderot?). Ze behandelen allerlei thema’s, in een schitterend steekspel van woorden, humor, speldenprikken, scherpe en milde woorden. Het geheel ontwikkelt zich vlot en boeiend. Het start met woorden over genialiteit, over begrippen als goed en kwaad. Dan poneert de neef hoe hij onderdak en eten verkrijgt terwijl hij zijn weldoeners bij wie hij de nar speelt, belachelijk maakt. Hij poneert zichzelf als koppelaar, wat de filosoof – persoonlijk getroffen wegens bedenkingen over zijn dochter – ontstemt. Ze stappen over op het onderwerp opvoeding en onderwijs, wat moet de filosoof zijn dochter leren? – de meningen zijn verdeeld. Later zullen ze het hebben over wat Rameau zijn zoon leert: ondeugden, de pias uithangen en zo rijk worden, dat lijkt hem belangrijkst. Overigens, hijzelf is trots zich te verrijken als bedrieger wanneer hij muzieklessen geeft aan rijke jongedames.
De twee vinden elkaar als ze het hebben over de anti-filosofen, de gezworen vijanden van Diderot! Maar absoluut niet indien Rameau blijkt te genieten van zijn vertellingen over misdaden en het onrecht dat hij in de wereld ontmoet.
Een belangrijk deel van de dialoog wordt, meermaals, ingenomen door de muziek. De neef trekt tegen één en ander – vrijwel alles – van leer. Hij pleit voor de zuivere melodie. Vooral deze momenten onderbreken de dialoog: Rameau mimeert allerlei instrumenten, zingt hele aria’s en liedjes… Ook elders komen dergelijke scènes voor en zal hij b.v. mensen imiteren. Soms worden de schaakspelers in het café er als toeschouwer bij betrokken. Dit alles verlevendigt uiteraard het geheel. Samen met de humor en de satire. Nee, een droog filosofisch traktaat is dit zeker niet. En wat meer is: ‘Le neveu de Rameau’ wordt in Frankrijk nog vaak op het toneel gebracht. Niet verwonderlijk want het geheel is zo speelbaar dat het voor het theater geschreven lijkt. Een wonderlijk boek, even wonderlijk als de geschiedenis die het nodig had om ons eindelijk te bereiken. Vol waardevolle overpeinzingen en zeer vlot, prettig om te lezen.
LA RELIGIEUSE
Diderot schreef ook “Les bijoux indiscrets”, die zogezegd verhalen uit “1001 nacht” parafraseerden, maar in feite een satire waren op de seksuele zeden van de machthebbers uit die tijd.
Dat geldt ook voor de briefroman “La Religieuse” waarin Suzanne Simonin, de onechte dochter van een verarmde edelman verplicht wordt in het klooster te treden, omdat het familiefortuin naar haar twee zussen gaat. Oorspronkelijk is Mme de Moni, de abdis van het klooster van Longchamp, nog als een moederlijke vriendin voor Suzanne, maar na haar dood krijgt ze het aan de stok met de strenge Sainte-Christine. Ze wordt op water en brood gezet en als dit tot fysieke uitputtingsverschijnselen leidt wordt ze van hekserij beschuldigd. Al verliest ze het proces, toch mag ze dit strenge klooster ruilen voor het nogal libidineuze Saint-Eutrope d’Arpajon, waar de abdis Mme de Chelles, dochter van de regent Philippe, af en toe wel een nonnetje lust. Ook Suzanne mag op een bepaald moment naar haar cel komen. Mme de Chelles heeft de bedoeling haar met “les plaisirs d’amour” te laten kennismaken, wat duidelijk blijkt als een ander nonnetje daardoor verschrikkelijk jaloers wordt…
Als Suzanne deze “perversiteit” doorheeft, biecht ze alles op bij Père Lemoine, die haar de raad geeft uit de buurt te blijven van Mme de Chelles, maar zich des te meer tot hem te wenden. Op een bepaald moment wordt hij vervangen door Dom Morel, die ook tegen zijn zin gewijd is en haar daarom zal helpen uit het klooster te ontsnappen. Als dan blijkt dat ook hij het vooral op de “lusten des vlezes” gemunt heeft, slaat Suzanne op de vlucht. Totaal berooid wordt ze opnieuw door een vriendelijke dame letterlijk van straat opgeraapt, maar als dan blijkt dat het is om haar aan het werk te zetten in een luxe-bordeel, gooit Suzanne zich uiteindelijk te pletter op diezelfde straat.
