Het hoekje van Opa Adhemar (11)

Het hoekje van Opa Adhemar (11)

Shoppingtripjes naar Dover, en een verblijf van twee weken in dat begeesterend stadje… dat is waarover ik het vorige keer had. Dat en zoveel meer maakte mij tot de anglofiel die ik nog steeds ben. Ondanks mijn liefde voor het zuiden die ik inmiddels ook mijn hart en ziel binnen smokkelde. Remember, twee weken logeerde ik een dickensiaanse pub nabij de haven van Dover om de rust in mijn woelige brein weer te vinden.
Lees verder “Het hoekje van Opa Adhemar (11)”

Sixty years ago: the day the music died…

Sixty years ago: the day the music died…

Mason City, Iowa, 3 februari 1959 (A.P.): “Drie Rock & roll-zangers, wier platen en optredens miljoenen teenagerharten beroerd hebben zijn vandaag gedood door een vliegtuigongeluk hier in de omgeving. Het gehuurde vierpersoonstoestel, dat het drietal en de piloot vervoerde, stortte enkele minuten na het opstijgen in licht sneeuw vanaf het vliegveld van Mason City neer. De slachtoffers waren Buddy Holly (22) uit Lubbock, Ritchie Valens (17) uit Los Angeles, J.P. Richardson alias “The Big Bopper” (24) uit Beaumont, en Roger Peterson (21) uit het naburige Clear Lake, de piloot van het toestel.

