Dertig jaar geleden: brief van Paul Goossens

44 paul goossensDertig jaar geleden, na mijn ontslag bij De Batselier, solliciteerde ik als gek. Ik denk dat ik wel ieder dag- en weekblad in Vlaanderen heb aangeschreven. Meestal kreeg ik zelfs nog geen antwoord. Daarom was ik – ondanks de afwijzing – toch in mijn nopjes met deze brief van Paul Goossens, de toenmalige hoofdredacteur van De Morgen. En in zekere zin kwam er inderdààd nog een vervolg op, al had dit niet direct iets met dit antwoord te maken. Het zal zowat een jaar later zijn, zeker, dat ik opving dat men op De Morgen iemand zocht om de sportredactie op zondag te komen versterken. Daar ben ik dan op ingegaan, maar journalistiek bleek dat niet echt een “uitdaging” te zijn, zoals het cliché dan luidt. Mijn taak bestond immers erin om artikels uit Het Laatste Nieuws (dat toen nog niet tot dezelfde persgroep als De Morgen behoorde, maar die samenwerking hing dus duidelijk al in de lucht) samen te vatten. Zeker in die tijd was sport inderdaad geen prioriteit bij De Morgen. Toen het dan ook nog eens slecht bleek te verdienen, kwam er al snel een einde aan de samenwerking. Mijn toenmalige vriendin had in die tijd immers een vriend van mij aangeworven om haar binnentuintje een beetje in orde te houden en die kreeg méér uitbetaald dan ik. Dus bood ze mij dezelfde som aan om haar ’s zondags gezelschap te houden. Dan was mijn keuze snel gemaakt natuurlijk. Toch zou ik occasioneel nog meewerken aan De Morgen. Zo herinner ik mij een bijdrage over mijn bezoek aan de barokopera van Drottningholm en (samen met Tony Landuyt) een stuk over Lomme Driessens.

Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier

Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier

Het is vandaag al dertig jaar geleden dat ik ben begonnen als perschef van Norbert De Batselier, die toen ondervoorzitter van de Vlaamse regering was (een soort van vice-president zeg maar) en minister van economie. Op papier moest dit de bekroning van mijn professionele carrière worden, in werkelijkheid werden het de drie zwartste maanden uit mijn leven. Ik weet nog heel goed dat ik op een woensdag ben begonnen en dat ik op zaterdag een fuif gaf in de Grote Avond om mijn nieuwe job te vieren. Maar er viel toen al helemaal niets te vieren. Er heerste een begrafenisstemming. Ik herinner me nog dat een vriendin me met de beste bedoelingen een nieuwe das had gekocht en dat ik samen met Vuile Mong daar droefgeestig zijn meezinger “Ze noemen mij Gerard Plastron” (op de wijze van “Juul Kabas”) heb aangeheven. Of ik gehuild heb, weet ik niet meer, wellicht heb ik me “sterk gehouden”, zoals dat dan heet, maar, ach Mong, het huilen stond me veel nader dan het lachen…