Het is een waar gebeurd Assepoester-verhaal zonder happy end, al is de echte naam van de non Marguerite de la Marre. Tegelijk inspireerde Diderot zich ook op zijn zuster die op 27-jarige leeftijd in een klooster krankzinnig stierf. Letterlijk doodgepest. In 1758 zijn de Encyclopedisten (o.a. Voltaire, Montesquieu, de gebroeders Grimm, Jean-Jacques Rousseau die over muziek schreef, terwijl de literatuur werd behandeld door de ondertussen vergeten dichter Marmontel) haar zelfs ter hulp gekomen.
Op dat moment is Diderot overigens reeds helemaal geëvolueerd naar materialisme en atheïsme. Vandaar dat hij niet welkom is op het buitengoed van de familie Volland in Isle-sur-Marne in de Champagne, alhoewel hij nochtans tot over zijn oren verliefd is op de dochter Louise-Henriëtte, die omwille van haar wijsheid (ze droeg zelfs een bril!) Sophie werd genoemd. Hij zou haar honderden liefdesbrieven schrijven (187 werden er bewaard, maar er zijn er ook ongetwijfeld verloren gegaan), die tevens een document humain zijn van de tijdsgeest.
Nu is het zo dat er steeds twijfels bleven bestaan over die briefwisseling tussen Diderot en Sophie. Heeft hij deze brieven werkelijk verstuurd? Was dit alles geen literair spel, een epistolair dagboek? In ieder geval bestaan er geen brieven van Sophie aan Diderot en is ook elders geen spoor van de liefdesverhouding te vinden. Dat Sophie – Louise Henriëtte Volland – historisch is, dat staat dan wel vast ook al bezitten we geen portret van haar. Doet het er toe? Nee. De brieven zijn schitterend. Erudiet, uiteraard, filosofisch, Diderot neemt geen blad voor de mond zelfs in precaire tijden en omstandigheden. Zijn schetsen van de mensen met wie hij omgaat zijn teder, maar soms genadeloos en ik dacht vaak aan de broeders de Goncourt maar hij laat hen ver beneden zich in zijn menselijkheid en de waardigheid waarmee hij anderen benadert. Bovendien zijn de brieven vlot leesbaar, vaak spannend (avontuurlijk) en grappig (zelfs soms wat scabreus of libertijns) gezien de talloze anekdotes waarmee hij hen doorspekt. Hij bevond zich in het brandpunt van het politieke en sociale leven van een boeiende eeuw, ook dat is afleesbaar uit de brieven. Daadwerkelijk heeft hij daarmee zelden iets aangevangen, tenzij kleine persoonlijke ingrepen keek hij van de zijlijn toe – behalve uiteraard in zijn geschriften. Maar nu, de liefdesbrieven? Hoe dan ook ze zijn van een zeldzame schoonheid, ontroerend, poëtisch, gepassioneerd. Met vaak natuurbeschrijvingen die een andere Diderot laten zien. Ieder die het onderwerp vormt van dergelijke liefdesbrief moet zich wel gevleid voelen – en meer. Dus wat maakt het voor ons nog uit of Sophie al dan niet deze brieven ontving en las; ik hoop voor haar van wel!
In 1759 veroordeelt de paus “L’Encyclopédie”, zodat de uitgevers hun “koninklijk privilegie” verliezen en de uitgave alweer dient te worden gestaakt. D’Alembert zal zich zelfs definitief terugtrekken. Nadat enkele hooggeplaatste intekenaars er de regering op wijzen dat dit het imago van Frankrijk in het buitenland geen goed doet, kan Diderot zijn werk uiteindelijk verderzetten. De censors kijken hem echter zozeer op de vingers dat men besluit voortaan in het Zwitserse Neuchâtel uit te geven (*). In 1777 komt men dan toch terug naar Parijs bij de uit Rijsel afkomstige uitgever Charles-Joseph Panckoucke, die zoals men kan merken van Vlaamse afkomst was.