De groep waarbij de zangers behoorden, had de vorige avond voor 1.100 teenagers opgetreden in de Surf Ballroom te Vlear Lake. De Beechcraft Bonanza, die gehuurd was van de Dwyer Flying Service, zou de drie zangers naar Fargo brengen voor het optreden aldaar hedenavond. De anderen gingen per gehuurde bus.
De autoriteiten schreven het ongeluk toe aan het slechte weer. Het sneeuwde, de temperatuur was 18 Fahrenheit en er waaide een zuidelijke wind met een snelheid van 35 mijl per uur, toen het toestel om 1 uur ’s nachts opsteeg. Het kwam ongeveer 5 mijl ten noord-westen van de boerderij van de heer Albert Juhl neer. Niemand heeft het horen neerstorten. De linkervleugeltop kwam blijkbaar het eerst in aanraking met de grond. Er werden stukken van het wrak afgerukt, toen het vliegtuig over een afstand van ongeveer twee huizenblokken door de grond ploegde, om vervolgens tegen een schutting te pletter te slaan. Mevrouw Caroll Anderson, de echtgenote van de manager van de Surf Ballroom, zei dat alles in orde scheen toen het toestel opsteeg.
In vakkringen te Hollywood wordt gezegd, dat de gezamenlijke platenverkoop van het drietal in de miljoenen loopt. De heer Valens, wiens werkelijke naam Richard Valenzuela was en die vorig jaar van de San Fernando High School afging om een zangcarrière op te bouwen, had zojuist zijn eerste film gemaakt, getiteld “Go Johnny Go”. Zijn eerste plaat, die zes maanden geleden werd uitgebracht, was “Donna”, waarvan volgens de Del-Fi Record Company meer dan 1 miljoen stuks zijn verkocht.
(Uit de film “La bamba” zullen we veel later leren dat Richie Valens met een begeleider van Buddy Holly getost had voor het overblijvende plaatsje in het vliegtuig. Deze “verliezer” die dus uiteindelijk een “winnaar” werd, was Waylon Jennings, die het nog zou uitzingen tot februari 2002, toen hij werd geveld door de gevolgen van diabetes.)
De heer Holly, ster van The Crickets, die ook optraden, kwam aan de top met zijn nummers “Peggy Sue” en “That’ll Be The Day”, die elk een oplage van meer dan anderhalf miljoen stuks behaalden. De heer Richardson was met vakantie. Hij werkte als disc-jockey, zanger en programmaleider van de zender KTRM te Beaumont, Texas. zijn “Chantilly Lace” werd door het vakblad Billboard beoordeeld als de op drie na bestverkochte plaat, en werd in 37 andere landen uitgebracht.”
(*)
Charles Hardin Holley werd op 7 september 1936 in Lubbock (Texas) geboren. Zijn jeugd verschilt niet in het minst van die van de talloze andere muzikanten uit het Zuiden van de VS. Zij begonnen nl. bijna allemaal als dj bij één van de vele plaatselijke radiostations. Als ze zwart waren, gingen ze dan blues zingen, de blanken (Holly dus ook) country. Hij deed dit met zijn schoolvriend Bob Montgomery en de platen uit die tijd (verkrijgbaar in beperkte oplage) leggen meer de nadruk op Bob dan op Buddy. Toch was het Buddy die de aandacht van niemand minder dan Kolonel Parker trok, toen zij het voorprogramma van Elvis Presley in Lubbock mochten verzorgen. (Als de eerste de beste fan probeert Buddy na het optreden een handtekening – of gewoon maar een blik – van zijn idool te versieren. Op de foto zie je hem helemaal rechts.)
Met een platencontract op zak vormde Buddy een backing-group naar het voorbeeld van die van Elvis: The Three Tunes. Sonny Curtis (later o.m. bekend als componist van het thema voor “Het Meisje van de TV”) hanteerde de gitaar, Don Guess de bas en Jerry Allison de drums. Alhoewel Buddy hier reeds dat hikkerig geluid in zijn stem had, wat later zijn “gimmick” zou worden, kende hij geen succes, misschien omdat hij toen nog trachtte er als een ster uit te zien (foto’s zonder bril bijvoorbeeld). Later ging men zijn bijziendheid e.a. gebreken (zoals naar verluidt een stinkende adem) juist zeer sterk in de verf zetten en… het succes was verzekerd (door identificatie, noemt men dat dan).
Nu wàs Buddy Holly, gewoon als artiest, ook heel belangrijk. Hij moest wel, want hij heeft amper anderhalf jaar tijd gehad om zijn roem te vestigen…
Zelfs tot op de dag van vandaag zal buiten Rod Stewart (in zijn tijd bij The Faces) niemand erin slagen net als Buddy Holly twee carrières op te bouwen (solo én met The Crickets) en voor beide aan de lopende band hits te hebben. Vooral in Engeland heeft Buddy Holly een revolutie veroorzaakt, dit omdat hij als “best next thing” na de King himself zichzelf niet te hoog achtte om in het toen op popgebied nogal achterlijke (vooral wegens een censurerende dictatuur van “auntie” BBC, vandaar later de piratenstations) Engeland te gaan optreden. The Hollies noemden zich naar hem, The Rolling Stones namen “Not fade away” op, en daarvóór had je al Adam Faith and the Roulettes, Brian Poole and the Tremeloes en The Hullaballoos, allemaal naäpers.
Ook The Beatles zouden The Beatles niet zijn zonder Holly, zelfs letterlijk, want de naam “Beatles” (kevers) is gekozen in navolging van “Crickets” (krekels). Wie nu trouwens nummers van Holly op zijn repertoire neemt (zoals Linda Ronstadt met “It’s so easy” of “That’ll be the day”), brengt veel geld in de kassa van Paul McCartney, die de rechten op de Holly-songs heeft opgekocht. Geen wonder dat hij destijds zijn vriendje Denny Laine (van Wings) ertoe heeft overhaald een hele elpee (“Hollydays”) vol te stouwen met Holly-composities.
John Lennon van zijn kant brengt een eresaluut aan Buddy op z’n elpee “Rock’n’roll” in de vorm van zijn grootste hit “Peggy Sue”. Lennon: “Buddy Holly kèn ik. Ik ben eigenlijk nog een tijdje Buddy Holly gewèèst. Ik droeg net zo’n bril als hij en ik kende al zijn nummers.”
En dan Georges Harrison: “Het was de muziek van Buddy Holly die me echt in rock’n’roll interesseerde. Hij hield er een unieke manier van gitaarspelen op na, die nog ’t meest leek op klokkenspel. Daarom ook hebben we later z’n ‘Words of love’ opgenomen.”
Ik hou dan ook van reeksen platen die heruitgaven zijn van oude successen. Niet alleen omdat ik met die muziek groot gebracht ben, maar ook omdat dergelijke reeksen vaak slechts een prikje kosten in vergelijking met de toch wel dure nieuwe releases. Vandaar ook dat mijn criteria voor nieuwe platen zo hoog liggen en dat ik niet zo gauw geneigd ben om tot kopen aan te sporen.
Met heruitgaven en compilatie-elpees liggen de kaarten dus helemaal anders. Technisch mag er dan soms al het een en het ander worden aangemerkt (al was het maar omdat de opnametechnieken in die tijd nog verre van volmaakt waren), muzikaal kan ik vaak dezelfde hoge norm blijven hanteren en dat doet mij plezier.
Zo bijvoorbeeld bij de verzamelelpee van Buddy Holly in de reeks Gold van Ariola (MCA 202 370). Ik ken iemand die beweert dat gewoonweg àlles wat Buddy Holly heeft opgenomen uitstekend is. Dat mag dan enigszins overdreven zijn, voor deze elpee gaat die slagzin alleszins op. Ik heb moeite om een paar nummers te selecteren die nog beter zijn dan de andere. Enfin, voor mij mogen dat dan “Peggy Sue”, “True love ways”, “It doesn’t matter anymore” en “Oh boy” zijn.
Vier nummers van diezelfde Buddy Holly (maar niet deze vier) maken ook het corpus uit van een andere verzamelelpee in dezelfde reeks, genaamd “Superstars Rock’n’Roll” (MAC 202 062).
Alhoewel de andere selecties (tweemaal Bill Haley, twee rock-nummers van Brenda Lee, Johnny Burnette en “When” van The Kalin Twins, naast de mij onbekende Owen Bradley en Johnny Cymbal) zeker niet slecht zijn bewijst Buddy Holly hier nogmaals hoe uitmuntend hij wel is, zodanig dat zijn eigen compilatie-album toch een grotere aanrader is.
Bij de nieuwe elpees die Music for Pleasure daarna op de markt heeft gegooid, viel mij vooral “Rave On” van Buddy Holly op. De hoestekst dateert al van 1975. Blijkbaar dus toch niet meer zo “nieuw”, deze verzamelelpee. Wellicht enkel nu pas verkrijgbaar in België. Uiteraard verandert dat weinig aan de zaak, want van een zanger die op dat moment reeds bijna twintig jaar dood was, kan je moeilijk nieuw materiaal verlangen.
Toch staan hier vijf postume releases op, waarvan één heel oude met z’n schoolvriend Bob Montgomery. Deze opnamen zijn niet gemaakt door The Crickets, maar wel door Jimmy Gilmer and the Fireballs, nà het overlijden van Buddy (m.a.w. enkel zijn stem is authentiek). Van z’n échte hits staan er slechts twee op, telkens “toevallig” als eerste nummer van elke kant: de geweldige titelsong “Rave on” en het rustigere “Everyday”. Wel een beetje weinig, zelfs voor de lage prijs. De overige vijf nummers zijn niet slecht, verre van, maar alles bij elkaar toch een ontgoocheling. Hoge bomen… (Buddy Holly: “Rave On” – MFP 50176)