Maar hoe was het dan “zover kunnen komen” zoals men dan zegt? Alles had in de eerste plaats natuurlijk te maken met de troubles op De Rode Vaan, waarbij het tot een breuk was gekomen tussen de oude redactie en het nieuwe partijbestuur. Op dat moment waren, op uitzondering van Jan Mestdagh, die pas op 1 april bij de C.S.C. zou beginnen (waar hij mij later zou kunnen overhalen om naartoe te komen, de twééde grootste misstap uit mijn leven), al mijn collega’s reeds vertrokken, zodat ik in een vijandige sfeer moest werken. Vandaar dat ik ook naar een andere job begon te hengelen en dan nog liefst op de persdienst van de toenmalige BRT, die op dat moment werd geleid door Hugo Morrens, waarmee ik omwille van mijn televisiebijdragen veel contact had gehad en waarmee ik (behalve een kleine frictie in mijn beginperiode toen ik nog voor het regionale weekblad De Voorpost werkte) goed kon opschieten.
Hugo Morrens ving deze signalen wel op, maar interpreteerde ze verkeerd, zodat hij mij niet bij de BRT maar wel op het kabinet van De Batselier binnenloodste. Of beter gezegd: wou binnenloodsen. Er was immers geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht op de vraag in te gaan. Dat kan mijn toenmalige vriendin getuigen die mij destijds afzette aan het fameuze gebouw in de Keizerslaan, waar ik later nog zovele ongelukkige jaren zou slijten en waar ik toen moest gaan “solliciteren” bij Carla Galle. Ik had haar (mijn vriendin) immers gezegd: wacht hier even op mij, ik ben zo terug, dit wordt gewoon een “beleefde weigering”.
Nog een geluk dat het arme mens (alweer die vriendin dus) een Humo had meegebracht, want het was zeker een uur later toen ik weer buitenkwam en dan wel degelijk als toekomstig persattaché van minister De Batselier.
Hoe is het in godsnaam zo ver kunnen komen? Nu leven we in een tijd dat als men niet enthousiast genoeg is, als men bij wijze van spreken niet op de tafel staat te dansen, men al niet wordt aangenomen, laat staan als men bij de aanvang zegt dat men het voorstel toch maar liever wil afwijzen! Waarom heeft Carla Galle zo op mij zitten inpraten?
Ik zou het niet weten. Wat ik wél weet is dat ik haar op 6 februari 1989 een brief schrijf, die ik begin met “Lieve Carla” (om maar te zeggen hoe ver mijn onnozelheid reikte!). Ik nodig haar daarin uit “om eens een glas te gaan drinken of misschien zelfs een hapje te eten” uit dankbaarheid voor haar “roos-kleurige (om een woordspeling meer of minder zit ik nooit verlegen, RDS) voorstelling van mijn persoontje bij Norbert De Batselier” (ik word niet goed!), maar vooral vraag ik haar meer inlichtingen over de manier waarop zij mijn job zag in combinatie met recensiewerk voor De Morgen, zoals ze in het vooruitzicht had gesteld. Uiteraard heb ik nooit geen antwoord gehad. En ik heb later wel voor De Morgen gewerkt, maar dan na een eigen sollicitatie bij de sportredactie (Jules Hanot).
Want uiteraard had ik hoegenaamd geen tijd bij De Batselier om daar ook maar iets nog bij te doen (ik deed daar dagen van tien uur en ik durf gerust zeggen dat dit van alle stafleden het gunstigste regime was; ik werd dan ook vaak vies aangekeken en op een bepaald moment is het met een zekere Ketels zelfs eens tot een scheldpartij gekomen). Hoe ik echter in het sprookje kon geloven dat de SP in die tijd nog kon dicteren wie er bij De Morgen kwam werken, zoals ze dat destijds bij Vooruit en De Volksgazet uiteraard wél nog had gekund, gaat mijn petje te boven. Vandaar, nogmaals Hugo, dat ik alle verantwoordelijkheid op mij neem. IK was de dwaze kloot in heel deze historie en niemand anders.
Enkele jaren later zag ik De Batselier weer, want C.S.C. staat voor “Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid”, dus het spreekt vanzelf dat wij ook deel uitmaakten van de “cel cultuur” van de SP, waarvan De Batselier de voorzitter was. Bij elke vergadering drukte hij me amicaal de hand, maar nooit ofte nooit heeft hij ook blijk gegeven van een teken van herkenning. Wie weet, misschien was hij me inderdaad gewoon vergeten, mijn verblijf is tenslotte heel kortstondig geweest en bovendien was het ook voor hem allesbehalve een prettige periode. Het was immers de periode van de mijnsluitingen, waarvoor hij als minister van economie verantwoordelijk was. Het spreekt vanzelf dat dit ook niet heeft bijgedragen om mijn taak te vergemakkelijken. Herman Verheyden, een ouwe rot in het vak, heeft me dat toen nog gezegd, waarmee hij zowat de enige moet zijn geweest, die me in die donkere periode trachtte een riem onder het hart te steken.
Met deze opmerking wil ik van de gelegenheid gebruik maken om een misverstand recht te zetten. Velen denken namelijk dat mijn huidig engagement voor de N-VA te maken heeft met wat er in die tijd en de daarop volgende jaren is gebeurd. Niets is minder waar. Eerst en vooral, na De Rode Vaan moest ik ondervinden dat de kansen voor iemand die van daar komt, niet voor het rapen liggen. De SP heeft mij die kansen geboden (ook Agalev heeft mij een aanzoek gedaan, maar dat was voor mij nog veel ondenkbaarder dan de SP) en ik heb ze verkwanseld. Dat is dus op de eerste plaats mijn eigen schuld. En ook al zou ik van alles kunnen opmerken over bepaalde mensen waarmee ik destijds bij de SP heb gewerkt, dan ga ik dat niet doen omdat ik vind dat ik op de eerste plaats toch de hand in eigen boezem moet steken. Wat ik ze wél wil verwijten, is een gebrek aan mededogen, vooral omdat dit toch altijd één van hun slogans is geweest. En daarvoor hoef ik zelfs niet eens mijn eigen persoontje als voorbeeld te nemen, ik ken er ook nog andere, die ik met mijn eigen ogen heb ten onder zien gaan.
Maar nogmaals, dat heeft allemaal niets met mijn keuze voor N-VA te maken, dat trouwens zelfs nog niet eens bestond in de periode waarover ik nu spreek. Nee, die keuze heb ik elders op mijn blog al diverse malen uitgelegd en die komt telkens neer op een positieve keuze voor Vlaanderen en dus zeker niet uit rancune tegenover de SP, laat staan tegenover het socialisme.
Anderzijds is het wel zo dat de giftige manier waarop de sp.a (zoals ze nu heten) op de N-VA reageert (vraag dat maar aan Dylan Casaer en de andere socialisten van Aalst) en vooral ook het getreiter en gejen (ik wil het modewoord “pesten” niet gebruiken) van mijn vroegere communistische kameraden die nu voor sp.a of Groen! stemmen ervoor zorgt dat die afkeer er stilaan wel komt. Ik denk nochtans dat ik het spel eerlijk heb gespeeld. Ik denk dan vooral aan sociale media als Facebook en dergelijke. Uiteraard kom ik uit voor mijn ideeën en wil ik andere mensen overtuigen, maar ik doe dat altijd op mijn eigen pagina, ik ga nooit op de accounts van anderen mijn ideeën uitdragen. Dat is iets wat zeker niet kan gezegd worden van mijn tegenstanders. En het strafste is dan nog: dat mij verzuring wordt verweten. Enfin, ze doen maar. In mei volgt de afrekening…