Lees verder “Denis Diderot (1713-1784)”

Nieuw boek van Fons Mariën

Nieuw boek van Fons Mariën

Mijn “Germaanse” vrienden zijn nogal actief op de boekenmarkt de laatste tijd. Na de dichtbundel van Staf de Wilde heeft nu ook Fons Mariën een nieuw boek uit. ‘De slaap van de rede brengt monsters voort’ werd uitgegeven door Aspekt (Nederland). In dit boek tracht de auteur een aantal kritische vragen te beantwoorden. Zijn denken over mens en maatschappij wil vrij zijn van religieuze en ideologische dogma’s en vrij van anti- of pseudowetenschappelijke opvattingen. Dus in de geest van het Verlichtingsdenken, zoals de titel al aangeeft. Het boek is te koop of te bestellen in de boekhandel of te bestellen bij bol.com (19.95 euro, beschikbaar vanaf 27-6-2019).
Lees verder “Nieuw boek van Fons Mariën”

Peter Cnop wordt zeventig…

Peter Cnop wordt zeventig…

Muziekjournalist Peter Cnop (foto Twitter) viert vandaag zijn zeventigste verjaardag. Peter schreef eerst voor Humo en daarna voor Knack om uiteindelijk op de persdienst van de toenmalige BRT terecht te komen. Daar ontpopte hij zich ook als een uitstekend scenarist. Samen met Willy Van Poucke ligt hij aan de oorsprong van de successerie “F.C.De Kampioenen” (al krijgen zij daar niet de nodige credits voor) en daarnaast heeft hij vooral voor de radio een aantal hoorspelen geschreven.
Lees verder “Peter Cnop wordt zeventig…”

25 jaar geleden: eerste aflevering van “F.C.De Kampioenen”

86 de kampioenen
Willy Van Poucke had al een aantal hoorspelen op z’n naam staan en toen hij de eerste twee afleveringen van “F.C.De Kampioenen” (“De nieuwe truitjes” en “Koopjes”) schreef. Hij mag dus zeker de “geestelijke vader” van deze succesreeks worden genoemd. Hijzelf vertelt daarover het volgende: “De situatie en de personages zijn bedacht door Peter Cnop en mij. Wel stond ons steviger comedy voor ogen, denk maar aan ‘Fawlty Towers’. Dus werd een en ander bijgestuurd door BRT-producers Luc Beerten en Bruno Raes en BRT-regisseur Willy Van Dueren (toenmalige Dienst Woord en Spel), wier grote voorbeeld de Nederlandse reeks ‘Zeg eens A’ was. Ons concept bleef grotendeels behouden, de toonzetting werd echter grondig gewijzigd. Maar duidelijk moet zijn dat het enige papier waar twintig jaar geleden wat op stond over de personages, hun onderlinge verhouding en de setting, dat van ons was, ’t is te zeggen van Peter en mij. ‘F.C.De Kampioenen’ is dus een creatie van de vijf mensen die ik hiervoor noemde, met als absoluut startpunt Peter en ik. In die jaren voetbalde ik bij een amateurploegje. Ik zag snel het komisch potentieel van dat gegeven in. Verder kreeg alles gestalte tijdens de middagpauze op de Persdienst in de urenlange gesprekken en brainstormen die Peter en ik hielden. De BRT werd toen weggeblazen door het piepjonge VTM. We dachten – terecht is achteraf gebleken – dat volkse comedy een sterke tegenzet kon zijn om het tij te keren.”