JACQUES PERK (10 juni 1859 – 1 november 1881)
BUDDY HOLLY (7 september 1936 – 3 februari 1959)

de twee vernieuwers leefden even kort.
te kort voor Perk, hij bleef nu wat halfslachtig,
de voorloper en gangmaker van ’80,
wanneer der schoonheid naam geheiligd wordt.

Buddy’s gitaar en hikstem waren machtig,
zo bleek op teenagers hun schoolrapport.
toen ’t vliegtuig dat hem vloog was neergestort,
bleven hem fans en MCA indachtig.

ze brachten werkjes over de verloofden
van anderen, Jacques Perk, de blondgehoofde,
beschreef Madonna-achtige Mathilde,

en Buddy Holly zong, de zwartgebrilde,
over die van zijn drummer “Peggy Sue”.
ook ik ben tweeëntwintig, twenty-two.

Jan KAL

(*) Wat in dit artikel van American Press van de dag zelf niet vermeld staat (omdat het nog niet kon natuurlijk), dat is dat een dag later de tournee van de “Winter Dance Party” alweer op gang werd geschoten. Frankie Avalon en Jimmy Clanton werden als vervangers ingehuurd. Onnodig te zeggen dat deze twee hoegenaamd geen partij vormden voor Buddy Holly en Richie Valens. Zelfs de vervanging droeg dus bij tot de begrafenis van de échte rock’n’roll…

Cyril Davies (1932-1964)

Cyril Davies (1932-1964)

Enkele dagen geleden herdachten we nog de veel te vroeg gestorven Alexis Korner, maar vandaag gaat onze aandacht naar een nog veel eerder verdwenen pionier van de Britse blues. Vandaag is het immers al 55 jaar geleden dat Cyril Davies (foto YouTube), een pionier op het vlak van de bluesharmonica, is overleden aan leukemie.