Lees verder “Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier”

Het Sienjaal: 20 jaar later

Het Sienjaal: 20 jaar later

Voor vele progressieven in Vlaanderen is de oproep van Volksunie voorman Maurits Coppieters (1920-2005) en SP- boegbeeld Norbert De Batselier (1948) in 1996, om de progressieve krachten in Vlaanderen te bundelen, verdwenen in het rijk der nevelen van de geschiedenis. De oproep werd Het Sienjaal genoemd naar de titel van een dichtbundel (1919) van Paul Van Ostaijen. Vraag: wat is er van Het Sienjaal overgebleven? “Naar mijn weten,” schrijft Miel Dullaert,  “is er één publicatie die er een heel dossier van 90 blz. aan besteed heeft, met name het theoretisch maandblad  van de SP.a, Sampol.”
Lees verder “Het Sienjaal: 20 jaar later”

Het Masereelfonds bestaat 45 jaar…

Het is vandaag precies twintig jaar geleden dat Maurits Coppieters de feestrede hield ter gelegenheid van het 25-jarige bestaan van het Masereelfonds. Dat was in de tijd dat linkse progressieven nog Vlaamsgezind waren. In 1978 vroeg Wouter Vloebergh van het Wase weekblad “De Voorpost” mij om de toenmalige voorman van de Volksunie te gaan interviewen. Nou, “vroeg”… het was eerder een opdracht. Ik weet nog goed dat ik er met grote tegenzin aan begon. Niet alleen had ik helemaal geen interesse in de lokale politiek, bovendien was ik in die tijd nog “politiek correct” en huldigde ik als “linkse” het principe dat men zowat elke bevrijdingsstrijd moest steunen, behalve die van z’n eigen volk, een standpunt dat de linksliberalen (*) ook nu nog altijd aankleven. Als klap op de vuurpijl was de aanleiding voor het interview een beleidsbrief van Coppieters als voorzitter van de Nederlandse Cultuurraad (de voorganger van het Vlaamse parlement) opdat de voertaal van de Tour de France, die dat jaar door Vlaanderen zou passeren, Nederlands zou zijn, een oekaze die me niet alleen koud liet, maar ook nog eens tegen mijn geliefde sport inging. Ik deed het dus enkel maar omdat het een “eer” was deze man te mogen interviewen en Wouter mij daarvoor speciaal had uitgekozen.
Zoveel jaren later liggen de kaarten helemaal anders en kijk ik juist met ontzag op naar de heer Coppieters, precies omdat hij de sociale dimensie van de Vlaamse strijd zo goed kon verwoorden, net zoals Jef Turf dat bij ons op de redactie van De Rode Vaan vanuit de andere richting deed. Ik meen me trouwens te herinneren dat ook Jef een grote achting had voor Maurits Coppieters. Dat was alleszins ook het geval met mijn derde baas in dit verhaal, Norbert De Batselier, maar daar stap ik gemakshalve maar over. Ik ben dus zelf benieuwd wat ik nu, meer dan dertig jaar later, van dat interview ga vinden (ikzelf ben nu even oud als Coppieters, die ik een “éminence grise” vond, toen was).
Lees verder “Het Masereelfonds bestaat 45 jaar…”

Dree Peremans wordt 65…

Dree Peremans wordt 65…

De laatste keer dat ik Dree Peremans (rechts op de foto) heb gezien was zes jaar geleden toen hij me wou spreken over de toen pas overleden Dirk Van Esbroeck, waaraan hij een paar jaar later een boek heeft gewijd. De omgekeerde beweging, dus ik die Dree ging interviewen, is nog veel langer geleden. Dan spreken we over 1987, de periode van de mijnsluitingen. Een paar jaar later zou ik dat trouwens aan den lijve ondervinden op het kabinet van De Batselier
Lees verder “Dree Peremans wordt 65…”