Cyril Davies began his career in the early 1950s first within Steve Lane’s Southern Stompers, then in 1955 formed an acoustic skiffle and blues group with Alexis Korner. He began as a banjo and 12-string guitar player before becoming a Chicago-style blues harmonica player after hearing Little Walter. Working by day as a panel beater (carrosserieplaatwerker), he ran an unsuccessful skiffle club before meeting Korner, then Davies and Korner opened a London Rhythm and Blues club “England’s Firstest and Bestest Skiffle Club”, later known as the “London Blues and Barrelhouse Club”. Popular with other musicians, the club hosted gigs by blues musicians such as Muddy Waters, Sonny Terry and Brownie McGhee and Memphis Slim.
During this period Davies and Korner worked as session musicians, and often backed Ottilie Patterson during her featured set with husband Chris Barber’s band, using amplified instruments for the first time – which did not go down well with their blues purist audience and many fellow musicians. After closing the blues club, Davies and Korner went their separate ways, and, influenced by Muddy Waters electric sound, Davies formed his own electric blues band.
In 1961, Chris Barber recruited Davies and Korner to play harmonica and electric guitar in accompanying Barber’s band regularly at its Wednesday and Friday night sets at the Marquee Club, a popular London jazz club. This opportunity granted Davies and Korner some exposure to the London music scene, but the duo wished to focus more on blues and R&B. The two decided to found their own rhythm and blues group and, in a show of support, Barber offered them the intermission slot at the Marquee on Wednesday nights.
Korner supplied musicians for the rhythm sections, and Davies recruited Art Wood and Long John Baldry to be the vocalists. They named the group Blues Incorporated, and their initial performances at the Marquee were very well received. However, they realized the need for additional performance opportunities and, since most jazz and folk clubs in London were wary of electric guitars, Davies and Korner decided to found their own club at which they could perform. In 1962 they founded the Ealing Club. The club proved to be a popular sensation and attracted such admirers and future stars as Mick Jagger and Eric Burdon. Jagger was in the audience for the second night at the club and got up to sing “Got My Mojo Working”.
In June 1962 Blues Incorporated recorded “R&B from the Marquee”, actually recorded in Decca Records’ studio. After touring the UK and headlining a residency at the Marquee, by October 1962 there was musical tension in the band as some members wanted to play crowd pleasers like Chuck Berry and Bo Diddley songs while Cyril Davies and others members were blues purists who wanted to play what they saw as only genuine Chicago-style R&B. Following his departure from Blues Incorporated in October 1962, Davies then formed the Cyril Davies All-Stars in November 1962 and recorded five tracks for Pye Records, who had announced an R&B label featuring music imported from Davies’ favourite Chicago musicians (“Country Line Special”, “Chicago Calling”, “Preaching the Blues”, “Sweet Mary” and “Someday Baby”). The original line-up was largely recruited from Screaming Lord Sutch’s Savages, and featured both Long John Baldry and Davies on vocals to give Davies room to play harmonica. The band, later known simply as the All-Stars was subject to frequent personnel changes.
After contracting pleurisy in 1963, Davies began to drink heavily to assuage the pain while undergoing a heavy touring schedule. He died in January 1964, after collapsing during an engagement at a night club on Eel Pie Island, Twickenham in London. The official cause of death was given as endocarditis [ontsteking van de hartspier], although leukaemia is often quoted. Long John Baldry besluit Davies’ groep “The R&B All Stars” verder te zetten als “The Hoochie Coochie Men” en vraagt Rod Stewart lid te worden na de fameuze ontmoeting in het station van Twickenham. The rest, as they say, is history… (Wikipedia)

Lees verder “Cyril Davies (1932-1964)”

35 jaar geleden: Paul Young in Hammersmith

35 jaar geleden: Paul Young in Hammersmith

Het zal morgen 35 jaar geleden zijn dat ik op de BBC een live-optreden zag van Paul Young in Hammersmith. Het was één van de eerste kerstavonden die ik moederziel alleen doorbracht en ik moet toegeven dat dit zijn sporen naliet die avond. Sommige nummers van Paul geven daar nu eenmaal aanleiding toe. Mede daardoor is het een optreden dat voor eeuwig in mijn geheugen staat gegrift. (De Royal Tarts waren er toen nog bij; dàt waren alvast twee balsems op de wonde…)